Op een zaterdagavond in december 2004 werd in Karachi een nieuw gebouw geopend. Het stond aan de Kashmir Road, naast een oud huis dat te klein was geworden. Er woonden bijna honderdvijftig mensen in dat oude huis: kinderen en volwassenen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, veel van hen ooit door hun familie achtergelaten. Nu kregen ze ruime, lichte kamers, veel badkamers en een grote tuin, verdeeld over drie lagen.
De Pakistaanse krant Dawn schreef er een verslag over. De bewoners zongen en dansten voor de gasten. Een van de jonge vrouwen danste op een volkslied uit Beloetsjistan en kreeg een lang applaus. De man die het gebouw opende, was een Nederlander: Paul Litjens, oud-international van het Nederlands hockeyteam. De Koninklijke Nederlandse Hockey Bond had bij zijn honderdjarig bestaan geld ingezameld voor deze vleugel. Grond en gebouw kostten samen ongeveer een half miljoen euro.
Er was ook een man van een Nederlandse stichting met een opvallende naam: Stichting Thuisfront Zuster Lemmens. Hij heette Harry Buitink. Hij vertelde de krant over de vrouw naar wie zijn stichting genoemd was. Ze was dit werk begonnen op een leeftijd waarop de meeste mensen met pensioen gaan, zei hij. En ze had er altijd op vertrouwd dat God zou helpen.
Die vrouw was er zelf niet meer bij. Ze was vier jaar eerder gestorven. In Karachi heette ze Sister Gertrude. De bewoners noemden haar mama. In Venray, waar ze in 1914 geboren werd, heette ze Gertruda Lemmens, met als roepnaam Truus.
Het nieuwe gebouw was haar droom geweest, vertelde haar opvolgster op die avond. Het huis zelf was in 1969 begonnen met een paar kamers op de begane grond.
AKTE 114
De geboorteakte ligt nog in het gemeentearchief van Venray. Op 3 juli 1914 deed Renier Lemmens aangifte van de geboorte van een dochter, twee dagen eerder, op 1 juli. Ze kreeg de namen Gertruda Maria Johanna. Haar moeder heette Lamberdina Poels. Twee mannen tekenden als getuige. Het is akte nummer 114 in het register van dat jaar.
Op verschillende Engelstalige websites staat dat ze op 14 juli geboren is. De akte zegt 1 juli. Ik ga uit van de akte.
Haar ouders waren allebei in Venray geboren. Ze trouwden er op 11 april 1902. Renier was zevenentwintig, Lamberdina drieëntwintig. Volgens een Engelstalige levensschets was haar vader bedrijfsleider van een fabriek. Een tweede bron daarvoor heb ik niet gevonden.
Het was een katholiek gezin, en een groot gezin. Venray was in die jaren een katholiek dorp in Noord-Limburg, met een college van de minderbroeders. Zo heten de franciscanen in Nederland: een orde van mannen die leven naar het voorbeeld van Franciscus van Assisi, in armoede en dienstbaarheid. Op dat college ging haar oudere broer naar school.
Gertruda werd Truus genoemd. Zo staat ze in elk geval in de Engelstalige encyclopedie. Hoe ze opgroeide, wat ze leerde en welk werk ze deed voor haar vijfentwintigste, weet ik niet. Daarover heb ik geen bron gevonden.
DE BROER DIE NAAR SIND VERTROK
Haar broer was tien jaar ouder. Hij werd op 24 mei 1904 in Venray geboren. Op 7 september 1922 trad hij in bij de minderbroeders in Wijchen. Als minderbroeder heette hij Salesius. In maart 1929 werd hij priester gewijd. Hij werkte daarna in Woerden en vanaf 1931 als kapelaan, een hulppriester in een parochie, bij de franciscaanse kerk aan de Laanderstraat in Heerlen. Hij schreef in Dagblad De Limburger en werkte met jonge arbeiders. Limburgse kranten volgden zijn loopbaan; via die krantenberichten is ze in grote lijnen na te gaan.
In het voorjaar van 1935 vertrok hij naar de missie. Op 7 juni van dat jaar kwam hij aan in Karachi. De stad lag toen in Brits-Indië, in de provincie Sind. Pas in 1947 zou Karachi in de nieuwe staat Pakistan komen te liggen.
Het ging snel met Salesius. In 1936 werd hij hoofd van de katholieke missie in Sind. In 1938 maakte Rome hem prefect apostolisch van Sind en Beloetsjistan. Een prefect apostolisch is een geestelijk leider van een missiegebied dat nog geen bisdom is. Hij hielp scholen opzetten in Karachi en Quetta en een ziekenhuis in Nawabshah.
Het meest blijvende werk deed hij samen met een vrouw uit Goa. Zuster Bridget Sequeira kwam uit Saligao, in wat toen Portugees-Indië was. In 1937 begonnen zij en Salesius in Karachi een nieuwe zustercongregatie: de Franciscan Missionaries of Christ the King. Een congregatie is een gemeenschap van vrouwen of mannen die samen leven onder geloften en een gezamenlijke opdracht hebben. Deze was bijzonder, omdat ze uit Indiase vrouwen bestond, en niet uit Europese zusters die van ver kwamen.
OKTOBER 1939
In oktober 1939 reisde Truus naar Karachi. Ze was vijfentwintig. Ze ging op bezoek bij haar broer en bleef ongeveer een maand. Zo vertellen het de Engelstalige verslagen van haar leven.
In die maand liep ze mee op de rondes die Salesius maakte door de arme wijken van de stad. Wat ze daar zag, liet haar niet meer los. Volgens die verslagen ging het vooral om kinderen met een verstandelijke beperking. Soms werden ze aan een ketting gelegd, of moesten ze buiten op de veranda leven, alsof ze niet bij het gezin hoorden.
Wat zij persoonlijk zag in die maand, kan ik niet controleren. Er is geen dagboek of brief van haar gepubliceerd. Wel noemen latere bronnen hetzelfde beeld. Een Pakistaanse krant schreef in 2012 over kinderen die bij het tehuis binnenkwamen nadat ze thuis vastgeketend waren gevonden. En haar latere medezuster Ruth Lewis vertelde over kinderen op straat, in kettingen, die door andere kinderen met stenen werden bekogeld. Het probleem was dus echt, en het bleef lang bestaan.
Heb je weleens iets gezien dat je daarna niet meer kon vergeten? De meeste mensen zetten het na een tijd opzij. Truus deed dat niet.
EEN VERLOVING DIE NIET DOORGING
Ze ging eerst terug naar Nederland. Volgens de Engelstalige verslagen was ze verloofd met een hoogleraar, wiens naam nergens genoemd wordt. Ze verbrak de verloving. Daarna ging ze terug naar Karachi om te blijven.
Er gaat ook een verhaal rond dat de professor haar achterna reisde naar Karachi om haar over te halen terug te komen. Ze zou geweigerd hebben. Dit staat alleen in de Engelstalige encyclopedie. Ik vertel het omdat het bij haar verhaal hoort, maar ik kan het niet bevestigen.
Wanneer ze precies weer vertrok, weet ik niet. De oorlog was in september 1939 begonnen, en reizen werd moeilijk. In de Engelstalige encyclopedie staat ook een zin die met de rest botst: ze zou in 1936 voor het eerst in Brits-Indië zijn aangekomen. Dat past niet bij het bezoek van 1939. Een van de twee klopt niet, en ik weet niet welke.
EEN WITTE SARI MET DRIE RODE LIJNEN
Truus werd zuster in de jonge congregatie die haar broer met Bridget Sequeira had opgericht. Een Nederlandse vrouw trad dus in bij een gemeenschap van Indiase zusters. In Karachi werd ze Sister Gertrude.
De zusters van deze congregatie droegen een witte sari met langs de rand drie rode lijnen. Volgens de congregatie staan die voor de drie geloften die een zuster aflegt: kuisheid, armoede en gehoorzaamheid.
Ik vind het een mooi beeld. Een meisje uit Venray in een gemeenschap die de kleding van het land droeg, tussen vrouwen uit Goa en Sind. Zij bepaalde niet hoe die gemeenschap eruitzag. Zij voegde zich erbij.
In welk jaar ze haar geloften aflegde, heb ik niet kunnen vinden.
21 MAART 1942
Op 21 maart 1942 ging Salesius zwemmen in de haven van Karachi. Hij verdronk. Hij was zevenendertig.
Nederland was toen bezet door Duitsland. Op 1 mei 1942 stond het bericht van zijn dood in de Nieuwe Venlosche Courant. In de parochiekerk van Onze Lieve Vrouw in Venray werd een requiem voor hem gehouden, een uitvaartmis voor de overledene.
In de Engelstalige verslagen over Truus staat dat hij verdronk tijdens een uitje met gehandicapte kinderen. In de levensbeschrijving van Salesius zelf, die op de Limburgse kranten steunt, staat alleen dat hij bij het zwemmen in de haven verdronk. Het detail over de kinderen kan ik niet bevestigen.
Truus was op dat moment in Karachi. Ze was zevenentwintig, ver van huis, in een land in oorlog. Haar broer, de man door wie ze hier gekomen was, was er niet meer. Ze bleef.
LESSEN IN DE OCHTEND, DE WIJKEN IN DE MIDDAG
Over de jaren daarna is weinig bekend. Volgens de Engelstalige verslagen gaf ze ’s ochtends Engelse les op de Christ the King School in Khudadad Colony, een wijk van Karachi. ’s Middags ging ze de sloppenwijken in voor sociaal werk. Een van die verslagen noemt haar ook vroedvrouw.
Ze leerde Urdu, de taal van de mensen om haar heen. Een missionaris die de taal leert, gaat anders met mensen om dan een die steeds een tolk nodig heeft.
Volgens de Engelstalige encyclopedie was er in de oorlog nauwelijks contact met thuis. In 1947 werd Brits-Indië gesplitst. Karachi werd de eerste hoofdstad van Pakistan, een land met een grote islamitische meerderheid. Truus bleef in die nieuwe staat, als katholieke zuster tussen moslims.
Dezelfde encyclopedie zegt dat ze pas in 1957 voor het eerst terugging naar Nederland. Dat was achttien jaar na haar vertrek. Ik heb dat niet in een Nederlandse bron kunnen terugvinden.
17 FEBRUARI 1969
In 1969 was Truus vierenvijftig. De aartsbisschop van Karachi, Joseph Cordeiro, had een pand gekocht aan de Kashmir Road. Het was een huis van één verdieping. Hij wilde er een Engelstalige school beginnen. Zo vertellen de verslagen het: Sister Gertrude vroeg hem of ze het mocht gebruiken voor kinderen met een verstandelijke beperking. Hij gaf toe.
Op 17 februari 1969 ging het huis open. Ze noemde het Dar-ul-Sukun: Huis van Vrede. Er woonden eerst acht kinderen, schreef The Express Tribune later.
Ze begon met anderen naast zich. Vanaf het begin werkten twee zusters van haar congregatie mee: Ruth Lewis en Margaret D’Costa. Ruth was een Pakistaanse vrouw van ongeveer drieëntwintig. Vatican News schreef na Ruths dood dat zij het was die Truus over haar droom vertelde, en dat de twee zusters die droom samen waarmaakten. Ruth zelf noemde Truus later de inspiratie en de reden dat ze haar leven aan deze kinderen gaf. Het huis heeft dus twee moeders gehad, een Nederlandse en een Pakistaanse.
Harry Buitink zei het later zo: ze begon dit op een leeftijd waarop anderen stoppen. Ik denk daar weleens aan. Je kunt denken dat je te laat bent voor iets nieuws. Truus was vierenvijftig, en het grootste werk van haar leven moest nog beginnen.
KINDEREN BIJ DE POORT
Het huis groeide snel. Wie hulp nodig had, kwam binnen. Volgens de verslagen waren dat al snel ook wezen, oude mensen zonder onderdak, mensen met een lichamelijke beperking en baby’s met een misvorming.
De Express Tribune beschreef in 2012 hoe de kinderen er kwamen. Sommigen werden achtergelaten bij de poort. Anderen werden in een ziekenhuisbed gevonden, waar niemand meer voor hen kwam. En sommigen werden thuis gevonden, vastgeketend. De krant schreef dat ze gestraft werden voor de misdaad dat ze niet normaal geboren waren.
De kantoorbeheerder van het huis vertelde in 2007 aan Dawn dat families hun kinderen vaak vergaten nadat ze hen hadden gebracht. Sommigen gaven een vals adres of een verkeerd telefoonnummer op, zodat niemand hen kon bereiken.
Voor die kinderen kwamen er meer huizen. Volgens de verslagen kregen weesjongens een eigen huis, Dugout, en kwam er voor ouderen en daklozen een huis met de naam Peace Haven. Janiville werd een thuis voor kinderen uit gebroken gezinnen, en later kwam er een vestiging in Lahore voor mensen met een lichamelijke beperking. In 2007 telde Dawn vier vestigingen in Karachi.
De meeste bewoners waren moslim. In het begin betaalde de provinciale overheid van Sindh mee, vertelde een priester die er later werkte. De rest kwam van giften.
“MAMA”
Een deel van die giften kwam uit Nederland. Volgens de Engelstalige encyclopedie reisde Truus in 1970 naar Nederland. Ze verscheen op televisie en deed oproepen in de kranten. Ook KLM ging het huis steunen. Dit verhaal komt uit Engelstalige bronnen. De Nederlandse krantenberichten uit 1970 heb ik niet kunnen inzien, al zou je ze in een krantenarchief verwachten.
Wel staat vast dat er in Nederland een stichting ontstond die haar naam droeg: Stichting Thuisfront Zuster Lemmens. Een thuisfront is in missiekringen de groep mensen thuis die bidt, geld inzamelt en contact houdt met een missionaris ver weg. Nederlandse vrijwilligers kwamen ook zelf naar Karachi, soms voor maanden, vertelde Ruth Lewis.
In het huis zelf had Truus een eenvoudiger naam. De bewoners noemden haar mama. Dawn schreef dat in 2004, en een Pakistaanse levensschets zegt hetzelfde. Haar collega’s beschreven haar volgens de encyclopedie als liefdevol, warm en met humor.
In de pers en op internet kreeg ze ook grotere namen. Ze werd de “Moeder Teresa van Pakistan” genoemd, en de “Engel van Karachi”. Dat zijn bijnamen uit de pers en van websites. De eerste bijnaam hoort ook bij een ander: Vatican News gaf in 2020 dezelfde titel aan Ruth Lewis. Misschien zegt dat iets. Wat de een begon, deed de ander voort.
EEN STER OP 23 MAART 1989
Op 23 maart is het in Pakistan Pakistan Day, een nationale feestdag. In 1989 ontving Sister Gertrude die dag de Sitara-i-Quaid-i-Azam, de Ster van de Grote Leider, vernoemd naar de stichter van Pakistan. Het is een van de hoogste onderscheidingen die het land aan buitenlanders geeft. Ze kreeg hem voor haar werk in Dar-ul-Sukun en voor de huizen die eruit voortkwamen.
Het katholieke persbureau UCA News bracht het bericht in april 1989 onder de kop dat een Duitse en een Nederlandse zuster een onderscheiding hadden gekregen. Dat artikel kon ik zelf niet openen. Ik ken de inhoud uit bronnen die ernaar verwijzen. Volgens de Engelstalige encyclopedie waren president Ghulam Ishaq Khan en premier Benazir Bhutto bij de uitreiking. Dat heb ik niet kunnen controleren.
Een Pakistaanse levensschets noemt ook een onderscheiding van de Nederlandse koningin in 1975, zonder te zeggen welke. Ook daarvoor heb ik geen tweede bron gevonden.
OKTOBER 2000
Truus Lemmens stierf in oktober 2000 in Karachi. Ze was zesentachtig. Ze had ongeveer zestig jaar in de stad gewoond en meer dan dertig jaar in het huis aan de Kashmir Road gewerkt.
UCA News bracht het bericht op 31 oktober, onder een kop die haar een missiezuster noemde die als eerste werk deed met bijzondere kinderen. De bronnen zijn het over de dag niet eens: de ene noemt 27 oktober, de andere 30 oktober. Volgens de Engelstalige encyclopedie werd ze op 1 november begraven, op Allerheiligen.
Ruth Lewis nam de leiding over. Ze bleef nog twintig jaar. Onder haar kwam de nieuwe vleugel er, gebouwd met Nederlands geld, en groeide het huis tot de grootste instelling van haar soort in Karachi. Ruth sliep niet in een eigen kamer, vertelde een priester later. Ze had een hoekje achter een gordijn naast de bedden van de kinderen, want ’s nachts konden ze haar nodig hebben.
In juni 2020 kregen eenentwintig kinderen in het huis corona. Het betaalde personeel weigerde hen te verzorgen. Ruth deed het zelf. Ze raakte besmet en stierf op 20 juli 2020. Pakistan gaf haar na haar dood de Sitara-i-Imtiaz. Op 23 maart 2021 nam een vrouw die als kind in het huis was opgevangen en er nu werkt, de onderscheiding in ontvangst.
EEN PAAR KAMERS OP DE BEGANE GROND
Ik weet minder over Truus Lemmens dan ik zou willen. Er is geen biografie van haar. Ze schreef, voor zover ik weet, geen boek. In Nederlandse kranten en archieven ben ik haar nauwelijks tegengekomen, behalve in twee akten en in de naam van een stichting. Haar verhaal is vooral bewaard in Karachi, door de mensen die ze opving en door de vrouw die haar werk overnam.
Misschien past dat bij haar. Ze ging als bezoeker naar een stad aan de andere kant van de wereld, en ze bleef. Ze sloot zich aan bij de vrouwen van het land, leerde hun taal en nam een pand dat voor een school bedoeld was. Daar maakte ze een thuis van voor kinderen die nergens anders welkom waren.
Op die zaterdagavond in december 2004 was zij er niet. Haar kinderen wel. Ze dansten in een gebouw waar zij van gedroomd had, naast het oude huis met een paar kamers op de begane grond, waar ze haar mama hadden genoemd.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 1 juli 1914 in Venray als Gertruda Maria Johanna Lemmens, dochter van Renier Lemmens en Lamberdina Poels (geboorteakte; de datum 14 juli op sommige websites is onjuist); huwelijk van haar ouders in 1902; haar broer Salesius Lemmens, franciscaan, vanaf 1935 in Karachi, prefect apostolisch, medeoprichter van de Franciscan Missionaries of Christ the King (1937), verdronken in de haven van Karachi op 21 maart 1942; haar lidmaatschap van die congregatie; de stichting van Dar-ul-Sukun in 1969 (17 februari) met Ruth Lewis vanaf het begin erbij; de vondelingen en vastgeketende kinderen die er werden opgevangen; de bijnaam “mama” bij de bewoners; de Sitara-i-Quaid-i-Azam op 23 maart 1989 (via bronnen die naar UCA News verwijzen); haar dood in oktober 2000 in Karachi, 86 jaar oud; de nieuwbouw van 2004 met steun van de KNHB en Stichting Thuisfront Zuster Lemmens; de opvolging door Ruth Lewis en haar dood in 2020.
Alleen uit eigen getuigenis of kring: wat ze in 1939 in de arme wijken zag; dat Ruth Lewis haar de droom van het huis vertelde (volgens Vatican News); Ruths woorden over Truus als haar inspiratie; Buitinks woorden over haar vertrouwen op Gods hulp; de betekenis van de drie rode lijnen op de sari (volgens de congregatie).
Onbevestigd: de roepnaam Truus en het beroep van haar vader (elk één bron); de verloving met een hoogleraar en zijn reis naar Karachi; dat haar broer verdronk tijdens een uitje met gehandicapte kinderen; haar werk als lerares en vroedvrouw; haar eerste terugreis in 1957; de reis naar Nederland in 1970 met tv-optredens en steun van KLM; de namen van de afzonderlijke huizen; de onderscheiding van de koningin in 1975; de aanwezigheid van Ghulam Ishaq Khan en Benazir Bhutto in 1989; de begrafenis op 1 november 2000.
Betwist: haar sterfdatum (27 of 30 oktober 2000); het jaar van haar eerste aankomst (de encyclopedie noemt zowel 1939 als, indirect, 1936).
Duiding: de bijnamen “Moeder Teresa van Pakistan” en “Engel van Karachi” komen uit de pers en van websites. De eerste is ook aan Ruth Lewis gegeven.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Open Archieven, geboorteakte Gertruda Maria Johanna Lemmens, Venray 1914 (Gemeentearchief Venray)
- Open Archieven, huwelijksakte Renier Lemmens en Lamberdina Poels, Venray 1902
- Dawn, 12 december 2004, “New building for special children”
- Dawn, 6 augustus 2007, “Darul Sukun: caring for the forgotten”
- The Express Tribune, 19 augustus 2012, “To give is to receive”
- Vatican News, juli 2020, over zuster Ruth Lewis
- Global Sisters Report, over zuster Ruth Lewis
- Fides, “The government rewards Catholic nun mother of the Forgotten”
- The Goan, “Goans in Karachi: Goan Jesuits and Franciscan Missionaries of Christ the King”
- Good Old Karachi, “Sister Gertrude Lemmens” (Sohail Ansari, 2021)
- Mission Priest, “Sister Gertrude Lemmens: Angel of Karachi”
- Mission Priest, “Sister Ruth Lewis: The Mother Teresa of Pakistan”
- Wikipedia (Engels), “Gertrude Lemmens”
- Wikipedia (Engels), “Salesius Lemmens”
- Wikipedia (Engels), “Dar-ul-Sukun”