Op de avond van 8 oktober 1842 voer een boot de Coppename op, een brede rivier in het westen van Suriname. Aan boord zaten twee priesters. De oudste was Jacobus Grooff, het hoofd van de katholieke missie in de kolonie. De jongste was een Tilburger van tweeëndertig, nog geen maand in het land. Bij de aanlegplaats werden drie schoten gelost. Aan wal begon een kerkklok te luiden, en uit de hutten kwamen mensen naar de oever lopen.
Het waren melaatsen. Mensen met lepra, een ziekte die huid, zenuwen en ledematen aantast. Ze waren hierheen gestuurd om niemand anders te besmetten. De jonge priester zag mensen zonder tenen en zonder vingers, mensen die blind waren, mensen met gezwollen benen. Hij zag dat de meesten van de plantages kwamen, waar ze als slaaf hadden gewerkt tot de eerste tekenen van de ziekte zichtbaar werden. Een paar weken later schreef hij aan een oud-docent in Nederland dat hij zijn tranen niet had kunnen bedwingen toen hij hen zag aankomen.
Die priester heette Petrus Norbertus Donders. In Brabant noemden ze hem later Peerke, het verkleinwoord van Petrus. Veertien jaar na dat eerste bezoek kwam hij terug naar deze plek, en hij bleef. Tot zijn dood in 1887 woonde en werkte hij, met korte onderbrekingen, tussen de zieken van Batavia. In 1982 verklaarde paus Johannes Paulus II hem zalig.
Maar eerst moest een arme jongen uit Tilburg priester zien te worden. Dat ging bijna mis.
GAREN, EEN GETOUW EN GEEN GELD
Petrus Donders werd geboren op 27 oktober 1809 in Tilburg, in de buurt die de Heikant heette. Zijn vader was Arnoldus Donders, zijn moeder Petronella van den Brekel. Het gezin had twee zonen en weinig geld. De jongens gingen nauwelijks naar school, want ze moesten meeverdienen.
Zijn vader was wever, en Petrus ging hetzelfde werk doen. Zo beschreef hij het later zelf, in een korte levensschets die hij in 1879 in het Latijn opschreef: eerst spon hij garen, daarna leerde hij weven. Dat bleef zijn vak tot hij naar het seminarie ging.
In sommige levensbeschrijvingen staat dat zijn moeder stierf toen hij zeven was. Ik heb dat alleen in overzichtsartikelen gevonden, en in zijn eigen schets noemt hij zijn moeder nog bij zijn vertrek van huis. Misschien gaat het om een stiefmoeder. Dit punt blijft open.
Wat wel vaststaat: hij wilde van jongs af aan priester worden. Daarvoor moest je Latijn leren, en Latijn kostte geld dat er niet was. Toen hij achttien was, moest hij loten voor de militie, de dienstplicht van toen. Volgens zijn eigen verslag kreeg hij op advies van een arts een jaar uitstel omdat hij er zwak uitzag. Later werd hij vrijgesteld.
EEN KNECHT MET BOEKEN
In 1831 was Petrus tweeëntwintig. Op die leeftijd zaten andere priesterstudenten al jaren op het seminarie. Toen kwam er een opening. Pastoor W. van de Ven regelde dat hij werd aangenomen op het kleinseminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. Een kleinseminarie is de katholieke middelbare school voor jongens die priester willen worden. Hij kwam er binnen als knecht. Hij werkte voor het huis en leerde ondertussen de klassieke vakken, samen met jongens die veel jonger waren dan hij. Volgens zijn eigen schets bleef hij er vier of vijf jaar.
Hoe voelt het om als volwassen man tussen tieners in de schoolbanken te zitten, terwijl je ook nog het werk in huis doet? Hij heeft er voor zover ik weet niets over geschreven. Wat hij wel opschreef, is wat er daarna gebeurde.
DRIE KEER NEE
Petrus wilde in een orde of congregatie, een gemeenschap van priesters of broeders met eigen regels en geloften. Hij klopte aan bij de jezuïeten in Gent. Daar vonden ze hem te oud: hij was zesentwintig. Hij ging naar de redemptoristen. In Sint-Truiden stuurden ze hem door naar hun leider in Luik, pater Friedrich von Held. Ook die zag in hem geen roeping. De franciscanen in Sint-Truiden zeiden hem eerst een jaar filosofie te gaan studeren en terug te komen als hij het dan nog wilde.
Drie keer kreeg hij dus geen ja. Dat verhaal staat in zijn eigen schetsen en wordt door de redemptoristen zelf ook verteld. Ik vind het een van de mooiste dingen aan zijn leven. De congregatie die hem afwees, nam hem dertig jaar later wel op, in Suriname, toen hij zevenenvijftig was.
In het eind van de jaren dertig ging hij naar het grootseminarie in Haaren, waar priesters hun opleiding in filosofie en theologie afmaakten. Een weldoener betaalde zijn studie. In die tijd las hij de Annalen van de Voortplanting des Geloofs, een tijdschrift met berichten van missionarissen uit de hele wereld. Hij las over de inheemse volken in Amerika en wilde naar hen toe.
EEN PREFECT OP BEZOEK IN HAAREN
In 1839 kwam Jacobus Grooff op het seminarie in Haaren. Grooff was prefect apostolisch van Suriname, dat wil zeggen de leider van de katholieke missie in een gebied waar nog geen bisdom was. Hij zocht priesters. Een van de docenten, G. van Someren, bracht Donders met hem in contact. Grooff nam hem aan.
In 1841 werd Petrus Donders tot priester gewijd. De redemptoristen noemen als datum 5 juni 1841. Op 31 juli 1842 reisde hij van Amsterdam naar Den Helder, en op 10 augustus vertrok hij met een schip van de rederij Rothuis. Op 16 september 1842 kwam hij aan in Paramaribo. Dat schreef hij zelf. In sommige overzichten staat 1843, maar zijn eigen brief en de redemptoristen houden het op 1842.
Suriname was toen een Nederlandse plantagekolonie, waar het werk op de plantages langs de rivieren door mensen in slavernij werd gedaan. De kolonie was overwegend protestant. De katholieke missie was klein, met een handvol priesters.
DYSENTERIE IN PARAMARIBO
Zijn eerste jaar werd een harde leerschool. In 1843 brak er een epidemie van dysenterie uit, een ernstige darmziekte. De andere priesters werden ziek. Donders bleef als enige over om het werk in de stad te doen. Een van zijn collega’s, Joannes Vitus Janssen, stierf dat jaar. In het Rijksmuseum hangt een schilderij van diens begrafenis in Paramaribo. Achter de kist lopen twee priesters. Een kunsthistoricus die het schilderij onderzocht, denkt dat een van hen waarschijnlijk Donders is. Zeker weten doen we het niet.
In 1851 kwam de gele koorts naar Paramaribo. Deze keer werd Donders zelf ziek. Volgens zijn eigen schets lag hij ongeveer vier weken, en hij herstelde. Een oude katholieke encyclopedie uit 1909 vertelt hetzelfde.
WEE SURINAME
Veertien jaar lang was Donders kapelaan in Paramaribo. Een kapelaan is een priester die een pastoor helpt. Vanuit de stad trok hij met de boot langs de plantages aan de Suriname, de Commewijne, de Saramacca en de Coppename. Hij preekte, doopte en vierde de mis, vooral voor mensen die als slaaf op die plantages werkten. Een oude katholieke encyclopedie meldt dat hij er tot 1850 zo’n twaalfhonderd zou hebben gedoopt. Dat getal heb ik nergens anders teruggevonden.
Een deel van zijn brieven uit die jaren is bewaard. In 1981 werden ze door de redemptoristische historicus André Sampers uitgegeven, in Duitse en Latijnse vertaling. Ik heb ze in die vertaling gelezen. Eén brief springt eruit. Hij schreef hem tussen september en december 1846 aan zijn oude docent Van Someren, die toen pastoor-deken in Eindhoven was.
