Op 22 augustus 1943 werd Margot Alt zestig jaar. Twee dagen later, op 24 augustus, werd ze op Java gearresteerd door de Japanse bezetter. Ze kreeg de doodstraf: onthoofding. Waarom precies, vermelden de bronnen die ik kon raadplegen niet. Wel staat vast dat het vonnis niet werd uitgevoerd. Volgens het archiefoverzicht van haar biograaf werd de straf omgezet in opsluiting, vanwege haar leeftijd. Ze was net zestig geworden, en dat redde haar leven.
In datzelfde jaar schreef ze haar levensverhaal op. Het handschrift ligt nu in de bibliotheek van de Vrije Universiteit in Amsterdam, naast haar dagboeken, haar prekenboek met ruim zeshonderd preken en een gedichtenbundel uit haar jeugd.
Wie was deze vrouw, dat een bezettingsmacht haar ter dood veroordeelde? In Nederland kennen pinkstergelovigen haar vooral van een liedbundel, Glorieklokken, en van een dagboekje met Bijbelteksten, Het Volle Licht. Op Java kenden ze haar als Moesje, de vrouw met de wezen. Ze woonde achtenvijftig jaar in Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea. Ze leidde een eigen zendingsbeweging met ongeveer zestig gemeenten, nadat haar eigen kerkgenootschap moeite had gekregen met een vrouw aan de leiding.
Het begon in een Haags gezin dat al vroeg uit elkaar viel.
EEN MEUBELMAKER, EEN MOEDER EN EEN BROER DIE BRAM HEETTE
Margaretha Adriana Alt werd geboren op 22 augustus 1883 in Den Haag. Thuis heette ze Margot. Ze was de jongste van twee kinderen. Haar vader, Johannes David Alt, was meubelmaker. Haar moeder heette Johanna Margaretha Wigleven.
Begin 1887 gingen haar ouders uit elkaar. Margot was drie. Ongeveer een half jaar later stierf haar moeder aan tuberculose, nog geen dertig jaar oud. Margot en haar broer Bram gingen wonen bij hun grootouders van moederskant. Daar groeiden ook twee neefjes op die hun moeder hadden verloren. Een huis vol kinderen zonder moeder.
Haar grootouders voedden haar christelijk op. Rond haar twaalfde besloot ze zendeling te worden, zo blijkt uit het onderzoek van haar biograaf Cees van der Laan. Ze was toen nog geen bewuste gelovige. Ze kreeg koorzangles aan de Koninklijke Muziek- en Zangschool, maar werd niet toegelaten tot de vervolgopleiding. In 1900 haalde ze een diploma als lerares handwerken aan de Haagsche Kookschool. Rond haar achttiende deed ze belijdenis in de hervormde Grote Kerk in Den Haag. Belijdenis doen betekent in de protestantse kerk dat je als volwassene zelf uitspreekt dat je het geloof van je doop aanneemt. Volgens een artikel in Vriend van Opwekking deed ze het vooral om haar grootmoeder een plezier te doen.
In die jaren schreef ze gedichten. De bundel is bewaard gebleven. Ze droeg hem op aan Dirk de Visser Smits, haar jeugdliefde.
KINDERJUFFROUW IN BATAVIA
In 1903 vertrok Margot naar Nederlands-Indië, de kolonie die nu Indonesië heet. Ze ging mee als kinderjuffrouw van een Indisch gezin dat een tijd in Nederland had gewoond. Het artikel in Vriend van Opwekking schrijft dat ze dat deed omdat ze er het evangelie wilde brengen. Ze woonde eerst in Batavia, nu Jakarta.
Ze kreeg vrijwel meteen malaria. De ziekte zou haar de rest van haar leven blijven plagen.
Begin 1906 verhuisde ze naar Lawang, een plaats in de bergen van Oost-Java. Daar werkte ze als leerling-verpleegster in een psychiatrische inrichting. Ze haalde er diploma’s als algemeen en als psychiatrisch verpleegkundige.
Geloof speelde in die jaren weinig rol in haar leven. Volgens Vriend van Opwekking was ze via haar broer Bram in aanraking gekomen met spiritisme, het contact zoeken met de geesten van overledenen. In Lawang zou ze een paar keer aan seances van een collega hebben meegedaan. Na de dood van haar grootmoeder schreef ze een gedicht over het verlies van haar kinderlijk geloof in God. Die details komen uit haar eigen autobiografie, zoals het artikel ze navertelt.
DE NACHT DAT ZE WEER KNIELDE
Rond 1908 liep het vast. Margot kreeg wat toen zenuwklachten heette. Ze was bang gek te worden, juist zij, die dagelijks tussen psychiatrische patiënten werkte. Ze kon niet meer eten en niet meer slapen. Het Vrouwenlexicon spreekt van een geestelijke en psychische crisis.
Hoe die crisis eindigde, vertelde ze later zelf in haar autobiografie. Ze zag haar zonden aan zich voorbijtrekken, schreef ze, als in een film. Ze knielde, voor het eerst in jaren, en bad lang. Daarna viel ze in slaap. Toen ze wakker werd, wist ze dat Jezus haar vergeven had. Zo vertelde ze het. Niemand anders was erbij.
Wat wel vaststaat, is wat ze daarna deed. Ze brak met het spiritisme. Haar levensmotto werd “Jezus alleen”. Die twee woorden staan later ook op haar grafsteen.
Heb jij ooit een nacht gehad waarin je niet meer verder wist, en waarin je voor het eerst in lange tijd weer bad? Bij Margot Alt was het de nacht waarin haar leven een richting kreeg.
EEN VERLOVING EN EEN DOOP IN MAART
In 1908 had ze zich verloofd met Dirk de Visser Smits, haar jeugdliefde. Na haar bekering zag ze een probleem: hij deelde haar geloof niet. In februari 1910 verbrak ze de verloving. Ze is nooit getrouwd.
Eind 1908 was ze samen met een collega in de inrichting de sabbat gaan vieren, de rustdag op zaterdag. Die collega was zevendedagsbaptist. De zevendedagsbaptisten zijn een kleine protestantse groep die gelovigen doopt door onderdompeling en de zaterdag als rustdag houdt. Op 12 maart 1910 liet Margot zich door hen dopen. Ze werd lid van de zevendedagsbaptistengemeente in Haarlem, die in Indië zendingswerk steunde.
Ze nam ontslag bij de inrichting. Dat jaar werd ze zendingszuster in Tajoe, aan de noordkust van Midden-Java. Daar lag een armenkolonie, Pangoengsen, ook wel het Toevluchtsoord genoemd. Er woonden ontheemde Javanen, mensen die nergens anders meer terecht konden. Volgens Vriend van Opwekking was de kolonie gesticht door Marie Jansz. Andere bronnen heb ik daarvoor niet gevonden.
In 1912 nam Margot haar eerste pleegdochter aan, Annie. Het was een meisje van drie, dat door haar moeder was afgestaan. Margot was zelf drie geweest toen haar eigen gezin uit elkaar viel. De bronnen leggen dat verband niet. Ik leg het ook alleen even naast elkaar.
GAMBANG WALOEH, WAAR NIEMAND CHRISTEN WAS
In 1914 trok ze naar Gambang Waloeh, ook gespeld als Gambang Waluh. Het was een verlaten koffieplantage, een landbouwkolonie die weinig had opgeleverd, in een overwegend islamitische omgeving. Voor het eerst had Margot zelf de leiding.
Ze vertelde de Javanen over Jezus, stichtte een christelijke gemeente en begon een school. Ze nam wezen in huis, en mensen met een verstandelijke beperking voor wie elders geen plaats was. Soms zorgde ze voor een stuk of dertig kinderen tegelijk. Haar tweede pleegdochter kwam hier bij haar, Dora, die ze Zusje noemde. Margot kreeg er zelf een bijnaam: Moes, of Moesje. Zo zou ze de rest van haar leven heten.
Hoe het daar ging, vat de Engelstalige biografie van Van der Laan samen in een opvallende zin. Toen ze in 1914 kwam, was er volgens hem niemand christen. Toen ze vijftien jaar later vertrok, was de hele gemeenschap christelijk geworden. Dat beeld komt van haar biograaf, die haar eigen dagboeken en brieven gebruikte. Een telling van buitenaf ken ik niet.
Ze werkte in een koloniale samenleving. Nederland had het gezag, Javanen werkten op plantages die door Europeanen waren aangelegd. Een Hollandse vrouw met een eigen kolonie en een eigen gemeente was in die wereld iemand met macht, ook al woonde ze tussen de armen. De bronnen vertellen niet hoe de mensen van Gambang Waloeh daar zelf over dachten. Ik had graag hun namen genoemd. Ze zijn in de bronnen die ik kon inzien niet bewaard.
KLANKEN DIE ZE NIET KENDE
In 1921 kwam de pinksterbeweging naar Indië. Twee zendelingengezinnen uit een gemeente in Seattle, met de Nederlandse namen Groesbeek en Van Klaveren, begonnen er te werken. Uit hun werk ontstond de Pinkstergemeente in Nederlandsch-Indië, afgekort PGNI.
Margot zocht al langer. Uit haar dagboek blijkt dat ze in 1911 al verlangde naar wat pinkstergelovigen de doop in de Heilige Geest noemen. Ze bedoelen daarmee een ervaring waarin God Zijn Geest zo krachtig geeft dat iemand bijvoorbeeld in onbekende talen gaat bidden, het zogenoemde spreken in tongen. Ze had erover gelezen in het Nederlandse pinksterblad Spade Regen. In 1920 hoorde ze voor het eerst iemand in tongen spreken.
In februari 1922 brak ze met de zevendedagsbaptisten. Ze was opgehouden met het vieren van de sabbat en kon hun leer daarover niet langer delen. Volgens Vriend van Opwekking sloot ze zich in 1923 aan bij de pinksterbeweging.
In 1926 ontving ze zelf de Geestesdoop. Waar dat gebeurde, is niet helemaal duidelijk. Een recensie van haar biografie noemt Surabaya. Andere verhalen plaatsen het in Gambang Waloeh. Het Vrouwenlexicon noemt alleen het jaar.
Wat ze beleefde, kennen we uit haar eigen woorden, zoals Vriend van Opwekking ze navertelt. Ze merkte dat ze sprak en zong in klanken die ze niet kende. Kort daarna riep ze haar “gezin” bij elkaar, volgens het artikel zesenveertig kinderen, en ook haar gemeente. Ze vertelde hun wat er gebeurd was.
Wat daarna kwam, staat in meer bronnen. Veel mensen in Gambang Waloeh kregen dezelfde ervaring. Volgens het artikel brak er een opwekking uit onder het bergvolk in de omgeving. Een opwekking is een tijd waarin veel mensen tegelijk tot geloof komen of hun geloof opnieuw ontdekken. Hoeveel mensen het waren, noemt geen enkele bron die ik heb gezien.
Begin 1927 nam de PGNI haar aan als evangelist. In 1928 kreeg ze de redactie van het blad Pinksterkracht. Ze gaf het een nieuwe naam: Gouden Schooven, later gespeld als Gouden Schoven. Het blad kreeg ook in Nederland veel lezers. Een jaar later verscheen Het Volle Licht, een dagboekje met een Bijbeltekst voor elke dag. In 1930 kwam de eerste versie van Glorieklokken uit, een liedbundel die volgens het Vrouwenlexicon de standaardbundel van de Nederlandse pinksterbeweging werd.
Het meisje dat niet verder mocht aan de Haagse zangschool, bepaalde zo wat een hele beweging in Nederland zong.
DERTIG WEZEN OP REIS
In 1929 droeg ze het werk in Gambang Waloeh over. Ze vertrok met ongeveer dertig Javaanse wezen en halfwezen. Waar ze eerst heen ging, verschilt per bron: het Vrouwenlexicon noemt Waroe, het archiefoverzicht noemt Soerabaja, nu Surabaya. De PGNI stelde haar aan als reizend evangelist. Ze trok van gemeente naar gemeente om te preken.
Van 1932 tot 1936 was ze voorganger van de pinkstergemeente in Kediri, in Oost-Java. Een voorganger is de vaste leider van een plaatselijke gemeente. Ze woonde er met haar wezen, en er ontstond een grote gemeente. Het artikel in Vriend van Opwekking spreekt van meer dan vierhonderd mensen die in die vier jaar gedoopt werden. Dat getal heb ik nergens anders kunnen controleren.
Haar biograaf wijst op een detail dat veel zegt. Moesje doopte zelf geen nieuwe gelovigen. Dat liet ze over aan mannelijke voorgangers. Ze preekte, ze leidde, ze schreef. Maar die ene handeling liet ze aan anderen.
1934: DE BREUK OVER EEN VROUW AAN DE LEIDING
In 1934 kwam het tot een breuk met de PGNI. Volgens het Vrouwenlexicon was een belangrijke reden dat leiders moeite hadden met een vrouw in een leidende rol. Het archiefoverzicht van Van der Laan noemt nog een tweede punt: een verschil over de woorden die bij de doop gebruikt moesten worden.
Ik ken de mensen aan de andere kant van die breuk alleen uit deze samenvattingen, en ik ga er niet over oordelen. Wat vaststaat, is wat Margot daarna deed. In 1935 werd de Vereeniging de Pinksterzending in Nederlandsch-Indië opgericht. Moesje werd voorzitter. In 1936 verhuisde ze terug naar Lawang, de plaats waar ze ooit als verpleegster was begonnen en waar ze tot geloof was gekomen. Daar stichtte ze een nieuwe gemeente en ving ze opnieuw tientallen kinderen op. Volgens haar archief hield ze gemiddeld ongeveer twintig spreekbeurten per maand.
Rond 1940 telde de Pinksterzending ongeveer zestig gemeenten. Dat was ongeveer een derde van het aantal gemeenten van de PGNI. Een vrouw die als leider niet welkom was, leidde nu een beweging van die omvang.
EEN VONNIS VOOR EEN VROUW VAN ZESTIG
In 1942 viel Japan Nederlands-Indië binnen. Europeanen werden in kampen opgesloten. Op 24 augustus 1943, twee dagen na haar zestigste verjaardag, werd ze gearresteerd.
De Japanners veroordeelden haar tot onthoofding. Het vonnis werd niet uitgevoerd. Het archiefoverzicht en Vriend van Opwekking noemen haar leeftijd als reden voor de omzetting. Ze kwam terecht in Japanse vrouwenkampen, onder meer Mangkoeboemen in Solo, nu Surakarta. In 1943 schreef ze haar autobiografie.
Na de Japanse capitulatie in 1945 was de oorlog voor haar niet voorbij. Indonesië riep de onafhankelijkheid uit, en Nederland probeerde het gezag terug te krijgen. Margot zat eerst in een kamp van de republikeinen in Lawang. Daarna kwam ze in een opvangkamp in Soerabaja, eerst onder Brits en later onder Nederlands bestuur. Pas in juni 1947 kwam ze vrij.
Ze bleef in Soerabaja wonen. Volgens het Vrouwenlexicon kon ze haar werk voor de Pinksterzending onder het nieuwe bewind niet hervatten. Het archiefoverzicht laat ook iets anders zien: ze bracht er opnieuw een gemeente tot bloei. In december 1949 maakte ze de soevereiniteitsoverdracht mee, het moment waarop Nederland het gezag over Indonesië officieel overdroeg. Ze raadde haar gemeenten aan om zich aan te sluiten bij de Assemblies of God, een internationaal pinksterkerkgenootschap. Een deel ging zelfstandig verder als Gereja Utusan Pantekosta.
OPNIEUW BEGINNEN OP JE ACHTENZESTIGSTE
In 1951 vertrok Margot naar Nederlands-Nieuw-Guinea, het westelijke deel van het eiland dat nog onder Nederland viel. Nu heet dat gebied Papoea, in Indonesië. Ze was zevenenzestig toen het jaar begon en werd dat jaar achtenzestig.
Ze stichtte een nieuwe zendingspost in de omgeving van Manokwari, aan de noordkust. De gemeente groeide volgens haar biograaf tot enkele honderden leden. Hoe ze daar leefde en wie haar helpers waren, staat niet in de bronnen die ik kon raadplegen.
Er is uit die jaren, of uit haar Javaanse tijd, één verhaal dat haar biografie volgens een recensent bijzonder maakt. Moesje zou een man hebben bevrijd van een boze macht terwijl hij boven de grond zweefde. Ik noem het omdat het in haar biografie staat. Het is overlevering. Ik heb er geen onafhankelijke bron voor gevonden, en ik weet niet eens precies waar en wanneer het gebeurd zou zijn.
Ondertussen werd ze in Nederland steeds bekender. Nieuwe uitgaven van Glorieklokken, Het Volle Licht en Gouden Schoven vonden er hun weg naar pinkstergemeenten. Mensen die haar nooit hadden gezien, zongen haar liederen.
NA ACHTENVIJFTIG JAAR TERUG
In 1961 werd de spanning tussen Nederland en Indonesië over Nieuw-Guinea zo groot dat Margot moest vertrekken. Haar gemeente werd overgedragen aan The Evangelical Alliance Mission, een Amerikaanse zendingsorganisatie. Op 23 oktober 1961 kwam ze aan in Nederland. Ze was achtenvijftig jaar weggeweest.
Ze reisde kort door het land en sprak in pinkstergemeenten. Opnamen van zes van haar toespraken uit die maanden zijn bewaard. Johan Maasbach, een bekende Nederlandse pinksterevangelist, had in Arnhem een gemeente begonnen. Hij vroeg haar die te leiden. Ze vestigde zich in Arnhem, en zo ontstond De Pinksterzending Arnhem.
Hoe ver ze daar nog kwam, vertellen de bronnen verschillend. Vriend van Opwekking schrijft dat ze stierf voor ze aan het werk kon beginnen. Het archiefoverzicht noemt haar laatste preek, op 18 maart 1962.
Vier dagen later, op 22 maart 1962, overleed ze in Arnhem, onverwacht. Ze was achtenzeventig. Na haar dood verscheen haar levensverhaal onder de titel Herinneringen. De gemeente in Arnhem ging verder onder Dick Groeneveld en Hans Sigmond.
TWEE WOORDEN OP EEN STEEN
In 2016 werd in Gambang Waloeh een museum geopend dat haar naam draagt. Datzelfde jaar verscheen een biografie in het Indonesisch. De plantage waar ze in 1914 begon, met wezen en mensen die nergens anders terechtkonden, herinnert zich haar nog.
Ik vind het moeilijk om haar leven in één beeld te vangen. Ze was een vrouw die als kind haar moeder verloor en zelf moeder werd van tientallen kinderen die niet de hare waren. Ze liep vast terwijl ze in een psychiatrische inrichting werkte, en vond daar haar geloof. Ze werd in de kerk opzij gezet en leidde daarna zestig gemeenten. Ze kreeg een doodvonnis en begon acht jaar later opnieuw, op een ander eiland.
Misschien denk je dat je te oud bent, of te alleen, of dat je de verkeerde bent voor wat er gedaan moet worden. Moesje Alt was achtenzestig toen ze bij Manokwari begon.
Op haar grafsteen staat geen titel en geen opsomming. Er staan twee woorden, dezelfde die ze als jonge verpleegster in Lawang tot haar motto had gemaakt: “Jezus alleen”.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Den Haag op 22 augustus 1883; scheiding van haar ouders en dood van haar moeder in 1887; opvoeding bij haar grootouders; vertrek naar Indië als kinderjuffrouw in 1903; verpleegstersopleiding in Lawang vanaf 1906; bekering rond 1908; verbroken verloving in 1910; doop bij de zevendedagsbaptisten op 12 maart 1910; werk in Tajoe (1910) en Gambang Waloeh (vanaf 1914), met wezen en gehandicapten; breuk met de zevendedagsbaptisten in 1922; Geestesdoop in 1926; evangelist van de PGNI; Gouden Schooven, Het Volle Licht en Glorieklokken; voorganger in Kediri (1932-1936); breuk met de PGNI in 1934, mede over vrouwelijk leiderschap; oprichting van de Pinksterzending in 1935; arrestatie in 1943 en een doodvonnis dat niet werd uitgevoerd; werk bij Manokwari (1951-1961); terugkeer naar Nederland in 1961; overlijden in Arnhem op 22 maart 1962. Een kanttekening: de bronnen gaan grotendeels terug op het onderzoek van één biograaf, Cees van der Laan, die haar archief beheerde en beschreef.
Alleen uit eigen getuigenis: de jeugdbeslissing om zendeling te worden; het spiritisme en de seances; de crisis en de nacht van haar bekering, met de zonden “als een film” en het ontwaken met de zekerheid van vergeving; de beleving van haar Geestesdoop en het samenroepen van zesenveertig kinderen; de opwekking onder het bergvolk.
Onbevestigd: het getal van meer dan vierhonderd dopelingen in Kediri (alleen een populair artikel); Marie Jansz als stichter van de kolonie in Tajoe (één bron); de plaats van haar Geestesdoop (Surabaya of Gambang Waloeh); haar bestemming in 1929 (Waroe of Soerabaja); de vraag of ze in Arnhem nog als voorganger heeft gewerkt; het verhaal over de bevrijding van een zwevende man (overlevering in haar biografie, zonder plaats of datum); het beeld van een geheel christelijk geworden Gambang Waloeh (alleen haar biograaf).
Duiding: de reden van haar arrestatie en van het doodvonnis is in de geraadpleegde bronnen niet te vinden. Over wat mensen in Gambang Waloeh en Kediri zelf van haar werk vonden, zijn geen stemmen bewaard in de bronnen die ik kon inzien.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Mirjam Hofman, “Alt, Margaretha Adriana”, Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (Huygens ING)
- Cees van der Laan, Plaatsingslijst van het archief van Margaretha Adriana Alt, collectie 1217, HDC Protestants Erfgoed, Bibliotheek VU Amsterdam
- Henk Dik, “Moesje Alt, 50 jaar zendelinge in Nederlands-Indië”, Vriend van Opwekking, 25 maart 2022
- John Lathrop, recensie van Cornelis van der Laan, Margaretha Adriana Alt: Mother of the Indonesian Pentecostal Mission, Pneuma Review, 28 januari 2020
- “De Pinkster Gementee dan Pemunculan Keberagaman di Hindia Belanda, 1921-1942”, Journal of Indonesian History (Universitas Airlangga)