Tot het uiterstevan de aarde

Deel 1 · Tot het uiterste van de aarde · Hoofdstuk 4

Pieter Jansz

de schoolmeester die Java de Bijbel in eigen taal gaf

1820-1904Java

Op Paaszondag 16 april 1854 doopte Pieter Jansz in Jepara, een havenstad aan de noordkust van Midden-Java, vijf Javanen. Hun namen staan niet in de bronnen die ik kon openen. Hun getal wel. Vijf mensen uit een streek waar bijna iedereen moslim was, gedoopt door een Nederlandse onderwijzer die nog maar tweeënhalf jaar in het land was.

Het was een kleine dienst. Bij die vijf begint de geschiedenis van een kerk die er nog steeds is. De Gereja Injili di Tanah Jawa, de Evangelische Kerk op Java, noemt die doop als haar begin. Volgens Amerikaanse doopsgezinde bladen telt die kerk nu tussen de veertig- en vijfenveertigduizend leden. Die cijfers komen uit de kerk zelf.

De man die doopte, werd later ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Niet om die vijf mensen, maar om iets wat hij veertig jaar later afrondde: de hele Bijbel in het Javaans. Hij kwam nooit meer terug in Nederland. Hij ligt begraven op Java, naast zijn vrouw.

Om te begrijpen hoe hij in Jepara kwam, moeten we terug naar Amsterdam, en naar een rouwjaar.

EEN KIND VAN DE HOOFDSTAD

Pieter Jansz werd geboren op 25 september 1820 in Amsterdam. Die datum staat in het persoonsregister van de Koninklijke Bibliotheek, dat de Franse nationale bibliotheek heeft overgenomen, en in de Engelstalige levensschets die op het werk van de doopsgezinde historicus Alle Hoekema steunt. Een Nederlands biografisch woordenboek uit 1931 meldt dat hij in 1904 overleed op drieëntachtigjarige leeftijd. Dat klopt met 1820.

Over zijn ouders en zijn jeugd heb ik weinig kunnen vinden. Wel weten we wat hij werd. In 1849 verscheen in het tijdschrift Vaderlandsche Letteroefeningen een bespreking van een schoolboek: Vaderlandsche Geschiedenis voor kinderen van acht tot elf jaren, al aan zijn tweede druk toe. De schrijver werd daar voorgesteld als “P. Jansz, Onderwijzer te Delft.”

Een schoolmeester dus. Iemand die kinderen leerde lezen en die boekjes schreef om geschiedenis begrijpelijk te maken voor achtjarigen. Wie de rest van zijn leven kent, ziet daar al iets van de vertaler die hij zou worden. Hij wilde dat mensen verstonden wat er stond.

Hij was doopsgezind, of mennoniet, zoals ze in het buitenland heten. De doopsgezinden zijn een protestantse stroming uit de zestiende eeuw. Ze dopen geen baby’s, alleen mensen die zelf belijden dat ze geloven. Die overtuiging zou later in Jepara zwaar wegen.

TWEE GRAVEN IN ÉÉN JAAR

In 1847 richtten Nederlandse doopsgezinden hun eigen zendingsgenootschap op, de Doopsgezinde Zendingsvereeniging. Tot dan toe hadden ze geld gegeven aan een Engels zendingsgenootschap. Nu wilden ze zelf iemand uitzenden. Ze hadden alleen nog niemand.

In 1848 verloor Pieter Jansz zijn vader. In datzelfde jaar stierf ook zijn vrouw, met wie hij nog niet lang getrouwd was. Volgens de Engelse levensschets gebeurde dat binnen drie maanden en heette zij Johanna Elisabeth van IJzendoorn. Die details heb ik niet in een tweede bron kunnen controleren. Het verlies zelf staat in meerdere bronnen.

Daarna meldde hij zich aan bij de nieuwe zendingsvereniging.

