Wat betekenendeze stenen?

Deel 1 · Hoofdstuk 4

Deventer

het huis dat Geert Grote weggaf

1374Museum Geert Groote Huis

Op het Lamme van Dieseplein in Deventer staan twee figuren van brons. De beeldhouwer, Karoly Szekeres uit Deventer zelf, noemt ze broeder en zuster. Ze hebben geen naam. Ze staan voor de mannen en vrouwen die hier, meer dan zes eeuwen geleden, God wilden dienen in een gewoon huis, in een gewone stad, met hun handen aan het werk.

Aan hetzelfde plein staat het Museum Geert Groote Huis. Het is gebouwd op de fundamenten van de eerste kapel van de Broeders van het Gemene Leven. In een achterkamer wordt het leven van Geert Grote verteld in zes vitrinekasten. In de kelder is plaats voor wisselende tentoonstellingen.

Een paar straten verderop, om de hoek van de Broederenkerk, stond ooit het huis waar alles begon. Het is verdwenen. Bij de plek is een tekst van Geert aangebracht. Een wandelgids langs de plekken van de Moderne Devotie citeert deze zin van hem: “We moeten altijd dingen doen die binnen ons bereik liggen.”

Het klinkt eenvoudig. Voor een man die ooit alles binnen zijn bereik had, was het dat niet.

EEN JONGEN VAN DE BRINK

Geert Grote werd geboren in oktober 1340, in een huis aan de Brink, het grote plein midden in Deventer. Het museum noemt 16 oktober als dag. Zijn vader, Werner Grote, was lakenkoopman en een man van aanzien. Hij was schepen en burgemeester van de stad.

Deventer was in die tijd een handelsstad aan de IJssel. Er stonden grote kerken. De Lebuïnuskerk was een kapittelkerk, een kerk met een college van kanunniken, geestelijken die samen het koorgebed hielden en daar een inkomen voor kregen. De Mariakerk ernaast was de parochiekerk van de burgers.

Rond 1350, toen Geert ongeveer tien was, trok de pest door Europa. Zijn vader en zijn moeder stierven er allebei aan. Een oom nam de zorg voor de jongen op zich. Geert erfde genoeg om er later zijn studie van te betalen.

Hij ging naar de Latijnse school van de Lebuïnuskerk. Rond zijn vijftiende vertrok hij naar Parijs, naar de beroemdste universiteit van zijn tijd. Na drie jaar, in 1358, was hij magister artium, meester in de vrije kunsten. Hij bleef studeren: rechten, theologie, geneeskunde. Volgens de historicus Jan Romein verdiepte hij zich ook in astrologie en in wat toen zwarte kunst heette, boeken over magie.

In de jaren daarna leefde Geert het leven van een geleerde met connecties. Hij doceerde en disputeerde in Deventer, Aken, Utrecht en Keulen. In 1366 bepleitte hij namens Deventer een zaak bij de paus in Avignon. Hij kreeg twee kanunnikaten: een bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Aken en een bij de Sint-Maarten in Utrecht.

Een kanunnikaat leverde een prebende op, een vast inkomen uit kerkelijk bezit. Wie zo’n plaats had, hoefde er niet altijd veel voor te doen. Romein schat het inkomen uit zijn twee prebenden samen op ongeveer tweehonderd pond per jaar. Geert verzamelde boeken, al vanaf zijn Parijse jaren. Hij had alles wat een slimme jongen uit een rijke familie kon wensen.

Ik vind het belangrijk om dat goed te zien. Geert Grote was geen arme zoeker die niets te verliezen had. Hij was een kerkelijk ambtenaar met een riant inkomen. Tot hij ziek werd.

BOEKEN OP DE BRINK

Rond 1372 werd Geert in Deventer ernstig ziek. Hij vroeg om de laatste sacramenten, de zegen en de communie die de kerk geeft aan wie op sterven ligt.

Wat er toen gebeurde, kennen we uit de levensbeschrijvingen die zijn leerlingen en hun opvolgers later schreven. Volgens dat verhaal weigerde de priester hem de sacramenten. Eerst moest Geert afstand doen van zijn boeken over zwarte kunst. Geert liet ze in het openbaar op de Brink verbranden. Daarna herstelde hij.

Het is een sterk verhaal en het museum vertelt het als feit. Maar het komt uit een tijd waarin levensverhalen van heilige mensen graag zulke scènes bevatten, en het tijdschrift The Low Countries schrijft dat de historische waarde ervan onzeker is. Welke priester het was, is ook niet zeker. Het museum spreekt van de pastoor. Een onderzoeker, Wilken Engelbrecht, verbindt het met de geestelijke van de Sint-Nicolaaskerk, de kerk die Deventenaren nu de Bergkerk noemen. Andere bronnen die dat bevestigen, heb ik niet gevonden.

Zeker is wel dat Geert in deze jaren veranderde. De verandering ging niet in één nacht.

“GIJ MOET EEN ANDER MENS WORDEN”

Over de weg naar die verandering bestaan meer verhalen. Een ervan speelt in Keulen. Geert zou daar naar een toneelvoorstelling hebben staan kijken, toen een onbekende man hem aansprak. Romein geeft zijn woorden zo weer: “Gij moet een ander mens worden.” Thomas a Kempis, die rond 1434 een levensbeschrijving van Geert schreef, vertelt dat zijn bekering vooraf werd geopenbaard aan een kluizenaar in Keulen. Ook dit zijn verhalen uit de traditie. Niemand heeft ze kunnen controleren.

Vaster grond is een vriend uit zijn studietijd, Hendrik Eger van Kalkar. Hendrik was prior van het klooster Monnikhuizen bij Arnhem, een klooster van kartuizers. Dat zijn monniken die grotendeels in stilte leven, ieder in een eigen cel. In 1374 zocht Hendrik hem op in Utrecht. Na die gesprekken was de keuze voor Geert gemaakt. Hij gaf zijn prebende in Utrecht op, en later ook die in Aken.

Heb jij ooit iets moeten loslaten waar je op had gebouwd? Voor Geert was het zijn inkomen, zijn positie en een groot deel van zijn boeken.

EEN AKTE IN SEPTEMBER 1374

In september 1374 liet Geert een akte opmaken. Romein noemt 20 september, Engelbrecht 21 september. Het stuk regelde dat zijn huis aan de Bagijnenstraat, dat hij van zijn ouders had, voortaan bestemd was voor arme vrouwen. Volgens de akte ging het om “arme luden die er Gode dynen willen”, arme mensen die er God wilden dienen. Voor zichzelf hield hij een paar kamers, voor de rest van zijn leven.

De vrouwen die er kwamen wonen, legden geen kloostergeloften af. Ze werden geen nonnen. Ze baden samen, zorgden voor zieken en verdienden hun brood met spinnen, weven en ander handwerk. Sommigen werkten buitenshuis.

Hier kon een vrouw God dienen zonder klooster, in een huis aan de straat, midden in de stad.

In 1379 volgde een nieuwe akte, met een regel voor het huis. Het werd een zusterhuis, het Meester-Geertshuis. Rond 1394 noemden de bewoonsters zich Zusters van het Gemene Leven. Gemeen betekende hier gemeenschappelijk: ze deelden wat ze hadden.

Geert zelf trok zich terug in Monnikhuizen, bij Hendrik van Kalkar. De bronnen verschillen over de jaren: Romein laat hem pas in 1377 aankloppen, het museum noemt 1375 tot 1378. Hij bleef er ongeveer drie jaar, als gast. Hij legde geen geloften af.

Het waren jaren van studie en strenge discipline. Volgens Romein droeg hij een haren kleed, een boetekleed van ruwe stof op de huid. Hij las de Bijbel en de kerkvaders. Augustinus was hem bijzonder dierbaar. In deze jaren schreef hij voor zichzelf een leefregel op, de Conclusa et proposita, besluiten en voornemens.

Het opvallende is dat hij niet bleef. Een stil leven in een cel had hij kunnen kiezen. Hij koos ervoor terug te gaan naar de steden.

“IK JAAG ALS EEN VREK OP BOEKEN”

De boeken liet Geert niet los. Hij verbrandde de boeken over magie, maar bleef verzamelen wat hem dichter bij God bracht. Rond 1377 reisde hij met zijn vriend Johan Cele naar Parijs om boeken te kopen. Op de terugweg bezocht hij de mysticus Jan van Ruusbroec in Groenendaal, bij Brussel. Over de jaartallen van die reis lopen de bronnen uiteen.

In een brief aan Ruusbroec schreef Geert over zichzelf: “Ik jaag als een vrek op boeken.” Een vrek in rijkdom was hij niet meer. In boeken nog wel.

Die liefde voor boeken zou de beweging die na hem kwam kenmerken. Geert vertaalde het getijdenboek, het gebedenboek met psalmen en gebeden voor vaste uren van de dag, uit het Latijn in het Nederlands. Een gewone vrouw in Deventer kon nu bidden wat tot dan toe vooral de geestelijken baden, in haar eigen taal. Van die vertaling zijn nog zeker duizend handschriften bewaard.

EEN DIAKEN OP DE PREEKSTOEL

In 1379 werd Geert gewijd tot diaken. Een diaken is in de katholieke kerk een geestelijke die mag preken en helpen bij de mis, maar geen priester is. Romein spreekt van een wijding tot subdiaken, een lagere rang. Priester wilde Geert niet worden. De bisschop van Utrecht, Floris van Wevelinkhoven, gaf hem toestemming om in het hele bisdom te preken.

En Geert preekte. Hij trok langs de IJsselsteden, naar Amersfoort, Amsterdam, Haarlem, Leiden, Delft, Gouda en Utrecht. Hij sprak in de volkstaal, soms twee uur of langer. Volgens het museum werden de kerken te klein. Een jonge man uit Deventer, Johannes Brinckerinck, reisde vaak met hem mee.

Zijn preken waren boetepreken. Hij riep mensen op om hun leven te veranderen, om te breken met onkuisheid en hebzucht. Hij keerde zich tegen simonie, het kopen en verkopen van kerkelijke ambten. Dat was het wereldje waar hij zelf uit kwam. Hij wist hoe het werkte.

EEN VROUW BIJ DE HAARD

Het felst was Geert over twee groepen in de kerk. De eerste noemde hij focaristen, naar het Latijnse woord voor haard. Dat waren priesters die met een vrouw samenleefden terwijl ze beloofd hadden ongehuwd te blijven. De tweede groep waren kloosterlingen die eigen bezit hielden, terwijl ze armoede hadden beloofd.

In 1383 sprak Geert de geestelijkheid van Utrecht toe met een preek tegen de focaristen. Hij noemde wat zij deden een zware zonde.

Dat viel niet bij iedereen goed. Daar stond een man die geen priester was, en vertelde priesters wat ze verkeerd deden. Hij had gelijk volgens de regels van de kerk zelf. Maar gelijk hebben maakt je niet geliefd. Er kwamen beschuldigingen dat hij ketterse ideeën had. Geert verdedigde zich in een openbare verklaring, de Publica Protestatio, waarin hij zei dat hij trouw bleef aan de leer van de kerk.

OKTOBER 1383

De tegenstanders vonden een eenvoudige weg. Ze vroegen de bisschop om alleen nog priesters te laten preken. Geert was diaken. In 1383, volgens Romein in oktober, trok de bisschop de bijzondere preekvergunningen in. Voor andere predikers die geen priester waren, werd de maatregel later weer opgeheven. Voor Geert niet.

