Ergens in Nieuw-Guinea, ver van elke concertzaal, zong een koor van jonge Papoea’s de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach. Het lijdensverhaal van Jezus, in muziek die in Leipzig was geschreven, klonk in Nieuw-Guinea. De man die voor het koor stond, had een absoluut gehoor.
Historicus Tom van den Berge, die bij het KITLV in Leiden aan een biografie van deze man werkte, noemt die uitvoering in één adem met wie hij was: een geboren pedagoog, een echte onderwijzer, een uitstekende koordirigent. Waar en wanneer het koor precies zong, vertelt zijn verslag niet. Het staat er kort. Maar het zegt veel over de manier waarop Izaak Samuel Kijne werkte. Hij gaf zijn leerlingen het beste wat hij kende, en hij ging ervan uit dat ze het aankonden.
Vijfendertig jaar lang leidde hij in Nieuw-Guinea onderwijzers op. Honderden Papoea’s zaten bij hem in de klas. Uit die klassen kwamen later politici, ambtenaren en voorgangers. Hij schreef een lied dat in Papoea nog altijd gezongen wordt, ook waar het verboden is. Een theologische hogeschool in Jayapura draagt zijn naam. In 2025 vierde de kerk in Papoea dat hij honderd jaar eerder aan zijn werk begon, en de Wereldraad van Kerken stuurde een brief.
In Nederland is hij vrijwel vergeten. Ik vertel zijn verhaal hier, met de gaten die er nog in zitten.
EEN JAARTAL EN EEN PAAR SPOREN
Over de jeugd van Izaak Samuel Kijne weten we weinig. Hij werd geboren op 1 mei 1899 in Vlaardingen, als zoon van Hugorinus Kijne en Maria Fiegee. Dat staat in zijn huwelijksakte en in zijn overlijdensakte.
De familienaam Kijne komt in de negentiende eeuw veel voor in Vlaardingen. Een Johannes Kijne, daar geboren in 1872, studeerde theologie in Amsterdam. Of hij familie van Izaak was, weet ik niet. In 1910 staat een Izaäk S. Kijne ingeschreven in het bevolkingsregister van Nijmegen. Hij was toen een jaar of elf. Het gezin woonde toen dus in Nijmegen. Meer weet ik niet over zijn jeugd.
Ook hoe hij tot geloof kwam en waarom hij zendeling werd, staat in geen enkele bron die ik heb kunnen openen. Misschien geeft de biografie waaraan Tom van den Berge werkte daar ooit antwoord op. Hij vertelt zelf hoe dat project begon. In het najaar van 2013 vroeg een oudere Nederlandse antropoloog, die veel over Nieuw-Guinea had gepubliceerd, het KITLV om een levensbeschrijving van Kijne. Hij bood er zelfs geld voor aan. Van den Berge aarzelde eerst, en begon op 1 maart 2014. Of het boek inmiddels verschenen is, heb ik niet kunnen vaststellen. In Indonesië verscheen in 2016 wel een biografie, geschreven door Hanz Wanma. Tot er meer bekend is, laat ik zijn jeugd open.
Ken jij dat, een leven waarvan je vooral het werk kent en bijna niets van het begin? Bij Kijne is het zo. Zijn verhaal begint pas echt op een eiland voor de kust van Nieuw-Guinea.
MANSINAM, JUNI 1923
In juni 1923 kwam Kijne aan op Mansinam, een klein eiland voor de kust van Manokwari, in het noordwesten van Nieuw-Guinea. Het gebied hoorde toen bij Nederlands-Indië. Tegenwoordig ligt Manokwari in de Indonesische provincie Papua Barat.
Hij kwam namens de Utrechtsche Zendingsvereeniging, de UZV. Dat was een protestantse zendingsorganisatie uit Nederland.
Kijne kreeg de leiding over de opleiding voor guru’s. Zo heetten de inheemse onderwijzers die in de dorpen lesgaven en vaak ook voorgingen in de kerk. Vóór hem had die school onder leiding gestaan van Van Hasselt, een naam die in de geschiedenis van deze zending vaak terugkomt.
Het was koloniaal onderwijs, en dat moet ik eerlijk zeggen. De Nederlandse overheid had het gezag, en de zending werkte binnen dat kader. Historici wijzen erop dat protestantse en katholieke zendingen het koloniale bestuur vaak hielpen rechtvaardigen. Dezelfde historici wijzen erop dat juist zendelingen ideeën meebrachten waaruit later een eigen Papoea-bewustzijn groeide. Bij Kijne zie je allebei.
"OM ZELFSTANDIG TE LEVEN"
Kijne had een uitgesproken mening over wat zijn leerlingen nodig hadden. Een Indonesisch onderzoeksartikel, dat zich baseert op het werk van de Papoea-historicus Albert Rumbekwan, geeft zijn standpunt weer: Papoea-kinderen moesten vooral worden opgevoed om zelfstandig te leven. Hij gaf de voorkeur aan onderwijzers uit Papoea zelf boven onderwijzers die van elders kwamen.
Er werkten in Nieuw-Guinea ook onderwijzers van buiten Papoea. Kijne wilde dat Papoea’s hun eigen mensen zouden onderwijzen, in hun eigen dorpen.
Een ander Indonesisch artikel, op de nieuwssite Tirto, haalt een zin van hem aan over zijn leerlingen: “Anak-anak Papua rajin bekerja.” Papoea-kinderen werken hard, en ze kunnen werken voor hun eigen land en hun eigen volk. Wanneer hij dat zei, staat er niet bij. Het past wel bij alles wat verder over hem verteld wordt.
VERHUIZING NAAR DE HEUVEL
Na ongeveer twee jaar nam Kijne een besluit. Hij verhuisde zijn school, met al zijn leerlingen, naar Miei. Dat dorp ligt op het schiereiland Wandammen, aan de Geelvinkbaai, die nu Teluk Cenderawasih heet. Het gebied valt tegenwoordig onder het regentschap Teluk Wondama.
Volgens het Indonesische onderzoeksartikel gebeurde dat in oktober 1925. De school kwam aan de voet van een heuvel te liggen die Aitumieri heet. Indonesische bronnen noemen als datum 25 oktober 1925. Een andere bron noemt 26 oktober. Over het jaar en de plaats zijn alle bronnen het eens.
In Papoea wordt die dag gezien als het begin van iets nieuws. Een artikel van de Indonesische politie uit 2023 spreekt van de eerste formele school op de heuvel van Aitumieri en van een nieuw tijdperk voor de Papoea’s. Het regentschap Teluk Wondama heeft de plek voorgedragen als nationaal erfgoed en er geld in gestoken om haar te herstellen. In juli 2025 werd zelfs in Jakarta een festival gehouden onder de titel “honderd jaar beschaving van Papoea”. Het hoofd van het regentschap Teluk Wondama, Elysa Auri, noemde het gebied daar een plek van bezinning en herleving voor de Papoea-cultuur.
Het woord beschaving schuurt een beetje in Nederlandse oren. Het doet denken aan de koloniale gedachte dat Europeanen beschaving kwamen brengen. In Papoea wordt het woord anders gebruikt. Daar staat het voor lezen en schrijven, voor onderwijs, voor het moment waarop Papoea’s zelf leraar werden.
DE STEEN VAN AITUMIERI
Bij de heuvel van Aitumieri ligt een steen. Die heet nu de batu peradaban, de steen van de beschaving. Volgens de Indonesische overlevering stond Kijne op die steen als hij lesgaf, nadacht of voorging in gebed, met zijn leerlingen om hem heen.
Op die steen zou hij op 26 oktober 1925 een zin hebben uitgesproken die in Papoea veel geciteerd wordt. Hij zou gezegd hebben dat hij op deze steen de beschaving van het Papoea-volk legde. En hij zou eraan toegevoegd hebben dat er later mensen zouden komen met meer kennis en wijsheid om dit volk te leiden, maar dat het Papoea-volk zelf zou opstaan en zichzelf zou leiden.
Veel Papoea’s zien in die woorden een profetie, een vooruitzegging over de toekomst van hun volk. Ik wil eerlijk zijn over waar dit verhaal vandaan komt. Ik heb het alleen gevonden in Indonesische publicaties van de laatste jaren, zoals het artikel op Tirto. Dat artikel verwijst naar een Indonesische biografie van Kijne door Hanz Wanma, uit 2016. Een Nederlandse bron uit 1925, een brief of een zendingsverslag waarin Kijne deze woorden opschrijft, heb ik niet gevonden. Ook de Nederlandse historici van het KITLV noemen de uitspraak niet.
Het kan goed zijn dat hij zoiets gezegd heeft. Het past bij wat hij over zelfstandigheid dacht. Maar wat hij precies zei, en of hij het als profetie bedoelde, weten we niet. Het is een verhaal dat in Papoea van generatie op generatie is doorgegeven en dat in onze tijd een grote politieke lading heeft gekregen.
Hoe ga jij om met een woord dat anderen een profetie noemen? Ik vind het eerlijk om het verhaal te laten staan, en er tegelijk bij te zeggen wat we wel en niet weten.
EEN LIED VOOR HET LAND
In het Indonesisch schreef Kijne een lied. Het begint met de woorden Hai tanahku Papua: o mijn land Papoea. Die eerste regel werd ook de titel.
Wanneer hij het schreef, is niet helemaal duidelijk. Tom van den Berge noemt in zijn blog voor het KITLV het jaar 1925, het jaar van de verhuizing naar Miei. Andere bronnen spreken van de jaren dertig. Het Tirto-artikel vermeldt dat het gedicht verscheen in een bundel met de naam Seruling Emas, de gouden fluit. Kijne schreef volgens hetzelfde artikel ook een verhaal, Kota Emas, de gouden stad.
Het lied bezingt het land zelf. Tirto noemt het een geestelijk lied. Lang voordat iemand het een volkslied noemde, was het een lied van de zendingsschool.
NA DE OORLOG
Over de jaren van de Tweede Wereldoorlog in het leven van Kijne heb ik geen betrouwbare gegevens gevonden. In 1942 viel Japan Nieuw-Guinea binnen. Wat dat voor Kijne betekende, laat ik open.
Op 15 februari 1933 was hij in Arnhem getrouwd. Dat blijkt uit de huwelijksakte in het Gelders Archief. Zijn vrouw heette Johanna Regina Uittenbogaard. Ze was vijfentwintig, geboren in Arnhem, en haar vader was hoofd van een school.
Na de oorlog keerde Kijne terug naar Nieuw-Guinea. Het Indonesische onderzoeksartikel noemt hem samen met zendingscollega’s Johannes Eygendaal en F.C. Kamma bij de wederopbouw van het zendingswerk. Hetzelfde artikel noemt hem leider van de zending in de jaren rond 1948 tot 1953, maar die passage is niet helemaal duidelijk.
Ondertussen veranderde de wereld om hem heen. In 1945 riep Indonesië de onafhankelijkheid uit. Na een paar jaar strijd droeg Nederland in 1949 het grootste deel van Nederlands-Indië over. Nieuw-Guinea bleef buiten die overdracht en bleef onder Nederlands bestuur.
EEN MAN MET EEN MENING
Kijne was geen man die zich buiten de politiek hield. Volgens het KITLV was hij na de oorlog eerst voorstander van opname van Nieuw-Guinea in de Verenigde Staten van Indonesië, de federale staat die toen werd opgezet. Toen president Soekarno in 1950 van Indonesië een eenheidsstaat maakte, veranderde hij van gedachten. Vanaf dat moment wilde hij dat Nieuw-Guinea zich onder Nederlands bestuur verder zou ontwikkelen.
Je kunt daar verschillend over denken. Wie Papoea-onafhankelijkheid belangrijk vindt, ziet in hem een vroege bondgenoot. Wie de eenheid van Indonesië belangrijk vindt, ziet in hem een Nederlander die de koloniale tijd wilde rekken. Ik kies hier geen kant. Ik stel vast dat hij zijn mening veranderde toen de omstandigheden veranderden, en dat hij steeds dacht vanuit de mensen die hij had opgeleid.
Die mensen werden belangrijk. Het KITLV schrijft dat zijn leerlingen de politici en bestuurders werden die het debat over de toekomst van Papoea bepaalden. Van den Berge spreekt van een zelfbewuste elite. Hun namen staan niet in de bronnen die ik voor dit hoofdstuk heb kunnen lezen. Dat vind ik jammer, want het verhaal van Kijne is ook hun verhaal.
In 1954 werd in Hollandia, nu Jayapura, een theologische school opgericht die zijn naam draagt: de Sekolah Tinggi Teologi “I.S. Kijne”. Ze hoort bij de Evangelische Christelijke Kerk in Tanah Papua, de GKI, de protestantse kerk die uit het werk van de zending groeide.
OKTOBER 1961
In oktober 1961 kwam het lied van Kijne op een plek terecht waar hij het waarschijnlijk nooit voor bedoeld had. De Nieuw-Guinea Raad, de volksvertegenwoordiging van het gebied, koos samen met een nationaal comité een vlag, de Morgenster, en een volkslied. Dat volkslied werd Hai Tanahku Papua. Volgens Wikipedia erkende de Nederlandse regering vlag en lied in november 1961, met ingang van 1 december.
Lang duurde het niet. In 1963 kwam het gebied onder Indonesisch bestuur. Het lied verdween uit het officiële gebruik. Het werd een symbool van wie streven naar een onafhankelijk Papoea, ook van de Organisasi Papua Merdeka, de Vrije Papoea Beweging. De Indonesische overheid verbiedt het gebruik ervan in de provincie.
Hier wil ik voorzichtig zijn. Over de politieke toekomst van Papoea wordt tot vandaag gestreden. Er zijn mensen die het lied zingen als gebed voor hun land, en mensen die het zien als een bedreiging voor de eenheid van hun land. Kijne schreef het voor zijn leerlingen. Wat er daarna mee gebeurde, lag buiten zijn macht.
TERUG NAAR OEGSTGEEST
Al in 1958 was Kijne naar Nederland teruggekeerd. Hij deed dat volgens Tom van den Berge tegen zijn zin. Na vijfendertig jaar liet hij het land achter waar hij zijn leven aan had gegeven.
Hij ging wonen in Oegstgeest, bij Leiden. Aan de protestantse zendingshogeschool daar doceerde Kijne etnosociologie, de studie van volken en hun samenlevingen. Hij bleef er tot 1969.
In dat jaar vond in Papoea de zogenoemde Act of Free Choice plaats, in het Indonesisch Pepera. Onder toezicht van de Verenigde Naties stemden 1.025 stamhoofden. Ze stemden unaniem voor aansluiting bij Indonesië. Die stemming is tot vandaag omstreden. Critici, onder wie Van den Berge in zijn blog, noemen haar een schijnvertoning. Voor Indonesië is de uitslag de grondslag van zijn gezag over het gebied.
Volgens het Tirto-artikel sprak Kijne in 1970 met zijn vrouw over wat er gebeurd was, en zou hij de stemming spottend de Act of No Choice hebben genoemd. Die uitdrukking werd door critici veel gebruikt. Of Kijne haar zelf gebruikte, kan ik niet nagaan. Ik heb het alleen in die ene bron gevonden.
MAART 1970
Op 12 maart 1970 overleed Izaak Samuel Kijne. Zijn overlijden werd ingeschreven in Leiden. Hij was zeventig jaar.
Tom van den Berge schrijft dat hij stierf in verdriet. Het land waarvoor hij vijfendertig jaar had gewerkt, was een paar maanden eerder definitief bij Indonesië gekomen. Wat hij precies voelde, weten we niet. Ik ken alleen dat ene woord uit het blog van zijn biograaf.
In Nederland werd hij vergeten. In Papoea gebeurde het omgekeerde. Daar worden kinderen nog naar hem vernoemd, schrijft Van den Berge. Zijn naam staat op de gevel van een hogeschool. Bij Aitumieri ligt de steen waar hij volgens de overlevering op stond.
HONDERD JAAR LATER
In oktober 2025 vierde de GKI in Tanah Papua dat Kijne honderd jaar eerder aan zijn bediening begon. De Wereldraad van Kerken kon er niet bij zijn, maar stuurde een brief. Algemeen secretaris Jerry Pillay schreef aan de synode in Jayapura dat de betekenis van Kijne groot was. Hij noemde hem een voorvader voor geloof, democratie, gemeenschapsopbouw en gerechtigheid. Hij schreef dat Kijne zich met de Papoea’s had verbonden en van hen had geleerd, en dat hij dat duur had moeten betalen.
Het is een warme brief, en hij is ook politiek. Pillay verbindt de nalatenschap van Kijne met de mensenrechten in Papoea en met de zorg voor het oerwoud. Daar mag ieder het zijne van vinden. Opvallend vind ik vooral dat een grote kerk haar geschiedenis laat beginnen bij een onderwijzer met een klas vol leerlingen op een heuvel.
Ik denk aan het koor dat Bach zong. Aan de leerlingen van Mansinam en Miei die later zelf voor een klas stonden. Ze leerden lezen en schrijven, ze leerden het lijdensverhaal zingen, en ze leerden een lied over hun eigen land.
Ergens in Papoea zet vandaag een onderwijzer een klas aan het zingen. Misschien kent hij de naam Kijne niet eens.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboren op 1 mei 1899 in Vlaardingen (huwelijksakte 1933, overlijdensakte 1970); aankomst in Nieuw-Guinea in 1923 op Mansinam namens de Utrechtsche Zendingsvereeniging; leiding over de opleiding voor guru’s; verhuizing van de school naar Miei bij de heuvel Aitumieri in 1925; het schrijven van Hai Tanahku Papua; de keuze van het lied als volkslied door de Nieuw-Guinea Raad in 1961 en het latere verbod in Indonesië; zijn invloed op een generatie Papoea-bestuurders; de theologische hogeschool in Jayapura met zijn naam; terugkeer naar Nederland in 1958; overlijden in 1970 (volgens de akte op 12 maart, ingeschreven in Leiden); de herdenking door de GKI en de Wereldraad van Kerken in 2025. Het huwelijk in Arnhem op 15 februari 1933 en de inschrijving in Nijmegen in 1910 staan in archiefregisters.
Alleen uit één bron: de uitvoering van de Matthäus-Passion en zijn absolute gehoor (KITLV-blog); zijn politieke standpunten na 1945 (KITLV); de aankomst in juni 1923, de naam van zijn vrouw, de bundel Seruling Emas en het verhaal Kota Emas (Tirto); de terugkeer met Eygendaal en Kamma en zijn leiderschap van de zending na de oorlog (Indonesisch onderzoeksartikel); het onderwijs in Oegstgeest tot 1969 en dat hij in verdriet stierf (KITLV-blog).
Onbevestigd: de uitspraak op de steen van Aitumieri, die in Papoea als profetie geldt maar alleen in recente Indonesische bronnen staat; de exacte dag van de verhuizing (25 of 26 oktober 1925); het jaar waarin hij Hai Tanahku Papua schreef (1925 of de jaren dertig); zijn uitspraak over de Act of No Choice in 1970.
Duiding: de politieke toekomst van Papoea is tot vandaag omstreden. Dit hoofdstuk beschrijft hoe het lied en de nalatenschap van Kijne daarin een rol kregen, zonder een oordeel te geven over die kwestie.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- KITLV, “Isaak Samuel Kijne in New Guinea” (onderzoeksproject Tom van den Berge)
- Tom van den Berge, “‘Oh my land Papua’”, KITLV-blog, 13 juli 2015
- Wereldraad van Kerken, “WCC commemorates 100th anniversary of Dominee Izaak Samuel Kijne’s ministry”, 4 november 2025
- Wereldraad van Kerken, brief van Jerry Pillay aan de synode van de GKI di Tanah Papua, oktober 2025 (pdf)
- Tirto.id, artikel over I.S. Kijne en de steen van Aitumieri
- Indonesisch onderzoeksartikel over de geschiedenis van het onderwijs in Papoea (Prosiding Universitas PGRI Palembang, pdf)
- INP Polri, “Wondama Bay seeks heritage status for Aitumeiri site”, 6 november 2023
- Republika, “Festival Teluk Wondama merayakan 100 tahun peradaban Papua”, 24 juli 2025
- Wikipedia, “Hai Tanahku Papua”
- Modern Ghana, “Untold story about West Papua national anthem”, 25 oktober 2018
- Wikipedia, “Evangelical Christian Church of the Land of Papua”
- Open Archieven, archiefvermeldingen van Izaäk Samuel Kijne (huwelijk Arnhem 1933, overlijden Leiden 1970, Nijmegen 1910)
- Album Academicum Universiteit van Amsterdam, Johannes Kijne (1872-1938)