Wat er in die maanden in hem omging, weet ik niet. Zijn dagboek begint pas in 1851, en het deel dat in druk verscheen, heb ik niet in handen gehad. Ik wil er dus geen gevoelens bij verzinnen. Wel ken je misschien zelf een jaar waarin dingen wegvielen die je vasthield. Soms gaat er daarna een deur open die je eerder niet zag, of niet durfde te zien. Bij Pieter Jansz staan het verlies en de aanmelding in hetzelfde jaar. Meer laat de bron niet zien.

Hij was de eerste die de doopsgezinde zending uitzond. Ter voorbereiding studeerde hij Javaanse taal, cultuur en aardrijkskunde, en Bijbel en theologie aan het doopsgezinde seminarium in Amsterdam. Volgens Wikipedia kreeg hij ook privélessen Javaans en Maleis aan de Koninklijke Akademie in Delft, de opleiding voor ambtenaren in Indië.

Op 5 juni 1851 trouwde hij met Jacoba Wilhelmina Frederica Schmilau. Ze was in 1830 geboren en werd Wilhelmina genoemd. Twee maanden later vertrokken ze. Een Indonesische scriptie op basis van de zendingsarchieven noemt de datum, 8 augustus 1851, en het schip, de Gelderland.

Op 15 november 1851 kwamen ze aan in Batavia, nu Jakarta. Het was de hoofdstad van Nederlands-Indië, een kolonie die al ruim tweehonderd jaar onder Nederlands gezag stond, eerst van de VOC en daarna van de staat. Pieter en Wilhelmina zouden de rest van hun leven op Java blijven, ruim vijftig jaar. Ze zijn nooit meer naar Nederland gegaan.

Zendelingen waren in de kolonie niet zonder meer welkom. Het gouvernement, het Nederlandse bestuur in Indië, was bang voor onrust onder de islamitische bevolking. Wie als zendeling wilde werken, had toestemming nodig. Onderwijzers hadden met minder regels te maken. Jansz zocht daarom eerst een baan als leraar.

Volgens dezelfde scriptie had hij in Batavia een gesprek met de gouverneur-generaal, de hoogste bestuurder van de kolonie. Die verbood hem niet om het evangelie te brengen. In december 1851 reisde hij door naar Semarang, op de noordkust van Midden-Java.

EEN HUIS BIJ JEPARA

Zijn eerste werk was als huisonderwijzer bij een landeigenaar in de buurt van Jepara. De Engelse levensschets noemt hem Margar Soekias, een christen van Armeense afkomst, die een huis voor Jansz bouwde. De Indonesische scriptie spreekt van een Europese plantage-eigenaar in Cumbring, bij Jepara, die het evangelie wilde gebruiken om zijn arbeiders rustig te houden.

Over de naam en de achtergrond verschillen de bronnen. Over de afloop niet. Het werkte niet. Volgens Wikipedia, dat zich hier op Jansz’ eigen dagboek baseert, ging het mis over beloften die met suiker en rijst te maken hadden. Volgens de scriptie wilde Jansz iets anders dan zijn werkgever. Hij vertrok.

Een man die het evangelie gebruikt om arbeiders stil te houden: dat was de koloniale werkelijkheid waarin Jansz terechtkwam. Op Java gold in die jaren het cultuurstelsel. Javaanse boeren moesten een deel van hun grond en hun arbeid inzetten voor gewassen die het gouvernement naar Europa verscheepte, zoals suiker en koffie. Jansz zag dat van dichtbij. Het zou hem niet meer loslaten.

Hij begon een school voor Javaanse kinderen, met weinig succes. Volgens de scriptie begon zijn eerste evangelisatiewerk bij bedelaars die op zondag aan zijn huis kwamen. De mensen in de dorpen reageerden in het begin nauwelijks. Dit detail heb ik alleen in die ene bron gevonden.

VIJF OP PAASMORGEN

En dan Pasen 1854. Op 16 april doopte hij in Jepara vijf Javanen. Het was de eerste inheemse doopsgezinde gemeente in heel Nederlands-Indië. Een van de bronnen, een artikel uit 2012, noemt 16 maart. Pasen viel in 1854 op 16 april, en de andere bronnen spreken uitdrukkelijk van Paaszondag. Ik houd het daarom op april.

Vijf mensen in tweeënhalf jaar. Volgens Wikipedia groeide de gemeente langzaam, en daar waren twee redenen voor. De streek was sterk islamitisch. En Jansz doopte niemand die niet eerst zelf tot geloof gekomen was. Als doopsgezinde kon hij niet anders. Doop zonder eigen geloof was voor hem geen doop.

Volgens de scriptie telde de gemeente in en rond Jepara in 1858 ongeveer zevenentwintig leden, met een dertigtal kinderen erbij. Het getal komt uit de zendingsverslagen.

Wat doe je als je werk zo klein blijft? Jansz bleef. Hij gaf les en schreef. In oktober 1856 kwam een Nederlander bij hem in Jepara om bij hem in de leer te gaan: H.C. Klinkert. Hij zou later zelf een bekende bijbelvertaler worden. Samen maakten ze in 1866 een Nederlands-Javaans zakwoordenboek.

EEN KLUIZENAAR VAN DE BERG KELUD

In hetzelfde jaar als de eerste doop ontmoette Jansz een man die het christelijk geloof op Java een heel andere kant op zou brengen. Hij heette Kyai Ibrahim Tunggul Wulung. Kyai is een Javaanse eretitel voor een religieus leraar.

Tunggul Wulung was rond 1800 geboren. Volgens een artikel in het Amerikaanse blad The Mennonite had hij als kluizenaar op de berg Kelud in Oost-Java geleefd. Daar kwam hij tot de overtuiging dat Jezus de lang verwachte rechtvaardige Koning was. Hij trok rond als leraar van wijsheid, en hij wilde christelijke dorpen die Javaans bleven in taal en gewoonten, los van de moslimdorpen en vrij van de arbeidsplichten van het gouvernement.

De eerste ontmoeting met Jansz liep slecht af. Jansz vond de leer van Tunggul Wulung te vermengd met islam, boeddhisme en Javaanse mystiek. Tunggul Wulung zag in Jansz een trotse westerling die te veel met de Nederlandse cultuur verweven was. Ze gingen ieder hun eigen weg.

Ik vind dit een eerlijk moment om bij stil te staan. Beide mannen wilden dat Javanen Christus leerden kennen. Ze konden niet met elkaar door één deur. Tunggul Wulung trok tot 1875 door Java en stichtte onder meer een christelijke nederzetting in Bondo, bij Jepara. Toen hij in februari 1885 stierf, liet hij volgens hetzelfde artikel minstens vier grote gemeenten na en meer dan duizend leden. Zijn gemeenten groeiden sneller dan die van de Europese zendelingen. Zijn beweging geldt vandaag als een van de wortels van dezelfde kerk die met de vijf dopelingen van Jansz begon. Het artikel draagt de veelzeggende titel: vóór Pieter Jansz was er Tunggul Wulung.

WIE GEEFT HIER TOESTEMMING?

In 1854 kreeg Nederlands-Indië een nieuw Regeringsreglement, een soort grondwet voor de kolonie. Daarin stond dat zendelingen toelating nodig hadden van de gouverneur-generaal.

Volgens de Engelstalige samenvatting van Hoekema’s onderzoek wees het gouvernement de doopsgezinde zending het gebied rond de berg Muria toe, in het noorden van Midden-Java. Jansz weigerde om die toelating als zendeling aan te vragen. In 1860 trok de gouverneur-generaal zijn zendingstoelating in. Hij mocht blijven, maar alleen als onderwijzer. Ik heb dit verhaal niet in een tweede bron kunnen nalezen. Een Indonesische scriptie zegt alleen dat de bronnen verschillen over het aantal vergunningen dat hij had. Een recensie van Hoekema’s boek spreekt in algemene woorden over een soms lastige koloniale regering.