Wat deed hij? Hij gehoorzaamde. Hij preekte niet meer in het openbaar. Wel ging hij in beroep bij paus Urbanus VI, via de pauselijke gezant Willem van Salvarvilla. Een negentiende-eeuws woordenboek vermeldt dat hij een opstand onder zijn aanhangers voorkwam. Hij overwoog zelfs om alsnog priester te worden. Of de paus op tijd reageerde, weten we niet. Romein schrijft dat daar geen zekerheid over bestaat.

Die keuze raakt mij. Geert had veel volgelingen en hij was overtuigd van zijn zaak. Hij vond het verbod onterecht en tekende beroep aan, maar hij legde zich erbij neer. Hij brak niet met de kerk. In de wandelroute langs de plekken van de Moderne Devotie in Deventer staat het zo: het ging hem erom traditie en actualiteit in balans te houden.

EEN VICARIS AAN DE LEBUÏNUSKERK

Intussen groeide er in Deventer iets wat Geert niet zo had gepland. Een van zijn vrienden en leerlingen was Florens Radewijns. Hij had een kanunnikaat in Utrecht, maar gaf dat op om vicaris te worden aan de Lebuïnuskerk in Deventer, een veel lagere functie.

Rond Florens vormde zich een gemeenschap van jonge mannen, geestelijken en leken. Geert en Florens zorgden samen voor een huis waar zij boeken overschreven, en daarmee verdienden ze hun brood. In een tijd zonder boekdrukkunst was dat een vak. Later zouden ze de broeders van der penne genoemd worden. Het werd de kern van de Broeders van het Gemene Leven.

Geert gaf het idee richting. Florens gaf het een huis en een vorm. De wandelroute in Deventer zegt het voorzichtig: de beweging was niet bewust gesticht, ze kwam voort uit het gedachtegoed van Geert. Die beweging heet de Moderne Devotie: een nieuwe, persoonlijke manier van geloven, gericht op een innerlijk leven met God en op zelfverloochening.

TWINTIG AUGUSTUS 1384

In 1384 heerste de pest in Deventer. Geert ging op bezoek bij een vriend die ziek was. Engelbrecht noemt hem Lambert Stuerman. Geert raakte besmet. Op 20 augustus 1384 stierf hij. Hij was drieënveertig.

Wat zei hij op zijn sterfbed? Daar bestaan twee versies van. Thomas a Kempis vertelt dat zijn vrienden klaagden dat ze hun vader kwijtraakten. Geert zou gezegd hebben dat ze op God moesten vertrouwen en Florens als hun vader moesten zien. Johannes Busch, een andere kroniekschrijver uit de beweging, laat hem iets anders zeggen: dat ze een klooster moesten stichten met een regel die de kerk had goedgekeurd. Romein legt beide naast elkaar. Wat Geert werkelijk zei, weten we niet.

Misschien zitten beide wensen erin. Want het gebeurde allebei. Florens leidde de broeders verder. En in 1387, drie jaar na Geerts dood, verrezen in Windesheim bij Zwolle de eerste gebouwen van een klooster van reguliere kanunniken, mannen die wel geloften aflegden. Daaruit groeide het Kapittel van Windesheim, een verbond van kloosters.

Waar Geert begraven werd, staat in een biografisch woordenboek uit de negentiende eeuw: in de Mariakerk, naast het hoogaltaar. Zijn resten zouden later naar het huis van Florens zijn overgebracht en daar in 1697 zijn teruggevonden. Een tweede bron heb ik hiervoor niet gevonden.

WAT IN DE HANDSCHRIFTEN BLEEF

Naast het overschrijven maakten de broeders en zusters rapiaria, persoonlijke schriften met zinnen uit de Bijbel en uit andere boeken die hen hadden geraakt, om ze te herlezen en te overdenken. Uit deze kring kwam ook De navolging van Christus, geschreven door Thomas a Kempis, dezelfde die Geerts levensbeschrijving schreef. Het wordt na de Bijbel vaak het meest gelezen christelijke boek genoemd. Het vat samen wat de Moderne Devotie wilde.

De broeders kregen ook scholen. Volgens The Low Countries zaten later Erasmus en Maarten Luther op zulke scholen. Ik schrijf dat met voorzichtigheid. Een rechte lijn van Geert Grote naar de Reformatie trekken is te makkelijk. Wat vaststaat, is dat zijn manier van geloven zich verspreidde over de Lage Landen en Duitsland, met huizen in onder meer Amersfoort, Delft, Gouda en Utrecht.

In Deventer zelf bleven veel van die handschriften bewaard. De Athenaeumbibliotheek bezit ongeveer honderddertig middeleeuwse handschriften. Ze komen vooral uit Deventer religieuze gemeenschappen en uit het klooster Diepenveen, het eerste vrouwenklooster van de beweging. In 2022 waren ze allemaal gedigitaliseerd.

EEN HUIS DAT VERDWEEN

Het Meester-Geertshuis bestond nog tot 1592, toen de stad, inmiddels protestants, de kloosters ophief. Het gebouw bleef staan tot in de twintigste eeuw. De bronnen verschillen over wanneer het verdween: een databank van kloosters noemt het bombardement van 1945, een recensie van een Deventer studieboek spreekt van sloop in de jaren zestig. Boven de grond is er niets van over. Er hangt een gedenkplaatje.

Ga je in Deventer op zoek naar Geert Grote, dan vind je geen graf om bij te staan en geen huis om binnen te gaan. Je vindt een inscriptie op de muur van een katholieke kerk, een tekst op de plek van een verdwenen huis, en een museum op de fundamenten van een kapel. Het past bij hem. Hij gaf zijn huis weg.

Op het Lamme van Dieseplein staan de broeder en de zuster van brons. Ze hebben geen naam. Ze zijn gewoon met hun werk bezig.

GA ER ZELF HEEN

Het Museum Geert Groote Huis staat aan het Lamme van Dieseplein in de binnenstad van Deventer, op de fundamenten van de eerste kapel van de Broeders van het Gemene Leven. Je ziet er het levensverhaal van Geert Grote in zes kasten en een wisselende tentoonstelling in de kelder. Op het plein staan de bronzen beelden van broeder en zuster. Het museum heeft ook een bibliotheek over de Moderne Devotie, een museumcafé en een winkel. Kijk voor openingstijden op de website van het Museum Geert Groote Huis.

Loop daarna naar de Broederenkerk aan de Broederenstraat, een gotische kloosterkerk die nu katholiek is. Aan deze kerk is een inscriptie ter nagedachtenis aan Geert aangebracht. Om de hoek, bij de plek waar zijn huis stond, staat een tekst van hem.

Op het Grote Kerkhof staat de Lebuïnuskerk, waar Florens Radewijns vicaris was. De romaanse crypte is het oudste deel van het gebouw. Direct ernaast, aan de Nieuwe Markt, staat het restant van de Mariakerk, de parochiekerk waar Geert volgens het museum gedoopt werd. In het Bergkwartier staat de Bergkerk, de oude Sint-Nicolaaskerk, die nu gebruikt wordt voor tentoonstellingen en concerten. Kijk voor openingstijden op de website van de Lebuïnuskerk, en voor de Bergkerk op de agenda van Deventer Verhaal.

De middeleeuwse handschriften van de Athenaeumbibliotheek kun je online bekijken via de website van de bibliotheek. De bibliotheek is gevestigd aan het Klooster in Deventer, samen met Collectie Overijssel; er zijn plannen voor een nieuw gebouw, dus kijk vooraf op de website van de Athenaeumbibliotheek.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Deventer in oktober 1340, zoon van Werner Grote; dood van beide ouders door de pest rond 1350; studie in Parijs en twee kanunnikaten (Aken en Utrecht); zware ziekte rond 1372; afstand van zijn prebenden en de schenking van zijn huis aan arme vrouwen in september 1374; verblijf als gast bij de kartuizers van Monnikhuizen; diakenwijding en preekvergunning in 1379; het zusterhuis (Meester-Geertshuis) vanaf 1379; boetepreken in steden van het bisdom, tegen focaristen en kloosterlingen met eigen bezit; preek voor de Utrechtse geestelijkheid in 1383; het preekverbod van 1383, Geerts gehoorzaamheid en zijn beroep op de paus; de gemeenschap rond Florens Radewijns; de vertaling van het getijdenboek; zijn dood aan de pest op 20 augustus 1384 na een ziekenbezoek; Windesheim in 1387.

Alleen uit overlevering of eigen getuigenis: de verbranding van zijn boeken op de Brink en de weigering van de sacramenten (uit levensbeschrijvingen; historische waarde onzeker); de boeteprediker en de kluizenaar in Keulen; zijn laatste woorden (twee verschillende versies, bij Thomas a Kempis en Johannes Busch); de geboortedag 16 oktober en de doop in de Mariakerk (alleen het museum).

Onbevestigd: dat de priester die de sacramenten weigerde van de Sint-Nicolaaskerk (Bergkerk) was (één onderzoeker); zijn begrafenis in de Mariakerk en de vondst van zijn resten in 1697 (alleen een negentiende-eeuws woordenboek); de naam van de zieke vriend, Lambert Stuerman (één bron); de exacte dag van de akte (20 of 21 september 1374), de jaren in Monnikhuizen en de reis naar Ruusbroec (bronnen lopen uiteen); de maand oktober voor het preekverbod (één bron); of de paus het verbod nog ophief; wanneer het Meester-Geertshuis verdween (1945 of de jaren zestig). Een vaste jaarlijkse Geert Grote-herdenking heb ik niet kunnen bevestigen; de zeshonderdste sterfdag werd in 1984 herdacht met een studieboek.

Duiding: de Moderne Devotie is door Geert niet als organisatie gesticht. Zijn leerlingen, vooral Florens Radewijns, gaven vorm aan wat hij begon.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Jan Romein, Erflaters van onze beschaving, hoofdstuk Geert Groote (DBNL)
  2. Van der Aa, Biographisch woordenboek, lemma Groote (DBNL)
  3. Wilken Engelbrecht, “War Geert Grote in Prag?” (1992)
  4. The Low Countries, “Geert Groote”
  5. Museum Geert Groote Huis, tijdlijn
  6. Museum Geert Groote Huis, Wie was Geert Groote?
  7. Museum Geert Groote Huis, Wat is er te zien
  8. Museum Geert Groote Huis, Beelden op het Lamme van Dieseplein
  9. Thomas a Kempis, Leven van Geert Grote, vertaald door Frank de Roo (fragment)
  10. Jacques Koekkoek, inleiding bij De navolging van Christus (fragment)
  11. Literatuurgeschiedenis.org, Moderne Devotie
  12. Monasteries Geoplaza (VU), Meester Geertshuis Deventer
  13. Wandeling Moderne Devotie in Deventer (theologie.nl)
  14. BMGN, recensie van Vernieuwde innigheid (2008)
  15. Archimon, kerken in Deventer
  16. Archimon, Lebuïnuskerk Deventer
  17. Meertens Instituut, Bedevaartbank, beelden Geert Groote Deventer
  18. Museum.nl, Bergkerk Deventer
  19. Lebuïnuskerk Deventer
  20. Universiteit Leiden, nieuwsbericht Athenaeumbibliotheek (2022)
  21. Medieval Manuscripts in Dutch Collections, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek
  22. Gemeente Deventer, nota Collectie Overijssel (2024)
  23. Clemens M. Hogenstijn, Deventer als bakermat van de Moderne Devotie (Thijmgenootschap)
  24. Museum Geert Groote Huis, homepage
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel