Tot het uiterstevan de aarde

Deel 1 · Tot het uiterste van de aarde

Nawoord

Acht levens, van Rotterdam in 1606 tot Leiden in 1970. Een dominee die in Sinkan hielp een alfabet te maken. Een weduwnaar die op zijn veertigste naar de Molukken ging en daar een eigen schoener kreeg. Een wever uit Tilburg die bleef bij de melaatsen. Een schoolmeester die vijf mensen doopte en daarna jaren wachtte. Een fabrieksmeisje uit Ossendrecht dat in China bleef bij de weeskinderen. Een vrouw met een boekhandel in Solo. Moesje met de wezen. Een meester die zijn leerlingen Bach leerde zingen.

Ze verschillen enorm. De VOC-predikant en de redemptorist, de doopsgezinde en de pinkstervrouw, ze hadden elk hun eigen kerk en hun eigen woorden. Wat ze delen, is dat ze vertrokken naar een plek die voor hen het uiterste van de aarde was, en dat de meesten van hen daar zijn gebleven.

Ik heb geprobeerd eerlijk te zijn. Over de macht die met hen meereisde. Over de getallen die uit hun eigen verslagen komen. Over de gaten in wat we weten. Bij een paar van deze mensen is er weinig over: een geboorteakte, een recensie, een graf. Ook dat heb ik zo laten staan. Je kunt nu zelf nagaan waar je op bouwt. De bronnen staan bij elk hoofdstuk.

Wat me bij het schrijven het meest raakte, waren de namen die ontbreken. De vijf dopelingen van Pieter Jansz. De meeste helpers van Joseph Kam. De kinderen in het weeshuis van Taiyuan. De leerlingen van Miei. Zij droegen het verder toen de zendeling er niet meer was. De meeste van hun namen staan in geen enkel boek dat ik kon vinden, maar God kent ze.

Er zijn nog veel meer Nederlandse zendelingen over wie een hoofdstuk geschreven kan worden. Misschien komt er een uit jouw dorp, of staat er een brief van een van hen in een oude kerkkist.

En u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde. (Handelingen 1:8)

Het hele boek:PDF downloadenE-book (EPUB)