Een stadop een berg

Deel 1 · Hoofdstuk 2

Rijnsburg

het dorp waar iedereen het woord mocht nemen

1620Het oude centrum aan de Vliet

Wie door het oude centrum van Rijnsburg loopt, komt vanzelf bij het water. De Vliet stroomt dwars door het dorp, langs huizen en bruggen. Aan het Moleneind staat een boerderij die al in de zestiende eeuw met haar voorhuis recht op dat water lag. Ze is nu een rijksmonument. Een eindje verderop, aan de Spinozalaan, staat een klein huis uit 1660. In april 2026 ging het na een verbouwing weer open als museum.

En ergens in het dorp hangt een straatnaambord met een woord dat de meeste voorbijgangers niets zegt: Collegiantenstraat.

Het is het enige spoor in het straatbeeld dat ik heb gevonden van een gemeenschap die hier bijna twee eeuwen samenkwam. Ze hadden geen predikant en geen preekstoel. Ze vroegen niemand om een geloofsbelijdenis. Twee keer per jaar kwamen ze uit de hele Republiek naar dit dorp bij Leiden, om samen de Bijbel te lezen, te bidden, brood en wijn te delen en volwassenen te dopen in het water. Iedereen mocht spreken. Dat was in de zeventiende eeuw opvallend, en voor veel mensen ook verdacht.

Het begon met een predikant die weg moest.

DRIEHONDERD LEGE KANSELS

In 1618 en 1619 vergaderde in Dordrecht een grote synode, een kerkvergadering van de gereformeerde kerk. De kerk lag al jaren in een bittere strijd. Aan de ene kant stonden de remonstranten, die vonden dat de mens vrij is om Gods genade aan te nemen of af te wijzen. Aan de andere kant stonden de contraremonstranten, die de nadruk legden op Gods uitverkiezing. De synode koos voor de contraremonstranten. Ongeveer driehonderd remonstrantse predikanten werden uit hun ambt gezet.

Een van hen was Christiaan Sopingius, predikant in Warmond, een dorp aan de rand van de Kagerplassen. In 1619 zette de synode van Zuid-Holland hem af. Zijn gemeente bleef achter zonder voorganger.

In die gemeente zat een familie van looiers, mensen die huiden tot leer bewerkten. Het waren de broers Van der Kodde: Adriaan, Gijsbert en Jan. Ze woonden verspreid over Rijnsburg, Warmond en Oegstgeest. Een andere broer, Willem, was hoogleraar Hebreeuws in Leiden. Het waren dus geen ongeletterde boeren. Zilverberg, die over hen schreef in het tijdschrift De Zeventiende Eeuw, noemt Gijsbert een erudiete landbouwer.

EEN PSALM, EEN ONDERWIJZING, EEN UITLEG

Gijsbert van der Kodde deed in de zomer van 1619 een voorstel. Volgens een Leidse studie over de beweging was het in augustus. Als er geen predikant was, konden ze dan niet gewoon samenkomen? Een paar hoofdstukken uit de Bijbel lezen, samen bidden en elkaar opbouwen? In de Reformatie waren zulke samenkomsten niet zo vreemd, schrijft het oude Biographisch woordenboek. Gijsbert was wel de eerste die er hier een leidde.

Hij beriep zich op een tekst van Paulus over de samenkomsten in Korinthe: Hoe is het dan, broeders? Telkens wanneer u samenkomt, heeft iedereen een psalm, of hij heeft een onderwijzing, of hij heeft een andere taal, of hij heeft een openbaring, of hij heeft een uitleg. Laat alles gebeuren tot opbouw. (1 Korinthe 14:26). Wie iets te zeggen had, zei het. Niet vanaf een kansel, maar vanaf zijn plaats aan tafel. De collegianten noemden dat vrijspreken.

Hoe zou het voor jou zijn, een kerkdienst waarin niemand vooraf weet wie het woord neemt?

Voor de remonstrantse leiders was het een probleem. Ze wilden de gemeente in Warmond overeind houden en stuurden een voorganger, Henricus Holthenus. Gijsbert raadde hem aan een ambacht te leren. Daarna kwam Wouter Cornelisz van Waerder. Gijsbert vroeg of hij in de diensten vrij mocht spreken. De meerderheid van de gemeente wilde dat niet.

Toen Paschier de Fijne de gemeente ging dienen, deed hij een voorstel. Hij zou eerst preken, en daarna kon er een samenkomst zijn waarin iedereen mocht spreken. De broers weigerden. Met een kleine groep medestanders gingen ze apart vergaderen. De Fijne kwam zelf nog een paar keer kijken. Volgens Zilverberg slaagden de remonstrantse voorgangers er niet in de groep terug te winnen.

EEN LOOIERSVIJVER IN JULI 1620

In 1620 verhuisde Gijsbert van der Kodde naar Rijnsburg. Daar begon de groep echt een eigen leven. Ze kwamen samen in een woonhuis, en hun samenkomsten heetten colleges. Zo kwamen ze aan hun naam: collegianten, of naar hun dorp, Rijnsburgers.

Op 1 juli 1620 vroeg een man die Joannes Geesteranus heette als eerste om gedoopt te worden door onderdompeling. Bij die doop gaat een volwassene helemaal kopje onder. De gereformeerde kerk, waar de meeste Hollanders bij hoorden, doopte kinderen, met water over het hoofd.

De eerste dopen vonden plaats in een looiersvijver. Later doopten de collegianten in de Vliet, het water dat nog steeds door het dorp loopt. Uiteindelijk kwam er een vaste doopbak bij hun eigen huis. Deze details komen uit één Leidse studie, die zich baseert op het werk van de doopsgezinde historicus Meihuizen. Ik heb ze niet in een tweede bron teruggevonden.

Volgens diezelfde studie kwam het idee van de onderdompeling via Johannes Crellius, een man met contacten bij de Poolse socinianen. Over die socinianen straks meer, want hier begint ook de argwaan.

Eén ding was voor de collegianten van het begin af aan belangrijk. Niemand hoefde gedoopt te zijn om mee te doen. Wie wilde, liet zich dopen. Wie dat niet wilde, was evengoed welkom aan tafel.

PINKSTEREN EN EIND AUGUSTUS

Na 1640 groeide de beweging snel. In steden door de hele Republiek ontstonden colleges, in Amsterdam, Rotterdam, Leiden, Hoorn en Haarlem. Rijnsburg bleef het hart.

Twee keer per jaar was er in Rijnsburg een grote vergadering: met Pinksteren en eind augustus. Collegianten uit het hele land reisden ernaartoe. Op zaterdagochtend, voor de vergadering begon, werden buiten de dopelingen gedoopt. Volgens de doopsgezinde encyclopedie GAMEO mocht de dopeling zelf kiezen wie hem doopte. Daarna volgden dagen van Bijbellezen, spreken, bidden en het avondmaal, het delen van brood en wijn zoals Jezus dat met Zijn leerlingen deed.

Omdat er steeds meer mensen kwamen, kochten de collegianten een huis en bouwden het om. Ze noemden het het Groote Huis. Er konden gasten logeren. Volgens de Engelse Wikipedia, die zich beroept op een studie van de gemeente Katwijk, stond het aan de huidige Kwakelsteeg. Wat er van dat huis over is, heb ik niet kunnen vaststellen.

De samenkomsten waren open voor iedereen die de Bijbel aanvaardde als Gods Woord. Je hoefde geen belijdenis te ondertekenen en je mocht gewoon lid blijven van je eigen kerk. Mensen uit verschillende kerken en standen zaten er als gelijken naast elkaar. Volgens de neerlandicus Peter van Zonneveld mochten ook vrouwen het woord nemen. Dat heb ik in mijn andere bronnen niet zo uitdrukkelijk gelezen.

Een bekende bezoeker van een college was de Engelse filosoof John Locke. In 1684 was hij in Haarlem bij een samenkomst. In zijn dagboek schreef hij verbaasd over de vrijheid van spreken, en dat ze iedere christen toelieten tot hun avondmaal.

EEN VERDACHT GEZELSCHAP

Hier moet ik eerlijk zijn over iets wat bij dit verhaal hoort. De collegianten waren in hun tijd zeer omstreden, en dat had redenen.

Het grootste verwijt was socinianisme. De socinianen waren een beweging met haar zwaartepunt in Polen. Ze wezen de leer van de Drie-eenheid af: de belijdenis dat God één is in drie personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Voor de meeste christenen raakte dat aan het hart van het geloof, omdat het gaat over wie Jezus is.

Gereformeerde predikanten beschuldigden de collegianten er tot ver in de achttiende eeuw van. Zilverberg vindt dat die beschuldigingen vaak ongegrond waren. Helemaal uit de lucht gegrepen waren de verwijten ook weer niet. Er liepen lijnen naar socinianen, zoals die van Crellius, en de Leidse studie noemt het collegiantisme deels door hen beïnvloed. En omdat niemand een belijdenis hoefde te ondertekenen, lag er ook geen maatstaf vast om iemand te weren. Zo zie ik het tenminste.

Er was een tweede bezwaar. De collegianten vonden een vaste, geordende predikant niet nodig. Ze wezen ook af wat ze het constantijnse christendom noemden: een kerk die leunt op de staat. De gereformeerde kerk was de publieke kerk van de Republiek, met steun van de overheid. Ook de remonstranten hielden afstand. En de doopsgezinden verweten de collegianten hun invloed in een Amsterdamse ruzie die de geschiedenis in ging als de Lammerenkrijg.

Hoe kijk je daarnaar? Je kunt de collegianten zien als mensen die het gesprek openhielden in een tijd van harde kerkstrijd. Je kunt ook vinden dat een gemeenschap zonder grenzen in de leer de deur openzet voor alles. Beide kanten hadden in de zeventiende eeuw hun woordvoerders. Ik ga dat hier niet beslechten. Wel zie ik dat dezelfde vrijheid die sommigen aantrok, anderen juist afschrikte.

EEN HUURDER AAN HET KATWIJKERLAANTJE

Op 29 juli 1661 nam een jonge man een kamer in het huis van de chirurgijn Herman Homan. Hij heette Benedictus de Spinoza, en hij zou een van de bekendste filosofen van Europa worden. Hij woonde tot 1663 in Rijnsburg en schreef er.

Was het toeval dat hij juist hier kwam wonen? Zilverberg houdt het erop dat hij waarschijnlijk contact had met de collegianten, al bezocht hij hun vergaderingen misschien niet. Van Zonneveld schrijft dat hij waarschijnlijk met meerdere collegianten bevriend was. Meer zeggen de bronnen niet met zekerheid.

Wat wel vaststaat: Spinoza’s ideeën brachten de beweging later in grote problemen. Aan het eind van de zeventiende eeuw ontstond een felle strijd, de Bredenburgse twisten, genoemd naar de Rotterdamse koopman Johannes Bredenburg. Hij leidde de partij die Spinoza’s denken volgde. De Amsterdamse boekverkoper Couper schreef tegen hem een boek waarvan de titel hem van atheïsme beschuldigde. De collegianten in Rijnsburg vielen uiteen in twee partijen, elk met een eigen vergaderplaats. Pas rond 1700, toen de hoofdrolspelers gestorven waren, kwam er verzoening, onder meer door Coenraad van Diepenbroek.

Het is een eerlijk stuk van de geschiedenis. Een gemeenschap die iedereen het woord gaf, kreeg ook woorden te horen die haar uit elkaar trokken.

WEZEN UIT DE HELE REPUBLIEK

De invloed van de collegianten bleef niet binnen de muren van hun samenkomsten. Het duidelijkst is dat te zien in Amsterdam.

In 1675 huurden Amsterdamse collegianten een pand aan de Keizersgracht. In 1677 kochten ze het. Het werd een weeshuis, De Oranjeappel. In 1680 kwam er een meisjesweeshuis aan de Herengracht bij. In de weeshuizen kwamen de collegianten ook zelf samen. Volgens de historicus Wessels kwamen de wezen uit de hele Republiek.

Op 10 februari 1746 werd er een meisje opgenomen van wie de ouders een jaar eerder gestorven waren. Ze heette Aagje Deken. Ze bleef er tot 1767. Een van de regenten in die jaren was de geschiedschrijver Jan Wagenaar, en volgens de Leidse studie kreeg Aagje onderwijs van hem. Ook de Amsterdamse boekverkoper Isaak Tirion was er regent.

Aagje Deken zou later samen met Betje Wolff bekend worden als schrijfster. Ze schreef ook over het huis waar ze opgroeide. Op 11 augustus 1775 verscheen van haar het Eeuwgetijde van het Weeshuis der Collegianten De Oranjeappel, bij de honderdste verjaardag van het huis. In 1760 liet ze zich in Rijnsburg dopen.

Volgens Wikipedia bestaat De Oranjeappel nog altijd als stichting voor jeugdwerk. Ik heb dat niet in een eigen bron van die stichting kunnen controleren.

EEN PREEK OP PINKSTERZONDAG 1757

Jan Wagenaar was zelf ook in Rijnsburg geweest. Op 26 augustus 1730 werd hij daar gedoopt, bij de vergadering van eind augustus. Later schreef hij grote werken over de geschiedenis van het vaderland en van Amsterdam. In 1745 schreef hij een redevoering over de waterdoop, waarin hij benadrukte dat wie in Rijnsburg gedoopt werd, vrij bleef om zich wel of niet bij het gezelschap te voegen.

Op 29 mei 1757 stond in Rijnsburg een Leidse arts op om te spreken. Hij heette Jacob van Eems. Die dag was het Pinksterzondag. Zijn toespraak is bewaard gebleven in een handschrift in het Allard Pierson in Amsterdam. Het onderwerp was christelijke verdraagzaamheid.

Ik vind dat een mooi beeld. Een arts, geen dominee, die op het feest van de Heilige Geest in Rijnsburg opstaat en spreekt over hoe christenen elkaar moeten verdragen. In Rijnsburg was dat al meer dan een eeuw de praktijk.

Hoe groot was de invloed van zulke woorden op de samenleving? Daarover verschillen historici. De historicus Andrew Fix ziet in de collegianten een van de bronnen van de Nederlandse Verlichting, omdat ze de rede een plaats gaven in het geloof. In de periode zonder stadhouder, tussen 1650 en 1672, sloten zich ook invloedrijke regenten bij hen aan, zoals Coenraad van Beuningen en Adriaan Paets. De historicus Jonathan Israel is voorzichtiger over de Nederlandse verdraagzaamheid in het algemeen. Hij beschrijft die vóór 1800 vooral als een patstelling tussen kerken die elkaar niet konden overwinnen.

De collegianten zelf dachten er in 1775 al over na. Elias van Nijmegen schreef dat jaar de eerste geschiedenis van de Rijnsburgse vergadering. Waarom liep de beweging terug? Een van de redenen die hij noemde, was opvallend. Andere kerken waren verdraagzamer geworden. Hij sprak van een “alom doorbrekende verdraagzaamheyt”. Wat de collegianten bijna alleen hadden gedaan, deden anderen nu ook.

HET LAATSTE PINKSTEREN

De achttiende eeuw was voor de beweging een eeuw van langzaam verval. Er waren jaren zonder één dopeling. Steeds meer colleges in de steden sloten.

En toen kwam de politiek. In de jaren 1780 raakte de Republiek verdeeld tussen de prinsgezinden en de patriotten, die meer invloed wilden voor de burgers. In Rotterdam hoorden twee voormannen van het college, Cornelis van den Bosch en Pieter de Koker, bij de patriotten en bekleedden ze stadsambten. In 1787 trok een Pruisisch leger Rotterdam binnen en kwam stadhouder Willem V terug aan de macht. Collegianten die de patriotten hadden gesteund, kregen het zwaar. Het Rotterdamse college sloot in september 1787. Van den Bosch en De Koker stierven in 1788 in ballingschap in Brussel.

De laatste open vergadering in Rijnsburg was op 27 mei 1787. Het was Pinksterzondag. Die datum komt uit de Engelse Wikipedia; ik heb hem niet in een tweede bron kunnen controleren. In Amsterdam hield het college in 1791 op.

Daarna werd het stil. Volgens Zilverberg werd er tot ongeveer 1800 nog gedoopt en avondmaal gevierd. Het laatste doopsel in Rijnsburg zou in 1801 zijn geweest. In datzelfde jaar schreef de Rotterdamse collegiant Gerard van Nijmegen zijn aantekeningen over de Rijnsburgse vergadering, met een lijst van wie er in de achttiende eeuw gedoopt waren. Het handschrift ligt nu in de bibliotheek van de Remonstrantse Gemeente Amsterdam, in het Allard Pierson.

Toen de laatste collegiant gestorven was, werd in 1828 het bezit in Rijnsburg verkocht.

EEN STRAATNAAM AAN HET WATER

Wat doe je met zo’n verhaal? De collegianten zijn geen kerk die je nu nog kunt bezoeken. Een kerkgebouw of gedenkteken van hen heb ik in Rijnsburg niet gevonden. Wat ze wel nalieten, staat in de bronnen: de gewoonte om samen te komen zonder dat één persoon het laatste woord heeft, en een weeshuis dat kinderen opnam die nergens anders terecht konden.

Over hun leer kun je van mening verschillen, en in hun eigen tijd deden veel christenen dat ook fel. Hun gewoonte om mensen te laten spreken die het niet met elkaar eens waren, zag Elias van Nijmegen in 1775 al terug bij anderen.

Aan het Moleneind ligt de oude boerderij nog met haar voorhuis op de Vliet. Dat water liep er al toen Gijsbert van der Kodde hier kwam wonen. In de kleine kamers aan de Spinozalaan lopen nu bezoekers rond. En op een bord in een woonstraat staat een naam waar je makkelijk overheen leest: Collegiantenstraat.

GA ER ZELF HEEN

Rijnsburg ligt tussen Leiden en Katwijk en hoort bij de gemeente Katwijk. Het oude centrum ligt aan de Vliet. Aan het Moleneind staat boerderij nummer 35, een rijksmonument uit de zestiende eeuw met het voorhuis aan het water. De Grote of Laurentiuskerk staat aan het Burgemeester Koomansplein.

Het Spinozahuis staat aan de Spinozalaan 29. Het museum is in april 2026 heropend na een verbouwing en vertelt over het leven en denken van Spinoza. Kijk voor openingstijden op de website van Museum Het Spinozahuis. Over de collegianten is er in het dorp geen eigen museum of gedenkteken dat ik heb kunnen vinden. De Collegiantenstraat ligt aan een fietsroute langs de monumenten van Katwijk en Rijnsburg.

Wie verder wil, kan in Amsterdam in het Allard Pierson aan de Oude Turfmarkt terecht, waar het handschrift van Gerard van Nijmegen bewaard wordt. Kijk voor de leeszaal op de website van het Allard Pierson.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): het ontstaan in Warmond na de afzetting van Sopingius in 1619; de rol van Gijsbert van der Kodde en zijn broers; samenkomsten zonder predikant en het vrijspreken op grond van 1 Korinthe 14:26; Rijnsburg als middelpunt; de tweejaarlijkse grote vergaderingen met avondmaal en doop door onderdompeling; het Groote Huis als logeerhuis; geen verplichte belijdenis; de verwijten van socinianisme; Spinoza in Rijnsburg van 1661 tot 1663; de Bredenburgse twisten en de verzoening rond 1700; het collegiantenweeshuis De Oranjeappel in Amsterdam en de jeugd van Aagje Deken daar; de preek van Jacob van Eems op 29 mei 1757; de geschiedenis van Elias van Nijmegen uit 1775; het einde van de colleges aan het eind van de achttiende eeuw.

Alleen uit één bron of overlevering: de maand augustus 1619; de eerste doop van Geesteranus op 1 juli 1620 in een looiersvijver en de latere doop in de Vliet; de rol van Crellius; het spreken van vrouwen; het bezoek van Locke; de jaartallen 1675, 1677 en 1680 voor het weeshuis en de herkomst van de wezen; de doop van Wagenaar in 1730; de laatste open vergadering op 27 mei 1787, de laatste doop in 1801 en de verkoop in 1828; de ligging van het Groote Huis aan de Kwakelsteeg.

Onbevestigd: of De Oranjeappel nog als jeugdstichting bestaat; of Spinoza zelf de vergaderingen bezocht; wat er van het Groote Huis over is; het sluitingsjaar van het Rotterdamse college (1787 volgens het Allard Pierson, 1788 volgens Wikipedia).

Duiding: hoeveel de collegianten bijdroegen aan de Nederlandse verdraagzaamheid en de Verlichting is onder historici niet beslist. Fix ziet een duidelijke bijdrage, Israel noemt de verdraagzaamheid van vóór 1800 vooral een patstelling. Of hun open houding in de leer winst of verlies was, is een vraag waarop christenen verschillend antwoorden.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. S.B.J. Zilverberg, “De plaats van het collegiantisme in de zeventiende-eeuwse kerkgeschiedenis”, De Zeventiende Eeuw 5 (1989), via DBNL
  2. Biographisch woordenboek der Nederlanden, lemma Van der Kodde, via DBNL
  3. N. van der Zijpp, “Collegiants”, Global Anabaptist Mennonite Encyclopedia Online (1956)
  4. P. Geenen, masterscriptie Universiteit Leiden over Tirion, Wagenaar en de collegianten (2018)
  5. F. Quatrini, “New details on the history of the Collegiant movement”, Allard Pierson, 27 juni 2025
  6. Wikipedia, “Collegiants”
  7. P. van Zonneveld, “Rijnsburg en Spinoza”, Neerlandistiek, 25 januari 2024
  8. Spinozaweb, “Rijnsburg, Spinozahuis”
  9. Museum Het Spinozahuis
  10. Erasmus Universiteit Rotterdam, heropening Spinozahuis, 9 april 2026
  11. Katwijk Marketing, fietsroute monumenten Katwijk
  12. Rijksmonumentenregister, Moleneind 35 Rijnsburg (527054)
  13. Van den Branden en Frederiks, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde, Aagje Deken, via DBNL
  14. Wikipedia, “Aagje Deken”
  15. L. Knappert, levensbericht J.C. van Slee, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1930, via DBNL
  16. Wikipedia, “Rijnsburg”
  17. J. Israel, “The Enlightenment and Its Learned Societies”, Groniek 208-209
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel