Tot het uiterstevan de aarde

Deel 2 · Tot het uiterste van de aarde · Hoofdstuk 3

Nicolaus Adriani

de geleerde die eerst ging luisteren

1865-1926Celebes

In het voorjaar van 1926 maakte een zieke man van zestig een lange tocht door Midden-Celebes. Hij reisde langs Pendolo, Taripa en Tentena, door het land van de To Pebato, en terug naar Poso aan de kust. Zijn hele leven had hij last gehad van zijn lichaam: letsel aan zijn voeten, wonden aan zijn benen, een zwakke maag, drie operaties. Deze reis putte hem uit. In Poso werd hij ziek aan zijn longen.

Hij stierf op 1 mei 1926, in het huis van zijn vriend E. Gobée, de assistent-resident van het gewest. Zijn vrouw Mia verpleegde hem tot het eind. De volgende dag droegen ze hem naar zijn graf. Volgens de taalgeleerde Ph.S. van Ronkel, die dat jaar zijn levensbericht schreef, liepen er ontelbare mensen mee. Hij schreef dat het volk dat graf zou verzorgen en in ere houden.

De man heette Nicolaus Adriani. Hij was doctor in de letteren, met de hoogste lof gepromoveerd. Dertig jaar eerder was hij aangekomen in een kuststadje aan de monding van de Poso-rivier. Zijn opdracht was de Bijbel te vertalen. Hij begon met iets anders. Hij ging luisteren.

Het begon in een pastorie in Oud-Loosdrecht.

EEN ZIEKELIJKE JONGEN IN DE PASTORIE

Nicolaus Adriani werd geboren op 15 september 1865 in de pastorie van Oud-Loosdrecht. Zijn vader, ds. M.A. Adriani, was daar predikant. Later werd hij directeur van de Utrechtsche Zendingsvereeniging, een van de genootschappen die zendelingen naar Nederlands-Indië stuurden. Zijn moeder was een Gunning, uit een bekende familie van theologen. In 1870 verhuisde het gezin naar Maarssen.

Nico was geen sterk kind. Van Ronkel schrijft over lange ziekten in zijn jeugd. Voor het gymnasium ging hij naar Amsterdam. Hij woonde er een tijd bij de familie van zijn oom, de theoloog J.H. Gunning. In dat huis woonde ook een nichtje, Maria Louise. Ze zou later zijn vrouw worden.

In Utrecht begon hij aan de studie theologie. Na een jaar haalde hij zijn propedeuse, het eerste examen. Toen sloeg hij een andere weg in. De talen van de Indische archipel trokken hem meer.

EEN ALUMNUS VAN HET BIJBELGENOOTSCHAP

In oktober 1886 nam het Nederlandsch Bijbelgenootschap hem aan als alumnus. Dat was een student die het genootschap liet opleiden om later als taalkundige Bijbels te vertalen. Het genootschap had eerder mannen als Matthes en Van der Tuuk uitgezonden. Adriani zou in hun spoor gaan.

In januari 1887 begon hij zijn letterenstudie in Leiden. Hij kreeg les van de taalkundige Hendrik Kern, die hem volgens Van Ronkel fascineerde. Bij B.F. Matthes, die jaren op Celebes had gewerkt, leerde hij Makassaars en Boeginees. Ondertussen las hij de Bijbelboeken bij de theoloog Kuenen.

In 1889 besloot het Bijbelgenootschap waar hij naartoe zou gaan. Op voorstel van een oud-zendeling, Graafland, werd het Poso, in het midden van het grote eiland Celebes, nu Sulawesi. In datzelfde jaar leerde Adriani een jonge man kennen die er ook heen zou gaan: Albertus Christiaan Kruyt. Samen zaten ze bij Matthes om Boeginees te leren. Het was het begin van een samenwerking die de rest van hun leven zou duren.

Voor zijn proefschrift koos hij het Sangirees, de taal van de eilanden tussen Celebes en de Filipijnen. Een zendelingsdochter, Clara Steller, die de taal vloeiend sprak, hielp hem. In 1893 promoveerde hij bij Kern. Van Ronkel noemt het de eerste promotie met de hoogste lof die ooit op dit vakgebied werd gegeven.

EEN STIL JAAR IN NOORDWIJK

Na zijn promotie ging hij naar Noordwijk, toen nog een rustig dorp aan zee. Van Ronkel schrijft dat hij er een heel jaar bleef, als enige gast. In die stilte kwam hij tot volkomen klaarheid over zijn geloof en zijn verhouding tot God.

Meer weten we er niet over. Van Ronkel geeft geen gesprek, geen Bijbeltekst, geen datum. Ik vind het wel veelzeggend dat een jonge geleerde met een glanzende promotie eerst de stilte opzocht. Hij ging pas op reis toen hij wist voor Wie hij ging.

Heb jij zo’n plek gehad, of zoek je die nog? Een tijd waarin het rumoer wegvalt en je weet waar je staat?

Begin 1894 trouwde hij met Maria Louise Gunning, de dochter van zijn oom. Ze werd Mia genoemd. Ze had als onderwijzeres gewerkt, in Nederland en in Zuid-Afrika. Volgens de taalhistoricus J.L. Swellengrebel had ze zelf een groot talent voor talen. Ze zou zijn naaste medewerker worden in al zijn werk.

In juni 1894 vertrok het echtpaar naar Indië. Eerst bezochten ze een paar maanden zendingsposten op Java en in de Minahasa, in het noorden van Celebes.

AANKOMST IN EEN KUSTSTADJE

Half maart 1895 kwamen Nico en Mia Adriani aan in Poso. Met hen reisden pleegkinderen en leerlingen uit de Minahasa en van de Sangir-eilanden. De eerste tijd logeerden ze bij Kruyt, die zich daar al eerder had gevestigd. Kruyt was in 1892 uitgezonden door het Nederlandsch Zendelinggenootschap. Volgens Adriani’s eigen lezing uit 1908 begon het werk in Poso eind 1893.

De twee mannen hadden een andere opdracht. Kruyt was zendeling: hij moest het evangelie brengen en een gemeente stichten. Adriani was taalafgevaardigde van het Bijbelgenootschap: hij moest de taal leren en de Bijbel vertalen. Zijn instructie zei dat hij met vertalen moest beginnen zodra hij de taal beheerste.

In de bergen rond het Posomeer woonden mensen die de Nederlanders Toradja noemden. Ze spraken een taal die Bare’e heette, naar het woord voor ontkenning. Tegenwoordig wordt de taal en het volk Pamona genoemd. Kruyt had al een begin gemaakt met de studie. Adriani moest het afmaken.

In 1896 doopte Kruyt twee pleegkinderen van de familie Adriani, jongens van de Talaud-eilanden: Petrus en Filippus. Eigen kinderen kregen Nico en Mia niet, voor zover de bronnen het vermelden. Van Ronkel noemt wel het verdriet om een pleegkind dat ze verloren.

“NIET HET WERK VAN JAREN, MAAR VAN EEUWEN”

Wat Adriani in Poso deed, ging tegen de verwachting in. Van Ronkel vat het zo samen: eerst de taal leren en dan de Bijbel gaan vertalen, daar dacht Adriani niet aan. Hij wilde eerst helemaal opgaan in het volk en de taal leren zoals de mensen haar zelf spraken. Een catechismus of een Bijbelvertaling die er te vroeg kwam, vond hij ongewenst en zelfs schadelijk voor de mensen die christen werden.

Dat vroeg geduld. Adriani schreef dat wat je het kerstenen van een taal kunt noemen, “niet het werk van jaren, maar van eeuwen” is. Woorden moesten langzaam een nieuwe lading krijgen. Hij gebruikte er het beeld van zuurdesem voor, die langzaam door het deeg trekt. Zo staat het in het proefschrift dat de theoloog Gerrit Noort in 2006 over Kruyt schreef.

Hij wilde ook niet dat zendelingen Maleis spraken met de bevolking, de handelstaal van de kust. Wie de moedertaal niet sprak, kon volgens hem de ziel van een volk niet leren kennen.

In zijn lezing uit 1908 vertelt hij hoe het begon. Op zondag vertelde hij Bijbelverhalen. De mensen reageerden nauwelijks. Hij ging luisteren naar vertellers uit de dorpen en leerde van hun manier van vertellen. Hij gebruikte de opmerkingen van zijn toehoorders om zijn eigen taal te verbeteren. De Toradja lieten de zendelingen toe in het uiterlijke leven, schreef hij, maar het innerlijke hielden ze voor zich.

Hoe lang kun jij wachten op iets wat je belangrijk vindt? Adriani wachtte jaren voordat hij een evangelie liet drukken.

DE MENSEN DIE HEM HIELPEN

Een vertaler werkt nooit alleen. De namen van Adriani’s helpers zijn maar voor een klein deel bewaard gebleven. Noort noemt er een paar.

Twee onderwijzers uit de Minahasa, guru H. Kolondam en guru W. Tawaloejan, hielpen bij de leesboeken voor de scholen. Een dorpshoofd, Papa i Bora, ook Soedipi genoemd, kreeg de vertalingen van Adriani voorgelezen. Of hij echt als taalhelper werkte, of alleen luisterde en reageerde, blijft onzeker. Ik had graag meer over hem geweten.

Tot november 1898 hoorden de Adriani’s bij de kleine Maleistalige gemeente in Poso. Daarna verhuisden ze naar Panta, verder het binnenland in. Als Kruyt ziek of weg was, ging Adriani soms voor in de dienst. Rond 1908 woonden ze in Tentena, aan het Posomeer.

En Mia werkte mee, als taalkundige naast haar man. Toen Adriani rond 1903 een paar jaar voor de regering in de Minahasa werkte, maakten ze samen een woordenboek, een tekstverzameling en een spraakkunst van het Tontemboan, een taal daar. Ze bouwden voort op aantekeningen van een eerdere zendeling, J.A.T. Schwarz. Het boek Hoofdstukken uit de spraakkunst van het Tontemboansch uit 1908 draagt hun beider naam. Over de precieze jaren in de Minahasa verschillen de bronnen: Van Ronkel noemt 1902 tot 1904, Noort 1903 tot 1905.

1905: HET GOUVERNEMENT KOMT

Tot 1905 waren de bergen rond het Posomeer nauwelijks door Nederland bestuurd. Dat jaar veranderde dat. Een legercolonne trok naar Napoe, ten westen van het meer, en de hoofden daar gaven zich over. Het vorstendom Loewoe, dat het gebied formeel claimde, werd onderworpen. Adriani beschrijft deze gebeurtenissen zelf in zijn lezing van 1908.

Voor de mensen in de bergen had het grote gevolgen. Volgens Noort verbood het gouvernement het koppensnellen, de tempeldiensten en de grote doodsfeesten. Dorpen op heuveltoppen moesten verhuizen naar de nieuwe weg tussen Poso en Tentena. Er kwam natte rijstbouw. Daarmee verzwakte de positie van de priesters van het land. De oude rituelen voor de zielskracht en de verering van de voorouders raakten hun grond kwijt.

De zending stond er niet buiten. Al in 1904 had Kruyt tegen een paar hoofden gezegd dat hij maar een onderdaan van het gouvernement was. Ze lachten hem uit, en noemden hem de tamme buffel waarmee de regering de wilde buffels wilde vangen. Talasa, het hoofd van de To Lage, werd nooit christen. Hij zag het werk van Kruyt als voorbereiding op het koloniale bestuur.

Adriani steunde de overgang. Volgens Van Ronkel gebruikte hij zijn invloed om het contact tussen ambtenaren en bevolking soepeler te maken. Na afloop kreeg hij er een koninklijke onderscheiding voor. In zijn lezing schrijft hij dat het gezag makkelijker werd aanvaard waar de zendelingen het vertrouwen van de mensen hadden.

Ik wil daar niet te snel overheen stappen. Een taalgeleerde die het volk liefhad, hielp een koloniaal bestuur zijn plaats te vinden. Kruyt erkende zelf dat het gouvernement ongewild een grote rol speelde in de verspreiding van het christendom. Hoe je dat weegt, laat ik aan jou.

LUKAS IN HET BARE'E

In 1906 ging Adriani voor het eerst met verlof naar Nederland. Hij gaf er veel lezingen over de zending. Een jaar later, in 1907, verscheen het evangelie naar Lukas in het Bare’e. Er waren al eerder Bijbelse leesboeken verschenen, met verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament, en leesboekjes en spelboekjes voor de scholen.

Adriani vertaalde vrij. Zijn grote vraag was of de lezer uit de Pamona-dorpen de juiste indruk kreeg van wat er stond. Swellengrebel ziet daarin al de manier van vertalen die later gewoon werd: naar betekenis en werking, minder woord voor woord. Kruyt vond het soms te vrij. Volgens Noort zag hij er meer een parafrase in dan een vertaling.

Twee jaar na Lukas, in 1909, werden in Kasiguncu de eerste Pamona gedoopt. Dat was zeventien jaar nadat Kruyt was uitgezonden. Noort noemt bij die eerste groep een man die Marisi Mbau heette. Een hoofd, Papa i Woente, had al eerder publiek gezegd dat hij christen wilde worden. Veel van de volwassenen die gedoopt werden, waren oud-leerlingen van de school in Panta. Hoeveel mensen er die dag gedoopt werden en op welke datum, heb ik in de bronnen die ik kon openen niet gevonden.

EEN BOEK IN DRIE DELEN

Van 1912 tot 1914 verscheen het grote werk van Adriani en Kruyt samen: De Bare’e-sprekende Toradja’s van Midden-Celebes, drie delen, gedrukt door de Landsdrukkerij in Batavia. Het beschreef land, volk, godsdienst, gewoonten, taal en verhalen. Het derde deel, met de volkspoëzie, droegen ze op aan het Bijbelgenootschap, dat op 29 juni 1914 honderd jaar bestond.

Van Ronkel schreef dat Kruyt het sterke lichaam had dat Adriani miste. Samen noemde hij hen de bouwers van een nieuwe wetenschap. Een latere bloemlezing van Indonesische volkspoëzie noemt hen meesters in het vertalen van volkspoëzie, en vooral Adriani. Hun vertalingen werden zelf poëzie.

Ze waren het niet altijd eens, ook niet over de vertaling. Later in zijn leven noemde Kruyt hem in een brief uit 1938 een vriend met wie hij een diepe verbondenheid van de ziel had gekend.

LERAAR IN OEGSTGEEST

In de eerste maanden van de Eerste Wereldoorlog kwam Adriani naar Nederland. Hij werd er voor de derde keer geopereerd. Hij bleef tot 1919. In die jaren leidde hij zendelingen en taalkundigen op: eerst in Bilthoven, dan in Noordwijk aan Zee, en ten slotte aan de Zendingsschool in Oegstgeest. Hij leerde hun Bare’e en andere talen van Celebes. Volgens Van Ronkel leerde hij hun vooral ook liefde voor het volk.

In Oegstgeest schreef hij het boek Posso (Midden-Celebes), over het land, de mensen, hun godsdienst en taal, en de geschiedenis van de zending. In dezelfde jaren verscheen Het animistisch heidendom als godsdienst. Hij schreef met respect over de godsdienst van de Toradja. Hij gebruikte de woorden van zijn tijd, zoals primitief, maar Van Ronkel zegt dat hij zich met hen gelijk wilde maken.

De oriëntalist Snouck Hurgronje prees hem als iemand die het godsdienstige besef van een volk van binnenuit aanvoelde. De zendingskundige Hendrik Kraemer noemde hem een geheel nieuw type in de geschiedenis van het Bijbelgenootschap. Volgens Wikipedia, die gegevens van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen aanhaalt, werd hij in 1918 lid van die Akademie. Dat jaartal heb ik niet in een tweede bron kunnen controleren.

EEN BRIEF UIT 1925

In 1919 keerde hij terug naar Indië. Eerst woonde hij zeven maanden in Tjitjoeroeg en Soekaboemi, op West-Java. Hij hoopte daar met steun van de regering of van een geleerd genootschap zijn spraakkunst en woordenboek van het Bare’e uit te geven. Toen ging hij terug naar Poso.

Het werk aan het Nieuwe Testament ging door. Tussen 1921 en 1924 waren Mattheüs, Markus en Johannes in concept klaar. In 1926 werd Handelingen uitgegeven. Bij zijn dood was ongeveer zeventig procent van het Nieuwe Testament vertaald.

In 1925 schreef hij een brief die Noort heeft teruggevonden. Adriani zei daarin dat het belangrijkste voor hem was dat hij besefte dat hij gemist kon worden. Het werk hing niet van hem af. Een jaar later stierf hij.

Die zin blijft bij mij hangen. Hij komt van een man die zijn leven aan één taal gaf, en die wist dat hij het niet zou afmaken.

NA 1 MEI 1926

Na zijn dood stond Mia voor een vraag. Moest zij de vertaling afmaken? Ze had jaren met hem aan talen gewerkt. Ze weigerde. Volgens Noort zei ze dat het alleen kon in Midden-Celebes zelf, met plaatselijke taalhelpers. Ook daarin bleef ze trouw aan de manier van werken die ze samen hadden gekozen. Wanneer en waar zij zelf overleed, heb ik niet kunnen vinden.

Het werk ging verder in andere handen. In 1928 verscheen bij Brill in Leiden het Bare’e-Nederlandsch woordenboek, twee jaar na zijn dood. In 1929 kreeg Kruyt de opdracht de vertaling af te maken, met de jonge taalkundige S.J. Esser als adviseur. In 1933 verscheen het Nieuwe Testament in het Bare’e. Vanaf 1939 werkte zendeling H. Perdok aan een herziening, samen met Talungkea Magido, een Pamona. Die herziene uitgave verscheen in 1954.

Kraemer schreef na zijn dood over hem: “Taal en denkwijze van het volk waren hem in vleesch en bloed overgegaan.” Van Ronkel sloot zijn levensbericht af met een man die wilde dienen en zijn eigen belang opzij zette.

EEN GRAF IN POSO

De kerk die uit het werk in Poso groeide, bestaat nog. Op internet vind je dat de Gereja Kristen Sulawesi Tengah, de Christelijke Kerk van Midden-Sulawesi, in 1947 werd opgericht. Die datum heb ik alleen in een Indonesische encyclopedie gevonden.

Adriani heeft de voltooide Bijbel in het Bare’e nooit in handen gehad. Hij liet een woordenboek na dat hij niet zelf heeft uitgegeven.

Wat hij wel deed, was luisteren. Naar vertellers in de dorpen. Naar een dorpshoofd dat zijn vertalingen aanhoorde. Naar zijn vrouw, met wie hij woordenboeken maakte. En in een stil jaar in Noordwijk, naar God.

Op de dag na 1 mei 1926 liepen de mensen van Poso achter zijn baar aan. Ze droegen hem naar een graf in het stadje waar hij dertig jaar eerder was aangekomen om hun taal te leren.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 15 september 1865 in Oud-Loosdrecht, zoon van een predikant die later directeur van de Utrechtsche Zendingsvereeniging werd; studie in Leiden bij Kern en Matthes; promotie cum laude in 1893 op het Sangirees; huwelijk in 1894 met zijn nicht Maria Louise (Mia) Gunning; aankomst in Poso in maart 1895 als taalafgevaardigde van het Nederlandsch Bijbelgenootschap; samenwerking met Albertus C. Kruyt; het ingrijpen van het gouvernement in 1905; het evangelie naar Lukas in het Bare’e in 1907; De Bare’e-sprekende Toradja’s van Midden-Celebes (1912-1914); overlijden in Poso op 1 mei 1926; postume voltooiing van woordenboek en Nieuwe Testament.

Alleen uit één bron of eigen getuigenis: het jaar in Noordwijk en zijn geestelijke klaarheid daar (alleen Van Ronkel); de koninklijke onderscheiding en zijn bemiddeling na 1905 (Van Ronkel); de gang van zaken bij de zondagse verhalen en de vertellers in de dorpen (Adriani’s eigen lezing van 1908); de namen van helpers en dopelingen, de brief van 1925 en Mia’s weigering om de vertaling af te maken (Noort); haar werk als onderwijzeres in Zuid-Afrika (Swellengrebel).

Onbevestigd: de sterfdatum 5 augustus 1926 die op Wikipedia staat, wordt tegengesproken door Van Ronkel (1926) en Swellengrebel (1978), die beide 1 mei 1926 geven; de jaren van zijn verblijf in de Minahasa (1902-1904 of 1903-1905); het lidmaatschap van de Akademie in 1918 (alleen via Wikipedia); de oprichtingsdatum van de kerk in Midden-Sulawesi; de exacte datum en het aantal bij de eerste doop in 1909; sterfdatum en sterfplaats van Mia Adriani-Gunning.

Duiding: de rol van de zending bij het koloniale ingrijpen van 1905 wordt verschillend beoordeeld. De bronnen laten zien dat Adriani de overgang steunde en dat een hoofd als Talasa de zending als voorbode van het gouvernement zag.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Ph.S. van Ronkel, levensbericht Nicolaus Adriani, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1926 (DBNL)
  2. J.L. Swellengrebel, In Leijdeckers voetspoor II (1978), via OAPEN
  3. Gerrit Noort, De weg van magie tot geloof (proefschrift Utrecht 2006), hoofdstuk 8
  4. Gerrit Noort, De weg van magie tot geloof, hoofdstuk 7
  5. Gerrit Noort, De weg van magie tot geloof, hoofdstuk 2
  6. Gerrit Noort, De weg van magie tot geloof, hoofdstuk 3
  7. N. Adriani, De zending in Midden-Celebes, Onze Eeuw 8 (1908) (DBNL)
  8. Toelichting bij een bloemlezing Indonesische volkspoëzie, Tirade 1976 (DBNL)
  9. Repertorium zendings- en missiearchieven, J.W. Gunning (Huygens)
  10. Wikipedia, Nicolaus Adriani
  11. Wikipedia, Albert Christian Kruyt
  12. Kekristenan di Poso (Indonesische encyclopedie)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel