Aan de Amstel, op nummer 51, staat een gebouw dat je moeilijk in één keer kunt overzien. De gevel is 102 meter lang, plat, met een rij ramen en een fronton in het midden. Toen hij werd gebouwd, was het de langste gevel van Amsterdam. Wie vandaag naar binnen gaat, komt in het H’ART Museum, een museum voor kunst uit de hele wereld. In het najaar van 2026 is er een tentoonstelling over Matisse, met werk uit het Centre Pompidou in Parijs.
Boven de middelste deur staan nog altijd een paar woorden die niets met kunst te maken hebben: “Diaconie Oude Vrouwen Huys anno 1681”. Die deur is een schijndeur. Hij gaat niet open. Maar de woorden erboven vertellen wat dit gebouw ruim drie eeuwen was: een huis waar de kerk van Amsterdam haar oude, arme vrouwen liet wonen. Later kwamen er mannen bij. Het tehuis bestond 324 jaar. In 2007 vertrokken de laatste bewoners.
Achter die gevel ligt een binnenplaats met drie oude kastanjebomen. Daar begint dit verhaal niet. Het begint bij een paar mannen met een collectezak, ruim honderd jaar voordat er één steen lag.
TWEE KASSEN IN ÉÉN STAD
In 1578 ging Amsterdam over naar de Reformatie. Historici noemen dat de Alteratie, de omwenteling. Vanaf dat moment was de gereformeerde kerk de publieke kerk van de stad. Later zou ze de Nederlandse Hervormde Kerk heten. Vanaf dat jaar hield de gereformeerde gemeente in Amsterdam ook boek over het geld voor de armen. Die rekeningen lopen ononderbroken door vanaf 1578.
Wie zorgde voor dat geld? In een gereformeerde gemeente waren dat de diakenen. Het woord komt uit het Grieks en betekent dienaar. In het boek Handelingen kiest de eerste gemeente in Jeruzalem zeven mannen om eten uit te delen, omdat de weduwen van een deel van de gemeente over het hoofd werden gezien. Op dat voorbeeld bouwde de Reformatie. De diakenen haalden elke zondag de collecte op, beheerden giften en erfenissen en zochten de armen thuis op. Samen vormden ze de diaconie.
In Amsterdam bestond naast de diaconie een stedelijke armenzorg. Historicus A.Th. van Deursen beschrijft hoe streng die twee uit elkaar werden gehouden. De kerk zorgde voor haar lidmaten, de stad voor haar burgers. Een lidmaat was iemand die belijdenis had gedaan en aan het avondmaal mocht komen. Wie alleen naar de kerk ging, was dat nog niet.
Het ging om grote bedragen. In de jaren van het Twaalfjarig Bestand, tussen 1609 en 1621, gaf de Amsterdamse diaconie ongeveer 70.000 gulden per jaar uit. De stedelijke armenmeesters, de aalmoezeniers, steunden in 1616 ongeveer 16.000 mensen. De stad groeide snel. Tussen 1500 en 1650 werd Amsterdam van een stad van ongeveer tienduizend inwoners een stad van meer dan tweehonderdduizend.
Dat gaf spanning. In 1604 klaagde de Amsterdamse predikant Helmichius dat arme nieuwkomers naar de stad kwamen om werk te vinden, en daarna de diaconie tot last werden. Van Deursen vond dat nieuwkomers soms een proeftijd van twee of drie maanden kregen, of eerst ondervraagd werden, voordat de diaconie hen hielp.
BROOD, TURF EN EEN HUISBEZOEK
Hoe ging dat in de praktijk? Uit Amsterdam zelf heb ik daar weinig details over gevonden. Van Deursen schetst wel hoe diaconieën in Holland in die jaren werkten, en het beeld is in grote lijnen overal hetzelfde. Diakenen kwamen bij de armen thuis. Ze keken hoe iemand leefde en konden de steun verhogen of verlagen. Steun kwam meestal in natura: brood, kaas, turf om te stoken, linnen, schoenen of klompen. Vaak brachten ze het stil langs, zodat de buren niet zagen wie er hulp kreeg.
Er hoorden regels bij. Wie steun kreeg, mocht niet bedelen. In Delft mocht je ook niet in de herberg zitten. Wie dronk, vocht of vloekte, kon van de lijst worden gehaald. Op andere plaatsen, zoals Haarlem, werden vrouwen buitengesloten van wie de man geen lidmaat was.
Zo’n stelsel roept vragen op die vandaag nog bekend klinken. Hielp de kerk mensen omdat ze arm waren, of omdat ze erbij hoorden? En kwamen sommige mensen naar de kerk omdat er brood te halen viel? Tijdgenoten verdachten elkaar daar openlijk van. Gereformeerden zeiden het van de doopsgezinden, omdat hun diakenen ook royaal gaven. Een tekst uit die tijd spreekt over mensen “derwelker buyk haren God is”, mensen die eigenlijk voor hun maag kwamen. Van Deursen waarschuwt wel dat je niet moet aannemen dat de armenzorg de armen massaal de kerk in trok. Dat effect is moeilijk te meten.
En wie niet bij de publieke kerk hoorde? Katholieken moesten na 1578 hun armenzorg in het verborgene regelen. Daaruit groeide het Roomsch Catholijk Oude Armenkantoor, dat eeuwenlang arme ouderen van katholieke huize hielp. Lutheranen hadden hun eigen diaconie, net als de Waalse, Franstalige gemeente. Elke groep zorgde voor de eigen mensen. Wie nergens bij hoorde, was aangewezen op de stad, en die hielp in principe alleen haar eigen burgers.
EEN KOOPMAN DIE ALLES NALIET
Op 18 oktober 1680 stierf in Amsterdam de koopman Barent Helleman. Hij liet zijn hele vermogen na aan de diaconie, ongeveer 90.000 gulden. Over Helleman zelf heb ik verder niets betrouwbaars gevonden: geen portret, geen brief, geen reden waarom hij zo gaf. Alleen dit ene besluit is bewaard, en het gebouw dat eruit voortkwam.
De diaconie wist wat ze met het geld wilde doen. Tot dan toe bracht ze arme oude vrouwen onder bij particulieren, die er geld voor kregen. Volgens de geschiedenis die het museum later liet vertellen, was dat duur en omslachtig. Een eigen huis zou beter zijn.
De stad hielp mee. Amsterdam was in die jaren naar het oosten uitgebreid, met nieuwe grachten langs de Amstel. De vraag naar bouwgrond viel tegen, en de stad schonk percelen aan liefdadige instellingen. Zo kreeg de diaconie een stuk grond tussen de Nieuwe Herengracht en de Nieuwe Keizersgracht, met de voorkant aan de Amstel.
ZESTIEN MAANDEN BOUWEN
In 1681 ging de bouw van start. Volgens het museum stond het huis er zestien maanden later. Het Rijksmonumentenregister houdt het ruimer en noemt de jaren 1681 tot 1684, wat erop wijst dat er na de opening nog werd doorgebouwd. Het ontwerp wordt toegeschreven aan de stadsarchitect Hans Jansz. van Petersom. Helemaal zeker is dat niet; de toelichting van het museum zegt dat hij er “waarschijnlijk” voor tekende.
Het werd een gesloten blok rond een grote binnenplaats, met vleugels langs beide grachten. In de vleugels lagen de kamertjes van de bewoonsters, de chambrettes. Aan de kant van de Amstel kwam een grote zaal. Daar werd gegeten, en op zondag werd dezelfde zaal kerk. Tot in de twintigste eeuw was het de op één na grootste kerkzaal van de stad.
Over het jaar van opening zijn de bronnen het niet eens. Sommige noemen 1682. Het museum zelf houdt 1683 aan, en op een zilveren penning die honderd jaar later werd geslagen, staat “Gestigt A°. 1683”. Dat laatste lijkt me het sterkst, omdat het huis in 1783 zijn eeuwfeest vierde.
Vierhonderd vrouwen konden er wonen.
VIJFTIG, VIJFTIEN, TIEN
Niet elke arme oude vrouw kwam binnen. De diaconie stelde drie voorwaarden. Je moest minstens vijftig jaar oud zijn. Je moest vijftien jaar in Amsterdam hebben gewoond. En je moest al tien jaar lidmaat zijn van de gereformeerde gemeente.
Wie zou er dus voor de deur blijven staan? De vrouw die op haar veertigste weduwe werd en geen werk meer vond. De vrouw die op latere leeftijd uit Friesland of Duitsland naar de stad was gekomen. De katholieke of doopsgezinde vrouw, hoe arm ook. En de gereformeerde vrouw die wel elke zondag in de kerk zat, maar nooit belijdenis had gedaan.
Ik wil hier eerlijk zijn over wat ik niet weet. In de bronnen die ik heb kunnen lezen, staat geen enkele naam van een bewoonster uit de eerste eeuw. Ik weet niet hoe hun dagen eruitzagen, wat ze aten of hoe streng het huisreglement was. Er bestaat een boek over het gebouw van Nelleke Noordervliet en anderen uit 2010, dat volgens de uitgever ook de bewoners en verzorgers beschrijft. Wie hun gezichten zoekt, moet daar en in het Stadsarchief verder zoeken.
Wat wel vaststaat, is de logica achter de regels. De diaconie had een eindige kas en een stad vol arme mensen. Ze koos ervoor eerst te zorgen voor wie al lang bij de gemeente hoorde. De Bijbel kent zulke grenzen ook. Paulus schrijft aan Timotheüs over de lijst van weduwen die door de gemeente werden onderhouden: Een weduwe mag gekozen worden als zij niet jonger is dan zestig jaar en de vrouw van één man is geweest (1 Timotheüs 5:9). De Amsterdamse diakenen deden iets vergelijkbaars, met hun eigen getallen.
Je kunt die regels hard vinden. Je kunt ze ook zien als de enige manier om met beperkte middelen iets betrouwbaars op te bouwen. Waarschijnlijk waren ze allebei. Hoe zou jij het gedaan hebben, met vierhonderd plaatsen in een stad van meer dan tweehonderdduizend mensen?
EEN PENNING VOOR EEN BROOD
Het huis aan de Amstel was één onderdeel van een groter geheel. De diaconie had sinds 1657 ook een eigen weeshuis aan de Binnen-Amstel. En ze bleef de armen steunen die thuis woonden.
Uit 1777 zijn in het Rijksmuseum kleine metalen penningen bewaard van de Gereformeerde Diakonie te Amsterdam. Een behoeftige lidmaat die zo’n armenpenning had, kreeg er bij de uitdeling brood voor. Er is ook een penning die nieuwe diakenen en diakenessen kregen bij hun aantreden. Het zijn kleine voorwerpen, maar ze laten zien hoe het werkte: wie op de lijst stond, kreeg een bewijs, en met dat bewijs kreeg je eten.
Een groot deel van het geld kwam uit de collectezak. Historicus E.G.H. Boersma berekende dat de gereformeerde diaconie rond 1770 ongeveer 43 procent van haar inkomsten uit collecten haalde. De rest kwam onder meer uit erfenissen, zoals die van Helleman. Het was dus geld van gewone kerkgangers, zondag na zondag, dat het huis aan de Amstel draaiende hield.
In februari 1783 vierde het huis zijn honderdjarig bestaan. Er werd een zilveren penning geslagen met de stedenmaagd van Amsterdam voor de gevel, met een open boek in haar hand. Er verscheen een prent in een maandblad. Over de precieze dagen zijn prent en penning het niet eens: de een noemt 22 en 24 februari, de ander 23 en 24 februari. De prent verscheen in maart 1783 in de Maandelijkse Nederlandsche Mercurius.
1817: DE MANNEN KOMEN BINNEN
In 1817 deed het huis aan de Amstel ook de deur open voor oude mannen. Zo staat het bij het museum en in andere bronnen. Er zit wel een raadsel in. De prent en de penning van 1783 spreken al van een “Oude Vrouwe & Mannen Huys”. Misschien had de diaconie toen al een mannenhuis op een andere plek, of woonden er eerder al enkele mannen. Ik heb het niet kunnen uitzoeken.
In de kerkzaal kwam in 1810 een nieuw orgel, gebouwd door J. Strumphler. Het staat er nog. In 1979 werd het gerestaureerd door de orgelbouwers van Flentrop. Op zondag was hier kerkdienst. Op de andere dagen zaten de bewoners op dezelfde plek aan tafel.
Het huis had regenten en regentessen, die het bestuur voerden. Uit de negentiende eeuw kennen we bijvoorbeeld de zussen Wendelaar van de Herengracht. Wilhelmina Laura Wendelaar (1845 tot 1933) werd regentes van wat toen de Diaconie Oude Vrouwen- en Mannen- en Bestedingshuizen heette, na haar tante Alida. In de familie gaat het verhaal dat de zussen eens op een ijskoude dag met hun koets in de gracht gleden en er met de schrik af kwamen.
Intussen veranderde de wet. De Armenwet van 1854 bepaalde dat de burgerlijke armenzorg pas mocht helpen als kerk en particulieren dat niet konden, en dan nog alleen “bij volstrekte onvermijdelijkheid”. Steun was een gunst, geen recht. Wie in de negentiende eeuw oud en arm was in Amsterdam, was dus eerst aangewezen op de kerk. Voor wie bij de diaconie hoorde, was zij de eerste plek om aan te kloppen.
DE NIEUWE NAAM
In 1953 kreeg het huis de naam Amstelhof. Een oudevrouwenhuis voor arme lidmaten werd in de twintigste eeuw langzaam een verpleeghuis.
Het boek uit 2010 beschrijft precies die overgang: van liefdadigheid naar professionele ouderenzorg. In de jaren zeventig volgde een grote verbouwing van het gebouw.
In de jaren negentig kwamen de beheerders tot de conclusie dat het gebouw niet meer voldeed aan de eisen van de tijd. Er werd nieuwbouw gezocht. In 2007 vertrokken de laatste bewoners van het Amstelhof naar nieuwe huizen in Diemen en Nieuw-Vennep.
Ik sta er even bij stil wat dat betekent. Van 1683 tot 2007 woonden hier zonder onderbreking oude mensen. Ruim drie eeuwen lang werd in deze zaal gegeten en kerkdienst gehouden. Dan gaat de laatste bewoner de deur uit, en het huis is leeg.
EEN MUSEUM IN EEN TEHUIS
Wat moest er met het gebouw gebeuren? De stad Amsterdam verhuurde het aan een museum. Het idee kwam van Ernst Veen, directeur van De Nieuwe Kerk op de Dam. Hij vertelde later dat hij op de binnenplaats van het Amstelhof aan Michail Piotrovski, directeur van de Hermitage in Sint-Petersburg, vroeg of een Amsterdamse dependance een goed plan was. Dat gesprek kennen we uit zijn eigen herinnering.
De verbouwing kostte 40 miljoen euro. Van het oude interieur bleef weinig over. De gevel werd bewaard, de kerkzaal gerestaureerd, en de binnenplaats werd een tuin naar een ontwerp van landschapsarchitect Michael van Gessel. Bij de drie oude kastanjes kwamen vier vleugelnootbomen.
Op 20 juni 2009 werd de Hermitage Amsterdam geopend door koningin Beatrix, samen met de Russische president Dmitri Medvedev. In de eerste jaren had het museum een vaste presentatie over de geschiedenis van het Amstelhof. Op 3 maart 2022 verbrak het museum de banden met Sint-Petersburg. Sinds 1 september 2023 heet het H’ART Museum.
In de beschrijving van een boek over het gebouw staat nog dat het in de Tweede Wereldoorlog onderdak bood aan het verzet. Ik heb daar geen andere bron voor gevonden. Het verhaal verdient onderzoek, maar ik kan het niet als feit brengen.
WAT DE DIACONIE ACHTERLIET
Wat zegt dit huis over de rol van de kerk in de zorg, vóór er een verzorgingsstaat was?
In de eerste plaats dat de kerk die zorg droeg. Er was geen ziekenfonds, geen pensioen, geen bijstand. Wie oud werd en niets had, was aangewezen op familie, op de stad of op de diaconie. In Amsterdam bouwde één kerkelijke gemeente met de collecte van gewone kerkgangers en de erfenis van één koopman een huis voor vierhonderd vrouwen, en hield dat ruim drie eeuwen open.
In de tweede plaats dat die zorg grenzen had. Ze was voor lidmaten, voor wie lang genoeg in de stad woonde, voor wie zich gedroeg. Wie daarbuiten viel, moest elders aankloppen. Andere geloofsgemeenschappen bouwden hun eigen voorzieningen: de katholieken openden in 1866 het grote oudeliedenhuis Sint Jacob, betaald uit een erfenis. Zo ontstond in Amsterdam een stad van zuilen, nog voordat dat woord bestond.
Die geschiedenis loopt hier niet dood. Langs de Nieuwe Herengracht en de Nieuwe Keizersgracht staan nog andere huizen die de diaconie in de achttiende eeuw liet bouwen voor ouderen en zieken, zoals het Corvershof en het Amstelrank. In die huizen zitten nog altijd organisaties die met de diaconie verbonden zijn. In het Amstelrank is vandaag Het Wereldhuis gevestigd, dat vluchtelingen helpt. Waar de diaconie vroeger vroeg of je hier al vijftien jaar woonde, krijgen in een van haar oude huizen nu mensen hulp die net zijn aangekomen.
KASTANJES OP DE BINNENPLAATS
Wie vandaag het museum bezoekt, kan op de binnenplaats staan waar de vleugels met de kamertjes van de bewoonsters omheen lagen. De kastanjes staan er nog. Aan de Amstelkant ligt de grote zaal, waar de bewoners aten en op zondag naar de kerk gingen, met het orgel van Strumphler.
Buiten, boven de deur die niet opengaat, staan de woorden met het jaartal 1681. Diaconie. Oude vrouwen. Huys. De bezoekers die voor Matisse komen, lopen eronderdoor.
GA ER ZELF HEEN
Het Amstelhof staat aan de Amstel 51 in Amsterdam, tussen de Nieuwe Herengracht en de Nieuwe Keizersgracht. Vanaf de overkant van de Amstel zie je de lange gevel. Boven de middelste deur staat het opschrift “Diaconie Oude Vrouwen Huys anno 1681”. Het gebouw is een rijksmonument.
Binnen zit het H’ART Museum, met wisselende tentoonstellingen. Het museum heeft een binnentuin met kastanjebomen en een Grand Café. De oude kerkzaal met het orgel uit 1810 wordt vooral gebruikt voor evenementen. Kijk voor openingstijden en wat er te zien is op de website van het H’ART Museum.
In de buurt kun je langs de Nieuwe Herengracht en de Nieuwe Keizersgracht lopen, waar nog meer voormalige diaconiehuizen staan, zoals het Corvershof en het Amstelrank. Aan de Nieuwe Herengracht ligt ook de Hortus Botanicus, die er sinds 1682 is.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de erfenis van Barent Helleman (overleden 18 oktober 1680, ongeveer 90.000 gulden) aan de diaconie; de grond geschonken door de stad; bouw vanaf 1681; ruimte voor 400 vrouwen; de toelatingseisen (minstens 50 jaar, 15 jaar in Amsterdam, 10 jaar lidmaat); de kerkzaal die ook eetzaal was; het eeuwfeest in februari 1783; mannen toegelaten vanaf 1817; het orgel van Strumphler uit 1810; de naam Amstelhof sinds 1953; vertrek van de laatste bewoners in 2007; opening als Hermitage Amsterdam op 20 juni 2009; de naam H’ART Museum sinds 1 september 2023. Voor de diaconie in het algemeen: de scheiding tussen kerkelijke zorg voor lidmaten en stedelijke zorg voor burgers, de klacht van Helmichius in 1604, de uitgaven in de Bestandsjaren en de armenpenningen van 1777.
Alleen uit overlevering of eigen getuigenis: het gesprek van Ernst Veen met Michail Piotrovski op de binnenplaats (eigen herinnering); het verhaal over de koets van de zussen Wendelaar (familieoverlevering); dat vrouwen vóór 1683 duur en omslachtig bij particulieren werden ondergebracht (alleen uit de geschiedschrijving van het museum).
Onbevestigd: het jaar van opening (1682 of 1683); de precieze dagen van het eeuwfeest (22 of 23 februari); de architect Van Petersom (waarschijnlijk, niet zeker); hoe het jaartal 1817 voor de mannen zich verhoudt tot de naam “Oude Vrouwe & Mannen Huys” op de penning van 1783; dat de gevel de langste van Nederland was (andere bronnen zeggen: van Amsterdam); dat het gebouw in de Tweede Wereldoorlog het verzet huisvestte.
Duiding: hoe Amsterdamse diakenen hun armen precies bezochten en controleerden, is hier beschreven naar het algemene beeld dat Van Deursen geeft van Hollandse diaconieën rond 1600. Details als het verbod op de herberg komen uit andere steden.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Wikipedia, “Amstelhof” (startpunt)
- Rijksmonumentenregister, monument 162: Diaconie Oudemannen- en -vrouwenhuis
- H’ART Museum / Hermitage Amsterdam, “About us”
- H’ART Museum, over het museum en het gebouw
- Hermitage Amsterdam, “Church Hall”
- H’ART Museum, homepage
- H’ART Museum, binnentuin
- H’ART Museum, plan je bezoek
- Grachtenfestival, locatie Hermitage Amsterdam
- Rijksmuseum, prent van het eeuwfeest, 1783
- Penning eeuwfeest Diaconie Oude Vrouwen- en Mannenhuis, 1783 (beschrijving)
- Rijksmuseum, armenpenningen Gereformeerde Diakonie te Amsterdam, 1777
- A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, hoofdstuk “De diaconie” (DBNL)
- E.G.H. Boersma, Noodhulp zonder natiestaat (Universiteit Leiden, 2021), bijlagen
- A.C.M. Kappelhof, inleiding over armenzorg (Huygens ING)
- BMGN, recensie van Jurjen Vis, Liefde het fundament (RC Oude Armenkantoor)
- Amsterdam Museum, Doorgegeven zorg (Hospice Wallon)
- Amsterdam Museum, “Wie waren deze regentessen?”
- Wikipedia, “H’ART Museum”
- Wikipedia, “Nieuwe Herengracht”
- Dezeen, 23 juni 2009, Hermitage Amsterdam
- Christian Science Monitor, 19 juni 2009
- Noordervliet e.a., Amstelhof, from nursing home to museum (2010), boekbeschrijving
- Schölvinck en Verkley, Hermitage Amsterdam, biografie van een gebouw (boekbeschrijving)