Op 3 maart 1815 kwam een Nederlandse predikant van vijfenveertig aan op Ambon. Hij had er een lange weg op zitten. Zeven jaar eerder had een zendingsgenootschap in Nederland hem aangenomen, en sindsdien had hij gestudeerd, gewacht, opnieuw gestudeerd en weer gewacht. Hij was via Engeland en Java gekomen, in jaren van oorlog tussen Engeland en Frankrijk.
Op Ambon trof hij christelijke dorpen aan die al jaren geen vaste predikant hadden gehad. Hoe lang precies, daarover verschillen de bronnen: een Indonesische studie uit 2021 noemt 1801, een andere bron 1794, een Engels tijdschrift uit 1835 spreekt van meer dan twintig jaar. Volgens die Indonesische studie preekte hij twee dagen na zijn aankomst al. Drie weken later, met Pasen, vierde hij het Avondmaal. Het zou het eerste Avondmaal in dertien jaar zijn geweest.
De man heette Joseph Kam. Hij zou nog achttien jaar leven en die jaren bijna helemaal op en tussen de eilanden van de Molukken doorbrengen. Hij drukte boeken, leidde inheemse onderwijzers op, liet een schip bouwen om de verre eilanden te bereiken, en werd begraven op het eiland waar hij in 1815 aan land was gegaan. Later noemden ze hem de “Apostel der Molukken”.
Het begon in de leerhandel van zijn vader, in ’s-Hertogenbosch.
GEDOOPT OP 19 SEPTEMBER 1769
Joseph Kam werd geboren in ’s-Hertogenbosch, in september 1769. Op 19 september werd hij in die stad gedoopt. Zijn precieze geboortedag heb ik in geen enkele bron gevonden. Wel past alles bij elkaar: bij zijn dood in 1833 werd hij drieënzestig jaar en tien maanden oud genoemd.
Zijn ouders heetten Joost Kam en Anna Margaretha Zock. Joseph was hun tweede zoon. Zijn oudere broer Samuel werd later predikant. Vader Joost dreef een zaak in leer, en Joseph werkte daarin mee. Het gezin hoorde bij de gereformeerde kerk, maar vader Joost voelde zich ook thuis bij de hernhutters. Dat waren christenen van de Evangelische Broedergemeente, een beweging uit Duitsland met een sterke nadruk op een persoonlijke band met Jezus en op zending onder volken die het evangelie nog niet kenden. In Zeist hadden ze een eigen gemeenschap. Volgens de Nederlandse bron uit 1931 wekte het contact met de hernhutters van Zeist bij Joseph de belangstelling voor de zending.
Een Indonesisch bijbelgenootschap vertelt dat hij als kind leerde over broederliefde, vrede en het brengen van het evangelie aan de heidenen. Volgens hetzelfde verhaal wilde hij al jong zendeling worden. Een oude Engelstalige encyclopedie, de Schaff-Herzog, zegt het ook: hij voelde de roeping vroeg, maar volgde de wens van zijn vader en ging de handel in.
Er gaat ook een spannend verhaal rond over 1794, toen Franse troepen Den Bosch belegerden. Zijn vader zou hem de stad uit hebben gestuurd, en Joseph zou zich tussen de Franse soldaten hebben verstopt om terug te komen. Dat verhaal vond ik maar in één bron, zonder verwijzing. Ik laat het daarom bij deze vermelding.
EEN KLERK BIJ HET GERECHTSHOF
In 1802 stierven zijn ouders, en de leerzaak hield op te bestaan. Dat jaartal komt uit de Indonesische bronnen; de oudere Nederlandse naslagwerken noemen het niet. Joseph was toen begin dertig. Hij vond werk bij het Nationaal Gerechtshof, eerst in Den Haag en later in Amsterdam. Wat hij er precies deed, beschrijven de bronnen verschillend: klerk, bode, loopjongen. Het was in elk geval geen hoge functie.
Op 24 juni 1804 trouwde hij in Den Haag met Alida van Epen. Volgens het Indonesische bijbelgenootschap was zij een dochter van dominee Gerrit van Epen. Ze kregen een dochtertje. In maart 1806 stierf Alida, kort na de bevalling.
Het meisje ging naar de pastorie in Berkel, bij familie van zijn broer Samuel. Daar stierf zij ook. Volgens één bron gebeurde dat de nacht voordat haar vader op bezoek zou komen. De Nederlandse bron uit 1931 vermeldt alleen dat zij in Berkel overleed.
Toen Alida stierf, was hij zesendertig. Binnen een paar jaar had hij een vrouw verloren, een kind, een ouderlijk huis en een bedrijf.
“IK WIL ZENDELING WORDEN”
Wat er toen in hem omging, weten we uit twee richtingen. Een Engels zendingstijdschrift schreef in 1835, twee jaar na zijn dood, dat hij het verlies van vrouw en kind zag als een teken dat hij naar het buitenland moest gaan. Het Indonesische bijbelgenootschap geeft een uitspraak van hem die erop lijkt. In het Nederlands zou die ongeveer zo luiden: “Ik bestudeer nu Gods wil en wegen. Ik wil zendeling worden.” Die zin ken ik alleen in een Engelse weergave. De oorspronkelijke brief of aantekening heb ik niet gezien.
Misschien herken je iets van dit moment. Een leven dat stukloopt, en een stille vraag die blijft: wat wil God nu? Joseph Kam had geen theologische opleiding en liep tegen de veertig.
In 1808 bood hij zich aan bij het Nederlandsch Zendeling Genootschap, het NZG. Dat genootschap was in 1797 in Rotterdam opgericht om mensen uit te zenden naar volken die het evangelie niet kenden. Ze namen hem aan als kweekeling, een leerling in opleiding. Hij was toen ongeveer negenendertig.
ZEVEN JAAR WACHTEN
Wie zich in 1808 aanmeldde voor de zending naar Indië, kwam niet snel weg. Engeland en Frankrijk waren in oorlog, Nederland stond aan de Franse kant, en Indië kwam in die jaren onder Engels bestuur. Het Engelse tijdschrift uit 1835 schrijft dat de Franse autoriteiten zijn vertrek naar Java tegenhielden, en dat zijn geduld zwaar op de proef werd gesteld.
Joseph gebruikte de tijd om te leren. Hij kreeg les in Den Haag en Amsterdam. Van april tot oktober 1811 studeerde hij in Rotterdam, samen met twee Duitse kweekelingen, Gottlob Brückner en Johann Christoph Supper. Volgens het Indonesische bijbelgenootschap kregen ze er theologie, algemene geschiedenis, tekenen en muziek. Daarna gingen de drie naar Zeist, naar de hernhutters. Een bron spreekt van 28 september 1811 als begin van die periode. De kring van zijn vader was nu ook zijn leerschool.
De Schaff-Herzog zegt dat hij ook in Berkel werd opgeleid, bij zijn broer Samuel. De Nederlandse bron uit 1931 noemt dat niet. Ik weet niet wie gelijk heeft.
Hij vond de opleiding die hij in Nederland kreeg niet genoeg, zo staat in die Nederlandse bron. In 1812 ging hij naar Engeland. De Engelse Wikipedia gebruikt het woord “gesmokkeld”: het NZG zou de drie mannen het land uit hebben gekregen terwijl Engeland en Frankrijk in oorlog waren. In oktober 1812 waren ze in Londen.
GOSPORT, LONDEN EN EEN ENGELS GENOOTSCHAP
In Londen kwamen ze in contact met de London Missionary Society, de LMS. Dat was een Engels zendingsgenootschap uit de evangelische, piëtistische hoek. Kam werd naar Gosport gestuurd, een havenstad in het zuiden van Engeland, waar de LMS een opleiding voor zendelingen had.
In 1813 werd hij in Londen als predikant bevestigd. Volgens het Indonesische bijbelgenootschap gebeurde dat op zondag 21 november 1813. Een andere Indonesische bron spreekt van een bevestiging in 1814 in Indië. Het jaar 1813 wordt door de oudere Nederlandse bron en door Wikipedia gesteund, dus daar houd ik het op.
Daarna vertrokken Kam, Brückner en Supper naar Java. Ze reisden onder de vlag van de LMS, omdat Java toen Engels gebied was. Kam bleef de rest van zijn leven brieven schrijven naar Londen. Die brieven liggen nog altijd in het archief van de LMS, in de bibliotheek van SOAS in Londen.
BATAVIA, SOERABAJA EN DE LANGE WEG NAAR AMBON
In 1814 kwamen de drie aan in Batavia, nu Jakarta. Een Indonesische studie noemt 16 mei 1814. Ze kwamen in dienst van de Indische Kerk. Die kerk viel onder het koloniale bestuur: het gouvernement stelde de predikanten aan. Supper bleef in Batavia, Brückner ging naar Semarang, en Kam kreeg Ambon toegewezen.
Hij kwam er niet meteen. Er voer geen schip naar de Molukken. Hij werkte maandenlang in Soerabaja, nu Surabaya, en op Madura. Volgens de Nederlandse bron uit 1931 hielp hij in Soerabaja mee aan de basis van een plaatselijk zendingsgenootschap. Van mei 1814 tot februari 1815 bleef hij op Oost-Java.
In februari 1815 kon hij verder. Volgens het Indonesische bijbelgenootschap was de reis lang en zwaar, en werd hij zeeziek. Op 3 maart 1815 zette hij voet op Ambon.
EEN EILAND VOL GEDOOPTE MENSEN ZONDER PREDIKANT
Om te begrijpen wat Kam aantrof, moet je even terug in de tijd. In de zestiende eeuw hadden Portugezen op de Molukken het rooms-katholieke geloof gebracht. Begin zeventiende eeuw kwamen de eilanden onder Nederlands gezag, en de christelijke dorpen gingen over naar de gereformeerde kerk. De Portugezen hadden de eilanders met dwang katholiek gemaakt, zo staat het in de Schaff-Herzog. Twee eeuwen later waren er veel gedoopte christenen in de Molukken, en de kerk was volgens dezelfde bron sterk in verval.
Kam vond onderdak bij een zekere A. Uytenbroek, zo vermeldt een Indonesische studie. Hij begon meteen. Thuis gaf hij catechisatie, een kerkelijke les in de grondbeginselen van het geloof. Hij hield elke week een samenkomst voor volwassenen die gedoopt wilden worden. Op de eerste maandag van de maand was er een gebedsbijeenkomst, en de opbrengst kwam van Nederlandse ambtenaren.
Er waren ook veel kinderen die nog niet gedoopt waren. Volgens de Indonesische studie doopte Kam er in de eerste maanden 1.865. Dat getal komt maar uit één bron, en ik weet niet waar die het vandaan heeft.
Kort na zijn aankomst trouwde hij opnieuw, op Ambon, met Sara Maria Timmerman. Over de datum verschillen de bronnen: 28 april 1815 volgens de Indonesische studie, 28 april 1816 volgens het Nederlandse naslagwerk. Volgens Wikipedia was Sara Maria van Indo-Europese afkomst. Ze bleef bij hem tot zijn dood. Ze kregen twee zonen. Een van hen, Joseph Karel Kam, werd later zelf predikant in Indië en stierf in 1898.
EEN DRUKPERS OP AMBON, 1819
Kam had een probleem. Er waren veel christelijke dorpen, verspreid over eilanden ver uit elkaar. Hij kon niet overal tegelijk zijn. De oplossing zocht hij in papier en in mensen.
In 1819 begon hij een eigen drukkerij op Ambon. Volgens de Indonesische studie betaalde hij de pers uit zijn eigen zak. Er werden onder meer vierduizend exemplaren van een Maleise catechismus gedrukt, zo vermeldt de Nederlandse bron uit 1931. Hij liet ook preken drukken voor dorpen waar geen predikant kwam. Een boek met preken van de Engelse predikant George Burder vertaalde hij in het Maleis. In 1823 schreef hij naar Londen dat er een tweede drukpers was aangekomen.
Hij liet mensen uit de streek het drukvak leren. Het Engelse tijdschrift van 1835 noemt dat met name: hij leerde Maleiers drukken.
Dezelfde gedachte zat achter zijn school. Hij begon een opleiding voor inheemse helpers: onderwijzers en voorgangers uit de eigen bevolking. De Indonesische studie geeft als datum 14 juni 1819 en zegt dat de school in zijn eigen huis begon, met toestemming van het gouvernement. De Nederlandse bron noemt 1821. De opleiding duurde twee jaar. Daarna werkten de leerlingen nog jaren mee in de drukkerij of op het schip, voordat ze als onderwijzer werden uitgezonden. Ze tekenden dat ze overal heen wilden gaan.
Les gaven Kam, zijn vrouw Sara Maria, en een Molukse onderwijzer, Mattheus Huwae. Zijn naam staat in de Indonesische studie. Over hem weten we verder niets, en ik vind het jammer dat juist van zulke mensen zo weinig bewaard is. Het werk op de verre eilanden rustte op onderwijzers zoals hij.
MET HET GOUVERNEMENT MEE
Kam stond niet buiten het koloniale systeem. Hij was gouvernementspredikant, aangesteld door het koloniale bestuur, en hij reisde vaak met hulp van de gouverneur. Van oktober tot december 1821 voer hij mee met een vloot van achtenveertig kora-kora’s, grote Molukse roeiboten, en het oorlogsschip De Koerier onder kapitein Stolze. Zo staat het in de Indonesische studie. Het was een gewapende vloot van het gouvernement, en de predikant reisde mee.
Wat vind je daarvan? Ik denk dat het eerlijk is om het te noemen. De Molukken waren een kolonie, en de kerk waarvoor Kam werkte hoorde bij dat bestuur. Hij liep er ook tegenaan. Volgens dezelfde studie wilde hij het liefst werken onder mensen die het evangelie nog niet kenden, maar zette het gouvernement hem in bij de bestaande gemeenten. Toen hij vroeg of het toezicht op de scholen naar de zending mocht, weigerde het gouvernement. Rond 1827 vond het bestuur zijn school te veel gericht op evangelisatie.
Er is ook een verhaal uit het dorp Soya, op Ambon. Kam zou daar een heilige waterkruik hebben vernietigd, een tempayan, waarvan de mensen geloofden dat hij regen bracht. Het verhaal staat in de Indonesische studie, zonder datum. Hoe de mensen in Soya erop reageerden, vertelt de bron niet.
DE SCHOENER AMBOINA
De eilanden ten zuidwesten en zuidoosten van Ambon lagen ver weg: Kisar, Leti, Moa, Banda, de Aru-eilanden. In het noorden lagen de Sangihe-eilanden. Op veel van die eilanden woonden mensen die ooit gedoopt waren, maar die in jaren geen predikant hadden gezien.
In zijn brieven van 1823 aan de LMS beschrijft Kam zo’n bezoek. Hij doopte op de Zuidwestereilanden. Hij vond er een stenen kerk. De mensen noemden zich christen, schreef hij, maar wisten weinig van de verlossing, hoewel velen gedoopt waren.
Om die eilanden geregeld te bereiken, liet hij in 1825 een schoener bouwen, een klein zeilschip met twee masten. Hij noemde het de Amboina. In maart en april 1825 werden onderwijzers uitgestuurd naar Banda, Leti, Moa en de Aru-eilanden, zo meldt de Indonesische studie. In 1829 verging de Amboina op de kust van Kisar. Kam liet een nieuw schip bouwen.
Jonge zendelingen hadden volgens het tijdschrift van 1835 een vader aan hem. Wie uit Nederland kwam, kreeg onderdak in zijn huis en advies voor hun werk. Vanaf 1819 kwamen ze, en volgens de Schaff-Herzog werden er tussen 1819 en 1832 zeventien zendelingen naar de Molukken gestuurd. Een van hen was G.F.A. Gericke, die eind 1823 op Ambon aankwam. Hij zou Kams opvolger worden.
Met de LMS liep het anders af. In 1828 besloot het bestuur in Londen hem niet langer als zendeling van de LMS te erkennen. Geld had hij van hen nooit gekregen. Hij bleef ze toch schrijven, tot in 1831.
EEN KERK, EEN FLUIT EN STRENGE TUCHT
Kam bouwde op Ambon een kerk, grotendeels met zijn eigen geld. Volgens het Indonesische bijbelgenootschap liet hij er een orgel voor uit Nederland komen. Twee jaar na zijn dood, in 1835, verwoestte een aardbeving het gebouw.
De Nederlandse bron uit 1931 bewaart twee kleine details. Kam voerde fluitspel in als begeleiding van het kerkgezang. En hij oefende de kerkelijke tucht streng uit. Kerkelijke tucht betekent dat de kerkenraad mensen aanspreekt op hun leven, en hen soms van het Avondmaal uitsluit. Hoe die tucht er bij hem precies uitzag, weet ik niet.
Het tijdschrift uit 1835 tekent hem als een man zonder bijzondere gaven, maar met een gezond oordeel, veel kennis van de Bijbel en een groot vuur. Hij leefde eenvoudig en zuinig, en oordeelde niet over mensen die het anders deden. Hoofden van niet-christelijke dorpen hadden respect voor hem, en hij werd ingezet om vrede te stichten tussen stammen.
Getallen over zijn werk zijn er weinig. De Schaff-Herzog spreekt van meer dan twintigduizend gedoopten in tachtig gemeenten, de verste op ongeveer vijfhonderd kilometer. Die getallen komen uit één bron en waarschijnlijk uit de verslagen van de zending zelf.
MAART 1833: DE LAATSTE REIS
In maart 1833 vertrok hij opnieuw voor een reis langs de eilanden. Volgens het Indonesische bijbelgenootschap was het op 24 maart, en zou de reis drie maanden duren. Hij was drieënzestig.
De reis ging onder meer naar Banda. Daar werd hij ziek. Op 14 juli kwam hij terug, uitgeput. Vier dagen later, op 18 juli 1833, stierf hij op Ambon, in de armen van Gericke, zijn jonge vriend en opvolger. Het Engelse tijdschrift van 1835 plaatst zijn sterven op Banda. De Nederlandse bron uit 1931 en de andere bronnen houden het op Ambon, en daar ligt hij ook begraven.
Bij zijn begrafenis kwamen zoveel mensen dat de kerk ze niet kon bevatten. Burgerlijke en militaire gezagsdragers liepen mee, en veel Molukkers, christenen en anderen. Het koloniale gouvernement publiceerde een uitvoerig bericht over zijn dood.
NAAST DE KERK IN AMBON
Achttien jaar had hij op Ambon gewerkt. Hij was er aangekomen als een man die alles kwijt was. Hij liet een drukkerij na, een school voor Molukse onderwijzers, gemeenten op eilanden waar al die tijd geen predikant was gekomen, en een opvolger die hij zelf had ingewerkt.
De Protestantse Kerk van de Molukken ziet hem tot op vandaag als een van de mensen die haar geschiedenis gevormd hebben. In Indonesië heet hij Rasul Maluku, apostel van de Molukken.
Ik denk aan de man die zich in 1808 bij het NZG meldde, na de dood van zijn vrouw en zijn dochtertje, met een gewone baan bij een gerechtshof. Hij was bijna veertig. Zeven jaar later stapte hij aan land op een eiland aan de andere kant van de wereld.
Zijn graf ligt in het centrum van Ambon, naast het gebouw van de Protestantse Kerk van de Molukken.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): doop op 19 september 1769 in ’s-Hertogenbosch en geboorte in september 1769; ouders Joost Kam en Anna Margaretha Zock; leerhandel van zijn vader en hernhutse invloed; werk bij het Nationaal Gerechtshof; huwelijk met Alida van Epen (1804) en haar dood (1806); dood van zijn dochtertje in Berkel; aanname door het NZG in 1808; opleiding in Rotterdam en Zeist met Brückner en Supper; vertrek naar Engeland in 1812, Gosport en bevestiging in Londen in 1813; aankomst op Java in 1814 en werk in Soerabaja en op Madura; aankomst op Ambon op 3 maart 1815; huwelijk met Sara Maria Timmerman en twee zonen; drukkerij (1819) en opleiding voor inheemse helpers; reizen naar de Zuidwestereilanden en Sangihe; de schoener Amboina (1825, vergaan in 1829 bij Kisar); kerkbouw op eigen kosten; einde van de erkenning door de LMS (1828); Gericke als opvolger; overlijden op 18 juli 1833 na een laatste reis; de bijnaam “Apostel der Molukken”.
Alleen uit eigen getuigenis of één organisatie: de uitspraak “Ik wil zendeling worden” (alleen in Engelse weergave bij het Indonesische bijbelgenootschap); de eerste preek twee dagen na aankomst en het Avondmaal met Pasen 1815; het verblijf bij Uytenbroek; de 1.865 gedoopte kinderen; de reis met de vloot van 1821; Mattheus Huwae als leraar; het orgel uit Nederland; de vierduizend catechismussen (alleen het Nederlandse naslagwerk); de getallen van twintigduizend gedoopten en zeventien zendelingen (alleen de Schaff-Herzog, waarschijnlijk uit zendingsverslagen).
Onbevestigd of betwist: zijn exacte geboortedag; het verhaal over het beleg van Den Bosch in 1794; het jaar waarin zijn ouders stierven (1802); een opleiding in Berkel bij zijn broer; de datum van zijn tweede huwelijk (1815 of 1816); het beginjaar van zijn school (1819 of 1821); het jaar sinds wanneer Ambon geen predikant had; de plaats van sterven (Ambon in de meeste bronnen, Banda in het tijdschrift van 1835); het vernietigen van de waterkruik in Soya (één bron, zonder datum).
Duiding: Kam werkte als predikant in dienst van het koloniale gouvernement en reisde soms mee met gewapende vloten. Hoe Molukkers zelf zijn werk ervoeren, laten de bewaarde bronnen nauwelijks horen.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, deel 4, lemma Kam (DBNL)
- B.I. Kristyowidi, “Joseph Kam 1815-1833”, KENOSIS 7/1 (2021)
- Lembaga Alkitab Indonesia, “Josep Kam, Dutch missionary in the Moluccas”
- Lembaga Alkitab Indonesia, “Joseph Kam: I’m now studying God’s will and ways”
- SOAS Library, LMS Incoming Correspondence Amboyna 1814-1831
- Archives Hub, brieven van Joseph Kam uit Amboina, 1823
- Calcutta Christian Observer, mei 1835, “Memoir of the Rev. Joseph Kam”
- Schaff-Herzog Encyclopedia of Religious Knowledge, lemma Kam (CCEL)
- Wikipedia, Joseph Kam
- Wikipedia, Netherlands Missionary Society