De Gerard Doustraat in De Pijp is een straat om te eten en te drinken. Er zijn terrassen, bars en kleine restaurants, en vooral ’s avonds zitten er veel studenten. De straat is vernoemd naar een schilder uit de zeventiende eeuw, zoals bijna alle straten in deze buurt. Wie er nu loopt, ziet niets wat aan een leger doet denken.
Ik heb gezocht naar een gedenkplaat. Ik heb er geen gevonden. Zelfs het huisnummer is niet zeker: de ene bron noemt nummer 69, de andere nummer 8. Toen het Leger des Heils in 2012 zijn honderdvijfentwintigste verjaardag vierde, begon een estafette van muziekkorpsen hier in deze straat, voor het gebouw dat het Leger aanwees als de plek van de eerste samenkomst. Een violist speelde die dag op de viool van de man die in 1887 vooraan stond.
Die man heette Gerrit Govaars. Hij was eenentwintig, en hij had zijn baan al verloren.
EEN ONDERWIJZER ZONDER KLAS
Gerrit Juriaan Govaars werd op 19 april 1866 in Amsterdam geboren. Hij werd onderwijzer. Hij was lid van de Vrije Evangelische Gemeente, een kleine protestantse gemeente buiten de grote kerken, en van de evangelisatievereniging Emmanuel. Evangelisatie betekent: het evangelie brengen aan mensen die niet meer naar de kerk gaan.
In Londen bestond sinds 1865 een beweging die precies dat deed. William en Catherine Booth waren er begonnen met de East London Christian Mission. In 1877 kreeg hun werk een militaire vorm. Er kwamen een vlag, uniformen en rangen. Het motto werd “Bloed en Vuur”. Het heette voortaan The Salvation Army, het Leger des Heils.
Govaars voelde zich ertoe aangetrokken. Volgens de Canon Sociaal Werk was het een Franse uitgave van het legerblad die hem over de streep trok. In 1885 kostte zijn sympathie hem zijn baan als onderwijzer. Hij vertrok naar het hoofdkwartier in Londen. Daar hielp hij liederen te vertalen, en op een internationaal congres in 1886 werd hij officier. In Londen stond hij bekend als de “Hallelujah Dutchman”.
Wat zou jij doen als je geloof je je werk kostte? Govaars ging naar het buitenland en kwam terug als officier.
Govaars had een bondgenoot. C. Ferdinand Schoch was een welgestelde oud-officier, volgens de eigen geschiedschrijving van het Leger een gepensioneerd artillerie-officier. Hij was medeoprichter van dezelfde vereniging Emmanuel. In 1884 en 1885 bezocht hij het Leger in Londen. Hij wilde zich meteen aansluiten. Booth raadde hem aan te wachten tot er in Nederland een eigen afdeling was.
Er waren in Nederland al eerder stemmen voor en tegen geweest. In 1882 verdedigde P. Huet, hervormd predikant in Goes, het Leger in zijn blad. Hij reisde datzelfde jaar met de predikant Andrew Murray naar het Londense hoofdkwartier. Een jaar later, op een conferentie in Delft, hield J. van Golverdinge jr. een kritisch verhaal. Hij zag in de leer van het Leger dwalingen en vond de strakke organisatie verdacht.
In september 1886 wilde een evangelist, Jan van Petegem, een eigen “Reddingsleger” in Nederland beginnen. Booth weigerde. Alleen officieren die hij zelf aanstelde, mochten onder de naam van het Leger werken. Kort daarna stuurde Londen een eigen man.
EEN MATROOS VAN DE HARWICHBOOT
In maart 1887 meldden de kranten de komst van John K. Tyler. Hij was matroos geweest op de boten tussen Harwich en Hoek van Holland. In het Leger was hij kapitein. Hij kwam met zijn vrouw. Over haar zeggen de bronnen weinig, behalve dat ze er was. Een internationale bron van het Leger zelf noemt hem Joseph in plaats van John, en een andere geeft hem weer andere initialen. Zo dun is het spoor soms, al bij de eerste man.
Tyler sprak een beetje Nederlands. Verslaggevers konden hem nauwelijks verstaan. Een ex-officier die later een scherp boek over het Leger schreef, noemde Tyler en zijn eerste opvolgers mannen van weinig bekwaamheid. Dat oordeel komt van iemand die met het Leger gebroken had. Het verdient een plaats, maar geen laatste woord.
Een week voor de eerste samenkomst stond er een kleine advertentie in het Algemeen Handelsblad. Amsterdam was gewaarschuwd.
ZONDAG 8 MEI 1887
De zaal van de vereniging Emmanuel lag aan de Gerard Doustraat. De Pijp was een volksbuurt. Het stratenplan van dit deel van de wijk was rond 1870 getekend. Op zondag 8 mei 1887 hield het Leger des Heils daar zijn eerste samenkomst in Nederland.
Wie er precies vooraan stond, vertellen de bronnen verschillend. Volgens de canon van het Leger zelf leidde kapitein Tyler de bijeenkomst, met luitenant Govaars en het echtpaar Schoch als helpers. C. van der Laan, die in 1989 een artikel over de vestiging van het Leger schreef, en de gids van het Huygens Instituut schrijven dat commandant G.S. Railton uit Londen de dag leidde. Waarschijnlijk waren ze er allemaal. De bronnen zijn het eens over de straat, de datum en de drukte.
Volgens het Leger knielden die dag zestien mensen aan de zondaarsbank. Dat was een gewone bank vooraan in de zaal. Wie daar knielde, liet zien dat hij zijn leven aan God wilde geven. Er werd met hem gebeden, en binnen twee weken kwam iemand van het Leger hem twee keer thuis opzoeken.
“EEN HEERLIJKER OVERWINNING”
Over de avondsamenkomst schreef Railton zelf een verslag, in het eerste nummer van het nieuwe weekblad De Heilssoldaat, in juni 1887. Het was een harde strijd, schreef hij. De zaal stroomde vol. Vrouwen schreeuwden en probeerden het podium te bereiken. De politie stuurde extra mannen.
Railton zag geen mislukking. Hij schreef: “Nooit zag ik een heerlijker overwinning in welke opening dan ook.”
We hebben die avond alleen door zijn ogen. Wat de buurtbewoners dachten, wat de agenten in hun rapport schreven, weten we uit deze bronnen niet. Railton schreef voor zijn eigen mensen, en hij schreef om moed te geven. Ik lees zijn verslag daarom als een getuigenis: eerlijk over de onrust, en vol van wat hij geloofde dat God deed.
EEN BIDSTOND, EEN LOFZANG EN EEN BANK VOORAAN
Wie in die jaren een week lang naar het Leger ging, kwam in een vast ritme terecht. Van der Laan beschrijft het. Er was een bidstond. Er was een heiligingssamenkomst, bedoeld voor wie al tot geloof was gekomen en wilde groeien. Er was een samenkomst vol lof en dank. En er was de verlossingssamenkomst, voor wie nog buiten stond.
In die laatste werd het publiek opgeroepen naar de zondaarsbank te komen. Heilssoldaten bleven niet op het podium. Ze liepen de zaal in, tussen de mensen door, om met hen te praten. Volgens de Canon Sociaal Werk keken omstanders daar met wantrouwen naar. Een kerkdienst die zich weinig aantrok van de vaste vormen, met mensen die je in de zaal aanspraken: dat kenden ze niet.
Het Leger schreef ook. Na het eerste nummer van De Heilssoldaat in juni 1887 groeide de oplage binnen een jaar tot veertienduizend, volgens de cijfers van het Leger zelf. In 1888 kreeg het een eigen drukkerij, en kwam H.C. Hodder als landelijk commandant. In 1890 heette het blad De Oorlogskreet, en de oplage was tweeëntwintigduizend. Er waren toen dertig korpsen en ruim honderd officieren. Vanaf 1894 kwam er een blad voor kinderen bij, De Jonge Strijder.
Het eerste jaar alleen al telde het Leger meer dan een half miljoen bezoeken aan zijn bijeenkomsten. Waarschijnlijk zijn dat bezoeken en geen afzonderlijke mensen. Wie elke avond kwam, telde dan elke avond mee.
STENEN, SPOT EN EEN VLAG
De onrust van die eerste avond bleef. In de zomer van 1887 verstoorden relschoppers de samenkomsten geregeld, en soms moest de politie ingrijpen. Heilssoldaten, zoals de leden van het Leger heten, werden mishandeld. Van der Laan merkt op dat juist die botsingen het Leger bekendheid gaven, en de naam van een beweging die moed had.
Op 17 juli 1887 kwam commissioner Frank Smith uit Londen. Hij reikte de legervlag uit. Daarmee werd het korps Amsterdam 1 officieel. Een korps is in het Leger wat elders een gemeente heet: een plaatselijke groep gelovigen met een eigen zaal en eigen officieren. Een andere bron van het Leger zelf plaatst de vlaguitreiking in september. Volgens Van der Laan hadden toen al ongeveer vierhonderd mensen geknield, van wie een kwart heilssoldaat was geworden.
Buiten Amsterdam ging het harder. In 1889 werd in Kampen het gebouw van het Leger met stenen bekogeld. Ruiten gingen kapot en leden werden mishandeld. Volgens de canon van het Leger duurde de onrust dagen, tot de staat van beleg werd afgekondigd.
WAAROM DE KERKEN TWIJFELDEN
De kerken keken in die eerste jaren vooral met argwaan. Van der Laan zet de bezwaren op een rij. Het Leger was luidruchtig. Vrouwen stonden vooraan en preekten, en daar hadden veel kerkelijke kringen bezwaar tegen. De militaire vorm stoorde veel predikanten. En de leer week af: Booth had in 1882 de sacramenten in het Leger afgeschaft, dus de doop en het avondmaal. Hij geloofde ook niet in de leer van de uitverkiezing, die in gereformeerde kringen veel gewicht had.
De predikant S.D. van Veen schreef dat het Leger alleen indruk maakte op mensen zonder opleiding en beschaving. Bedoelde hij het als kritiek of als vaststelling? Uit het artikel van Van der Laan valt dat niet op te maken. Voor het Leger was het geen bezwaar. Het zocht die mensen bewust op.
Er waren ook andere geluiden. Zeven ex-officieren vroegen de Nederlandse Hervormde Kerk in een open brief om een eigen “Kerkleger” op te zetten. Dat kwam er niet. Wel groeide de waardering, langzaam.
Kritiek kwam ook van de andere kant. De socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis schreef in 1891 dat Booth het kapitalisme ongemoeid liet. Hij noemde dat een kwakzalversmethode. Hij prees het Leger wel om de mensen die het bereikte. Een oud-officier, Tom le Clerq, publiceerde in 1892 een protest tegen het Leger. W. van Nes, ook een oud-officier, schreef in 1896 een scherp boek. Volgens hem ging het het Leger in de kern om zielen redden, en niet om de samenleving te veranderen. De standaardstudie over het Leger uit 2005 ziet evangelisatie en zorg bij het Leger juist als één geheel.
DE WINTER DAT DE DEUREN OPENGINGEN
Toen kwam de winter van 1890 op 1891. Het werd extreem koud. In Amsterdam waren veel mensen zonder dak boven hun hoofd.
Het Leger opende zijn lokalen als nachtverblijf. Het gebouw aan het Rapenburg, de Vrede-Ark, werd een toevlucht voor mensen zonder dak. Er kwam ook een noodopvang aan de Lijnbaansgracht. Daklozen kregen er hete soep en een ontbijt. Volgens Van der Laan werden zo veel mensen van bevriezing gered. Datzelfde jaar opende aan de Haarlemmerhouttuinen het eerste nachtasiel van het Leger, een vaste plek om te slapen.
Alle bronnen die ik las, noemen deze winter het begin van het maatschappelijk werk van het Leger des Heils in Nederland. Ze noemen hem ook het moment waarop de stad anders ging kijken. Wie eerst de spot dreef met de zingende soldaten uit De Pijp, zag nu dezelfde mensen soep uitdelen in de vrieskou.
Ik vind dit misschien het mooiste van het hele verhaal. Het Leger deed geen grote plannen. Het had een zaal, het was koud, en de deur ging open.
EEN KONINGIN, EEN KOLONEL EN EEN GENERAAL
In 1891 kwamen kolonel W. Elwin Oliphant en zijn vrouw Célestine naar Nederland om het werk te leiden. Célestine was een dochter van Ferdinand Schoch, de oud-officier die in 1884 had moeten wachten. Volgens Van der Laan wist zij veel mensen voor het Leger te winnen, onder wie koningin-regentes Emma.
Onder de Oliphants groeide het werk snel. In 1892 kreeg het Leger een hoofdkwartier aan de Prins Hendrikkade, nummer 131. Datzelfde jaar kwam generaal Booth zelf. Volgens het jaarverslag van het Leger, dat Van der Laan aanhaalt, stonden er vijftienduizend mensen op het Centraal Station en nog eens vijftigduizend in de straten. Die getallen komen uit het Leger zelf. Ze laten wel zien hoe groot de belangstelling inmiddels was. In juni 1896 nam commissioner A.S. Booth-Clibburn de leiding van de Oliphants over. Dat jaar werd het Leger in Nederland ook een stichting.
Het Leger bleef nieuwe plekken openen. De gids van het Huygens Instituut noemt een gemengde toevlucht op het Prinseneiland en een stuivertoevlucht uit 1892, voor mensen die niet konden werken. In de Warmoesstraat, op nummer 134, kwam een volkslogement met restaurant, de Metropool, waar je voor tien cent kon overnachten. Aan de toevluchten waren werkplaatsen verbonden. Wie er sliep, kon er ook iets verdienen. In 1893 telde het Leger in Nederland bijna honderdduizend overnachtingen.
EEN HUIS AAN DE PRINSENGRACHT
Het Leger zocht ook vrouwen op. Vanaf december 1894 had het een post voor prostituees op de Wallen. In 1895 opende het een reddingshuis voor vrouwen aan de Prinsengracht, nummer 866, met plaats voor zestig vrouwen. Het eerste reddingshuis voor vrouwen en meisjes in Nederland was een jaar eerder in Hillegersberg begonnen. Hoe het leven in het huis aan de Prinsengracht eruitzag, en wie de vrouwen waren, vertellen de bronnen die ik las niet. Ik laat het daarom bij het adres en het aantal plaatsen.
Datzelfde jaar begon het Leger in Amsterdam op kleine schaal met ziekenverpleging. En in Lunteren kocht het een oude boerderij, Groot Batelaar. Het werd een landkolonie, een plek waar mensen konden herstellen en opnieuw beginnen.
Ondertussen reikte het werk verder dan Nederland. In november 1894 vertrokken stafkapitein Brouwer en ensign Van Emmerik naar Poerworedjo op Java. Het was het begin van het Leger in wat toen Nederlands-Indië heette. Later volgden onder meer leprakoloniën.
VAN SPOT NAAR RESPECT
Rond 1900 telde het Leger volgens Van der Laan achtentachtig korpsen en buitenposten en achttien maatschappelijke instellingen. De eigen website van het Leger spreekt van zestig korpsen. Het verschil zit waarschijnlijk in de buitenposten, maar zeker weet ik het niet. De volkstelling van 1899 telde 283 mensen die zich lid noemden. Tien jaar later waren het er bijna vierduizend. Het aantal bezoekers lag vele malen hoger.
Van der Laan vat de omslag samen: de spot had plaatsgemaakt voor een groeiend respect. Joris van Eijnatten zegt het in een bespreking van de standaardstudie over het Leger op zijn manier. Het Leger hielp daklozen, alcoholisten en prostituees, en won daarmee langzaam respect. Hij merkt er wel bij op dat die studie geschreven is door iemand die zelf bij het Leger betrokken is. Een buitenstaander had misschien een ander verhaal verteld.
Het is goed om dat te weten. De meeste getallen in dit hoofdstuk komen uit het Leger zelf: zijn jaarverslagen, zijn blad, zijn canon. Ze zijn niet verzonnen, maar ze zijn ook niet door een ander nageteld.
DE VIOOL VAN GOVAARS
Gerrit Govaars bleef zijn hele leven bij het Leger. Hij schreef liederen die het Leger zong, hij werd kolonel, en in 1947 kreeg hij de onderscheiding Order of the Founder, de Orde van de Stichter. Hij stierf op 22 oktober 1954 in Soest, achtentachtig jaar oud. William Booth kwam in 1906 nog een keer naar Amsterdam. Het werk ging verder, en in de twintigste eeuw zou een majoor in de Amsterdamse rosse buurt, Alida Bosshardt, er voor velen het gezicht van worden.
Ik sta weer in de Gerard Doustraat. Er hangt geen plaquette. Er zijn terrassen en restaurants. In 2012 vertrokken hier muziekkorpsen van het Leger voor een estafette, en een violist speelde op een oude viool. Dezelfde viool had hier honderdvijfentwintig jaar eerder geklonken, op die eerste dag, in een zaaltje waar zestien mensen op hun knieën gingen.
