Echt gebeurd!

Kerken die hielpen · verhaal 5

Leger des Heils

soldaten met soep in plaats van geweren

Ongeveer 7 minuten voorlezen

Een volle zaal

Het is zondag 8 mei 1887. In de Gerard Doustraat in Amsterdam is een zaaltje. Het hoort bij een kleine christelijke club, de vereniging Emmanuel. Vandaag begint daar iets nieuws.

’s Avonds stroomt de zaal vol. Vrouwen schreeuwen. Sommigen proberen het podium op te komen. De politie stuurt extra agenten.

Dat schreef George Railton later op. Hij was een leider uit Londen, en hij was erbij. Was de avond mislukt? Nee, vond hij. Hij schreef: “Nooit zag ik een heerlijker overwinning in welke opening dan ook.”

Wat was dit voor een vreemde kerk? Het heette het Leger des Heils. En het was die dag in Nederland begonnen.

Een leger zonder geweren

Het Leger des Heils kwam uit Londen. Daar begonnen William en Catherine Booth in 1865 met hun werk. Ze vertelden over Jezus aan mensen die nooit meer naar de kerk gingen.

In 1877 kreeg hun werk de vorm van een leger. Er kwamen een vlag, uniformen en rangen, zoals kapitein en luitenant. Maar ze vochten niet met geweren. Ze wilden mensen redden. Een ander woord voor redding is heil. Zo kwam het Leger aan zijn naam.

Een meester zonder baan

In Amsterdam woonde een jonge man, Gerrit Govaars. Hij was onderwijzer, een meester op school. Hij vond het Leger des Heils prachtig. In 1885 kostte hem dat zijn baan.

Wat zou jij doen als je je werk kwijtraakte om wat je gelooft?

Govaars ging naar Londen. Daar hielp hij liederen te vertalen. In 1886 werd hij officier in het Leger. In Londen noemden ze hem de “Hallelujah Dutchman”, de Halleluja-Nederlander.

Er was nog een Amsterdammer die mee wilde doen: Ferdinand Schoch. Hij was vroeger officier in het echte leger geweest. William Booth raadde hem aan te wachten tot het Leger in Nederland zou beginnen.

In maart 1887 kwam er een kapitein uit Engeland, John Tyler, met zijn vrouw. Hij was matroos geweest op de boot naar Hoek van Holland. Hij sprak een beetje Nederlands. Verslaggevers konden hem bijna niet verstaan. Samen met Govaars en het echtpaar Schoch hielp hij op die eerste zondag in de Gerard Doustraat.

De bank vooraan

Vooraan in de zaal stond een gewone bank. Die heette de zondaarsbank. Wie daar knielde, liet zien: ik wil mijn leven aan God geven. Op die eerste dag knielden er zestien mensen, vertelt het Leger zelf.

De heilssoldaten, zo heten de leden van het Leger, bleven niet netjes op het podium staan. Ze liepen de zaal in, tussen de mensen door. Ze praatten met iedereen. Wie geknield had, kreeg binnen twee weken twee keer bezoek thuis.

Niet iedereen vond dat mooi. In de zomer van 1887 kwamen er vaak relschoppers. Ze verstoorden de samenkomsten. Soms moest de politie ingrijpen. Heilssoldaten werden zelfs geslagen.

Ook veel kerken keken met argwaan. Het Leger was luidruchtig. Vrouwen stonden vooraan en preekten. En dan die uniformen! Veel dominees vonden dat niets voor een kerk.

Toch groeide de groep. In de zomer van 1887 kreeg ze een eigen vlag. Nu was het een echt korps: Amsterdam 1. Een korps is in het Leger wat in een andere kerk een gemeente heet. Het is een groep gelovigen met een eigen zaal.

De koude winter

Toen kwam de winter van 1890 op 1891. Het werd extreem koud. In Amsterdam hadden veel mensen geen huis. Waar moesten zij slapen?

De heilssoldaten deden hun deuren open. Hun zalen werden slaapplekken. Aan het Rapenburg stond hun gebouw de Vrede-Ark. Daar konden mensen zonder huis terecht. Ook aan de Lijnbaansgracht kwam opvang. Er was hete soep en een ontbijt. Zo werden veel mensen gered van het doodvriezen.

Datzelfde jaar opende het Leger een vaste plek om te slapen, aan de Haarlemmerhouttuinen. Zo’n plek heette een nachtasiel.

En toen gebeurde er iets. De stad ging anders kijken. Eerst lachten mensen om de zingende soldaten uit De Pijp. Nu zagen ze dezelfde mensen soep uitdelen in de vrieskou.

Het Leger had geen groot plan gemaakt. Het had een zaal, het was koud, en de deur ging open.

Een bed voor tien cent

Na die winter ging het werk door. In de Warmoesstraat kwam een eenvoudig hotel, de Metropool. Je kon er slapen voor tien cent. Bij de slaapplekken kwamen werkplaatsen. Wie er sliep, kon er ook iets verdienen. In 1892 kwam William Booth zelf naar Amsterdam. Volgens het Leger stonden er duizenden mensen op het station en in de straten. De spot was langzaam respect geworden.

In 1893 telde het Leger in heel Nederland bijna honderdduizend overnachtingen.

In 1895 opende het Leger een huis aan de Prinsengracht. Het was voor vrouwen die hulp nodig hadden. Er was plaats voor zestig vrouwen. In Lunteren kocht het Leger een oude boerderij, Groot Batelaar. Daar konden mensen herstellen en opnieuw beginnen.

Een oude viool

Gerrit Govaars bleef zijn hele leven bij het Leger. Hij schreef liederen die de heilssoldaten zongen. Hij werd kolonel. Hij stierf in 1954, toen hij 88 jaar was.

In 2012 bestond het Leger in Nederland 125 jaar. Het feest begon in de Gerard Doustraat. Muziekkorpsen van het Leger vertrokken daar voor een estafette. Een violist speelde op de viool van Govaars. Diezelfde viool had daar 125 jaar eerder ook geklonken, op die eerste zondag.

Het Leger des Heils helpt nog steeds mensen in Amsterdam, en in heel Nederland.

Echt gebeurd?

Ja. Dat het Leger des Heils op 8 mei 1887 in de Gerard Doustraat begon, en dat het in de koude winter van 1890 op 1891 zijn deuren opende voor mensen zonder huis, staat in veel bronnen. Wat er die eerste avond in de zaal gebeurde, weten we alleen uit het verslag van Railton zelf. De zestien mensen aan de bank en de meeste andere getallen komen uit het Leger zelf. Wie de eerste samenkomst precies leidde, vertellen de bronnen verschillend. Ook op welk huisnummer het zaaltje was, weet niemand zeker.

Praat erover

  • Eerst lachten mensen om het Leger, later kregen ze respect. Wat veranderde er, denk je?
  • De heilssoldaten deden hun zaal open toen het koud was. Wat heeft jouw kerk, school of familie dat je met anderen zou kunnen delen?

Uit de Bijbel

Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven. (Mattheüs 25:35)

Ga zelf kijken

De Gerard Doustraat ligt in De Pijp in Amsterdam. Het is nu een drukke straat met terrassen en restaurants. Er hangt geen bordje over het begin van het Leger des Heils. Kun jij je voorstellen dat hier in 1887 een zaal vol zingende soldaten was?