Donders beschrijft daarin hoe de mensen op de plantages verwaarloosd werden. Hij schrijft over harde straffen en over te weinig eten. Bananen waren hun voornaamste voedsel, en dat jaar had een lange droogte de oogst bijna vernietigd. Het aantal mensen in slavernij liep terug, zag hij. Zolang de slavernij niet helemaal werd afgeschaft, kon het geloof onder hen niet groeien. Hij verwees naar de pauselijke brieven van Gregorius XVI tegen de slavenhandel. En hij riep een wee uit over Suriname, met het oog op de grote dag van het oordeel.
In dezelfde brief is hij scherp over de hernhutters, de protestantse Evangelische Broedergemeente die in Suriname veel onder slaafgemaakten werkte. Hij zag hen als concurrenten van de ware kerk. Ook dat hoort bij het eerlijke beeld. Hij was een man van zijn kerk en zijn eeuw.
Brieven veranderen geen kolonie. In 1846 was de slavernij nog zeventien jaar wettelijk. Wat de brief wel laat zien, is wat een jonge priester zag toen hij de rivieren opvoer. Hij keek niet weg.
EEN PLANTAGE VOOR DE ZIEKEN
In 1856 benoemde de apostolisch vicaris Jacobus Schepers hem tot pastoor van Batavia. Hij was zesenveertig.
Batavia lag aan de monding van de Coppename. Het was een verlaten cacaoplantage, die het koloniaal bestuur sinds 1824 gebruikte als kolonie voor melaatsen. Daarvoor werden zieken naar een plek aan de Saramacca gestuurd, Voorzorg. Wie lepra kreeg, werd door het gouvernement afgezonderd. Historica Ellen Klinkers vat het onderzoek van Stephen Snelders zo samen: zieken werden er gedumpt, zonder medische zorg en met weinig toezicht. Het bestuur liet de zorg over aan de katholieke missie. Voor de katholieken was dat de eerste echte voet aan de grond in een protestantse kolonie.
De meeste bewoners waren slaafgemaakten, en ook vrije Afro-Surinamers met lepra werden er heen gestuurd. Volgens Snelders kwam het voor dat planters zieke mensen in een vroeg stadium nog snel illegaal verkochten, of door lieten werken. Europeanen met lepra mochten vaak thuis in afzondering blijven. Batavia was voor de anderen.
Hier ging Peerke Donders wonen. Volgens de redemptoristen verzorgde hij de zieken zelf, met eigen handen, zolang er geen verpleging was. Hij drong bij het koloniaal bestuur aan op betere omstandigheden. Hoeveel zieken er in die jaren precies woonden, wisselt per bron. Ik noem daarom geen getal.
“IK ALLEEN WAS GEZOND”
Ruim tien jaar was hij de enige priester op Batavia. Hij schreef het zelf in een brief uit 1869 en nog eens in zijn levensschets van 1879. In die schets staat een Latijnse zin die je zo kunt vertalen: ik alleen was gezond tussen al die zieken.
In de brief over zijn eerste bezoek in 1842 beschrijft Donders hoe hij een paar kinderen doopte, twee oude mannen, drie oude vrouwen en een meisje van elf, en hoe hij een echtpaar trouwde dat bijna geen vingers meer had. Hun namen staan er niet bij. Ik had ze graag genoemd. De bronnen die ik kon lezen, noemen wel prefecten, paters en een gouverneur, maar niet de mensen om wie het ging.
Hij schreef ook over de kerk. Op een schelpenrif stond een Sint-Rochuskerk van planken, met bij de rivier een kruis uit 1826 en een kapelletje voor Maria. De mis werd deels in het Latijn gezongen en deels in wat hij Negerengels noemde, het Sranantongo, de volkstaal van Suriname.
Hoe houd je dat vol, jaar na jaar, op een plek waar bijna niemand vrijwillig heen wilde? Ik weet het antwoord niet. Ik merk alleen dat de man die drie keer was afgewezen, nergens klaagt dat hij hier alleen zat.
EEN HABIJT OP ZEVENENVIJFTIG
In 1863 schafte Nederland de slavernij in Suriname af. Klinkers wijst op een bittere kant van die jaren. Eigenaren kregen bij de afschaffing een vergoeding per slaafgemaakte. Planters vreesden die vergoeding mis te lopen als ze zieken te vroeg naar Batavia stuurden, en meldden er minder.
In 1865 gaf de paus de Surinaamse missie in handen van de Nederlandse redemptoristen. Een jaar later kwamen ze aan. Donders vroeg of hij mocht toetreden, dezelfde congregatie die hem dertig jaar eerder had afgewezen. Dit keer zeiden ze ja. Op 1 november 1866 kreeg hij het habijt, het kloosterkleed, uit handen van de apostolisch vicaris Johannes Swinkels. Op 24 juni 1867 legde hij in Paramaribo zijn geloften af. Hij was zevenenvijftig.
Daarna keerde hij terug naar Batavia.
NAAR DE AROWAKKEN EN DE WARAU
Met meer redemptoristen in het land kwam er hulp op Batavia. Dat gaf Donders ruimte voor iets wat hij al als seminarist had gewild. Vanaf mei 1868 maakte hij tochten naar de inheemse volken in het westen van Suriname: langs de Tibiti, de Boven-Saramacca, de Wayombo en de Maratakka. Hij bezocht Arowakken, Warau en Karaïben, die zichzelf Kari’na noemen. Volgens de redemptoristen leerde hij hun talen. Sommige overzichten noemen ook bezoeken aan de Kwinti, een marrongemeenschap van nakomelingen van gevluchte slaafgemaakten, maar daarvoor heb ik geen tweede bron gevonden.
In een brief uit 1869 meldde hij dat hij 125 inheemse kinderen had gedoopt, zes paren had getrouwd en acht mensen tot de eerste communie had toegelaten. In 1879 schatte hij het aantal doopsels onder hen op ongeveer zeshonderd. Die getallen komen uit zijn eigen pen. Een modern overzicht houdt het erop dat hij weinig mensen bekeerde. Beide kunnen tegelijk waar zijn: dopen is iets anders dan een gemeenschap die blijvend met de kerk verbonden is.
Hoe de mensen die hij doopte zelf over hem dachten, weten we niet. Die stilte zit in bijna elk verhaal over zending uit die tijd, ook in dit.
CORONIE EN WEER TERUG
Op 13 augustus 1879 schreef Donders in de leprozerie van Batavia zijn korte levensschets. Hij was toen bijna zeventig.
In 1883 haalden zijn oversten hem weg uit Batavia, om hem lichter werk te geven. Hij ging naar Paramaribo en daarna naar Coronie, een district aan de kust, waar hij op een katoenplantage woonde. Eind 1885 was hij terug op Batavia. Daar pakte hij zijn oude werk weer op.
In december 1886 moest hij gaan liggen. Ongeveer twee weken later, op 14 januari 1887, stierf hij op Batavia. Hij was zevenenzeventig. Latere overzichten noemen een nierontsteking als oorzaak, en vertellen dat hij eerst op Batavia werd begraven, naast de kerk.
Tien jaar later, in 1897, sloot het gouvernement Batavia. De zieken gingen naar drie nieuwe instellingen dichter bij Paramaribo: Majella van de katholieken, Bethesda van de hernhutters en Groot-Chatillon van de staat. De gedwongen afzondering van mensen met lepra in Suriname eindigde pas tussen 1958 en 1973, toen er goede medicijnen waren.
EEN BEELD IN HET WILHELMINAPARK
Het stoffelijk overschot van Donders werd later overgebracht naar Paramaribo. Het ligt nu in de kathedrale basiliek van de stad. In Tilburg groeide intussen een verering. Bij zijn geboortehuis werd een kapel gebouwd, ontworpen door architect J. Donders en op 28 oktober 1923 ingezegend. Pelgrims kwamen naar Tilburg. Ze namen flesjes water mee uit de put bij het geboortehuis, met een medaille eraan.
In het Wilhelminapark staat een standbeeld. Donders staat erop rechtop, met een klein kruisbeeld in zijn hand. Zijn andere hand ligt op het hoofd van een halfnaakte, geknielde zwarte man. Het beeld is omstreden. Voor sommigen toont het een witte man die neerkijkt op een Afrikaan. Kenneth Stam, die er eerst moeite mee had, zag na onderzoek een zegenende priester en plaatste een informatiebord. Historica Maria Grever, die voor een commissie omstreden monumenten onderzocht, noemt het een van de meest complexe standbeelden van Nederland. Voor veel Brabanders staat het ook voor de katholieke emancipatie, de tijd waarin katholieken in Nederland gelijke rechten en een eigen stem kregen.
Ik ga dat debat hier niet beslechten. Een beeld uit de twintigste eeuw zegt veel over de makers. Over de man zelf zeggen zijn brieven meer.
ZALIG VERKLAARD
Zaligverklaring is in de rooms-katholieke kerk een officiële uitspraak dat iemand in de hemel is en door gelovigen vereerd mag worden. Het is de stap vóór heiligverklaring. Meestal is daarvoor een wonder nodig, een genezing die artsen niet kunnen verklaren en die wordt toegeschreven aan het gebed tot die persoon.
De redemptoristen brachten zijn zaak naar Rome, en die zaak liep lang. Op 23 mei 1982 verklaarde paus Johannes Paulus II Petrus Donders zalig, op het Sint-Pietersplein in Rome. De kapel bij zijn geboortehuis werd dat jaar gerestaureerd en kreeg een altaar met zijn beeltenis.
Over het wonder dat bij de zaligverklaring werd erkend, ben ik voorzichtig. Volgens de overzichten die ik kon vinden, ging het om een Tilburgse jongen, Ludovicus Westland, die in 1929 in één nacht genezen zou zijn van een ernstige botziekte. Rome zou de genezing in 1931 en 1936 hebben afgewezen en in 1978 alsnog hebben erkend. Ik heb dit alleen in een encyclopedieartikel op internet gevonden, dat zelf twijfelt tussen botkanker en een botontsteking. Een officieel stuk heb ik niet kunnen inzien. Of het een wonder was, is ook een geloofsvraag, geen vraag die een historicus kan beantwoorden.
Wel bevestigd is een onderzoek uit 2017. Arts Jaap van Dissel van het LUMC in Leiden en George Maat onderzochten met toestemming van de bisschop zijn stoffelijk overschot in Paramaribo, ook met DNA-onderzoek. Peerke Donders had geen lepra gehad. Na bijna dertig jaar tussen de zieken. Van Dissel zei dat hij niet kon zeggen of dat een wonder was. Denis Hendrickx van de Stichting Petrus Donders zag het als een opmerkelijk feit dat zou kunnen meetellen voor een heiligverklaring. Die is er nog niet.
DE OEVER VAN DE COPPENAME
Batavia bestaat niet meer als leprakolonie. De plek aan de rivier wordt tegenwoordig bezocht door pelgrims, zo lees je in overzichten, al heb ik dat niet in een tweede bron kunnen controleren.
Misschien ken jij ook een plek waar niemand vrijwillig heen gaat. Een afdeling, een straat, een huis. Peerke Donders kwam er als wever uit Tilburg, afgewezen door drie kloosterorden, en hij bleef. In 1879, bijna zeventig jaar oud, schreef hij op Batavia dat hij de enige gezonde was tussen al die zieken. Hij schreef het op zonder klacht.
Zijn eerste aankomst daar, in oktober 1842, beschreef hij zelf. Drie schoten over het water. Een kerkklok die door de zieken zelf werd geluid. En mensen die naar de oever liepen, de boot tegemoet, om de priesters te verwelkomen.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 27 oktober 1809 in Tilburg in een arm gezin; ouders Arnoldus Donders en Petronella van den Brekel; werk in de textiel (wever); opname als knecht op het kleinseminarie in Sint-Michielsgestel; afwijzing door jezuïeten, redemptoristen en franciscanen; grootseminarie Haaren en contact met prefect Grooff; priesterwijding in 1841; aankomst in Paramaribo in september 1842; dysenterie-epidemie van 1843 en gele koorts in 1851; werk op de plantages; benoeming op Batavia in 1856; Batavia als gouvernementele leprakolonie onder katholieke zorg; intreden bij de redemptoristen (1866) en geloften op 24 juni 1867; tochten naar inheemse volken; Coronie en terugkeer naar Batavia; overlijden op 14 januari 1887 op Batavia; sluiting van Batavia in 1897; kapel in Tilburg (1923); zaligverklaring op 23 mei 1982; onderzoek in 2017 waaruit bleek dat hij geen lepra had; de discussie over het standbeeld in Tilburg.
Alleen uit eigen getuigenis: de details van zijn eerste bezoek aan Batavia in oktober 1842 (de schoten, de klok, zijn tranen, de dopen en het huwelijk); zijn werk als spinner en wever; het uitstel van de militie; de inhoud van zijn brief over de slavernij uit 1846; ruim tien jaar als enige priester op Batavia; de aantallen doopsels onder de inheemse volken (125 kinderen in 1869, ongeveer zeshonderd in 1879). Zijn brieven zijn gelezen in de Duitse en Latijnse uitgave van Sampers (1981).
Onbevestigd: het wonder dat bij de zaligverklaring werd erkend (de genezing van Ludovicus Westland in 1929; alleen gevonden in een encyclopedieartikel op internet, met tegenstrijdige details); de dood van zijn moeder toen hij zeven was; de nierontsteking als doodsoorzaak; de twaalfhonderd dopelingen tot 1850 (alleen de Catholic Encyclopedia); bezoeken aan de Kwinti; dat hij waarschijnlijk op het schilderij van de begrafenis van Janssen staat (een inschatting van de onderzoeker).
Duiding: of de genezing in Tilburg en het feit dat hij nooit lepra kreeg wonderen van God zijn, is een geloofsvraag. De bronnen beschrijven een genezing en een onderzoeksuitslag, geen oorzaak. Batavia was een plek van gedwongen afzondering binnen een koloniaal en slavernijsysteem; de katholieke missie voerde er de zorg uit in opdracht van het gouvernement.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- A. Sampers, “Einige Briefe und andere Schriften des seligen Peter Donders”, Spicilegium Historicum CSSR 29 (1981)
- Redemptoristen, historisch woordenboek: “Donders, Peter”
- Redemptoristen Canada, “Blessed Peter Donders”
- Catholic Encyclopedia, “Peter Donders”
- W. Dierick, “De begrafenis van priester Joannes Vitus Janssen te Paramaribo in 1843”, Bulletin van het Rijksmuseum
- Ellen Klinkers, recensie van Snelders, Leprosy and Colonialism, TSEG 15 (2018)
- Charmaine Robson, recensie van Snelders, Leprosy and Colonialism, H-Disability (2018)
- Omroep Brabant, 28 januari 2017, “Peerke Donders had geen lepra”
- Omroep Brabant, 23 oktober 2023, “Monument Peerke Donders is een van de meest complexe standbeelden”
- Rijksmonumentenregister, R.K. Kapel Petrus Donders, Tilburg (521042)
- Meertens Instituut, Bedevaartbank: Peerke Donders, Tilburg
- Encyclopedie van Noord-Brabant, “Donders, Petrus”
- US Catholic, “Blessed Peter Donders”
- Wikipedia, “Peter Donders”
- Wikipedia, “Batavia, Suriname”