Wat wel vaststaat, is dat Jansz niet zweeg over de koloniale politiek. In 1863 verscheen van zijn hand een brochure met de titel De koloniën Nederland ten vloek of ten zegen? In 1870 volgde Een stem uit Japara. Volgens de recensent van Hoekema’s boek in de Mennonite Quarterly Review kritiseerde Jansz in zijn dagboek en verslagen telkens weer de langetermijngevolgen van het Nederlandse koloniale bewind. Hij riep op tot inkeer en tot ander beleid.

Hij was geen opstandeling. Hij bleef in de kolonie, onder het gezag van datzelfde gouvernement, en hij nam later een koninklijke onderscheiding aan. Maar hij schreef op wat hij zag. Dat oordeel laat ik aan jou.

EEN AKKER ALS ANTWOORD

Uit wat hij zag, groeide een plan. Javanen die christen werden, hadden volgens hem steun en bescherming nodig. Hij bedacht christelijke landbouwnederzettingen: dorpen op nieuw ontgonnen grond, waar mensen zelf hun land bewerkten en zonder dwang konden horen en kiezen.

De recensent van Hoekema noemt het een alternatief voor het gedwongen teeltsysteem. Jansz schreef er een geschrift over, over landontginning en evangelisatie op Java. De precieze Nederlandse titel en het jaar heb ik niet kunnen controleren. Volgens de bronnen besteedde hij de rest van zijn leven aan pogingen om het zendingsbestuur in Nederland van dit plan te overtuigen.

In de lijst van zijn geschriften staat ook een stuk met de titel Het Mostaardzaadje. Ik weet niet wat erin staat. Maar de titel verwijst naar de gelijkenis die Jezus vertelde: Een andere gelijkenis hield Hij hun voor. Hij zei: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. (Mattheüs 13:31). Voor een man met vijf dopelingen en een plan voor akkers is dat geen toevallige keuze.

Het plan kwam er pas toen hij zelf had moeten terugtreden.

DE ZOON NEEMT HET OVER

Op 29 mei 1853 was op Java zijn zoon Pieter Anthonie geboren. In april 1878 begon hij als zendeling naast zijn vader. In 1881 trad Pieter Jansz terug, omdat zijn gezondheid het niet meer toeliet. Zijn zoon nam het werk over.

Een jaar later, in 1882, stichtte de zoon het christelijke dorp Margorejo, in de streek Pati, naar het idee van zijn vader. Volgens het Amerikaanse blad gebeurde dat op beperkte schaal. Rond de berg Muria kwamen in de jaren daarna meer scholen, onder meer in Margorejo, Banyutowo, Bondo en Kedungpenjalin.

Uit de geschiedschrijving van de kerk zijn de namen van enkele Javaanse voorgangers bekend, zoals Pasrah Karso in Kedungpenjalin en Pasrah Noeriman in Kayu Apu. Ik vond die namen alleen in een samenvatting op Wikipedia en kon ze niet verder controleren. Ik noem ze toch. Zonder mensen als zij was er van het werk van de familie Jansz weinig over.

VOORLEZEN IN SOLO

Terugtreden betekende voor Pieter Jansz niet dat hij stopte. Hij werkte aan zijn grote taak: de Bijbel in het Javaans, in opdracht van het Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap. Er bestonden al eerdere vertalingen, van Gottlob Bruckner en van Johann Gericke. Die van Gericke volgde de brontekst woord voor woord. Jansz wilde iets anders.

Volgens een Amerikaans doopsgezind blad schreef hij dat het er bij vertalen vooral om gaat dat de lezers de gedachten leren kennen, niet de woorden. Hoekema ziet daarin een voorloper van wat vertalers nu communicatieve vertaling noemen.

In augustus 1887 verhuisden Pieter en Wilhelmina naar Surakarta, ook wel Solo, een van de oude vorstensteden van Midden-Java. Daar werkte hij met Raden Ngabehi Djojo Soepono. Het Indonesische Bijbelgenootschap beschrijft wat die deed. Hij las het manuscript na. Hij las het hardop voor aan Javaanse luisteraars. En hij besprak met Jansz de passages die moeilijk waren. Er bestaat een foto van de twee mannen aan het werk.

Ik zie dat graag voor me, zonder er meer van te maken dan de bron zegt. Een oude Nederlander en een Javaanse geleerde, en een kring mensen die luisteren of ze hun eigen taal horen. Klinkt het als Javaans, of klinkt het als een buitenlander die Javaans praat? Zo test je een vertaling.

EEN BIJBEL IN VIJFTIEN DELEN

Eind 1888 was het Nieuwe Testament klaar voor de drukker. Het werd gedrukt in Semarang. Over het jaar van verschijnen verschillen de bronnen: Wikipedia noemt 1888, het Indonesische Bijbelgenootschap 1890. In 1889 kreeg hij de opdracht om ook het Oude Testament te vertalen. Dat verscheen in 1892 of 1893. In 1895 volgde een herziene uitgave van de hele Bijbel. Het Indonesische Bijbelgenootschap spreekt van vijftien delen. Datzelfde jaar verscheen in Den Haag een tweedelig Javaans woordenboek.

Hij schreef ook spraakkunsten van het Javaans, woordenboeken in beide richtingen en een verzameling Javaanse uitdrukkingen. In 1884 verscheen in Leiden een bundel Javaanse psalmen en gezangen. Volgens Wikipedia zette hij psalmen op Javaanse zangwijzen, zodat ze gezongen konden worden zoals Javanen gewend waren te zingen.

Zijn vertaling werd geliefder bij het publiek dan die van Gericke, schrijft het Indonesische Bijbelgenootschap. Ze werd in de twintigste eeuw opnieuw herzien, en in 1949 en 1950 verscheen een nieuwe volledige Javaanse Bijbel. Zo gaat het met vertalingen. Elke generatie bouwt verder op het werk van de vorige.

De Nederlandse regering benoemde hem tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, om zijn taalwerk. In 1896 nam hij afscheid van het Bijbelgenootschap. Een herziening van het Nieuwe Testament kwam nog in 1897.

KAYU APU

Zijn laatste jaren bracht hij door in Kayu Apu, bij Kudus, aan de zuidkant van de berg Muria. Volgens Wikipedia woonde hij daar vanaf 1902 bij zijn schoonzoon, de zendeling Johann Fast. Dat heb ik niet verder kunnen nagaan.

Op 6 juni 1904 overleed Pieter Jansz in Kayu Apu. Hij was drieëntachtig jaar. Het biografisch woordenboek van 1931 spelt de plaats als Kapi-Apoe. Het laatste deel van zijn herziene Bijbel verscheen in 1906, twee jaar na zijn dood.

Wilhelmina overleefde hem vijf jaar. Ze stierf in 1909. Ze was in 1830 geboren en had Nederland sinds 1851 niet meer gezien.

TWEE GRAVEN AAN DE VOET VAN DE MURIA

Ik heb geprobeerd om in dit hoofdstuk niets te vertellen wat ik niet kon nagaan. Daardoor blijft er veel open. Ik weet niet hoe de vijf van 1854 heetten. Ik weet niet wat Pieter Jansz voelde toen hij in 1848 zijn vrouw verloor, of toen Tunggul Wulung hem een trotse westerling noemde. Zijn dagboek bestaat. Een keuze daaruit verscheen in 1997 onder de titel Tot heil van Java’s arme bevolking. Misschien leest iemand van jullie het ooit en vult aan wat ik nu moet openlaten.

Wat ik wel weet, is dit. Hij was een schoolmeester die kinderboekjes schreef. Hij ging naar een land waar hij nooit meer uit wegging. Hij doopte er vijf mensen en wachtte. Hij schreef op wat de kolonie met Java deed, ook toen dat hem niets opleverde. En hij zat aan het eind van zijn leven in Solo naast een Javaanse geleerde, terwijl een kring mensen luisterde of de woorden van Jezus als hun eigen taal klonken.

Op een foto in een Indonesische scriptie staat een graf in Kayu Apu, bij Kudus. Het is het graf van Pieter Jansz en zijn vrouw, aan de voet van de berg Muria, in de streek waar zijn vijf dopelingen ooit begonnen.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 25 september 1820 in Amsterdam; onderwijzer in Delft en schrijver van schoolboeken; het verlies van zijn vader en zijn vrouw in 1848 en de aanmelding bij de Doopsgezinde Zendingsvereeniging; huwelijk met Jacoba Wilhelmina Frederica Schmilau in 1851; aankomst in Batavia op 15 november 1851; nooit teruggekeerd naar Nederland; de breuk met zijn eerste werkgever bij Jepara; de doop van vijf Javanen op Paaszondag 16 april 1854; het plan voor christelijke landbouwnederzettingen; zijn kritiek op het koloniale beleid; terugtreden in 1881 en opvolging door zijn zoon Pieter Anthonie; het dorp Margorejo (1882); de Javaanse Bijbelvertaling met de herziene volledige uitgave van 1895; de samenwerking met Djojo Soepono in Surakarta; ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw; overlijden op 6 juni 1904 in Kayu Apu; Wilhelmina overleden in 1909.

Alleen uit eigen getuigenis of organisatie: de ruzie over suiker en rijst met zijn eerste werkgever (uit zijn eigen dagboek, via Hoekema); zijn kritiek op het koloniale bewind zoals die in zijn dagboek en verslagen staat; het aantal leden in 1858 en de huidige ledentallen van de kerk (uit zendingsverslagen en kerkelijke bronnen).

Onbevestigd: de toewijzing van het Muriagebied en de intrekking van zijn zendingstoelating door de gouverneur-generaal in 1860 en zijn weigering om toelating aan te vragen (alleen in een Engelstalige samenvatting van Hoekema’s werk gevonden); de naam van zijn eerste vrouw; de naam en achtergrond van de landeigenaar bij Jepara; de datum 8 augustus 1851 en het schip Gelderland; het gesprek met de gouverneur-generaal in 1851; het begin bij de bedelaars; de exacte titel van zijn geschrift over landontginning; de namen van de Javaanse voorgangers Pasrah Karso en Pasrah Noeriman; zijn laatste jaren bij schoonzoon Johann Fast; de precieze verschijningsjaren van het Nieuwe Testament (1888 of 1890) en het Oude Testament (1892 of 1893); de eerste ontmoeting met Tunggul Wulung (één bron).

Duiding: of het cultuurstelsel en het toelatingsbeleid van het gouvernement het werk van Jansz remden of hem juist tot zijn landbouwplan brachten, is een vraag van interpretatie. De bronnen noemen beide.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Bibliothèque nationale de France, persoonsrecord Jansz, Pieter (1820-1904)
  2. De Bie en Loosjes, Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, deel 4, lemma Jansz (DBNL)
  3. DBNL, auteurspagina P. Jansz, onderwijzer te Delft
  4. Wikipedia (Engels), Pieter Jansz
  5. Anabaptist World (Mennonite World Review), “The first non-Western Mennonites”
  6. Anabaptist World (The Mennonite), “Before Pieter Jansz there was Tunggul Wulung”, 1 september 2012
  7. Mennonite Quarterly Review, boekbesprekingen januari 2004 (Hoekema, Dutch Mennonite Mission in Indonesia)
  8. Indah Apriyani, scriptie Universitas Diponegoro (2020) over Pieter Jansz in Jepara 1852-1881
  9. Lembaga Alkitab Indonesia, “Presenting Good News in Javanese: From Bruckner, Gericke to Janz”
  10. Wikipedia (Engels), H. C. Klinkert
  11. Wikipedia (Engels), Javanese Mennonite Church
  12. Alle G. Hoekema, Doopsgezinde Bijdragen 51 (2025), over doopsgezinden in Oost-Indië
  13. AMBS, Dutch Mennonite Mission in Indonesia: Historical Essays
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel