Een steen tussen de bomen
Net buiten het dorp Witmarsum, in Friesland, ligt een klein stukje grond. Er loopt water omheen, zoals een gracht. Je komt er over een dammetje van baksteen en door een ijzeren hek.
Tussen de bomen staat een hoge, grijze stenen naald. Er staat een hekje omheen. Op de voet van de naald staan woorden.
Het is een stille plek. Toch komen hier mensen van heel ver. Uit Duitsland, Canada, Amerika, Mexico en nog veel meer landen. Een keer stonden hier twee mannen uit Canada en Amerika. Ze kwamen een groep uit Duitsland tegen. En ze konden elkaar gewoon verstaan! Ze spraken allemaal het Plautdietsch, een taal die veel mennonieten nog spreken.
Waarom komen al die mensen naar een steen in een Fries weiland? Dat komt door een priester die twijfelde.
Een jongen uit de klei
Hij heette Menno. Hij werd waarschijnlijk in 1496 geboren, hier in Witmarsum. Zijn vader heette Simon. Daarom werd hij Menno Simons genoemd: Menno, de zoon van Simon. Het was een eenvoudige familie.
Menno werd priester in de katholieke kerk. Dat was toen de enige kerk in Friesland. In 1524 begon hij als hulppriester in Pingjum. Dat is een dorp vlak bij Witmarsum.
Later schreef Menno zelf iets eerlijks over die tijd. Hij was priester, maar de Bijbel had hij bijna nooit gelezen!
Brood dat brood bleef
Alles wat we weten over wat Menno dacht, weten we van hemzelf. Hij schreef het veel later op.
In de katholieke kerk geloven ze dat brood en wijn tijdens de mis echt het lichaam en bloed van Jezus worden. Menno stond als priester bij het altaar. Maar hij kon het niet meer geloven. Hij dacht eerst dat de duivel hem dat in zijn hoofd fluisterde.
Toen deed hij iets wat hij nog nooit had gedaan. Hij pakte het Nieuwe Testament en begon te lezen.
Een kleermaker in Leeuwarden
In 1531 hoorde Menno iets wat hij niet meer vergat. In Leeuwarden had een kleermaker de doodstraf gekregen. Wat had die man gedaan? Hij had zich als volwassene laten dopen.
Dat mocht toen niet. Bijna iedereen werd als baby gedoopt. Maar sommige mensen zeiden: dopen hoort bij iemand die zelf kiest om in Jezus te geloven. Een baby kan dat nog niet. Die mensen werden dopers genoemd.
Menno vroeg zijn pastoor waar het dopen van baby’s in de Bijbel stond. De pastoor gaf toe: nergens. Toch bleef Menno gewoon priester.
Rond 1531 of 1532 werd Menno pastoor in Witmarsum, zijn eigen dorp. Hij schreef later eerlijk waarom hij dat deed: voor het geld en om belangrijk te zijn. Hij preekte, maar zonder liefde, schreef hij.
Een vreselijke week
Niet alle dopers waren vreedzaam. Sommigen dachten dat ze met wapens voor God moesten vechten.
In het voorjaar van 1535 trok een groep van zo’n driehonderd dopers naar een klooster vlak bij Witmarsum. Het heette het Oldeklooster. Ze namen het klooster in en sloten zich erin op. Een week later kwamen er soldaten. Het werd een bloedige strijd. Veel van die mensen werden gedood, ook na de strijd.
Menno woonde er vlak bij. Hij had tegen de ideeën van deze mensen gepreekt.
Maar nu schreef hij iets opvallends. Hun bloed was “zoo heet op mijn hart gevallen”, schreef hij. Hij kon geen rust meer vinden. Want hij wist zelf wat er in de Bijbel stond. Maar hij leefde er niet naar. En zij hadden zelfs hun leven gegeven, voor een zaak waar hij tegen had gepreekt.
Menno bad veel. Hij vroeg God om vergeving en om moed. Dat duurde ongeveer negen maanden. En al die tijd bleef hij nog priester.
Heb jij weleens iets geweten, maar het niet durven zeggen? Hoe voelde dat?
Januari 1536
In januari 1536 nam Menno een groot besluit. Hij stopte als priester. Hij liet zijn goede baan los, en zijn goede naam. Hij koos voor een arm en onzeker leven.
Kort daarna liet hij zich dopen, als volwassene. Een tijdje later kwam er een groepje mensen naar hem toe. Ze vroegen of hij hun leider wilde worden. Na veel bidden zei hij ja.
Zo werd Menno een herder voor kleine groepjes gelovigen. Hij reisde van groep naar groep. Hij leerde mensen uit de Bijbel en doopte volwassenen die zelf voor Jezus kozen. En hij leerde: een christen vecht niet met het zwaard.
Een prijs op zijn hoofd
Dat was levensgevaarlijk. Op 7 december 1542 maakte de overheid in Friesland een bevel bekend. Niemand mocht Menno nog helpen. Niemand mocht hem eten of een bed geven. En wie hem gevangen nam, kreeg honderd gouden munten!
Menno moest vluchten. Hij trouwde met Geertruyd en kreeg kinderen. Samen leefden ze op de vlucht. Ze trokken van stad naar stad, steeds verder weg. Toch bleef Menno preken en schrijven.
In 1561 stierf hij in Duitsland. Hij werd begraven in zijn eigen tuin. Waar dat graf precies ligt, weet niemand meer.
Terug bij de steen
Al in 1544 werden de dopers mennisten genoemd, naar Menno. Nu heten ze in Nederland doopsgezinden en in de rest van de wereld mennonieten. Ze wonen nu over de hele wereld.
Daarom komen die mensen naar Witmarsum. Volgens een oud verhaal stond op die plek met het water eromheen ooit Menno’s huis. Daar zou hij in het geheim gepreekt hebben. Nu staat er de grijze naald, tussen de bomen. Geen beeld van een held op een sokkel. Gewoon een stille steen, op de plek waar een priester besloot dat hij niet langer kon zwijgen.
Echt gebeurd?
Ja. Dat Menno Simons priester was in Pingjum en Witmarsum, in januari 1536 de kerk verliet, leider werd van de vreedzame dopers en een prijs op zijn hoofd kreeg, staat in veel bronnen. Over zijn twijfel, zijn gebed en het bloed op zijn hart weten we alleen omdat hij het zelf opschreef. Dat zijn huis op de plek van het monument stond, is een oud verhaal.
Praat erover
- Menno schreef eerlijk op dat hij eerst priester werd voor het geld. Waarom zou hij dat opgeschreven hebben?
- Menno vond dat christenen niet met wapens moesten vechten. Wat vind jij daarvan?
Uit de Bijbel
Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. (1 Korinthe 3:11)
Ga zelf kijken
Het Menno Simons-monument staat aan It Fliet 5, net buiten Witmarsum. Je loopt over een dammetje naar de grijze naald tussen de bomen. In het dorp staan de doopsgezinde kerk en het Menno Simons Hûs, met een tentoonstelling over zijn leven. In Pingjum, waar Menno begon, staan de Victoriuskerk en een klein doopsgezind schuilkerkje.