GA ER ZELF HEEN
De Gerard Doustraat ligt in De Pijp in Amsterdam. Hij kruist onder meer de Frans Halsstraat en de Quellijnstraat; op die hoeken staan informatiebordjes over de schilder Gerard Dou en over de puntvormige huizen van de straat. Het is een levendige straat met terrassen en restaurants. Een gedenkplaat voor het begin van het Leger des Heils heb ik er niet gevonden, en of het oorspronkelijke zaaltje van de vereniging Emmanuel nog bestaat, heb ik niet kunnen vaststellen.
De andere adressen uit dit hoofdstuk liggen in en rond de binnenstad: het Rapenburg, de Haarlemmerhouttuinen, de Warmoesstraat 134, de Prinsengracht 866 en de Prins Hendrikkade 131. Wat er nu in de panden zit, heb ik niet gecontroleerd. Het zijn adressen, geen musea.
Het Leger des Heils is nog altijd in Amsterdam actief. Kijk voor zijn plekken en activiteiten in de stad op de website van het Leger des Heils.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de eerste samenkomst op zondag 8 mei 1887 in de zaal van de vereniging Emmanuel aan de Gerard Doustraat in De Pijp; de rol van Gerrit Govaars, C. Ferdinand Schoch en de Engelse kapitein Tyler; het verlies van Govaars’ baan als onderwijzer in 1885 (één bron, uitvoerig); onrust en politieoptreden in de eerste maanden; de officiële installatie van korps Amsterdam 1 in 1887; de koude winter van 1890 op 1891 als begin van het maatschappelijk werk, met nachtopvang aan het Rapenburg en een nachtasiel aan de Haarlemmerhouttuinen; Groot Batelaar (1895); het begin in Nederlands-Indië (1894). Uit één degelijke bron (Van der Laan of de Huygens-gids): de komst van de Oliphants in 1891; de adressen van de toevluchten en het reddingshuis aan de Prinsengracht (1895); de kerkelijke en socialistische kritiek.
Alleen uit overlevering of eigen getuigenis: Railtons verslag van de avondsamenkomst van 8 mei 1887; de zestien mensen aan de zondaarsbank en de vierhonderd in juli; de menigte bij het bezoek van Booth in 1892; de meeste cijfers over korpsen, bezoekers en overnachtingen (uit jaarverslagen en publicaties van het Leger); de rol van Célestine Oliphant bij koningin Emma; de staat van beleg in Kampen (uit de canon van het Leger).
Onbevestigd: het huisnummer van de eerste zaal (69 of 8); wie de eerste samenkomst leidde (Railton of Tyler); de voornaam van Tyler (John of Joseph); de maand van de vlaguitreiking (juli of september 1887); het aantal korpsen na een jaar en in 1900; of het oorspronkelijke gebouw nog bestaat; dat Govaars via een Franse uitgave van het legerblad bij het Leger kwam (één bron).
Duiding: of het Leger vooral zielen wilde redden of de samenleving wilde veranderen, was in de jaren 1890 al omstreden. Critici als Domela Nieuwenhuis en Van Nes zagen het anders dan het Leger zelf. De standaardstudie over deze periode is geschreven vanuit het Leger.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- C. van der Laan, “De vestiging van het Leger des Heils in Nederland”, DNK, 1 mei 1989 (via Digibron)
- Huygens ING, Armenzorg in Nederland: Leger des Heils
- Canon Sociaal Werk, “1887 Leger des Heils”
- Canon Sociaal Werk (Belgische editie), “1887 Leger des Heils”
- Leger des Heils, Canon
- Leger des Heils, “Het Leger des Heils in Nederland”
- The Salvation Army International, Netherlands
- The Salvation Army, “The General Leads 125th Anniversary Celebrations in The Netherlands” (2012)
- Wikipedia, “Gerrit Govaars”
- Wikipedia, “Leger des Heils”
- J. van Eijnatten, recensie van J.B.K. Ringelberg, Met de vlag in top, BMGN 122 (2007)
- HMdb, “Gerard Dou” (straatbord Gerard Doustraat/Frans Halsstraat)
- HMdb, “Taartpunten Gerard Doustraat”
- Rijksmuseum, “William Booth te Amsterdam” (1906)
- VoiceMap, Gerard Doustraat