Een stadop een berg

Deel 2 · Hoofdstuk 5

Amsterdam

de kerk waar honderd mannen hun eten weigerden

1975Mozes en Aäronkerk, Waterlooplein

Wie vanaf het Waterlooplein naar de Mozes en Aäronkerk kijkt, ziet een gevel die eerder bij een tempel lijkt te horen dan bij een Amsterdamse straat. Zandsteen, een portiek met Ionische zuilen, beelden op de rand van het dak en twee houten torens. Aan de andere kant, in de Jodenbreestraat, staan op de achtergevel nog de oude beeldjes van Mozes en Aäron. Ernaast staat een bakstenen gebouw uit 1969, het Mozeshuis.

Binnen is de kerk weer een kerk. Sinds 2014 houdt de Gemeenschap van Sant’Egidio er missen en gebedsdiensten. Er is een restaurant voor daklozen begonnen. Er staat een “altaar van de armen”, voor arme vrienden die gestorven zijn, met kruisen uit plaatsen waar mensen lijden. Met kerst schuiven er honderden gasten aan, onder wie mensen die op straat leven.

Bijna niemand die er langsloopt weet dat hier in november 1975 ongeveer honderd Marokkaanse mannen op matrassen lagen. Ze aten niet. Ze wachtten op een antwoord uit Den Haag. Wat in die kerk begon, zette voor het eerst de vraag op de voorpagina wat Nederland moet met mensen die hier werken en wonen, maar geen papieren hebben.

Het verhaal van deze plek begint drie eeuwen eerder, met een huis dat een steen van Mozes in de gevel had.

“DAER MOIJSES INDE GEVEL STAET”

In 1641 kochten franciscanen een huis aan de Breestraat. Het heette Moyses, naar de gevelsteen met Mozes erop, het huis “daer Moijses inde gevel staet”, zoals een oud stuk het zegt. Franciscanen zijn kloosterlingen die teruggaan op Franciscus van Assisi; ze leven in armoede en trekken onder de mensen rond.

Openlijk een katholieke kerk bouwen mocht in die tijd niet. Sinds de Reformatie was de gereformeerde kerk de publieke kerk van de stad. Katholieken kwamen samen in schuilkerken: ruimtes achter of boven een gewone voorgevel, die iedereen kende maar niemand officieel zag. De Mozes was de tweede huiskerk van die soort in Amsterdam.

Rond 1680 kochten de broeders ook het huis ernaast. Dat heette Aäron. Zo kreeg de kerk de naam die ze nog steeds draagt, al is ze officieel gewijd aan Antonius van Padua, een franciscaner heilige. In 1686 was er volgens het tijdschrift Ons Amsterdam een ruime schuilkerk klaar. Een gids van de kerk noemde haar in 2012 de grootste schuilkerk van de stad.

Het hoofdaltaar en de zijaltaren uit die tijd, van rond 1700, staan nu nog in de kerk. Ze verhuisden mee toen de schuilkerk plaatsmaakte voor een nieuw gebouw.

EEN KATHEDRAAL DIE ER NOOIT KWAM

In 1837 liet pastoor Arnoldus van Giessen een nieuwe kerk bouwen, over de oude schuilkerk heen. De katholieken mochten zich in de negentiende eeuw weer laten zien, en dat deden ze. De architect was de Belg Tilman-François Suys. Volgens Ons Amsterdam baseerde hij zich op een plan van stadsbouwmeester Jan de Greef voor een Amsterdamse kathedraal, dat nooit was uitgevoerd. In 1841 was de kerk klaar.

Binnen kwam een hallenkerk met drie beuken, gedragen door Korintische zuilen. In 1871 plaatsten de broers Adema uit Leeuwarden er een orgel. Het staat er nog, en het hele gebouw is een rijksmonument.

De kerk stond midden in de Joodse buurt. Tussen 1866 en 1895 werkte er een franciscaan, pater J.J. Burgmeijer, die zich inzette voor arme mensen, wat hun geloof ook was. In 1891 werd hij door de Joodse buurt gehuldigd. Zo vertelt Ons Amsterdam het. Een tweede bron heb ik er niet voor gevonden, maar het past bij een kerk die met haar voordeur aan de straat van de armen stond.

In de Tweede Wereldoorlog werd die buurt de plek van het leed. De gids van de kerk vertelde in 2012 dat de kerk midden in het met prikkeldraad afgesloten “Judenviertel” stond, en dat een van de eerste razzia’s bij de kerk plaatsvond. In 1941 vierde de parochie in die omstandigheden haar dubbele jubileum: driehonderd jaar schuilkerk, honderd jaar kerkgebouw. Na de oorlog was het grootste deel van de Joodse bewoners gedeporteerd.

EEN HUIS VOOR DE VERNIEUWING

In de jaren vijftig en zestig moest de pastorie naast de kerk wijken voor nieuwe wegen. In 1967 ging het oude parochiehuis tegen de grond. Het kerkbestuur verkocht kunstwerken uit het oude huis op een veiling en kreeg een vergoeding van de stad. Van dat geld kwam er een nieuw gebouw, ontworpen door architect Sier van Rhijn. In 1969 was het klaar: het Mozeshuis, Waterlooplein 205.

Er woonden enkele franciscanen. Maar het huis was vooral bedoeld als vormingscentrum. Het Reformatorisch Dagblad beschreef het in 2012 als een centrum voor liturgievernieuwing en bedrijfsapostolaat. Liturgie is de vorm van de kerkdienst; na het Tweede Vaticaans Concilie (1962 tot 1965) zochten veel katholieken naar nieuwe vormen. Bedrijfsapostolaat was kerkelijk werk onder arbeiders, op de werkvloer. Van Rhijn kreeg in 1970 de Amsterdamse architectuurprijs voor het ontwerp. De jury vond dat het in de straat paste “alsof het er altijd heeft gestaan”.

In 1969 veranderde ook de parochie. De parochie Sint-Antonius werd opgeheven, en in de binnenstad ontstond een nieuwe organisatie rond de Citykerk. Andere kerken in het centrum gingen dicht. De Mozes mocht open blijven. In 1971 hield het koor op te bestaan.

Wat er in de jaren zeventig groeide, was iets anders dan een gewone parochie. In het Mozeshuis kwamen volgens Ons Amsterdam een theehuis, cursussen en maatschappelijk werk. De kerk zelf werd, zo zei de gids later, een centrum voor progressieve kunstenaars en actiegroepen. De eigen website van de kerk noemt haar een “actiekerk”. Later zouden er vredeswerk, integratiecursussen, daklozenzorg en hulp bij aids volgen. Al die activiteiten liepen via een stichting: de stichting Mozeshuis. Het gebouw zelf bleef eigendom van het bisdom.

Wie in november 1975 precies de sleutel omdraaide voor de hongerstakers, heb ik niet kunnen vinden. Geen van de bronnen die ik las noemt een naam, geen pastor, geen bestuurder. Dat de deur openging, staat vast. Wie haar opende, nog niet.

EEN PASPOORT EN EEN VERKLARING

In 1975 kwam de regering met een regeling. Buitenlandse arbeiders die hier zonder vergunning woonden, konden alsnog een verblijfsvergunning aanvragen. Op 1 november 1975 ging de regeling in. De voorwaarden: je moest voor 1 november 1974 in Nederland zijn aangekomen, hier onafgebroken hebben gewoond en gewerkt, en een geldig paspoort hebben. Ongeveer vijftienduizend mensen kwamen in aanmerking.

Op papier klonk dat ruim. Voor veel Marokkaanse mannen was het een muur. Sommigen waren met valse papieren binnengekomen, en het Marokkaanse consulaat gaf hun geen nieuw paspoort. Anderen konden niet bewijzen hoe lang ze al werkten. Hun werkgevers hadden hen nooit ingeschreven. Volgens meerdere bronnen weigerden sommige werkgevers een verklaring te tekenen, uit angst dat ze dan alsnog de premies moesten betalen die ze jaren hadden ontdoken.

Het waren de jaren waarin fabrieken sloten en de overheid illegale arbeid wilde terugdringen. Wie geen papier had, kon worden uitgezet.

Er was nog een druk, minder zichtbaar. De Amicales, een Marokkaanse vereniging die in december 1974 in Utrecht was opgericht, stond dicht bij het regime van koning Hassan II. De actievoerders zagen haar als een middel om Marokkanen in Nederland in de gaten te houden en te intimideren. Volgens de site Marokkaan in Mokum werden familieleden in Marokko onder druk gezet. Wie in Nederland in actie kwam, deed dat met een risico voor de mensen thuis.

Hoe zou jij handelen als je je eigen naam niet kunt bewijzen in het land waar je al jaren werkt?

ZEVENDE NOVEMBER

De mannen vonden steun bij het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland, het KMAN, dat net was opgericht. Een steuncomité van Nederlandse activisten hielp mee. Volgens Marokkaan in Mokum bezetten op 1 november eerst ongeveer honderd Marokkanen de El Kabir-moskee aan de Van Ostadestraat, om paspoorten te eisen, en trokken ze daarna naar de katholieke kerk De Duif. Dat deel van het verhaal heb ik maar in één bron gevonden.

Wat wel in alle bronnen staat: op 7 november 1975 begon een hongerstaking in kerken in Amsterdam, Utrecht en Den Haag. In totaal deden 182 mannen mee. De grootste groep, ongeveer honderd, verbleef in de Mozes en Aäronkerk aan het Waterlooplein. Sommige bronnen zeggen dat alle 182 daar zaten. De meeste houden het op honderd in Amsterdam en de rest verspreid over de andere twee steden.

De eisen waren duidelijk. Een generaal pardon, dus een vergunning voor de hele groep. Geen razzia’s. Geen uitzettingen. En bescherming tegen de Amicales.

Een verteller die de groep in die tijd leerde kennen, herinnerde zich voor het Zaans Museum een zin die de mannen zeiden: ze waren samen begonnen en wilden het “samen uitvechten tot het bittere eind”.

MATRASSEN TUSSEN DE ZUILEN

In de kerk van Suys, tussen de Korintische zuilen, kwamen matrassen te liggen. Vrijwilligers, Nederlanders en Marokkanen, brachten dekens en medische hulp. Volgens Amsterdam750 verzorgden de kerken de maaltijden. ’s Avonds werden er films vertoond. Er hingen spandoeken. Sympathisanten hielden de wacht.

Wie er sliep en wat ze dachten, weten we niet uit de eerste hand. De bronnen noemen geen namen van de stakers. Ik noem ze hier ook niet. Het waren mannen zonder papieren, met familie in een land waar het regime meekeek.

Wel weten we wat de kerk werd. Er werd vergaderd. Er werden bijeenkomsten georganiseerd. Er ontstonden samenwerkingen die er daarvoor niet waren: tussen Marokkaanse arbeiders en Nederlandse vakbondsmensen, tussen linkse partijen en kerkelijke groepen. De PSP en de PPR steunden de actie, net als vakbonden en kerken.

De pers noemde de mannen de “kerk-Marokkanen”. Volgens het tijdschrift Ons Amsterdam was het de eerste keer dat de legalisatie van vreemdelingen in Nederland zo breed in de publieke aandacht kwam.

Ik sta hier als schrijver even stil. Deze kerk was in 1641 begonnen als een plek waar katholieken mochten bestaan zonder dat de stad hen zag. Ruim drie eeuwen later lagen er mensen die de stad juist niet meer kon wegkijken.

HET WOORD VAN EEN STAATSSECRETARIS

De actie duurde ruim een week. Op 14 november 1975 sprak staatssecretaris van Justitie Henk Zeevalking met het KMAN en het steuncomité. Hij deed toezeggingen: de regeling zou soepeler worden uitgevoerd. De hongerstaking stopte. Sommige bronnen noemen 14 november als einddatum, andere 15 november. Waarschijnlijk werd er op de veertiende gepraat en hielden de mannen de dag erna op.

Opgelost was er niets. De mannen bleven in de kerken. Volgens Marokkaan in Mokum was de Mozes en Aäronkerk drie maanden lang het centrum van het protest. Het KMAN werkte dossier voor dossier, man voor man.

Twee jaar lang bleef de zaak liggen. Toen de Raad van State het beroep van de kerk-Marokkanen afwees, kwamen er nieuwe acties. Er waren handtekeningenacties en demonstraties in veel steden. Volgens het televisieprogramma Andere Tijden deden een tijd lang ook Nederlanders mee aan een hongerstaking, twee maanden lang.

Het is goed om eerlijk te zijn over de andere kant. De regering wilde de illegale arbeid terugdringen, en daar was in het land ook steun voor. Bijna vijftienduizend mensen zonder vergunning deden niet mee aan een hongerstaking. De vraag waarom deze 182 een uitzondering zouden krijgen, lag op tafel. Over een generaal pardon voor een groep wordt in Nederland tot op vandaag verschillend gedacht.

ZOMER IN DE DUIF

Op 16 juli 1978 gingen de Marokkanen opnieuw in hongerstaking. Dit keer in een andere Amsterdamse katholieke kerk: De Duif aan de Prinsengracht. Het werd groot nieuws in het hele land. In augustus boden de stakers volgens Marokkaan in Mokum een petitie met veertigduizend handtekeningen aan bij het parlement.

Op 17 oktober 1978 viel het besluit. De kerk-Marokkanen kregen een verblijfsvergunning. Hoeveel precies, daarover verschillen de bronnen. De meeste spreken van alle 182. Andere Tijden noemt 120 van de 182: een deel was intussen naar Marokko vertrokken, en enkele mannen kregen geen vergunning vanwege een strafblad. Ook over wie het besluit nam, lopen de bronnen uiteen. Eén bron noemt Zeevalking. Andere Tijden noemt Elberta Haars, die in 1978 staatssecretaris van Justitie was in het nieuwe kabinet. Dat laatste klopt met de kabinetten van toen.

Het waren drie jaar. Voor de mannen begon het met een week zonder eten tussen de zuilen van een kerk aan het Waterlooplein.

WAT BUITEN DE MUREN VERANDERDE

Wat bracht deze actie teweeg in de samenleving? Het eerlijke antwoord: geen nieuwe wet. Wel een groep van meer dan honderd mannen die mochten blijven, met alles wat dat voor hun gezinnen betekende.

En iets wat moeilijker te meten is. Volgens de Universiteit van Amsterdam groeide de steun uit tot een brede solidariteitsbeweging, en ontstonden er in de kerk samenwerkingsverbanden die er daarvoor niet waren. Een kwestie die eerst alleen ambtenaren en werkgevers aanging, werd een zaak waar het hele land over praatte. Hoe ver die invloed later reikte, bij andere acties van mensen zonder papieren, heb ik in de bronnen niet kunnen nagaan.

Vijftig jaar later wordt het verhaal verteld als het begin van iets. In november 2024 stond de reizende tentoonstelling Marokkaan in Mokum in de Mozes en Aäronkerk zelf, met een seminar. In september 2026 vertelde Abdou Menebhi, een van de oprichters van het KMAN, bij de Universiteit van Amsterdam over “50+ jaar Marokkaans-Nederlands burgerschap”. Die titel laat zien hoe betrokkenen er nu zelf naar kijken: als het begin van burgerschap.

De gemeente zelf, de parochianen, de broeders, staan in dat verhaal op de achtergrond, en zo hoort het ook verteld te worden. De parochie bestond formeel niet meer. Het koor was opgeheven. Wat overbleef, was een gebouw met een stichting ernaast en een traditie van open deuren. Daarbinnen gebeurde het.

EEN KERK ZONDER DIENSTEN

Na 1980 werden er geen diensten meer gehouden. De kerk werd officieel aan de eredienst onttrokken. In 1990 werd ze gerestaureerd, de kerkbanken verdwenen, en op 22 januari 1991 werd het gebouw heropend in aanwezigheid van koningin Beatrix. Het werd een zaal voor congressen, debatten en cultuur. In het Mozeshuis ging het werk door: debatten over aids, apartheid en kernwapens, cursussen, opvang.

In 2012 was de kerk meestal dicht. Alleen in de zomer gingen op dinsdag de deuren open voor rondleidingen en concerten op het Adema-orgel.

Toen viel het geld weg. De gemeente bouwde haar subsidie af en de stichting Mozeshuis dreigde failliet te gaan. In 2013 stopten de activiteiten. Het complex werd verkocht aan het bisdom Haarlem.

DE ARMEN AAN TAFEL

De bisschop vertrouwde de kerk en het huis toe aan de Gemeenschap van Sant’Egidio, een katholieke gemeenschap die werkt voor de armen en voor vrede. In Amsterdam was ze sinds 2000 actief. Op 28 september 2014 wijdde bisschop Jozef Punt de kerk opnieuw in. Na vierendertig jaar werd er weer de mis gevierd.

De bisschop vroeg de gemeenschap, zo staat het op de site van de kerk, om de dienende kant van de kerk zichtbaar te maken voor de stad. Sant’Egidio begon een restaurant voor daklozen en werk voor kinderen en ouderen.

In het Oude Testament, in het boek dat bij Mozes en Aäron hoort, staat een opdracht over de vreemdeling die bij Israël woont: U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte. (Leviticus 19:34). Of iemand in 1975 aan dat vers dacht toen de deur openging, weet ik niet. Het staat in geen enkele bron.

Op een paar middagen in de week staat de deur open. Je loopt naar binnen langs het portiek van een kathedraal die er nooit kwam. De kerkbanken verdwenen in 1990. Voorin staat het altaar uit de tijd van de schuilkerk. En ergens in die ruimte, waar nu de kruisen op het altaar van de armen staan, lagen in november 1975 de matrassen.

GA ER ZELF HEEN

De Mozes en Aäronkerk staat aan het Waterlooplein in het centrum van Amsterdam (Waterlooplein 207), met het Mozeshuis (Waterlooplein 205) ernaast. De achtergevel met de oude beeldjes van Mozes en Aäron zie je vanuit de Jodenbreestraat.

De kerk is op vaste middagen open voor bezoekers. Binnen zie je de hallenkerk van Suys, het hoofdaltaar en de zijaltaren uit de schuilkerk, het Adema-orgel en het altaar van de armen van Sant’Egidio. Kijk voor openingstijden op de website van de Mozes en Aäronkerk of van Sant’Egidio Nederland.

De kerk ligt in de oude Joodse buurt, waar pater Burgmeijer werkte en waar volgens de gids van de kerk een van de eerste razzia’s van de oorlog plaatsvond. Wie het tweede deel van dit verhaal wil zien, loopt naar De Duif aan de Prinsengracht, waar de hongerstaking in 1978 werd hervat.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de aankoop van het huis Moyses door franciscanen in 1641 en daarna van het huis Aäron; de nieuwe kerk van Suys (1837 tot 1841); het Mozeshuis van Sier van Rhijn (1969) als vormingscentrum; de opheffing van de parochie in 1969; de regularisatieregeling van 1 november 1975 en de problemen met paspoorten en werkgeversverklaringen; de hongerstaking vanaf 7 november 1975 in kerken in Amsterdam, Utrecht en Den Haag met 182 deelnemers, de grootste groep in de Mozes en Aäronkerk; de steun van het KMAN, vakbonden, partijen en kerken; het einde na toezeggingen van staatssecretaris Zeevalking; de nieuwe hongerstaking in De Duif in 1978; de verblijfsvergunningen op 17 oktober 1978; het einde van de diensten rond 1980; de overdracht aan Sant’Egidio en de herinwijding in 2014.

Alleen uit één bron of uit herinnering: het werk van pater Burgmeijer en zijn huldiging in 1891; de razzia bij de kerk (gids van de kerk); de bezetting van de El Kabir-moskee en de actie in De Duif begin november 1975; de uitspraak van de stakers over “samen uitvechten” (een verteller voor het Zaans Museum); de petitie met veertigduizend handtekeningen; Nederlandse medestakers; de heropening met koningin Beatrix in 1991.

Onbevestigd of betwist: wie in 1975 de kerk openstelde (de stichting Mozeshuis ligt voor de hand, maar geen bron zegt het); of er honderd of 182 stakers in de Mozes en Aäronkerk zelf zaten; of de staking op 14 of 15 november eindigde; of in 1978 alle 182 of 120 mannen een vergunning kregen, en of Zeevalking of Haars dat besluit nam.

Duiding: dat dit de eerste grote actie van mensen zonder papieren in Nederland was, is de lezing van de bronnen uit Amsterdam en van de betrokkenen zelf. Of een generaal pardon rechtvaardig is, blijft een politieke vraag waarover Nederlanders verschillend denken.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Ons Amsterdam, Floor Meijer, “Moyses & Aaron” (2016)
  2. ONH / Ons Amsterdam, Niels Wisman, “Wereldplek in Amsterdam: Mozes- en Aaronkerk verleende ‘kerkasiel’” (2011)
  3. Amsterdam750, “Wie waren de Kerkmarokkanen?”
  4. Marokkaan in Mokum, “Acties / Kerk-Marokkanen”
  5. Zaans Museum, “De lange adem van de 182 ‘Kerk-Marokkanen’”
  6. Andere Tijden, “In de ban van koning Hassan”
  7. EMCEMO, tussentijds verslag Marokkaan in Mokum (2025)
  8. Universiteit van Amsterdam, Vox Pop, “50+ jaar Marokkaans-Nederlands burgerschap” (2026)
  9. Reformatorisch Dagblad, “Mozes & Aäronkerk zit vol verhalen”, 9 juli 2012 (via Digibron)
  10. Rijksmonumentenregister, monument 6305
  11. Amsterdam op de kaart, “Mozeshuis, Waterlooplein 205”
  12. De Erfgoedstem, “Mozeshuis Amsterdam gemeentelijk monument” (2016)
  13. Mozes en Aäronkerk, “Gebouw”
  14. Mozes en Aäronkerk, “Kerk van Barmhartigheid”
  15. Kerkengek, “Kerk met een nieuwe openheid” (2014)
  16. I amsterdam, Mozes en Aäronkerk
  17. Wikipedia (Engels), Mozes en Aäronkerk
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel