Aan de Bronlaan in Dokkum, net buiten het oude centrum, staat een gietijzeren pomp bij een bron met gemetselde randen. Achter de bron ligt een halfronde kapel van baksteen, open in het midden, met rijen banken die oplopen zoals in een theater. Er zijn ruim zestienhonderd zitplaatsen. Rond de kapel loopt een park met slingerpaden en een beukenhaag, en langs de paden staan kleine bidhuisjes met keramische taferelen van de lijdensweg van Jezus. Op een sokkel staat een stenen man van ongeveer tweeënhalve meter hoog. Hij houdt een boek boven zijn hoofd.
Die man is Bonifatius. Het boek boven zijn hoofd is een legende. Het water in de bron is een ander verhaal, en het staat in een van de oudste teksten die we over hem hebben.
Op 5 juni 754 werd Bonifatius in Friesland vermoord, samen met een groep priesters, diakens en monniken. Hij was toen aartsbisschop, een Engelsman die bijna veertig jaar op het vasteland had gewerkt. Dokkum heeft zijn naam sindsdien bewaard, in een kerk op de terp, in een abdij die verdween, in een bron die werd teruggevonden en in een kapel uit 1934. Maar wat weten we echt over die ochtend? En wat is er later bij verteld?
Het begint in Engeland, met een jongen die Winfried heette.
EEN ENGELSMAN MET EEN NIEUWE NAAM
Winfried werd rond 675 geboren in Engeland. De traditie noemt Crediton in het zuidwesten als zijn geboorteplaats, maar dat is een later verhaal. Hij werd monnik en priester. In 716 stak hij over naar het vasteland en kwam hij in Utrecht, bij Willibrord, de Engelse missionaris die daar al jaren werkte onder de Friezen. Hij bleef ongeveer een jaar bij hem.
Een missionaris is iemand die het evangelie gaat vertellen aan mensen die het nog niet kennen. De Friezen woonden in die tijd langs de hele kust, van het huidige Zeeland tot ver in Duitsland. Ze hadden hun eigen goden en hun eigen heilige plaatsen. Ze leefden op terpen, heuvels van aarde en mest die ze zelf hadden opgeworpen om droog te blijven als de zee binnenkwam.
Winfried werd later Bonifatius genoemd. Hij werkte daarna vooral in Duitsland. In 732 maakte paus Gregorius III hem aartsbisschop. In 745 kreeg hij Mainz als zetel, de stad van waaruit hij de kerk in een groot gebied bestuurde. Samen met zijn leerling Sturmi stichtte hij het klooster Fulda.
Over die jaren is veel geschreven. Voor dit hoofdstuk gaat het om het einde.
EEN OUDE MAN GAAT TERUG
In 754 trok Bonifatius opnieuw naar Friesland. Hij was ongeveer tachtig. Waarom een man van die leeftijd, met een aartsbisdom en een netwerk van kloosters achter zich, terugging naar het land waar hij als jonge monnik was begonnen, vertelt geen bron met zoveel woorden. Willibald, die zijn eerste levensbeschrijving schreef, beschrijft hem vooral als iemand die tot het einde wilde preken en dopen.
Wie was die Willibald? Hij was een Angelsaksische priester, net als Bonifatius. Hij heeft hem nooit persoonlijk gekend. Hij schreef zijn boek op verzoek van Lul, de opvolger van Bonifatius in Mainz, en van bisschop Megingoz van Würzburg. Megingoz overleed in 768, dus het boek is binnen ongeveer vijftien jaar na de moord geschreven. Historicus Marco Mostert noemt Willibald een schrijver die de martelaar neerzet als een voorbeeldige heilige. Dat moet je weten als je hem leest. Zijn tekst is een heiligenleven, een verhaal dat wil laten zien hoe een heilige leefde en stierf. Het is ook de beste bron die we hebben.
Met Bonifatius reisde een groep van zijn mensen mee. Willibald noemt ze bij naam. Eoban was erbij, die hij een bisschop noemt. Verder drie priesters, Wintrung, Walthere en Ethelhere. Drie diakens, Hamrind, Scirbald en Bosa. En vier monniken: Wachar, Gundaecer, Illehere en Hathowulf. Hoeveel mensen er in totaal bij waren, zegt Willibald niet. Latere schrijvers spreken van tweeënvijftig metgezellen. Dat getal komt uit later tijd.
EEN KAMP AAN DE BOORNE
Bonifatius had een dag vastgesteld waarop pas gedoopte Friezen terug zouden komen. Hij wilde hun de handen opleggen, een gebaar waarmee een bisschop een nieuwe gelovige bevestigt in het geloof. De mensen waren naar huis gegaan en zouden op die dag terugkeren. Hij wachtte in een kamp aan de oever van de Bordne, de Boorne, een water dat in die tijd Oostergo en Westergo van elkaar scheidde. Zo staat het bij Willibald.
Hier moet ik iets eerlijk zeggen. Willibald noemt Dokkum niet. De historicus Cas Hofstee heeft zijn tekst daar nauwkeurig op nagelezen. De oudste bron spreekt van een kamp aan de Boorne, op de grens van twee Friese gouwen, en meer niet. Dat Dokkum de plek is, weten we uit latere bronnen en uit wat er in Dokkum zelf is gevonden. Daar kom ik op terug.
Het was 5 juni. De Friezen die hij verwachtte, kwamen niet. Bij het eerste licht kwam er een gewapende groep op het kamp af.
“HOUD OP MET VECHTEN”
Wat er toen gebeurde, kennen we alleen uit Willibald. De begeleiders van Bonifatius grepen naar hun wapens. Bonifatius kwam uit zijn tent. Hij had relieken bij zich, overblijfselen van heiligen die christenen in die tijd als kostbaar bewaarden. Hij zei tegen zijn mensen dat ze moesten ophouden met vechten. Kwaad moest met goed worden overwonnen, zei hij, met een gedachte die bij de apostel Paulus vandaan komt.
Daarna sprak hij de priesters, diakens en monniken toe. Ze moesten niet bang zijn, zei hij volgens Willibald, voor wie het lichaam kan doden maar de ziel niet. Hij gebruikte daarmee de woorden van Jezus: En wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden (Mattheüs 10:28).
Toen werden ze allemaal gedood.
Ik heb die zinnen vaak gelezen. Willibald was er niet bij. Hij schreef op wat anderen hem vertelden, en hij schreef als iemand die een heilige wilde laten zien. Of Bonifatius precies dit zei, kan niemand controleren. Wat wel vaststaat, is dat de oudste herinnering aan deze man er een is van iemand die zijn mensen verbood terug te slaan. Wat zou jij hebben gedaan, met een groep gewapende mannen voor je tent en je eigen mensen met een zwaard in de hand?
KISTEN VOL BOEKEN
De rest van het verhaal bij Willibald is minder plechtig. De aanvallers plunderden het kamp. Ze namen de kisten mee, omdat ze dachten dat er goud en zilver in zat. Op de schepen vonden ze wijn, en ze dronken. Over de buit kregen ze ruzie. Ze vielen in twee groepen uiteen en doodden elkaar.
Toen de overlevenden de kisten openmaakten, vonden ze boeken. Geen goud, geen zilver, alleen handschriften en heilige teksten. Ze gooiden ze weg in de velden en in de moerassen. Later, zo schrijft Willibald, werden de boeken teruggevonden en naar een klooster gebracht.
Drie dagen na de moord kwam de wraak. Christenen uit de omgeving trokken met een gewapende groep op tegen de heidense nederzettingen in de buurt. Ze doodden veel mensen en namen gevangenen mee. Willibald schrijft dat de heidenen daarna het geloof aannamen dat ze tijdens het leven van Bonifatius hadden afgewezen.
Hij vertelt het als een overwinning. Voor een lezer van nu is het een moeilijke passage. De man die zijn mensen verbood te vechten, werd gewroken met geweld. Willibald gaat daar niet op in. Ik laat het staan zoals hij het schreef.
EEN KLOK DIE VANZELF LUIDDE
De lichamen gingen per schip over het Almere, het grote binnenwater waar later de Zuiderzee uit groeide, naar Utrecht. Daar werden ze begraven. Kort daarna kwamen er monniken uit Mainz, gestuurd door Lul en geleid door een monnik die Hadda heette. Ze wilden het lichaam van Bonifatius meenemen.
In Utrecht zei een graaf dat koning Pepijn had bepaald dat het lichaam daar moest blijven. Toen ging er een klok luiden, zonder dat iemand hem aanraakte. Zo vertelt Willibald het. De mensen zagen het als een teken en lieten het lichaam gaan. Het kwam dertig dagen na de dood in Mainz aan.
Uiteindelijk kreeg Bonifatius zijn graf in Fulda, het klooster dat hij zelf had laten stichten. Daar ligt hij nog, in een schrijn onder het hoofdaltaar van de dom. Ook de relieken van Eoban kwamen na 756 naar Fulda, samen met die van een andere metgezel, Adalar. Vóór het jaar 1100 werden die twee overgebracht naar Erfurt. In de dom daar staat een reliekkist voor beiden uit ongeveer 1350.
Van Eoban weten we verder weinig. Hij was waarschijnlijk een Engelsman die met Bonifatius naar het vasteland was gekomen. Willibald noemt hem een bisschop die in Utrecht was gewijd. Latere lijsten zetten hem neer als bisschop van Utrecht, maar de bronnen zijn het daar niet over eens.
EEN PAARD DAT WEGZAKTE
En dan de bron.
Willibald vertelt het verhaal als iets wat hij van Lul had gehoord, die het van koning Pepijn had, die het weer van ooggetuigen had. Op de plek waar Bonifatius was gestorven, wilde de koning een grote heuvel laten opwerpen. Het water kwam daar bij hoog tij binnen, en bovenop moesten een kerk en een klooster komen. Toen Abba, een bestuurder van Pepijn, over die heuvel reed, zakte het paard van een van zijn dienaren weg in de zachte grond. Toen het dier eruit kwam, welde er een bron op. Het water was helder en zoet, schrijft Willibald, en het werd een beek.
Het is een wonderverhaal uit de derde hand. Willibald vertelt het met zorg: hij zegt erbij van wie hij het heeft. Later werd het verhaal eenvoudiger. In Dokkum wordt het verteld als de legende van het paard van Bonifatius zelf. In de oudste tekst is het het paard van een dienaar, jaren na de moord.
Zoet water bij een plek aan de kust, waar zout water steeds binnenkwam, was voor de mensen in Friesland geen klein ding. Je hoeft geen wonder aan te nemen om te begrijpen waarom deze bron werd onthouden.
HET BOEK BOVEN HET HOOFD
Het beeld aan de Bronlaan laat Bonifatius zien met een boek boven zijn hoofd, om de zwaardslag op te vangen. Veel mensen in Nederland kennen dat verhaal van school. Willibald vertelt het niet.
Het verhaal komt voor het eerst voor in een Utrechtse levensbeschrijving van Bonifatius. Wanneer die precies geschreven is, daarover verschillen historici. Mostert schrijft dat het verhaal stamt uit een verloren gegaan Utrechts heiligenleven en ongeveer tweehonderd jaar na de moord opduikt. In het klooster van Fulda kenden ze het rond 975: in een liturgisch boek uit die tijd staat een afbeelding van de moord, met de martelaar die een groot boek vasthoudt.
In Fulda ligt een handschrift dat de Ragyndrudis-codex heet. Het is een boek uit de achtste eeuw, en het heeft sneden in de rand, alsof er met een zwaard of bijl op is ingehakt. In de elfde eeuw bracht de monnik Otloh van Sankt Emmeram dit boek in verband met het verhaal van Bonifatius. Het zou het boek zijn waarmee hij zich had verweerd.
Daar zitten twee problemen aan. De legende spreekt van een evangelieboek, en de codex is dat niet. Hij bevat teksten tegen de leer van Arius, een vroege dwaalleer over wie Jezus is, en andere teksten over het geloof. De historica Petra Kehl aanvaardt de koppeling met de legende daarom niet. Een andere historicus, Lutz von Padberg, opperde dat het boek beschadigd kan zijn toen de moordenaars om de buit vochten. Dat zou passen bij wat Willibald over de verspreide boeken schrijft. Maar ook dat blijft een veronderstelling.
Het origineel wordt in Fulda achter slot bewaard. In het Dommuseum ligt een facsimile, een nauwkeurige kopie.
EEN KERK OP DE TERP
Hoe werd Dokkum de plek? Een latere Utrechtse levensbeschrijving kent op de plaats van de moord al een kerk, en een bron met zoet water. Volgens de overlevering liet Liudger die kerk bouwen. Liudger was een Friese priester. Vanaf 777 werkte hij als missionaris in Oostergo, met Dokkum als middelpunt. In 784 kwamen de Friezen in opstand. Ze verdreven de missionarissen en staken de kerken in brand.
Onder de Markt in Dokkum ligt een terp. Archeologen hebben daar resten gevonden van gedachteniskerken voor Bonifatius: eerst van hout, daarna van tufsteen, daarna van baksteen, met graven eromheen. De terp is een beschermd archeologisch rijksmonument. Wat de mensen die eraan bouwden geloofden, kun je uit die opeenvolging van kerken aflezen. Ze bouwden steeds opnieuw, op dezelfde plek.
Mostert wijst op iets wat de zaak minder eenvoudig maakt. In het begin van de negende eeuw viel het gebied rond Dokkum terug in het oude geloof. Pas in de elfde en twaalfde eeuw was het helemaal christelijk. Een verering die zonder onderbreking doorliep, kan dat volgens hem moeilijk hebben overleefd. Kehl stelt vast dat er geen liturgische bronnen zijn, geen gebeden of feestdagen, waaruit een verering in Dokkum in de vroege eeuwen blijkt.
In de dertiende eeuw is Bonifatius in Dokkum wel aanwezig. Een kroniek uit Dokkum noemt hem, al zet die zijn dood ten onrechte in het jaar 725. En de monnik Caesarius van Heisterbach schreef tussen 1214 en 1216 over een visioen van een kruis in Dokkum op de dag van het martelaarschap.
EEN ABDIJ EN EEN KERK DIE BLEEF
Rond 1200 stond er in Dokkum een abdij die aan Bonifatius was gewijd. Het was een dubbelklooster van de premonstratenzers, ook wel norbertijnen genoemd: een kloosterorde van kanunniken, met een mannen- en een vrouwenafdeling. Naast de grote abdijkerk kwam een parochiekerk voor de stad, gewijd aan Sint-Martinus. Aan de huidige Martinuskerk werd begin vijftiende eeuw begonnen.
Tot 1580 trokken er elk jaar bedevaarten naar Dokkum. Een bedevaart is een reis naar een heilige plaats om daar te bidden. Toen kwam de Reformatie in Friesland. Het kloosterleven eindigde en de abdij werd afgebroken. De Martinuskerk werd de hoofdkerk van de protestanten in Dokkum en werd tussen 1588 en 1593 vergroot. In 1751 kreeg ze een preekstoel van Sjouke Nooteboom, die er nog staat.
Voor katholieken was 1580 een verlies. Voor protestanten was het een terugkeer naar de Bijbel, zonder relieken en bedevaarten. Beide groepen claimden hun deel van Bonifatius. Ik vind het opvallend dat de kerk op de terp al die eeuwen is blijven staan en blijven gebruikt, alleen door andere mensen. Ook na 1580 bleven er nog ruim honderd jaar losse pelgrims naar Dokkum komen.
Daarna werd het lange tijd stil. In 1853 werd een oude bron in Dokkum teruggevonden, bekend als de Brouwersbron. Die werd gezien als de bron uit het verhaal van Willibald. Of het dezelfde bron is, kan niemand bewijzen.
Het was de tijd waarin katholieken in Nederland weer openlijk hun geloof mochten belijden en kerken mochten bouwen. Rond 1870 kreeg Dokkum een nieuwe katholieke kerk, ontworpen door de bekende architect P.J.H. Cuypers. Die kerk aan de Koningstraat is gewijd aan Martinus, Bonifatius en zijn metgezellen. Er worden relieken getoond die aan Bonifatius worden toegeschreven.
In 1875 kwam er een eerste herleving van de bedevaart, vooral uit Friesland zelf. Die duurde ongeveer tien jaar. In 1884 werd bij de bron een gietijzeren pomp geplaatst. In 1919 was er een fietsbedevaart, in 1921 werd de bron schoongemaakt en kreeg hij gemetselde randen.
EEN PARK, EEN KAPEL EN EEN KARMELIET
In 1925 werd de Sint-Bonifatiusstichting opgericht, met het doel Dokkum weer een echte bedevaartsplaats te maken. De stichting kocht de grond rond de bron, het Martelaarsveld. De architect Wolter te Riele ontwierp een park voor processies en een grote kapel. In 1926 was de eerste landelijke bedevaart. Van de grote kapel van Te Riele werden alleen de fundamenten gelegd.
Een oud-leerling van Te Riele, H.W. Valk uit ’s-Hertogenbosch, maakte kosteloos een ander ontwerp. In februari 1934 begon de bouw en een half jaar later was de kapel klaar. Ze kreeg een romaanse vorm, halfrond, met een overdekte gang van ongeveer driehonderd meter langs de rand en een open midden.
Een van de mensen die hielpen het bedevaartsoord vorm te geven, was de Friese karmeliet Titus Brandsma, over wie ik elders uitgebreid schrijf. Hij dacht mee over de kruisweg in het park. Hij stierf in 1942 in Dachau. In 1949 werden de staties van de kruisweg geplaatst, met keramische taferelen van Jacques Maris. In het park staat ook een beeld van Titus.
In de jaren zestig kwam het beeld van Bonifatius met het boek erbij, gemaakt door G. Bolhuis uit Franse kalksteen. Begin jaren negentig werden park en kapel gerestaureerd. Het complex is een rijksmonument.
WATER UIT EEN POMP
Volgens de toeristische informatie van Friesland komen er elk jaar tussen de vijfentwintig- en veertigduizend pelgrims naar de kapel. Bij de kapel begint ook de Bonifatius Kloosterpad, een wandelroute langs oude kloosterplaatsen in Friesland.
Ik weet niet of die bron dezelfde is als de bron van Abba en zijn dienaar. Ik weet ook niet of Bonifatius op deze plek stierf of ergens anders langs de Boorne. Wat ik wel weet, is dat er op een terp in Dokkum eeuw na eeuw opnieuw een kerk werd gebouwd voor een oude man die zijn mensen verbood terug te slaan. En dat er in de achtste eeuw een schrijver was die vond dat je moest weten dat de moordenaars in zijn kisten alleen boeken vonden.
Aan de Bronlaan staat de pomp bij de bron, met de gemetselde randen eromheen. Achter de bron staat de kapel, open in het midden. Daarboven is alleen de lucht.
GA ER ZELF HEEN
De Bonifatiuskapel ligt aan de Bronlaan 12 in Dokkum, op het Martelaarsveld net buiten de oude binnenstad. Je ziet er de bron met de pomp, de halfronde open kapel, het processiepark met de veertien staties van de kruisweg, het beeld van Bonifatius en het beeld van Titus Brandsma. Langs de kruisweg kun je een audiotour volgen. Kijk voor openingstijden van de kapel op de website van de Bonifatiuskapel Dokkum; het park en de kapel zijn niet het hele jaar op dezelfde manier toegankelijk.
In de binnenstad staat aan de Markt de Grote of Sint-Martinuskerk, op de terp waar de resten van de oude gedachteniskerken en de abdij in de grond liggen. In de zomer zijn er orgelconcerten. Op een paar minuten lopen staat aan de Koningstraat de katholieke Bonifatiuskerk van Cuypers, waar relieken van Bonifatius worden getoond.
Museum Dokkum heeft een vaste tentoonstelling over het leven van Bonifatius. Kijk voor openingstijden op de website van Museum Dokkum. Wie wil wandelen, kan bij de kapel beginnen aan de Bonifatius Kloosterpad.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): Bonifatius (Winfried), Engelsman, werkte vanaf 716 op het vasteland, werd aartsbisschop en kreeg Mainz als zetel; hij werd in juni 754 in Friesland vermoord met een groep metgezellen, onder wie Eoban; Willibald schreef binnen ongeveer vijftien jaar zijn levensbeschrijving, op verzoek van Lul en Megingoz, en kende hem niet persoonlijk; zijn graf is in Fulda; onder de Markt in Dokkum liggen resten van houten, tufstenen en bakstenen gedachteniskerken voor Bonifatius en van een twaalfde-eeuwse abdij; de abdij bestond tot 1580; de Martinuskerk werd protestants en tussen 1588 en 1593 vergroot; de pomp (1884), de Bonifatiusstichting (1925), de kapel van H.W. Valk (1934) en de kruisweg (1949); de Ragyndrudis-codex is een achtste-eeuws handschrift met sneden in de rand, en geen evangelieboek.
Alleen uit overlevering of heiligenleven: de woorden van Bonifatius bij de overval en zijn verbod om te vechten; de plundering, de wijn en de verspreide boeken; de wraakactie drie dagen later; de klok die in Utrecht vanzelf luidde; het opwellen van de bron onder het paard van een dienaar van Abba (bij Willibald uit de derde hand); de kerk van Liudger op de plaats van de moord; het kruisvisioen bij Caesarius van Heisterbach.
Onbevestigd: dat Bonifatius precies in Dokkum stierf (Willibald noemt alleen de Boorne); het aantal van tweeënvijftig metgezellen; dat Eoban bisschop van Utrecht was; het boek dat hij boven zijn hoofd hield (komt pas uit een latere Utrechtse levensbeschrijving, datering betwist); dat de Ragyndrudis-codex dat boek is; dat de huidige bron dezelfde is als de bron uit Willibald; de legende dat het het paard van Bonifatius zelf was.
Duiding: het jaartal van het beeld van Bonifatius wordt verschillend opgegeven (1962 en 1965), net als dat van de restauratie (1992 en 1993). Of de wonderen bij Willibald gebeurd zijn zoals hij ze vertelt, is een geloofsvraag; de tekst laat zien wat de mensen rond Lul over Bonifatius vertelden.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Willibald, The Life of Saint Boniface (vert. C.H. Talbot), Fordham Medieval Sourcebook
- Marco Mostert, bijdrage in Madoc, jaargang 1995 (DBNL)
- Marco Mostert, “Het bloed der martelaren”, Leidschrift 20 (2005)
- Michel Aaij, “St. Boniface in Germany and the Netherlands”, The Heroic Age 6 (2003)
- Medievalists.net, “Boniface’s Booklife: How the Ragyndrudis Codex Came to be a Vita Bonifatii”
- NASSCAL, Fulda, Hochschul- und Landesbibliothek, Bonifatianus 2
- Comité Bonifatius-Dorestad 1300, over Willibald en de plaats van de moord
- Rijksmonumentenregister, complex Bonifaciuskapel Dokkum
- Rijksmonumentenregister, archeologisch monument Dokkum Markt
- Archimon, Bonifatiuskapel Dokkum
- Meertens Instituut, Bedevaartbank: Dokkum
- Kloosterlijst VU, abdij van Bonifatius in Dokkum
- Friesland Wonderland, Dokkum
- Eropuit in Friesland, kerken in Dokkum
- Eropuit in Friesland, Bonifatius in Dokkum
- Friesland.nl, Bonifatiuskapel
- Bonifatiuskapel Dokkum
- Wikipedia, Saint Boniface (startpunt)
- Wikipedia, Eoban (startpunt)
- Wikipedia, Ludger (startpunt)