Op de hoek van de Westerblokker en de Kolenbergstraat, in het lint van dorpen ten oosten van Hoorn, staat een kerk met een kerkhof. Het is de Protestantse Kerk van Westerblokker. In de zestiende eeuw was het de rooms-katholieke kerk van Sint-Michaël. Op dat kerkhof staat sinds november 2010 een graftombe met een beeld van een knielende kloosterzuster, gemaakt door Henny Bulsing. In de tombe liggen de resten van vierenzestig mensen, elk in een eigen houten kistje met het kruis van de kruisbroeders erop. Archeologen van de gemeente Hoorn vonden hen bij opgravingen op het kerkhof van een verdwenen klooster.
Een katholieke zuster die bidt op een protestants kerkhof. Ik ken in Nederland weinig plekken waar de geschiedenis van de Reformatie zo stil en zo dicht bij elkaar ligt.
Niet ver daarvandaan, waar nu de nieuwe wijk Bangert en Oosterpolder ligt, stonden ooit twee kloosters. En ergens langs de oude weg tussen Blokker en Zwaag, in een veld bij een van die kloosters, stond op 14 juli 1566 een mandenmaker uit Alkmaar tussen de mensen. Hij liet de mensen een psalm zingen. Hij bad. Hij preekte. Het was de eerste openbare gereformeerde preek in dit deel van Holland, onder de blote hemel en voor het oog van de stadsbestuurders. Een gedenkteken voor dat moment heb ik er niet gevonden.
EEN MANDENMAKER UIT ALKMAAR
De man heette Jan Arentsz. Hij was knecht bij een mandenmaker, Albert Gerritsz., in een werkplaats aan het Luttik Oudorp in Alkmaar. Zo vertelt het een populaire levensbeschrijving door R. Boon, die steunt op de zeventiende-eeuwse geschiedschrijver Geeraerdt Brandt en op later onderzoek.
Volgens die levensbeschrijving kwam Jan in de jaren vijftig onder het gehoor van Cornelis Cooltuyn, een priester in Alkmaar die vanaf 1555 preekte op een manier die naar de nieuwe leer neigde. Jan las de Bijbel en ging elke week luisteren. Cooltuyn moest de stad verlaten en vertrok in 1559 naar Emden, in Oost-Friesland, net over de grens. Jan bleef. Hij vlocht manden en preekte in kleine kring, jarenlang.
Wat dat betekende, moet je weten. In de Nederlanden golden de plakkaten van de koning, strenge wetten tegen ketterij met zware straffen. Wie buiten de rooms-katholieke kerk preekte of samenkwam, zette zijn vrijheid en zijn leven op het spel. Volgens dezelfde levensbeschrijving zochten de autoriteiten in Alkmaar naar Jan, en vluchtte hij op 2 juli 1566 ’s nachts op een kar naar Amsterdam, met hulp van zijn baas en een voerman. Het verhaal van die vlucht, met wachtposten en een waarschuwing van twee ruiters, staat in dat ene boek. Ik heb het niet in andere bronnen kunnen controleren.
In Amsterdam sprak Jan met andere voorgangers. Ze besloten iets te doen wat in Holland nog niet gebeurd was: openlijk preken, buiten de steden, in het veld. Een hagenpreek, heette dat later, omdat de mensen buiten de steden bijeenkwamen, langs hagen en sloten.
TWEE KLOOSTERS AAN DE KOEWIJZEND
Het veld dat ze kozen, lag in Westerblokker, net buiten Hoorn. Daar stond aan de zuidkant van de Koewijzend, een oude scheiding tussen Westerblokker en Zwaag, het klooster Nieuwlicht. Het was tussen 1388 en 1392 gebouwd door reguliere kanunniken. Dat waren geestelijken die samen leefden onder de regel van Augustinus, als monniken, en die hoorden bij de beweging van Windesheim, een vernieuwing van het kloosterleven die vanuit Overijssel door het land was gegaan. Het klooster was gewijd aan Maria. Brandt noemt het eenvoudig het Regulierenklooster.
Net ten noorden ervan, in het buurtschap de Bangert, lag sinds 1475 een vrouwenklooster: Bethlehem. Het hoorde bij de Orde van het Heilig Kruis, de kruisbroeders. In 1494 kreeg het een kapel en een eigen begraafplaats. Rond 1548 stond er een muur om een terrein van ongeveer anderhalve hectare, met een brouwhuis en bijgebouwen.
Het waren geen rustige jaren. Historicus Christiaan Schrickx, die in 2015 promoveerde op Bethlehem, laat zien dat er al in de jaren twintig van die eeuw lutherse ideeën rondgingen in Hoorn. In 1529 drong een groep het klooster Bethlehem binnen en viel de zusters lastig. Hij noemt ook de pastoor van Zwaag, Anthonius Laurensz., die door zijn wangedrag liet zien waarom veel mensen genoeg hadden van de geestelijkheid. Na 1548 traden er nog maar weinig vrouwen in.
Zo zag het er rond Hoorn uit. Kerkhervorming kwam hier niet uit het niets, en ze kwam ook niet zonder slachtoffers.
EEN PSALM IN HET VELD
Het verhaal van 14 juli 1566 staat bij Geeraerdt Brandt, die in 1671 een grote geschiedenis van de Reformatie in de Nederlanden schreef. Hij werkte met oudere kronieken. Een kroniek uit Alkmaar noemt dezelfde datum en verwijst naar de geschiedschrijver Pieter Bor.
Jan Arentsz. preekte in een veld bij Hoorn, voor het Regulierenklooster, aan de weg van Blokker naar Zwaag en de Bangert. De mensen kwamen in groten getale uit de stad en uit de dorpen eromheen. Hoeveel het er waren, schrijft Brandt niet. Jan liet hen eerst een psalm zingen. Daarna bad hij, en toen begon hij te preken.
Een psalm zingen in het open veld, in het Nederlands, met een mandenmaker als voorganger. Voor wie dat nu leest, klinkt het gewoon. In 1566 kon het je leven kosten.
HET TIENDE HOOFDSTUK VAN JOHANNES
Op datzelfde moment zaten de burgemeesters van Hoorn aan tafel in het klooster, bij de kanunniken. Bij hen waren de schout, meester Joost Huikesloot, zijn onderschout Henrik Korver en twee jonge edellieden uit Zuid-Holland. De schout was de hoogste dienaar van het gerecht in de stad, de man die moest optreden tegen ketterij.
Ze hoorden het lawaai en stuurden iemand kijken. Die kwam terug met het bericht dat er gepreekt werd. Ze waren verbaasd, schrijft Brandt.
De schout, de onderschout, een van de monniken en de twee edelen liepen naar de sloot tussen de weg en het klooster, vlak achter de prediker. Misschien wilden ze hem bang maken. Jan preekte door. Toen sprong een van de monniken met een luide kreet over de sloot, in de hoop dat de mensen uiteen zouden gaan. Niemand ging weg.
De schout riep dat hij hun het tiende hoofdstuk van Johannes wel zou leren, en liep terug naar het klooster. Vrij vertaald uit de Engelse uitgave van Brandt: “Ja, ja, ik zal jullie Johannes tien wel leren.” Wat hij bedoelde, zegt Brandt niet. Waarschijnlijk dacht hij aan het begin van dat hoofdstuk: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie de schaapskooi niet door de deur binnengaat, maar van elders naar binnen klimt, die is een dief en een rover. (Johannes 10:1). Een preker zonder wijding van de kerk kon in zijn ogen zo iemand zijn.
De onderschout en de edelen bleven. Ze hoorden de hele preek aan. Na afloop zeiden ze tegen de monniken dat het hun niet slecht was bevallen.
TOEVALLIG AAN TAFEL?
Was het toeval dat het stadsbestuur juist die dag bij de kanunniken at? Schrickx denkt van niet. Hij noemt de twee edelen bij naam: Adriaan van Swieten en Jakob Kopier, vroege tegenstanders van het Spaanse bewind. Volgens hem wisten sommige raadsleden van tevoren wat er ging gebeuren en regelden ze het met deze edelen, zodat ze er “toevallig” bij konden zijn. Het stadsbestuur van Hoorn stond volgens hem tamelijk verdraagzaam tegenover de nieuwe leer.
Dat maakt het verhaal anders, en misschien menselijker. Wie in 1566 in een stadsbestuur zat, moest kiezen tussen de wet van de koning en de mensen in zijn eigen stad. Sommigen kozen voor een maaltijd op de juiste plek.
Over de gewone mensen in het veld weten we bijna niets. Geen namen, geen aantallen. Wel dit: ze bleven staan toen de schout en een monnik op hen afkwamen. Wat zou jij gedaan hebben, met de schout van je stad aan de overkant van de sloot?
Er is ook iets wat ik eerlijk moet zeggen over het woord “eerste”. Brandt en een kroniek uit Alkmaar noemen dit de eerste openbare gereformeerde preek van Holland. Schrickx houdt het voorzichtiger op de eerste ten noorden van het IJ. En in diezelfde Alkmaarse kroniek staat ook een preek van Jan bij Zwaag op 4 juli, en een in Amsterdam op 13 juli. Die data heb ik nergens anders teruggevonden. De datum van 14 juli is het best gedocumenteerd.
EEN PRIESTER OP DE JAAPSWERF
Wat er die zomer volgde, ging snel. Op zondag 21 juli werd er gepreekt bij Overveen, buiten Haarlem. Over het aantal mensen lopen de schattingen uiteen van ongeveer driehonderd tot vijfduizend. De dag erna preekte Jan Arentsz. daar zelf. Op 25 juli hield Pieter Cornelisz. achter Grootebroek de eerste openbare preek voor de inwoners van Enkhuizen. Jan preekte ook in een korenveld buiten Alkmaar, de stad waaruit hij een paar weken eerder gevlucht was. Op veel plaatsen kwamen de hoorders gewapend. Ze zeiden dat ze zich wilden kunnen verdedigen.
In augustus begon in West-Vlaanderen de beeldenstorm. Groepen mensen trokken kerken binnen en vernielden beelden, altaren en schilderijen. De golf ging door de Nederlanden en bereikte ook Holland. Hoorn bleef in 1566 grotendeels gespaard, schrijft Schrickx.
In Hoorn gebeurde iets anders. Op 14 september 1566 verliet Clement Maertsz., priester van de Sint-Anthoniskerk in de stad, de rooms-katholieke kerk. Hij begon openlijk te preken op ’t Keern, op een plek die de Jaapswerf heette. Hij doopte er kinderen en trouwde er mensen. Hij had een helper, Evert Gerritsz. Gorter. Onder zijn hoorders waren, zegt Brandt, enkele van de voornaamste burgers.
Hier zie je hoe een gemeente begint. Ze begint niet met een kerkgebouw. Ze begint met mensen die hun kinderen laten dopen en zelf trouwen buiten de kerk van hun ouders. In een stad als Hoorn bleef dat voor niemand verborgen.
Jan Arentsz. ging terug naar Amsterdam. Volgens zijn levensbeschrijving leidde hij daar de gereformeerde gemeente in de kapel van het minderbroedersklooster, tot mei 1567.
ROOK BOVEN DE BANGERT
Die ruimte duurde kort. In Amsterdam verboden de burgemeesters op 17 april 1567 de gereformeerde preek. Voorgangers en burgers die hen gesteund hadden, vluchtten. De Amsterdamse koopman Laurens Reael bijvoorbeeld kwam op 22 mei 1567 aan in Emden. Later werd hij door de hertog van Alva vogelvrij verklaard en zijn huis in beslag genomen.
Ook aan de kant van de opstandelingen ging het niet zachtzinnig. Op 2 mei 1567 plunderden soldaten van Hendrik van Brederode, een van de leiders van de opstandige edelen, het klooster Bethlehem en staken het in brand. Een van de plunderaars, Jan Lubbertsz. Cranckhooft, werd op 13 november 1568 ter dood veroordeeld.
In oktober 1568 kwam er opnieuw onheil naar de Bangert. Dirk Maertsz. van Schagen kwam op 21 oktober met een groep mannen geld afpersen van de kanunniken en de zusters. Mannen uit de buurt namen hem en zijn volgelingen gevangen. Eind november 1568 werden ze terechtgesteld.
Tussen 1566 en 1570 trad er in Bethlehem niemand meer in. Wat de zusters zelf van deze jaren vonden, heb ik nergens opgeschreven gevonden.
WACHTEN IN EMDEN
Toen de hertog van Alva in 1567 namens de koning naar de Nederlanden kwam, begon de vervolging. Jan Arentsz. vluchtte over de grens naar Emden, waar ook zijn oude leraar Cooltuyn heen was gegaan. Brandt schrijft dat hij met zijn vrouw en kinderen ook een tijd in Kampen woonde. Of hij in 1571 de synode van Emden bijwoonde, een kerkvergadering van gereformeerde Nederlanders in ballingschap, is onzeker.
Over de mensen die in juli 1566 in het veld bij Westerblokker hadden gestaan, heb ik voor deze jaren geen namen gevonden. Wie bleef, hield zich stil. Wie kon, vertrok.
DE BEELDEN UIT DE GROTE KERK
In 1572 draaide alles om. Op 18 juni 1572 koos Hoorn de kant van Willem van Oranje, de leider van de opstand.
Twee weken later, op 3 en 4 juli, werden in de Grote Kerk van Hoorn de altaren en beelden vernield. Wat Hoorn in 1566 bespaard was gebleven, gebeurde nu alsnog. Op 30 juli kwam het bevel om de kerkschatten uit de dorpen rond Hoorn naar Dordrecht te brengen. Daar hoorden ook de schatten van Nieuwlicht en Bethlehem bij.
Jan Arentsz. kwam terug. De mandenmaker die zes jaar eerder ’s nachts uit Alkmaar was gevlucht, werd in 1572 predikant in diezelfde stad. In maart 1573 leidde hij in Alkmaar een synode, een vergadering waarop de jonge gereformeerde kerken van het Noorderkwartier hun zaken regelden. Uit de groepjes die in velden en huizen bijeen waren gekomen, groeiden nu gemeenten met een kerkenraad en een predikant, in de kerkgebouwen die tot dan toe katholiek waren geweest.
Op 28 augustus 1573 stierf Jan Arentsz., terwijl Spaanse troepen Alkmaar belegerden. Het ontzet van de stad op 8 oktober 1573 heeft hij niet meer meegemaakt.
VIJFTIG ZUSTERS OP EEN SCHIP
Voor de kanunniken en de zusters aan de Koewijzend betekende 1572 het einde. De kanunniken van Nieuwlicht vluchtten. Op 28 oktober 1572 beval Willem van Oranje dat de kloosterzusters uit de omgeving samengebracht moesten worden in één klooster in Hoorn. Op 12 december gebeurde dat.
Hoorn vroeg op 23 november 1572 toestemming om Nieuwlicht af te breken. Het grote complex buiten de stad zou een vijand als fort kunnen dienen. Op 14 december begon de sloop. Op 6 maart 1573 sloot de stad een contract voor de afbraak van de overige kloostergebouwen, waarschijnlijk ook Bethlehem. Een archiefstuk over de sloop van Bethlehem zelf heeft Schrickx niet gevonden.
Op 9 en 10 maart 1573 werden ongeveer vijftig zusters per schip naar Amsterdam gebracht. Volgens berichten werden sommigen van hen door soldaten mishandeld. Ongeveer tachtig zusters bleven in Hoorn, in het Agnesklooster. Vanaf 1574 kregen ze een uitkering uit de kloostergoederen. In 1597 woonden er nog zesendertig zusters, en kregen veertig andere vrouwen die buiten het klooster leefden ook steun.
De goederen van de kloosters kwamen aan de stad en de Staten. In 1584 werden de bezittingen van de abdij van Egmond, van Nieuwlicht en van Pietersdal verloot onder zeven steden van het Noorderkwartier.
Ik vind het belangrijk om dit hier te vertellen. Voor de gereformeerden in Hoorn was 1572 een bevrijding. Voor deze vrouwen, die hun leven aan God hadden gegeven op hun eigen manier, was het het verlies van hun huis, hun gebedsplaats en hun gemeenschap.
DE SCHOUT IN 1575
Er is nog één naam die terugkomt. In 1575 stelde Diederik Sonoy, die in het Noorderkwartier namens Oranje optrad, een bijzondere rechtbank in. Die moest katholieke huisvaders berechten die verdacht werden van verraad. De rechtbank zat eerst in Alkmaar, daarna op het slot van Schagen. Een van de leden was meester Joost Huikesloot, schout van Hoorn.
Dezelfde naam en hetzelfde ambt als de man die in juli 1566 bij de sloot stond en riep dat hij de prediker Johannes 10 zou leren. Ik ga ervan uit dat het dezelfde man is, maar de bron over 1575 legt het verband niet zelf. Of hij van gedachten veranderde, of de macht diende die er op dat moment zat, heb ik niet kunnen vinden. Negen jaar na de hagenpreek bij Westerblokker waren de rollen omgedraaid: nu stonden katholieke burgers terecht.
EEN KNIELENDE ZUSTER
Van Nieuwlicht bleef een ruïne over, die er tot 1834 stond. Bij opgravingen en waarnemingen in 1932, 1952, 1987 en 2003 kwamen er resten tevoorschijn, onder meer een haardplaat. Het terrein is nu een archeologisch monument. Van Bethlehem bleef de westvleugel lang overeind als deel van een boerderij. Die werd in 1793 ingekort en in 1932 gesloopt. Het terrein lag later vol kassen.
Tussen 2003 en 2008 groeven archeologen het klooster Bethlehem op, voordat er een woonwijk kwam. Ze vonden de gebouwen, de muur, bruggen, waterputten en het kerkhof. Bewoners van Blokker maakten de kloostermoppen schoon, de grote bakstenen uit de oude muren, en bouwden er aan de Bangert een poort van. Een sluitsteen uit Nieuwlicht kreeg een plek in een nieuwe poort.
En de zusters zelf, en de mannen die op hun kerkhof begraven waren, gingen op 28 oktober 2010 opnieuw de grond in. Op het kerkhof van de oude Sint-Michaëlskerk, die sinds de Reformatie protestants is. Een paar dagen later werd het beeld onthuld.
Zo ligt het er nu bij. Het veld waar Jan Arentsz. preekte, kun je niet meer aanwijzen. Er staat geen bord en geen steen. Wie langs de Westerblokker loopt, ziet een protestantse kerk, en op het kerkhof een zuster in steen die op haar knieën bidt.
GA ER ZELF HEEN
De Protestantse Kerk Westerblokker staat op de hoek van de Westerblokker en de Kolenbergstraat in Blokker, gemeente Hoorn. Op het kerkhof staat de graftombe met de knielende zuster van Henny Bulsing, waarin de resten uit het klooster Bethlehem liggen.
Aan de Bangert, bij de nummers 36 en 38, staat de poort die bewoners bouwden van kloostermoppen uit de opgravingen. Beide plekken zijn opgenomen in de Cultuur Historische Route Blokker; kijk voor de route en de andere punten op de website van die route.
Van het klooster Nieuwlicht en van het veld van de hagenpreek is boven de grond niets meer te zien. Het kloosterterrein lag aan de zuidkant van de Koewijzend en is een archeologisch monument. In Hoorn zelf kun je de Grote Kerk en de binnenstad bezoeken, waar de geschiedenis van 1572 verder ging.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de ligging en geschiedenis van het regulierenklooster Nieuwlicht (1388-1392 tot 1572) en het vrouwenklooster Bethlehem (1475 tot 1572-1573); de hagenpreek van Jan Arentsz. bij het Regulierenklooster op 14 juli 1566; de hagenpreken bij Overveen, Grootebroek en Alkmaar in juli 1566; de openlijke preek van Clement Maertsz. in Hoorn op 14 september 1566; de plundering van Bethlehem op 2 mei 1567; de keuze van Hoorn voor Oranje op 18 juni 1572 en de vernieling in de Grote Kerk op 3 en 4 juli 1572; de afbraak van de kloosters en het samenbrengen en wegvoeren van de zusters in 1572-1573; het predikantschap en de dood van Jan Arentsz. in Alkmaar (1572-1573); de opgravingen 2003-2008, de poort aan de Bangert en de herbegrafenis van 2010.
Alleen uit overlevering of kroniek: de details van de preek (de maaltijd in het klooster, de monnik die over de sloot sprong, de uitroep van de schout) komen uit één kroniektraditie, vastgelegd door Brandt in 1671; de jeugd van Jan Arentsz. bij Cooltuyn, zijn nachtelijke vlucht uit Alkmaar en zijn werk in de Amsterdamse minderbroederskapel komen uit een populaire levensbeschrijving; de mishandeling van zusters door soldaten in 1573 is een bericht dat Schrickx doorgeeft.
Onbevestigd: of dit de eerste hagenpreek van heel Holland was of de eerste ten noorden van het IJ; de afwijkende data 4 juli (bij Zwaag) en 13 juli (Amsterdam) in een Alkmaarse kroniek; of Jan Arentsz. in 1571 op de synode van Emden was; of de schout Joost Huikesloot van 1575 dezelfde man is als die van 1566 (zelfde naam en ambt, waarschijnlijk wel); het jaar van de sloop van het tweede klooster Bethlehem (1964 of 1966).
Duiding: dat de schout met Johannes 10 doelde op de dief die niet door de deur binnenkomt, is mijn uitleg. Dat het stadsbestuur de preek mede regelde, is de opvatting van historicus Christiaan Schrickx.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Dutch Revolt (Universiteit Leiden), “The Hedge-Preaching in Holland, July 1566” (G. Brandt)
- DBNL, aanhangsel bij een kroniek van Alkmaar, met verwijzing naar Bor
- R. Boon, Jan Arendsz. de hagepredikant van Alkmaar (Theologienet)
- C.P. Schrickx, Bethlehem in de Bangert (2015), hoofdstuk 3
- C.P. Schrickx, Bethlehem in de Bangert (2015), hoofdstuk 10
- C.P. Schrickx, Bethlehem in de Bangert (2015), hoofdstuk 11
- C.P. Schrickx, Bethlehem in de Bangert (2015), slotbeschouwing
- P. Huijgens, Het Wonderjaar beleefd (masterscriptie Leiden, 2012)
- Monasteries Geoplaza (VU), Nieuwlicht
- Ruimtelijkeplannen.nl, archeologie Westerblokker 159
- Ruimtelijkeplannen.nl, archeologie Bangert-Oosterpolder fase 6
- Archeologie West-Friesland, Bethlehem
- Cultuur Historische Route Blokker, Kloosterpoort Bethlehem
- Cultuur Historische Route Blokker, Graftombe
- Cultuur Historische Route Blokker, Klooster Bethlehem (1908)
- De Erfgoedstem, “Monument voor klooster in Blokker klaar” (27 oktober 2008)
- Oud Hoorn, “Blokkers klooster leeft voort” (2003)
- DBNL, Van der Aa, Biographisch woordenboek: Joost Huikesloot