In 1927 woonden er in de tehuizen van de zending in Soekaboemi, een stad op West-Java die nu Sukabumi heet, 346 kinderen. Er was een kleuterhuis, een kinderhuis, een jongenshuis en een meisjeshuis. Bijna al die kinderen waren wees of halfwees. Ze waren Indo-Europees, zoals dat toen heette: van gemengde Europese en Indonesische afkomst. In de huizen werden ze verzorgd, en ze leerden er een vak.
De vrouw die de leiding had over al die huizen was eind dertig. Ze heette Caroline Gunning. Ze was als verpleegster naar Indië gegaan, tegen de zin van de Nederlandse zendingsleiding in. Later zou ze een Indonesische afdeling van de christelijke vrouwenorganisatie YWCA opzetten, de Japanse bezetting doorkomen in het vrouwenkamp Tjideng, en na de oorlog meer dan tien jaar meebesturen in de zending van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Ik heb geen boek over haar gevonden. Wat we van haar weten, staat grotendeels in archiefbeschrijvingen: lijsten van dozen met brieven, verslagen en foto’s. Dat maakt dit hoofdstuk korter en voorzichtiger dan andere. Ik vertel wat vaststaat, en ik zeg erbij waar het ophoudt.
Het begint in Zwolle.
EEN AKTE IN ZWOLLE
Op 1 augustus 1889 deed Johannes Hermanus Gunning in Zwolle aangifte van de geboorte van een dochter. Ze was de dag ervoor geboren, op 31 juli. In de akte staat haar naam als Carolina Henriette Constantia. In de archieven heet ze later Caroline. Haar vader was dertig en conrector aan het gymnasium. Haar moeder heette Cecilia van Eeghen.
Het was een familie waarin het geloof geen bijzaak was. Haar grootmoeder van vaderskant, Petronella Pierson, kwam uit een familie van het Réveil, de negentiende-eeuwse opwekkingsbeweging onder Nederlandse protestanten. Haar grootvader, de scheikundige J.W. Gunning, was volgens een biografie van zijn zoon ooit als assistent ontslagen vanwege zijn christelijke opvattingen. Een oudoom, J.H. Gunning, was theoloog.
En dan was er haar oom Jan Willem Gunning, een broer van haar vader. In 1897 werd hij directeur van het zendingshuis van het Nederlandsch Zendeling Genootschap. Hij en zijn vrouw zorgden daar voor de jonge mannen die zich voorbereidden op het werk als zendeling. Hij reisde twee keer naar Indië om het zendingswerk te bekijken, en hij zette zich in voor samenwerking tussen de Nederlandse zendingsorganisaties.
Caroline groeide dus op in een familie waarin over de zending gesproken werd. Of dat haar richting gaf, weten we niet uit haar eigen mond. Maar het was er.
“EEN STERK RELIGIEUS BESEF”
Over haar vader weten we het meest, en wat we van hem weten zegt iets over het huis waarin ze opgroeide. Johannes Hermanus Gunning, bekend als J.H. Gunning Wzn., werd een van de eerste pedagogen van Nederland. In 1900 werd hij in Utrecht de eerste docent pedagogiek aan een Nederlandse universiteit. Later werd hij schoolinspecteur in Amsterdam en bijzonder hoogleraar in Utrecht.
In zijn gymnasiumjaren ontwaakte bij hem, zo schrijft zijn biograaf Ewald Mackay, “een sterk religieus besef”. Dat bleef. Hij was diaken in Utrecht en werkte in de armenzorg. Hij hoorde bij de ethische richting in de Hervormde Kerk, een stroming die geloof en het gewone leven bij elkaar wilde houden. Opvoeding was voor hem in de kern een morele zaak, geworteld in het christelijk geloof. Hij vond dat een kind als een uniek mens gezien moest worden.
Er is ook verdriet in die jaren. Kort voor 1900 studeerde haar vader twee jaar pedagogiek in Duitsland, aan de universiteit van Jena. Midden in die studietijd stierf onverwacht zijn vrouw, schrijft zijn biograaf. De kinderen werden ondergebracht bij zijn moeder en bij een vriendin. Hij hertrouwde later nog twee keer. De biografie noemt het jaartal en de naam van de vrouw niet. Hij was in 1882 met Cecilia van Eeghen getrouwd, dus vermoedelijk verloor Caroline toen haar moeder, als meisje van een jaar of tien. Zeker weten doe ik het niet.
Ik schrijf het hier op omdat het me opviel. Een meisje dat zelf een tijd buiten het eigen gezin werd opgevangen, werd later directrice van tehuizen voor kinderen zonder vader of moeder. Of zij dat verband zelf ooit legde, vertellen de bronnen niet.
EEN ALBUM VAN HET INDISCH HUIS
In het familiearchief van de Gunnings in het Nationaal Archief liggen twee kleine sporen uit haar jonge jaren. Het eerste is uit 1910. Het zijn foto’s en stukken over Caroline en haar moeder, die meeliepen in een historische optocht, waarschijnlijk bij de intocht van koningin Wilhelmina in Amsterdam. Misschien gaat het hier om haar stiefmoeder. De inventaris zegt het niet.
Het tweede spoor is uit 1913. Caroline bewaarde een fotoalbum van het “Indisch huis” op de tentoonstelling De vrouw, 1813-1913. Ze was toen drieëntwintig.
Waarom ze dat album bewaarde, weten we niet. Twee jaar later vertrok ze naar Indië.
TEGEN DE ZIN VAN DE ZENDINGSLEIDING
In 1915 ging Caroline Gunning als verpleegster naar Nederlands-Indië. Ze was midden twintig. Het archiefoverzicht van de zending vermeldt er één droge bijzin bij: ze ging “tegen de zin van de Nederlandse zendingsleiding”.
Meer staat er niet. We weten niet wie er bezwaar had, of waarom. Ik ga het niet invullen. Wel valt op dat haar oom in die jaren een van de leiders van diezelfde Nederlandse zending was. Of hij tot de bezwaarden hoorde, zegt geen enkele bron.
Hoe weet je dat je moet gaan, als de mensen die erover gaan nee zeggen? Caroline heeft geen verslag nagelaten dat wij kunnen lezen over hoe zij die vraag beantwoordde. Haar daad zegt wel iets. Ze ging, en ze bleef haar hele leven trouw aan de zending die haar eerst niet wilde sturen.
Diezelfde zending zou haar ruim dertig jaar later aan haar eigen bestuurstafel zetten.
BATAVIA, 1915 TOT 1918
Haar eerste jaren bracht ze door in Batavia, nu Jakarta, de hoofdstad van de kolonie. Tot 1918 deed ze daar maatschappelijk werk, vooral voor het Genootschap voor In- en Uitwendige Zending.
Die naam vraagt om uitleg. Met inwendige zending bedoelden protestanten het werk onder mensen die wel gedoopt waren maar buiten de kerk leefden, vaak in armoede. Uitwendige zending was het werk onder mensen die het evangelie nog niet kenden. Dit genootschap droeg beide woorden in zijn naam. Het zou later ook de tehuizen in Soekaboemi beheren.
Vanaf haar vertrek schreef haar vader haar brieven. Ze liggen nog in het Nationaal Archief, in vier pakken, van 1915 tot 1938. Er is ook een ongesorteerde stapel inkomende brieven en kopieën van wat zij zelf schreef, deels bedoeld als rondzendbrief voor de familie. In die brieven is haar eigen stem bewaard. Ik heb ze niet kunnen lezen. Wie ooit een vollediger portret van haar maakt, zal daar moeten beginnen.
Uit de inventaris blijkt ook dat ze zich in Batavia bezighield met voorstellen voor een school voor meisjes en vrouwen. Al vroeg dacht ze dus verder dan de ziekenzorg.
TWEE JAAR TERUG
Van 1919 tot 1921 was Caroline met ziekteverlof in Nederland. Waaraan ze leed, staat nergens.
Belangrijker is wat ze na die twee jaar deed. Ze ging terug.
HET MEISJESHUIS IN SOEKABOEMI
In 1921 werd Caroline hoofd van het meisjeshuis van het genootschap in Soekaboemi. In 1924 maakte ze een tocht naar de Gede, een vulkaan op West-Java, en het reisverslag ligt nog in haar archief. Het is een van de weinige dingen uit die jaren die meer laten zien dan haar functie.
Het meisjeshuis was een van de vier huizen die samen de Soekaboemi Opvoedings Gestichten vormden, de opvoedingsinstellingen van het genootschap. In 1923 werd zij directrice van het geheel. Ze was nog geen vijfendertig.
Om dat werk te begrijpen, moet je iets weten van de kolonie in die jaren. Vanaf 1892 ontstonden in Nederlands-Indië tehuizen waar kinderen werden opgevangen en heropgevoed. De bekendste was die van de zendeling Johannes van der Steur in Magelang. Historica Annelieke Dirks promoveerde in 2011 in Leiden op deze instellingen. Volgens haar onderzoek richtte Van der Steur zich vooral op Indo-Europese kinderen, die in de ogen van tijdgenoten het gevaar liepen te Indisch te worden. Later begon de overheid eigen tehuizen, vooral voor islamitische kinderen.
Het is goed om die dubbele kant te noemen. De zorg was echt. De kinderen kregen een dak, eten, onderwijs en een vak. En die zorg stond ook in een koloniale orde die bepaalde wie bovenaan stond en wie niet. Caroline werkte binnen die orde. Hoe zij er zelf over dacht, weten we niet. Ik laat het oordeel aan jou.
346 KINDEREN
In 1927 woonden er 346 kinderen in de Soekaboemi-huizen. Bijna allemaal hadden ze een of beide ouders verloren. Ze werden verzorgd en kregen een vakopleiding, zodat ze later voor zichzelf konden zorgen.
Achter dat getal zitten kleuters, schoolkinderen, jongens en meisjes die een vak leerden. Hun namen ken ik niet. Ze staan misschien in de stukken over de opvoedingsgestichten die Caroline bewaarde, uit de jaren 1926 tot 1934.
Wat deed een directrice daar precies? De bronnen zijn er kort over. Ze gaf leiding aan de vier huizen, en ze zat in het bestuur van de opvoedingsgestichten van het genootschap. Uit haar archief blijkt dat ze ruim twintig jaar bij de vergaderingen en bestuurszaken van het genootschap betrokken bleef, van 1918 tot 1939.
Eind 1927 hield haar directeurschap op. Een nieuwe opdracht lag al klaar.
EEN OPDRACHT VAN DE FEDERATIE
Tijdens haar tweede verlof in Nederland, in 1928 en 1929, kreeg Caroline een opdracht van de Christen Jonge Vrouwen Federatie, de Nederlandse beweging die bij de YWCA hoorde. De YWCA is de wereldwijde christelijke organisatie voor jonge vrouwen. De federatie vroeg haar een Indonesische afdeling op te zetten.
Van 1929 tot 1935 zat ze in het bestuur van de federatie. Over hoe die eerste Indonesische afdeling eruitzag, wie er lid van werden en hoe groot ze was, heb ik geen bron gevonden. Wel staat vast dat de Indonesische YWCA na de Tweede Wereldoorlog verdween, en dat ze in 2001 opnieuw werd opgericht.
Uit dezelfde jaren zijn er artikelen van haar over Sumatra, uit 1934. In 1937 en 1938 schreef ze in het tijdschrift van het Verbond der Vereenigingen Pro Juventute in Nederlands-Indië, een verbond van verenigingen die zich om de jeugd bekommerden. Dirks behandelt Pro Juventute in haar onderzoek naar jeugdcriminaliteit in de kolonie. Ook hier bleef Caroline dicht bij haar onderwerp: jonge mensen die tussen wal en schip dreigden te raken.
ACHTER DE OMHEINING VAN TJIDENG
In maart 1942 bezette Japan Nederlands-Indië. Europese burgers werden in de jaren daarna in kampen opgesloten. Caroline Gunning kwam terecht in Tjideng, in Batavia.
Tjideng was een woonwijk die de Japanners hadden omgevormd tot een kamp voor Nederlandse vrouwen en kinderen. Overlevenden vertelden in 2025 aan het Financieele Dagblad hoe het er was. Gezinnen leefden in een kamer van ongeveer drie bij zeven meter, soms met negen mensen. In 1945 zaten er meer dan tienduizend mensen in het kamp. Er was honger, en veel vrouwen stierven. Kampcommandant Kenichi Sone werd na de oorlog vanwege zijn wreedheid geëxecuteerd.
Wanneer Caroline in het kamp kwam, hoe lang ze er zat en hoe ze het doorstond, weet ik niet. Ze was in 1945 zesenvijftig. In Het Utrechts Archief liggen brieven over haar internering. Ook die heb ik niet gelezen. Daarom vertel ik niet wat ze in het kamp deed, hoe graag ik dat ook zou willen.
Wel weet ik dat ze het overleefde. En dat ze niet ophield met het werk dat ze in 1915 begonnen was.
AAN DE VERGADERTAFEL VAN DE ZENDING
Na de oorlog keerde Caroline terug naar Nederland. Daar werd ze een van de vicevoorzitters van het moderamen, het dagelijks bestuur, van de Verenigde Nederlandse Zendingscorporaties, het samenwerkingsverband van Nederlandse zendingsorganisaties. Haar oom had zich decennia eerder voor zulke samenwerking ingezet.
Van 1951 tot 1962 was ze vicevoorzitter van de Raad voor de Zending van de Nederlandse Hervormde Kerk, de raad die het zendingswerk van die kerk leidde. Ze was toen tussen de eenenzestig en de drieënzeventig jaar oud.
De vrouw die in 1915 tegen de zin van de zendingsleiding vertrok, zat nu zelf in die leiding. Er staat nergens dat ze daar iets over zei. Het archief bewaart wel kleine dingen uit deze jaren: linten, emblemen en foto’s van conferenties in Lunteren.
Waarom deed ze dit werk, een heel leven lang? Ik wilde in dit hoofdstuk haar eigen woorden over haar geloof laten horen. Ik heb ze niet gevonden. Wat ik wel zie, is een leven dat zich vanaf haar twintigste jaren tot op hoge leeftijd afspeelde binnen christelijke organisaties: een zendingsgenootschap, een christelijke vrouwenbeweging, de raad voor de zending van haar kerk. Ze groeide op bij een vader die geloof en zorg voor arme mensen bij elkaar hield. Meer durf ik niet te zeggen. De rest staat in haar brieven.
Niet iedereen liet een getuigenis na. Sommige mensen lieten een levenslang spoor van werk na, en dat moeten wij dan leren lezen.
EEN BRIEF OVER DE JULIANASCHOOL
Tussen de stukken uit haar latere jaren in Het Utrechts Archief zit een kleine correspondentie die me raakt. Van 1950 tot 1952 schreef Caroline met een vrouw die in de archiefbeschrijving mevrouw Soeretna heet. Het ging over de Julianaschool in Sukabumi.
Indonesië was toen al onafhankelijk. Caroline woonde in Nederland en was over de zestig. Ze hield contact met de stad waar ze ooit honderden kinderen zag opgroeien. Wat ze elkaar schreven, weet ik niet. Alleen dat de lijn niet brak.
Er zijn ook brieven met andere vrouwen uit het zendingswerk. Ze lopen door tot 1977. Caroline was toen achtentachtig.
Caroline Henriëtte Constance Gunning overleed in 1988, in het jaar waarin ze negenennegentig zou worden. Waar en op welke dag, heb ik niet kunnen vinden.
Misschien ken jij ook zulke mensen. Ze stonden nooit op een podium. Hun naam staat op een inventarislijst, achter een nummer. In een archief in Utrecht ligt een map met brieven over een school in Sukabumi, uit de jaren vijftig, met haar naam erop.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (officiële akte en archiefbeschrijvingen): geboorte op 31 juli 1889 in Zwolle als dochter van J.H. Gunning en Cecilia van Eeghen; vertrek naar Indië in 1915 als verpleegster, tegen de zin van de Nederlandse zendingsleiding; maatschappelijk werk in Batavia tot 1918, vooral voor het Genootschap voor In- en Uitwendige Zending; ziekteverlof 1919-1921; hoofd van het meisjeshuis in Soekaboemi vanaf 1921; directrice van de Soekaboemi Opvoedings Gestichten van 1923 tot eind 1927; 346 leerlingen in 1927, vrijwel allen Indo-Europese wezen en halfwezen; opdracht van de Christen Jonge Vrouwen Federatie in 1928-1929 voor een Indonesische afdeling van de YWCA; internering in Tjideng; vicevoorzitter van de Raad voor de Zending van 1951 tot 1962; correspondentie over de Julianaschool in Sukabumi (1950-1952); overlijden in 1988. Let op: de meeste van deze punten staan in één bron, het Huygens Repertorium, dat zich baseert op de archiefinventaris van de Raad voor de Zending. De inventaris van het Nationaal Archief bevestigt het bestaan van brieven en verslagen over dezelfde periodes.
Uit de biografie van haar vader: zijn geloof en diakenschap; de afkomst van zijn moeder uit een Réveil-familie; de dood van zijn vrouw tijdens zijn studie in Jena.
Onbevestigd: of het Cecilia van Eeghen was die kort voor 1900 overleed, en in welk jaar precies; waarom de zendingsleiding tegen haar vertrek was; de aard van haar ziekte; hoe de eerste Indonesische YWCA-afdeling eruitzag; wanneer en hoe lang ze in Tjideng zat; datum en plaats van haar overlijden.
Duiding: haar christelijke motivatie blijkt uit haar levenslange werk binnen kerk en zending en uit het gezin waarin ze opgroeide. Eigen uitspraken over haar geloof heb ik online niet gevonden. Die staan vermoedelijk in haar brieven in het Nationaal Archief en Het Utrechts Archief.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Huygens ING, Repertorium van Nederlandse zendings- en missie-archieven, “Gunning, Caroline Henriëtte Constance”
- Nationaal Archief, inventaris familiearchief Gunning (2.21.205.28)
- Open Archieven, geboorteakte Zwolle 1889, nr. 555
- Ewald Mackay, “Johannes Hermanus Gunning Wzn. (1859-1951)”, Compendium Christelijk Leraarschap, Driestar hogeschool
- Huygens ING, Repertorium, “Gunning, Jan Willem” (1862-1923)
- Universiteit Leiden, “Indische kinderen om verschillende redenen heropgevoed” (2011)
- Financieele Dagblad, 28 juni 2025, over kamp Tjideng (via tjidengkamp.nl)