Wie de Grote of Sint-Nicolaaskerk in Monnickendam binnengaat, loopt over graven. De vloer ligt vol oude grafstenen. Er staat een preekstoel uit 1695 en een orgel dat Gerstenhauer er in 1781 bouwde. Tussen al dat oude hout en steen hangt een gedenkteken uit 1807, van marmer. Het is gemaakt door beeldhouwer Sigault, die in Amsterdam werkte, naar een ontwerp van Jacques Kuyper. Het is opgedragen aan Jan Nieuwenhuyzen.
Vreemd, als je erover nadenkt. Nieuwenhuyzen was geen predikant van deze kerk. Die was in zijn tijd van de hervormden, de officiële kerk van de Republiek. Hij was de voorganger van een kleine doopsgezinde gemeente in dezelfde stad, een groep die eeuwenlang aan de rand had gestaan. Na zijn dood kreeg hij een monument in de grootste kerk van de stad.
Om dat te begrijpen moet je terug naar 1784. In dat jaar begon in Waterland, vanuit Monnickendam en het buurstadje Edam, een vereniging die het onderwijs in Nederland zou veranderen. Ze droeg de naam Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Al snel heette ze kortweg Het Nut.
TWEE DERDE VAN DE STAD
De doopsgezinden van Monnickendam hadden een lange geschiedenis achter zich toen Nieuwenhuyzen er kwam. Doopsgezinden, ook wel mennisten of mennonieten genoemd, doopten geen baby’s. Ze doopten volwassenen die zelf voor het geloof kozen. In de zestiende eeuw was dat genoeg om op de brandstapel te komen.
Monnickendam lag midden in die vervolging. Op 20 november 1527 werd Wendelmoet Claes uit Monnickendam in Den Haag verbrand. Strikt genomen was zij geen doperse, maar een zogenaamde sacramentist: ze geloofde niet dat het brood in de mis het lichaam van Christus werd. Ze kreeg later wel een plaats in de doopsgezinde martelaarsboeken. In 1534 schreef de pastoor van de stad dat ongeveer twee derde van zijn stadgenoten besmet was met de doperse leer. Een jaar later begon in Noord-Holland een vervolging, met Monnickendam als middelpunt. Veel mensen doken onder of vluchtten naar Amsterdam. In 1539 werd Arent Jacobsz gedood, samen met zijn vrouw en zijn zoon.
Dat staat in de internationale doopsgezinde encyclopedie GAMEO, die ik voor dit hoofdstuk raadpleegde. Het zijn korte regels. Achter elke regel zit een gezin.
De gemeente overleefde. Tussen 1563 en 1565 doopte de rondreizende oudste Leenaert Bouwens er tweeënzestig mensen. Na 1600 gingen de twee doopsgezinde groepen in de stad, de Friezen en de Waterlanders, samen. In 1675 telde de gemeente ongeveer honderdvijftig leden.
GELD VOOR BROEDERS DIE ZE NOOIT ZAGEN
Wie waren die leden? Hun namen heb ik in de bronnen die ik kon openen niet gevonden. Wel weten we iets over wat ze deden. Tussen 1672 en 1736 gaf deze kleine gemeente ruim aan collectes voor vervolgde doopsgezinden ver weg: in Zwitserland, in de Palts, in Gulik, in Pruisen en in Litouwen. Ze deed dat terwijl het in de stad slechter ging. Monnickendam leefde van de scheepvaart op de Oostzee, en de oorlogen van die tijd sloegen die handel stuk. Het ledental liep terug.
Zo zag deze gemeente eruit: klein, niet rijk, en gewend om voor anderen te zorgen. Pas in 1735 beriep ze voor het eerst een vaste predikant.
Wat mij raakt aan die collectes: waarschijnlijk heeft bijna niemand in Monnickendam die geloofsgenoten in Litouwen ooit ontmoet. Ze gaven toch. Die gewoonte, geven aan mensen ver buiten je eigen stad, zie ik terug in wat er in 1784 begon.
EEN BOEKVERKOPER UIT HAARLEM
Jan Nieuwenhuyzen werd in 1724 in Haarlem geboren. De meeste bronnen noemen 1 september, één biografie 4 september. Hij leerde het vak van boekverkoper en kwam in 1743 in het Haarlemse gilde. Hij was ook drukker. In 1751 trouwde hij met de dichteres Gezina Wijnalda, in sommige bronnen Geesje genoemd. In 1756 drukte hij haar bundel, met de lange titel Verzaameling van Zeede- en Stichtelijke Haarlemmerhout en Tuin gezangen.
Daarna koos hij een ander leven. Nieuwenhuyzen studeerde aan het doopsgezinde seminarium in Amsterdam, de opleiding voor predikanten. In 1758 verkocht hij zijn drukkerij. Hij werd predikant in Middelharnis, daarna in Aardenburg in Zeeuws-Vlaanderen. Over het jaar waarin hij naar Aardenburg ging, zijn de bronnen het niet eens: 1759 of 1763. In 1771 kwam hij naar Monnickendam. Hij zou er blijven tot zijn dood, vijfendertig jaar lang.
Een boekverkoper die dominee wordt: dat zie je terug in wat volgde. Nieuwenhuyzen kende het maken en verkopen van boeken van binnenuit. Een negentiende-eeuws biografisch woordenboek noemde hem later “een prediker der Christelijke deugd”. Dat woord, deugd, komt terug in de boekjes die zijn zoon later schreef.
DE ZOON DIE ARTS WERD
Jan en Geesje kregen drie kinderen. Een van hen was Martinus, geboren op 9 december 1759 in Middelharnis. Martinus ging naar de Latijnse school in Leiden en leerde daar over geneeskrachtige planten bij apothekers en bij de Leidse hoogleraar Van Royen. Van 1780 tot 1783 studeerde hij in Harderwijk, daarna in Franeker. Hij vestigde zich als geneesheer in Edam, een paar kilometer ten noorden van Monnickendam.
Martinus schreef al jong. In 1782 gaf hij in Leiden een handleiding uit voor de apotheek, in de vorm van vragen en antwoorden. Hij was vierentwintig toen hij met zijn vader een plan maakte.
ZES MANNEN IN DE PATRIOTTENTIJD
Het jaar 1784 viel midden in de patriottentijd. In de Republiek stonden twee kampen tegenover elkaar: de prinsgezinden, die achter stadhouder Willem V stonden, en de patriotten, die meer inspraak wilden voor de burgers. Overal ontstonden genootschappen waar burgers samen lazen, schreven en spraken over vooruitgang. Historici noemen dat de tijd van de Verlichting: het geloof dat kennis mensen beter en gelukkiger kon maken.
In die sfeer richtten zes mannen een nieuwe vereniging op. Twee van hen waren Jan en Martinus Nieuwenhuyzen. Wie de andere vier waren, heb ik niet kunnen vinden. Volgens de Engelstalige Wikipedia kwam het idee uit de vriendenkring van Jan in Monnickendam en Edam. De eerste naam was lang: Maatschappij van Konsten en Wetenschappen, tot Nut van ’t Algemeen.
Over de precieze datum en plaats lopen de bronnen uiteen. GAMEO noemt 16 november 1784. Een korte biografie van de Doopsgezinde Historische Kring noemt 16 oktober 1784, in Edam. Een ouder biografisch woordenboek schrijft dat Nieuwenhuyzen het Nut in Monnickendam oprichtte. Zeker is dat de eerste zetel in Edam lag, waar Martinus woonde, en dat Martinus de secretaris werd. De Doopsgezinde Historische Kring noemt hem de stuwende kracht.
Een opvallend detail: volgens het biografisch woordenboek van Van der Aa promoveerde Martinus in Franeker in de geneeskunde op 9 december 1784, de dag dat hij vijfentwintig werd. Het Nut bestond toen al een paar weken.
VOOR IEDEREEN, VAN WELKE RANG OF GODSDIENST
Wat wilde het Nut? In de kern iets eenvoudigs: gewone mensen, ook de armsten, toegang geven tot goede kennis. Dat moest gebeuren via goedkope boekjes in eenvoudige taal, en via beter onderwijs voor kinderen. De vereniging zag dat als de basis voor goede burgers.
Volgens GAMEO stond in het eerste artikel van de statuten dat iedereen lid kon worden, van welke rang of godsdienst ook. Het tweede artikel zei dat het Nut los stond van elke kerkelijke of politieke partij. Voor een vereniging die uit doopsgezinde kring kwam, was dat een bewuste keuze. Doopsgezinden wisten wat het was om buitengesloten te worden. In de Republiek mochten zij, net als katholieken en andere zogenaamde dissenters, geen openbare ambten bekleden. Alleen de hervormde kerk was de publieke kerk.
Historica Annemieke Kolle beschrijft het Nut in haar proefschrift als een vereniging die werd opgericht door merendeels protestantse dissenters, en als vrucht van een tolerantere houding tussen de kerken. In 1785 ging een prijs volgens de Engelstalige Wikipedia naar een katholiek, Peter Schouten, voor een verhandeling over het bestaan van God. Dat heb ik in geen tweede bron teruggevonden.
Hoe ruim was die ruimte echt? Dezelfde Wikipedia-pagina meldt dat het Nut geen joden toeliet, als lid noch als leerling. Ook dat heb ik niet in een tweede bron kunnen controleren. Als het klopt, botste het met de eigen woorden van de statuten. Het zou niet de enige vereniging uit die tijd zijn waar het ideaal groter was dan de praktijk.
Wat zou jij gedaan hebben, als je in 1784 in een kleine gemeente zat die altijd aan de rand had gestaan? Je eigen kring beschermen, of de deur openzetten voor de hele stad?
EEN BOEKJE MET DEUGDEN
Martinus ging aan het werk met wat hij kon: schrijven. Hij maakte het eerste schoolboekje van het Nut, in eenvoudige taal voor kinderen. Er volgden meer titels: een Spel- en Leesboekje voor eerstbeginnenden, een Schoolboekje van Nederlandsche Deugden en de Trap der Jeugd. Hij schreef ook over leesonderwijs, en samen met zijn zwager Adrianus Loosjes korte levensbeschrijvingen. Zijn Lettergeschenk voor de Nederlandsche Jeugd werd in 1825 in Haarlem nog voor de vierde keer gedrukt.
Hij schreef ook voor volwassenen. In 1789 verschenen zijn gedicht De Mensch en een treurspel, Desdemona, naar Shakespeare. Voor het tijdschrift De Menschenvriend schreef hij veel stukken. Een arts die toneel bewerkte en spelboekjes maakte: voor Martinus lagen die dingen kennelijk dicht bij elkaar.
Het Nut schreef prijsvragen uit. In 1789 vroeg het om een korte Nederlandse spraakkunst, een grammatica voor scholen. Taalkundige Jan Noordegraaf haalt de vereniging aan: ze wilde “eene juiste en regelmatige kennis onzer, zoo schoone Moedertaal”. Lambertus van Bolhuis won de gouden prijs, en zijn boek verscheen in 1793. Later schreef de doopsgezinde predikant Matthijs Siegenbeek in opdracht van het Nut een grammatica. Siegenbeek werd bekend als de man achter de eerste officiële spelling van het Nederlands, in 1804.
Zo liep er een lijn van de kleine doopsgezinde gemeenten in Holland naar de manier waarop Nederlandse kinderen leerden spellen.
RUZIE MET HET STADHUIS VAN EDAM
De patriottentijd bracht ook ellende. Het Edamse stadsbestuur was prinsgezind, en het kwam in conflict met de vereniging. Wat er precies speelde, vertellen de bronnen die ik las niet. Wel het gevolg: het hoofdbestuur verhuisde naar Amsterdam, waar voortaan de algemene vergaderingen werden gehouden. In 1787 vestigde Martinus zich ook in Amsterdam.
In Haarlem trouwde hij in 1789 met Anna Maria Herdingh. Ze kregen twee kinderen. In 1791 opende het Nut in Haarlem zijn eerste bibliotheek. In datzelfde jaar hield de vereniging haar vergadering in de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam. Het werk groeide.
Op 23 februari 1793 reisde Martinus naar Haarlem om familiezaken te regelen. De volgende dag kreeg hij hoge koorts. Op 6 maart 1793 stierf hij, drieëndertig jaar oud.
Het Nut hield in maart en april herdenkingsbijeenkomsten in Amsterdam. Zijn weduwe kreeg een gouden medaille, zijn kinderen een zilveren. Gerrit Brender à Brandis hield een lijkrede, die bewaard is gebleven. Het zegt iets over hoe de leden de jonge arts zagen. Hij was de motor geweest.
Jan was op dat moment achtenzestig. Hij had zijn vrouw Geesje in 1787 al verloren. Nu verloor hij ook zijn zoon. Hij bleef preken in Monnickendam.
EEN KWEEKSCHOOL IN HAARLEM
Na de dood van Martinus ging het Nut door, en het werd groter dan de oprichters hadden kunnen zien. In 1795 richtte het in Haarlem de eerste kweekschool voor onderwijzers van Nederland op, een opleiding voor schoolmeesters. Amsterdam volgde in 1796, Groningen in 1797, daarna Leiden.
In 1795 werd de Republiek de Bataafse Republiek, één staat in plaats van een losse verzameling gewesten. Veel leden van het Nut stonden aan de kant van de patriotten die nu aan de macht kwamen. Voor het eerst kon er één onderwijswet voor het hele land komen. In 1796 publiceerde het Nut zijn Algemeene denkbeelden over het nationaal onderwijs. Volgens GAMEO steunde de eerste schoolwet van 1806 sterk op die denkbeelden. Een oud biografisch woordenboek schreef later dat het Nederlandse schoolwezen aan het Nut “oneindige verplichtingen” had.
In februari 1806, het jaar van die schoolwet, stierf Jan Nieuwenhuyzen. De bronnen noemen 24 of 25 februari, en Monnickendam of Amsterdam als plaats. Hij was eenentachtig. Op veel plaatsen werden redevoeringen over hem gehouden, zijn portret werd opnieuw uitgegeven en er werd een medaille geslagen. Een jaar later kwam het marmeren gedenkteken in de Grote Kerk.
VAN SPAARBANK TOT VOLKSUNIVERSITEIT
Wat daarna kwam, is zo groot dat het moeilijk te overzien is. Vanuit plaatselijke afdelingen, die departementen heetten, begon het Nut rond 1817 en 1818 de eerste spaarbanken. Mensen met weinig geld konden daar wekelijks een klein bedrag opzijzetten, voor als er werkloosheid of ziekte kwam. Elders ontstonden hulpbanken die zonder onderpand geld leenden aan armen. Er kwamen Nutsscholen, Nutsleeszalen, Nutstuinen en een Nutsverzekering. In 1829 groeide uit de beweging de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst.
De cijfers laten zien hoe ver het reikte. Rond 1825 telde het Nut volgens de Engelstalige Wikipedia zo’n twaalfduizend leden in het noorden. In 1927 waren het er volgens GAMEO ongeveer veertigduizend. In 1956 had het Nut 205 openbare bibliotheken, 45 jeugdbibliotheken en 133 spaarbanken. In 1913 stond het aan de wieg van de volksuniversiteit.
Niet iedereen was blij. In Vlaanderen, waar tussen 1815 en 1830 ook afdelingen ontstonden, bestreed de katholieke geestelijkheid het Nut. In Nederland zelf werd in de negentiende eeuw gediscussieerd over de vraag hoe christelijk de vereniging nog was. In 1864 stelde een commissie volgens Kolle vast: “Het Nut moest christelijk blijven.” Dat die vraag gesteld moest worden, zegt genoeg. Wie er in dat debat precies tegenover elkaar stonden, laten mijn bronnen grotendeels open. Ik kies daarin geen kant. Het verhaal laat zien hoe moeilijk het is om een school voor iedereen te bouwen.
In 1857 maakte een nieuwe wet de overheid verantwoordelijk voor het onderwijs. De meeste Nutsscholen gingen over naar de gemeenten. Ook de spaarbanken, bibliotheken en verzekeringen kwamen in de twintigste eeuw grotendeels bij de overheid of bij bedrijven terecht. Het Nut had het werk gedaan dat later gewoon werd.
De vereniging bestaat nog. In 1918 stelde het Nut aan de Universiteit van Amsterdam een leerstoel in de opvoedkunde in, en in 1986 kwam er in Utrecht een Nutsleerstoel in de geschiedenis van het onderwijs. Vandaag zijn er ongeveer vijfentachtig zelfstandige departementen, die lezingen, cursussen en excursies organiseren. In Rotterdam houdt het departement elk jaar de Nutslezing.
EEN KLEINE KERK AAN HET WEEZENLAND
En de doopsgezinde gemeente zelf? Die bleef klein. Na Nieuwenhuyzen kwamen andere voorgangers. Reitze de Vries diende haar meer dan veertig jaar, tot 1858. In 1847 telde de gemeente zestig gedoopte leden. Rond 1870 woonden er achtenzeventig doopsgezinden in de stad. In 1897 waren het er vijfentachtig, in 1955 vierenzeventig. In 1935, na bijna twee jaar zonder predikant, besloot de gemeente zich te laten bedienen door de predikant van Edam. De twee stadjes waar het Nut begon, deelden zo uiteindelijk hun dominee.
Volgens GAMEO stond de doopsgezinde kerk in 1957 aan het Weezenland 15. In een rijksbeschrijving van het beschermde stadsgezicht wordt bij het Wezenland een eenvoudig zaalkerkje genoemd. In die kerk werd een koperen lezenaar uit de zeventiende eeuw bewaard, waarschijnlijk uit een eerdere vermaning, zoals doopsgezinden hun kerkgebouw noemden. Of die kerk vandaag nog als kerk in gebruik is, heb ik niet kunnen controleren.
Het is een opvallend verschil. De gemeente bleef bescheiden en bijna onzichtbaar, met een paar tientallen leden. Wat er vanuit die kring begon, raakte schoolkinderen, spaarders en lezers in het hele land, van wie de meesten nooit van Monnickendam gehoord hadden.
HET MARMER IN DE GROTE KERK
Zo kom je weer terug bij dat gedenkteken in de Grote of Sint-Nicolaaskerk. Het gedenkteken voor de doopsgezinde predikant hangt in de kerk van de hervormden, in hetzelfde gebouw als het orgel dat er al stond toen hij het Nut begon. Hoe het monument juist daar terechtkwam, vertellen mijn bronnen niet.
Misschien is dat het eerlijkste beeld van wat Het Nut heeft gedaan. Het maakte een kleine kring zichtbaar in de stad. Het marmer hangt er nog, boven een vloer vol grafstenen, in een stad waar doopsgezinden ooit moesten onderduiken.
GA ER ZELF HEEN
De Grote of Sint-Nicolaaskerk staat aan De Zarken 2 in Monnickendam. Het is een grote hallenkerk met een laatgotische toren uit de zestiende eeuw. Binnen zie je de grafstenenvloer, het koorhek met houtsnijwerk, de preekstoel uit 1695, het orgel uit 1781 en het gedenkteken voor Jan Nieuwenhuyzen uit 1807. Kijk vooraf of en wanneer de kerk open is.
De doopsgezinde kerk stond in 1957 aan het Weezenland 15, in de oude binnenstad. Of het gebouw vandaag te bezoeken is, heb ik niet kunnen nagaan.
In het centrum staat ook de Speeltoren aan het Noordeinde 2, met een beiaard uit 1595-1597. Een paar kilometer noordelijker ligt Edam, waar Martinus woonde en het Nut zijn eerste zetel had. Daar ligt een Nieuwenhuyzenplein, en het landelijk secretariaat van het Nut is sinds 1981 weer in Edam gevestigd. Het portret van Jan Nieuwenhuyzen door Adriaan de Lelie hoort bij de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): Jan Nieuwenhuyzen (1724-1806) was boekverkoper en drukker in Haarlem, studeerde aan het doopsgezinde seminarium en was predikant in Middelharnis, Aardenburg en van 1771 tot 1806 in Monnickendam; hij richtte in 1784 met zijn zoon Martinus (1759-1793), arts in Edam, de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen op; Martinus was secretaris en schreef schoolboekjes; de zetel lag eerst in Edam en ging later naar Amsterdam; Martinus stierf in 1793; het Nut stichtte in 1795 de eerste kweekschool in Haarlem en was betrokken bij de schoolwet van 1806, spaarbanken, bibliotheken en de volksuniversiteit; in de Grote Kerk van Monnickendam hangt een gedenkteken voor Jan uit 1807; de doopsgezinde gemeente had een vervolgde voorgeschiedenis in de zestiende eeuw en bleef daarna klein.
Alleen uit overlevering of eigen getuigenis: geen van de hoofdpunten berust alleen op eigen getuigenis; wel steunen deze punten op één bron: het verbod op joodse leden en leerlingen; de prijs voor de katholiek Peter Schouten in 1785; de ledentallen van 1825; de collectes voor vervolgde doopsgezinden tussen 1672 en 1736; de precieze statutenartikelen over rang en godsdienst.
Onbevestigd of betwist: de exacte oprichtingsdatum (16 oktober of 16 november 1784) en plaats (Edam of Monnickendam); de namen van de vier andere oprichters; de geboortedag (1 of 4 september 1724) en sterfplaats van Jan; het begin van zijn tijd in Aardenburg (1759 of 1763); wat er precies speelde in het conflict met het Edamse stadsbestuur; de huidige staat van de doopsgezinde kerk aan het Weezenland.
Duiding: dat de doopsgezinde ervaring van uitsluiting en onderlinge zorg meespeelde in de keuze voor een vereniging die openstond voor iedereen, is een uitleg op basis van Kolle en de gemeentegeschiedenis, geen uitspraak van de oprichters zelf.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Rijksmonumentenregister, Grote of Sint Nicolaaskerk Monnickendam (30026)
- GAMEO, Monnikendam (Noord-Holland, Netherlands)
- GAMEO, Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen
- Doopsgezinde Historische Kring, Jan Nieuwenhuyzen
- Van der Aa, Biographisch woordenboek, Jan Nieuwenhuyzen (DBNL)
- Van der Aa, Biographisch woordenboek, Martinus Nieuwenhuyzen (DBNL)
- Biografisch woordenboek, Jan Nieuwenhuyzen (DBNL)
- Van der Aa, Biographisch woordenboek, Charles Sigault (DBNL)
- Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten, Monnickendam (DBNL)
- J. Noordegraaf, De ‘Maatschappij’ en haar grammatici, De Nieuwe Taalgids 68 (DBNL)
- A. Kolle, Tussen gereformeerde orde en christelijke deugdzaamheid (Universiteit Leiden)
- Wikipedia, Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen
- Wikipedia (Engels), Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen
- Wikipedia (Engels), Jan Nieuwenhuyzen
- Rijksmuseum, Portret van Jan Nieuwenhuyzen door Adriaan de Lelie
- Waterlands Archief, informatie over de DTB’s
- Rijksdienst, toelichting beschermd stadsgezicht Monnickendam
- Aardrijkskundig woordenboek, Monnikendam (Teylers Museum)
- Rijksmonumentenregister, Speeltoren Monnickendam (30007)
- Recensie van 125 jaar Woerden, BMGN
- Histovisie, F.W. Schmidt over het Nut