Tot het uiterstevan de aarde

Deel 1 · Tot het uiterste van de aarde · Hoofdstuk 1

Robertus Junius

de dominee van Sinkan

1606-1655Formosa (Taiwan)

Er bestaat een schilderij van olieverf op doek, ruim een meter breed, met een Nederlandse tekst erop. Volgens die tekst werd het in 1643 op Formosa gemaakt, door een Chinese schilder van wie we de naam niet kennen. Je ziet er één man twee keer op. Bovenaan staat hij op een kansel en preekt, met een gouden gloed om zich heen. Onderaan doopt hij. Een moeder knielt voor hem en houdt haar kind in doeken omhoog. Een tweede vrouw wacht met haar kind. De mannen zitten in het bovenste deel van het doek, de vrouwen in het onderste, met kralen in het haar en om de hals.

De man op het schilderij is Robertus Junius, een predikant uit Rotterdam. Hij werkte veertien jaar op het eiland dat we nu Taiwan noemen. Hij leerde de taal van de Siraya, een volk op de vlakte in het zuidwesten, en schreef die taal op in Latijnse letters. Hij zette scholen op en leidde inheemse schoolmeesters op. Volgens zijn eigen verslagen doopte hij meer dan vijfduizend mensen. Hij was ook een man van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, en dat kleurt dit verhaal.

Het begon in Rotterdam, met een jongen die Robert de Jonghe heette.

ROBERT DE JONGHE WORDT ROBERTUS JUNIUS

Robert werd in 1606 in Rotterdam geboren. Zijn vader heette Jan de Jonge, zijn moeder Lijsbeth Jans Schever. Dat weten we uit archiefgegevens die zijn verzameld in de databank Ecartico. Een precieze geboortedag is niet overgeleverd. Het jaar klopt met een gravure uit 1644, waarop zijn leeftijd als achtendertig staat vermeld.

Over zijn jeugd zeggen de bronnen bijna niets. Wel weten we dat hij ging studeren en dat hij zijn naam verlatijnste. Robert de Jonghe werd Robertus Junius.

EEN SEMINARIE IN EEN HUIS IN LEIDEN

In 1622 opende de Leidse hoogleraar Antonius Walaeus in zijn eigen huis een seminarie. Het doel was predikanten op te leiden voor Oost-Indië. In de eerste tien jaar stuurde dat kleine instituut twaalf predikanten uit. Een seminarie is een opleiding voor aanstaande voorgangers, en deze had één bestemming: de gebieden waar de VOC handel dreef.

Junius was een van die studenten. Hij rondde zijn studie af in 1628, rond zijn tweeëntwintigste.

Waarom kiest een jonge man uit Rotterdam voor een opleiding die hem naar de andere kant van de wereld stuurt? Junius heeft het ons niet nagelaten. We kennen alleen wat hij deed.

EEN BRUILOFT IN BATAVIA

In 1629 vertrok Junius naar Batavia, het huidige Jakarta, waar de VOC haar hoofdkwartier had. In april van dat jaar trouwde hij daar met Geertruyd van Nederhoven. Nog datzelfde jaar ging hij verder naar Formosa. Hij was ongeveer drieëntwintig.

De VOC had zich in 1624 op het eiland gevestigd. Bij de baai van Tayouan, nu Anping in de stad Tainan, stond het kasteel Zeelandia. In de dorpen op de vlakte woonden de Siraya. De dorpen voerden onderling oorlog. Sinkan, nu Xinshi in Tainan, was een bondgenoot van de Nederlanders. Mattau, nu Madou, was het grootste en machtigste dorp, en het keerde zich tegen hen. Candidius schreef over die jaren dat Sinkan zonder de bescherming van de Nederlanders nog geen maand zou standhouden. Het bondgenootschap was voor Sinkan dus ook een kwestie van overleven.

Junius was de tweede predikant op het eiland. George Candidius was op 4 mei 1627 aangekomen en had in Sinkan de eerste mensen gedoopt. In de zomer van 1629, het jaar dat Junius aankwam, overvielen krijgers uit Mattau een groep Nederlandse soldaten. Ongeveer zestig soldaten kwamen om. Daarna plunderde Mattau ook Sinkan. Zo zag het eiland eruit waar de jonge dominee aan wal ging.

EERST NEDERLANDS, DAARNA SIRAYA

De eerste twee jaar werkte Junius rond het kasteel Zeelandia. Hij preekte in het Nederlands. Daarna begon hij aan de taal van de Siraya, een moeilijke taal. Volgens een latere beschrijving van zijn werk deed hij dat omdat hij de mensen zelf tot geloof wilde brengen.

Vanaf 1631 woonde en werkte hij in Sinkan. Hij zou er twaalf jaar blijven.

Heb jij ooit een taal geleerd die nog nooit was opgeschreven? Voor het Siraya bestonden geen letters. De zendelingen schreven de taal op in Latijnse letters en stelden een woordenlijst samen. Zo ontstond wat historici het Sinkan-alfabet noemen.

In 1634 vroegen Junius en Candidius samen aan de VOC of ze jongens uit Sinkan mee naar Nederland mochten nemen. Daar konden ze dan tot predikant worden opgeleid. Het plan laat zien waar Junius naartoe dacht: naar een kerk met eigen voorgangers, uit het eigen volk. In de bronnen die ik heb gezien, staat niet dat het plan werd uitgevoerd.

NOVEMBER 1635: DE TOCHT NAAR MATTAU

Dit hoofdstuk zou onvolledig zijn zonder wat er in 1635 gebeurde. Junius was een dienaar van het Woord, en hij was ook een dienaar van de Compagnie. Op Formosa liepen die twee rollen door elkaar.

Al in 1630 hadden Junius en Candidius de gouverneur gevraagd om de Sinkanezen te steunen bij een strooptocht tegen een vijandig dorp. Hun argument was dat zulke hulp meer bekeerlingen zou opleveren. In september 1635 hoorde Junius van plannen voor een opstand in Sinkan zelf. Hij waarschuwde gouverneur Hans Putmans, die soldaten stuurde.

Over Mattau klaagde Junius in zijn brieven geregeld. De inwoners behandelden Chinese arbeiders slecht, schreef hij, en ze verscheurden de reispassen die de gouverneur had uitgegeven. Ze hadden volgens hem geen enkel ontzag voor de Nederlanders.

Volgens de Taipei Times had Junius zes jaar op versterking gewacht. Die kwam er in 1635: Batavia stuurde troepen naar Zeelandia, en Mattau was intussen verzwakt door de pokken, waaraan honderden krijgers stierven.

Op 23 november 1635 vertrok Junius uit Fort Provintia, in het huidige Tainan, met soldaten van de VOC. Onderweg sloten krijgers uit Sinkan zich aan. Het doel was Mattau. Niemand bood verzet. Er werden toch zesentwintig inwoners gedood en ging het dorp in vlammen op. In een verslag aan het hoofdkwartier van de VOC schreef Junius dat Mattau gestraft moest worden, omdat de omliggende dorpen anders het gezag van de Nederlanders nooit serieus zouden nemen.

Een week later tekende Mattau een vredesverdrag. Op 2 december 1635 boden vertegenwoordigers van het dorp de gouverneur betelnoten en jonge kokospalmen aan, als teken dat ze het gezag overdroegen. De VOC benoemde vier leiders uit Mattau tot woordvoerders. Ze kregen een oranje vlag, een mantel van zwart fluweel en een rotan staf met een zilveren knop. Putmans had aan Junius geschreven dat het verdrag getekend moest worden waar alle dorpen bij waren. Ze moesten het zien. In februari 1636 beloofden achtentwintig dorpen trouw aan de VOC. Bij een latere bijeenkomst kwamen er nog negenentwintig bij.

Een galerie die het schilderij uit de opening verkocht, schrijft dat Putmans en Junius later geschokt waren door de vergeldingsacties die ze in opdracht van Batavia uitvoerden. Ik heb die uitspraak in geen andere bron teruggevonden.

Ik vind dit een moeilijke bladzijde. Een predikant die soldaten begeleidt naar een dorp dat daarna brandt, past slecht bij het beeld van een zendeling dat veel christenen hebben. Ik ga er niet over oordelen alsof ik in zijn schoenen heb gestaan. Maar ik ga het ook niet weglaten. Wat vind jij ervan, als je leest dat de doop en de vrede van de Compagnie in hetzelfde jaar het eiland binnenkwamen?

VIJFHONDERD MENSEN OP ZONDAG

In 1636 schreef Junius dat de jongeren van Sinkan vol ijver waren. Op zondag kwamen er volgens hem vijf- tot zeshonderd mensen naar de dienst. Hij had in Sinkan vijftig christelijke huwelijken gesloten. Die cijfers komen uit zijn eigen rapport.

Junius begon in die jaren ook met scholen. Volgens een Engelstalige samenvatting van zijn werk leerden in 1636 zeventig jongens hun moedertaal schrijven in Latijnse letters. Dat getal heb ik alleen op Wikipedia gevonden, zonder dat ik de onderliggende bron kon openen. Dat hij de eerste scholen op het eiland stichtte, staat ook in andere beschrijvingen van zijn leven.

In 1637 vertrok Candidius naar Nederland. Junius bleef alleen achter.

DERTIEN BOEKJES EN EEN ALFABET

Het belangrijkste wat Junius naliet, was misschien niet een kerk. Het was een geschreven taal.

De taalkundige Kees Groeneboer beschreef in 1994 in Ons Erfdeel hoe Junius het onderwijs in de eigen taal stimuleerde. Hij stelde minstens dertien school- en catechisatieboekjes samen in het Sinkans. Een catechisatieboekje is een leerboekje met vragen en antwoorden over het geloof, bedoeld om kinderen en nieuwe gelovigen te onderwijzen. Junius vertaalde ook preken en de Heidelbergse Catechismus, de vraag-en-antwoordbelijdenis van de gereformeerde kerken.

In 1903 nam William Campbell een aantal van die teksten op in zijn bronnenboek Formosa under the Dutch, in Engelse vertaling. Er staan een gebed voor de eredienst in, een preek, twee catechismussen en een kort formulier over het christelijk geloof. Zo kun je nu nog lezen wat de kinderen van Sinkan leerden.

En die kinderen leerden het van hun eigen mensen. Volgens Groeneboer gaven in 1643 ongeveer vijftig inheemse schoolmeesters les op zes scholen, aan meer dan zeshonderd kinderen. Vier jaar later was dat aantal ongeveer verviervoudigd. Het getal van vijftig onderwijzers komt ook terug in de beschrijving van zijn leven in het Biographical Dictionary of Christian Missions.

Hoe die schoolmeesters heetten, weten we niet. In geen van de bronnen die ik heb geopend staan hun namen. Ik vind dat jammer. Het waren Siraya die lesgaven in het Siraya.

EEN MAN IN SOULANG

Op 23 oktober 1640 schreef Junius een brief over een rondreis langs vijf dorpen. Bij één bezoek aan Soulang doopte hij honderdtwintig mensen. In totaal waren er daar toen 1.070 gedoopt.

In dezelfde brief vertelt hij over een man uit Soulang die zelf naar hem toe kwam. De man vroeg Junius hem te onderzoeken, omdat hij gedoopt wilde worden. Het is een van de weinige momenten waarop een Siraya in de bronnen zelf iets zegt, al is het via de pen van de dominee.

Hoe groot waren die aantallen? Toen Junius in 1643 vertrok, had hij volgens de verslagen meer dan 5.400 mensen gedoopt in zes dorpen, waaronder Mattau en Soulang. Het Biographical Dictionary of Christian Missions spreekt van ongeveer 5.500 volwassenen. In een Latijnse brief van zijn tijdgenoot Caspar Sibelius, die ik alleen via Wikipedia ken, gaat het om 5.900 bekeerlingen. Al die getallen komen uit de zendingsverslagen zelf, of van mensen die die verslagen lazen. Of al die mensen wisten wat ze beleden, kan niemand meer nagaan. Historici die later over de zending op Formosa schreven, stelden die vraag ook.

KLACHTEN, EN EEN CLASSIS DIE HEM VRIJPLEITTE

In 1643 verliet Junius Formosa. Volgens het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek ging hij terug vanwege zijn gezondheid en uit heimwee. Het schilderij uit de opening, waarop hij preekt en doopt, dateert uit datzelfde jaar. Volgens de galerie die het verkocht, liet Junius het waarschijnlijk zelf maken als herinnering aan zijn werk. Zeker weten doen we het niet.

In 1644 was hij in Middelburg en bracht hij verslag uit. Datzelfde jaar maakte de graveur Pieter de Jode zijn portret, met een Latijnse tekst die hem noemt: dienaar van het goddelijke Woord onder de volken van het eiland Formosa in Oost-Indië.

Na zijn vertrek was er strijd. Volgens het Biographical Dictionary of Christian Missions zorgden zijn methoden voor controverse. Zijn opvolgers pasten zich minder aan de Formosanen aan dan hij had gedaan. In Campbells bronnenboek staan stukken waarin de raad en de kerkenraad op Formosa beschuldigingen tegen Junius vastleggen, en een brief van de classis Amsterdam die hem vrijpleit. Een classis is een regionale vergadering van gereformeerde predikanten en ouderlingen, die toezicht hield op de kerken en hun voorgangers. Wat er precies tegen hem werd ingebracht, heb ik in de bronnen die ik kon openen niet gevonden. Vast staat alleen dat de classis hem in bescherming nam.

EEN HUIS AAN DE KOORNMARKT

In 1645 trouwde Junius opnieuw, in Delft, met Elisabeth van den Corput. Wat er met zijn eerste vrouw Geertruyd gebeurde, zeggen de bronnen niet.

Hij werd predikant in Delft. Hij woonde aan de Koornmarkt, in een huis dat Het Witte Hart heette, op nummer 42. De website Achter de gevels van Delft, over de geschiedenis van Delftse huizen, noemt hem daar als de predikant die eerder het evangelie op Formosa had verkondigd.

Formosa liet hem niet los. Rond 1647 werd in Nederland een ABC-boek van zijn hand gedrukt. Het werd naar het eiland gestuurd en kwam in augustus 1648 aan, samen met andere boeken die de kerken en scholen nodig hadden. Het boekje was bedoeld voor de scholen waar hij zelf mee begonnen was.

DE VLOOT EN AMSTERDAM

In 1653 werd Junius beroepen naar Amsterdam. Van augustus tot november van dat jaar diende hij als predikant op de vloot van de Republiek. Het waren de maanden van de Eerste Engelse Oorlog.

In Amsterdam leidde hij jonge mannen op die als predikant naar Indië zouden gaan. Volgens het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek legde hij daarbij de nadruk op grondige kennis van de talen. Wie zelf twee jaar in het Nederlands had gepreekt voor hij de taal van het land sprak, wist waarom. Een van zijn leerlingen was volgens het Biographical Dictionary of Christian Missions Philippus Baldaeus.

Robertus Junius overleed in Amsterdam op 28 augustus 1655, zo staat het in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. Hij was achtenveertig of negenenveertig. Andere naslagwerken noemen 22 augustus en geven de pest als oorzaak. Een betrouwbare bron die zijn dood met de pest verbindt, heb ik niet gevonden.

Vijf jaar later schilderde de Delftse plateelschilder Isaac Junius zijn portret in blauw op een faience plaat van achttien bij veertien centimeter. Het Rijksmuseum kocht die plaat in 1904. Of de schilder familie van hem was, is niet zeker.

WAT BLEEF IN SINKAN

In 1661 verschenen in Amsterdam, volgens naslagwerken die ik niet verder kon controleren, het evangelie naar Mattheüs en een formulier van het christelijk geloof in het Siraya, bezorgd door predikant Daniel Gravius. Datzelfde jaar landde Zheng Chenggong, bij de Nederlanders bekend als Koxinga, met een leger op Formosa. Op 17 mei 1661 noteerde het dagregister van Zeelandia het verslag van een schoolmeester. In zijn dorp hadden de mensen de school verlaten en de boeken en spullen van de zending vernield. In 1662 vertrokken de Nederlanders van het eiland.

Daarmee leek alles voorbij. De kerk van Sinkan verdween. Er kwamen geen predikanten meer, geen nieuwe boeken, geen classis.

Maar iets bleef. De Siraya bleven hun taal schrijven in de letters die ze van de Nederlanders hadden geleerd. Ze gebruikten die letters voor juridische stukken zoals contracten, soms naast Chinese tekens. Er zijn er ongeveer honderdveertig van bewaard. Ze worden de Sinkan-manuscripten genoemd. De jongste dateert uit 1813, meer dan honderdvijftig jaar nadat de laatste Nederlander was vertrokken.

Wat Junius in Sinkan begon, was ook verbonden met de macht van de Compagnie. Dat hoort erbij. Maar de letters waren van de Siraya geworden. Ze schreven ermee hun eigen zaken op, lang nadat de kansel was verdwenen.

In 1813 zette iemand in het zuiden van Taiwan een document op papier. Hij schreef het in zijn eigen taal, in het alfabet dat een dominee uit Rotterdam bijna twee eeuwen eerder in Sinkan had helpen maken.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in 1606 in Rotterdam (geboortedag en doopdatum niet overgeleverd); studie in Leiden en vertrek via Batavia naar Formosa in 1629; werk in Sinkan van 1631 tot 1643; het verzoek van 1634 om jongens uit Sinkan in Nederland op te leiden; zijn rol bij de tocht naar Mattau in november 1635 en het vredesverdrag dat volgde; zijn vertalingen van catechismus, gebeden en preken in het Siraya; ongeveer vijftig inheemse schoolmeesters in 1643; het schilderij uit 1643 en de gravure uit 1644; terugkeer in 1643-1644; predikantschap in Delft en vanaf 1653 in Amsterdam; overlijden in Amsterdam in 1655; het voortbestaan van het Sinkan-alfabet tot in de negentiende eeuw.

Alleen uit eigen getuigenis of zendingsverslagen: de aantallen dopelingen (5.400 in zes dorpen, 1.070 in Soulang, 5.500 of 5.900 in andere tellingen); de vijf- tot zeshonderd kerkgangers en vijftig huwelijken in 1636; de man uit Soulang die om de doop vroeg; zijn motief om Siraya te leren.

Onbevestigd: de school met zeventig jongens in 1636 (alleen Wikipedia); de exacte sterfdatum (28 augustus volgens het NNBW, 22 augustus volgens andere naslagwerken) en de pest als doodsoorzaak; de inhoud van de beschuldigingen tegen hem na zijn vertrek; of Philippus Baldaeus zijn leerling was (één bron); familiebanden met Isaac Junius; de uitgave van Mattheüs in het Siraya door Gravius in 1661 (alleen Wikipedia); het vertrek van Candidius in 1637 (één bron); het vermoeden dat Junius zelf het schilderij liet maken; dat Putmans en Junius geschokt waren door de vergeldingsacties (alleen de galerie); zijn ouders kennen we uit één archiefdatabank; zijn huwelijken uit het NNBW en één andere bron.

Duiding: of de massale dopen tot echte bekering leidden, valt niet meer na te gaan. De verslagen zijn geschreven door de zendelingen en de Compagnie zelf, in een tijd waarin dopen en politiek gezag op Formosa nauw samenhingen.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 4, “Junius (Robertus)” (DBNL)
  2. Biographical Dictionary of Chinese Christianity, “Junius, Robertus” (uit Biographical Dictionary of Christian Missions, 1998)
  3. Ecartico, “Robertus Junius”
  4. CERL Thesaurus, “Junius, Robert”
  5. Kees Groeneboer, “Het Nederlands op Formosa ten tijde van de Verenigde Oost-Indische Compagnie”, Ons Erfdeel 37 (1994) (DBNL)
  6. Han Cheung, “Taiwan in Time: Bringing down Mattau”, Taipei Times, 20 november 2022
  7. Han Cheung, “Taiwan in Time: Nov. 25 to Dec. 1”, Taipei Times, 24 november 2024
  8. Zebregs&Röell, schilderij van Robert Junius op Formosa (1643)
  9. James I. Good, “They Took Up the Cross” (uit Famous Missionaries of the Reformed Church, 1903)
  10. William Campbell, Formosa under the Dutch (1903), tekst via Internet Archive
  11. The Banner of Truth, “Antonius Walaeus (1573-1639)”, 1 oktober 1989 (via Digibron)
  12. Achter de gevels van Delft, Koornmarkt 42
  13. Rijksmuseum, portretplaat van Robertus Junius door Isaac Junius (1660)
  14. Alec Ryrie, “Protestant Missions and European Empires: Allies or Adversaries?”, Gresham College, 2022
  15. Robertus Junius, Duitstalig naslagartikel (dewiki)
  16. Wikipedia, “Robert Junius” (startpunt)
  17. Wikipedia, “Sinkang Manuscripts” (startpunt)
  18. Wikipedia, “Daniel Gravius” (startpunt)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel