Twee op de drie
Het is 1534. De pastoor van Monnickendam schrijft iets op wat hem zorgen geeft. Ongeveer twee derde van de mensen in zijn stad volgt een nieuwe leer. Dat zijn twee op de drie mensen!
Die nieuwe groep heet de doopsgezinden. Ze worden ook wel mennisten genoemd. Ze doopten geen baby’s. Ze doopten alleen volwassenen die zelf kozen om Jezus te volgen. In die tijd was dat streng verboden.
Een jaar later begon de vervolging. Doopsgezinden werden opgepakt en gestraft. Sommigen werden gedood. Veel mensen uit Monnickendam doken onder of vluchtten naar Amsterdam.
Toch bleef er een kleine gemeente over. Ruim tweehonderd jaar later begon in die kleine kring iets heel groots. Iets waar jij misschien nog steeds iets van merkt, als je een boek leent of naar school gaat.
Geven aan mensen die je nooit ziet
De doopsgezinde gemeente in Monnickendam was klein. In 1675 had ze ongeveer honderdvijftig leden. Ze was niet rijk. De stad leefde van schepen die over zee voeren. Door oorlogen ging die handel slecht.
En toch deed deze gemeente iets bijzonders. Tussen 1672 en 1736 gaf ze veel geld aan collectes. Dat geld ging naar doopsgezinden die ver weg werden vervolgd. Naar Zwitserland, naar Duitsland, naar Pruisen en zelfs naar Litouwen.
Waarschijnlijk had bijna niemand in Monnickendam die mensen ooit ontmoet. Ze gaven toch.
Zou jij geld geven aan iemand die je nooit hebt gezien?
Een boekverkoper wordt dominee
In 1724 werd in Haarlem Jan Nieuwenhuyzen geboren. Hij werd boekverkoper en drukker. Een drukker maakt boeken met een drukpers. Jan trouwde met een dichteres, Geesje Wijnalda. Hij drukte zelfs een boek met haar gedichten.
Daarna koos Jan een ander leven. Hij verkocht zijn drukkerij en ging leren voor dominee. Bij de doopsgezinden heet een dominee een predikant. In 1771 kwam hij naar Monnickendam. Daar bleef hij vijfendertig jaar lang, tot hij stierf.
Jan en Geesje kregen drie kinderen. Een van hen was Martinus. Hij werd dokter in Edam, een stadje vlak bij Monnickendam. Martinus schreef al jong boeken.
Zes mannen met een plan
In 1784 richtten zes mannen een vereniging op. Twee van hen waren Jan en zijn zoon Martinus. Wie de andere vier waren, weten we niet.
De vereniging kreeg een lange naam: Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Nut betekent dat iets goed is voor anderen. Algemeen betekent: voor iedereen. Al snel noemde iedereen haar gewoon Het Nut.
Wat wilde Het Nut? Gewone mensen, ook de armsten, moesten kunnen leren. Dat kon met goedkope boekjes in makkelijke taal. En met betere scholen voor kinderen.
Volgens een encyclopedie van de doopsgezinden stond er iets opvallends in de regels. Iedereen mocht lid worden, wat zijn geloof ook was. En Het Nut koos geen kant voor een kerk of een politieke partij.
Dat was bijzonder. Doopsgezinden mochten in die tijd geen belangrijke baan bij de overheid hebben. Alleen de leden van de hervormde kerk mochten dat. De doopsgezinden wisten dus hoe het voelt als je ergens buiten staat. Maar het ging niet altijd goed. Volgens één bron mochten Joodse mensen toch geen lid worden.
Spelboekjes voor kinderen
Martinus ging aan het werk met wat hij goed kon: schrijven. Hij maakte het eerste schoolboekje van Het Nut, in makkelijke taal voor kinderen. Er kwamen er meer. Eén heette Spel- en Leesboekje voor eerstbeginnenden. Dat was dus voor kinderen die net leerden lezen.
Martinus werd de grote motor van Het Nut. Maar in 1793 kreeg hij hoge koorts. Hij stierf, pas drieëndertig jaar oud. Zijn vader Jan was toen achtenzestig. Hij bleef preken in Monnickendam.
Het Nut ging door. In 1795 begon het in Haarlem een kweekschool, de eerste van Nederland. Daar leerde je schoolmeester worden. Daarna kwamen er meer van die scholen, in Amsterdam, Groningen en Leiden. In 1806 kwam er een wet voor alle scholen in het land. Die wet leek sterk op de ideeën van Het Nut.
Spaarpot, bieb en volksuniversiteit
Het Nut groeide en groeide. Rond 1817 begon het de eerste spaarbanken. Mensen met weinig geld konden daar elke week een klein beetje sparen. Dan hadden ze iets als ze ziek werden of geen werk hadden.
Er kwamen Nutsscholen en bibliotheken. In 1956 had Het Nut 205 bibliotheken voor iedereen en 45 voor kinderen. Later gingen de meeste scholen, spaarbanken en bibliotheken over naar de overheid. Het werk van Het Nut werd zo heel gewoon.
Niet iedereen was blij met Het Nut. Er werd ook gepraat over de vraag hoe christelijk Het Nut nog was. In 1864 zei een commissie dat Het Nut christelijk moest blijven.
En de kleine gemeente in Monnickendam? Die bleef klein. In 1955 had ze vierenzeventig leden. Vanaf 1935 deelde ze haar dominee met Edam, het stadje waar Het Nut begon.
Marmer in de grote kerk
Jan Nieuwenhuyzen stierf in februari 1806. Hij was eenentachtig. Een jaar later kwam er een gedenkteken van marmer voor hem. Een gedenkteken is een kunstwerk om iemand te herinneren. Het kwam in de grote kerk van Monnickendam. Dat was de kerk van de hervormden.
Zo kreeg een dominee van een kleine groep een plek in de grootste kerk van de stad. In een stad waar doopsgezinden vroeger moesten onderduiken.
Echt gebeurd?
Ja. Dat Jan en Martinus Nieuwenhuyzen in 1784 Het Nut oprichtten en dat Het Nut scholen, spaarbanken en bibliotheken begon, staat in veel bronnen. Of het op 16 oktober of 16 november 1784 was, en in Edam of in Monnickendam, zeggen de bronnen niet hetzelfde. De collectes voor vervolgde doopsgezinden ver weg en de regel dat Joodse mensen geen lid mochten worden, staan elk in maar één bron.
Praat erover
- Een kleine gemeente gaf geld aan mensen die ze nooit zag. Waarom zouden ze dat gedaan hebben?
- Het Nut wilde dat iedereen kon leren lezen. Wat zou er voor jou anders zijn als je niet kon lezen?
Uit de Bijbel
Laten wij dus, terwijl wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen, maar vooral aan de huisgenoten van het geloof. (Galaten 6:10)
Ga zelf kijken
De Grote of Sint-Nicolaaskerk staat aan De Zarken 2 in Monnickendam. Binnen hangt het marmeren gedenkteken voor Jan Nieuwenhuyzen. Je loopt er over een vloer vol oude grafstenen. In Edam, een paar kilometer verderop, ligt het Nieuwenhuyzenplein.