Achter de huizen aan het Zusterplein in Zeist ligt een begraafplaats met een gracht eromheen. Je komt er binnen vanaf de Zinzendorflaan, over een houten brug en door een houten draaihek tussen twee bakstenen pijlers. Binnen liggen de graven in rechte rijen. Er staan geen engelen, geen zuilen, geen familiewapens. Alle stenen liggen plat in het gras en ze hebben dezelfde vorm. Op elke steen staat een nummer in Romeinse cijfers: het lidmaatnummer van wie daar begraven ligt. Tussen de graven staan bomen. Tegen de muur staat een klein lijkenhuisje met een plat dak.
In Zeist heet deze akker de Godsakker. Het Rijksmonumentenregister houdt het op een dodenakker en geeft de reden waarom hij beschermd is: de gaafheid van de aanleg, typerend voor het kerkgenootschap waarvoor hij bedoeld was. Dat kerkgenootschap is de Evangelische Broedergemeente. In Nederland kent bijna iedereen ze als de Hernhutters.
Wie vanaf de begraafplaats naar voren loopt, komt op twee pleinen voor Slot Zeist. Aan de westkant het Zusterplein, aan de oostkant het Broederplein. Strakke achttiende-eeuwse huizen, en daartussen een kerkzaal met een klein torentje. De Broedergemeente bezit hier vandaag ongeveer vijftig rijksmonumenten. Het is het grootste monumentencomplex van de provincie Utrecht.
Hoe komt een gemeente uit Midden-Europa op een landgoed bij Utrecht terecht? Het begint met een graaf, een groep vluchtelingen en een zomer waarin mensen leerden liefhebben.
VLUCHTELINGEN OP HET LAND VAN EEN GRAAF
In 1722 kwamen er vluchtelingen aan op het landgoed van een jonge Duitse edelman in de Oberlausitz, in het oosten van Saksen. Het waren geloofsvluchtelingen uit Moravië en Bohemen. Een bezoeker uit de negentiende eeuw noemde hen nakomelingen van de Waldenzen en de volgelingen van Jan Hus. De edelman gaf hun grond. Ze bouwden er een dorp en noemden het Herrnhut, de hoede van de Heer.
Die edelman was graaf Nikolaus Ludwig von Zinzendorf. Hij was een piëtist, iemand die geloof vooral zocht in een persoonlijke band met Jezus en in een heilig leven, meer dan in leerstellingen. Een nieuwe kerk wilde hij niet stichten. Hij droomde van een kring van levende christenen dwars door de bestaande kerken heen. Zelfs katholieken sloot hij niet uit.
De Republiek kende hij al. Als jonge man, rond 1719, had hij gereisd door de Nederlanden en Frankrijk. Hij ontmoette er mensen uit allerlei kerken die hun geloof in daden lieten zien. Dat land, waar zoveel geloofsgroepen naast elkaar leefden, zou later een belangrijke plek in zijn leven krijgen.
“WE LEERDEN LIEFHEBBEN”
Herrnhut was in het begin geen vredig dorp. Er woonden mensen met verschillende achtergronden en ze maakten ruzie over de leer. Op 12 mei 1727 ondertekenden de bewoners een Broederlijk Verbond, een set afspraken over hoe ze samen wilden leven.
Op woensdag 13 augustus 1727 vierden ze samen het avondmaal in de kerk van het naburige Berthelsdorf. Zinzendorf had vooraf elk huis in Herrnhut bezocht. In het dagboek van de gemeente staat over die tijd een korte zin: “we leerden liefhebben”. Zinzendorf zelf noemde de dag later het Pinksteren van de gemeente, een dag waarop de Heilige Geest werd uitgestort.
Uit diezelfde zomer komt het verhaal van het uurgebed. Volgens de overlevering van de Broedergemeente verbonden zich een paar weken na 13 augustus vierentwintig mannen en vierentwintig vrouwen om elk één uur per dag te bidden. Zo ging het gebed dag en nacht door, en dat zou meer dan honderd jaar zijn volgehouden. Dit verhaal wordt in de Broedergemeente en ver daarbuiten verteld. Een wetenschappelijke bron die de honderd jaar nauwkeurig vastlegt, heb ik niet gelezen. Andere beschrijvingen van die zomer spreken van nachtelijke gebedssamenkomsten.
Bij dat gebed moet ik denken aan een regel uit de wet van Mozes over het altaar: Het vuur moet voortdurend op het altaar blijven branden, het mag niet uitgeblust worden. (Leviticus 6:13). Het is mijn verband, niet dat van de bronnen. Maar het beeld past bij mensen die afspraken dat er altijd iemand wakker bleef om te bidden.
TWEE JONGEMANNEN NAAR ST. THOMAS
Het gebed bleef niet binnen de dorpsgrenzen. In 1732 vertrokken twee jonge mannen uit Herrnhut naar St. Thomas, een eiland in het Caribisch gebied onder Deens bestuur. Ze gingen naar tot slaaf gemaakte mannen en vrouwen op de plantages. Een jaar later gingen anderen naar Groenland.
In 1735 waren er zendelingen in Suriname, toen een Nederlandse kolonie. Ze werkten onder Inheemse volken, onder Marrons, de nakomelingen van mensen die van de plantages waren gevlucht, en onder tot slaaf gemaakten. Zinzendorf richtte zich op de Republiek, onder meer vanwege die zending. Hij had er goede contacten met de familie van de Friese stadhouder.
VIER MAANDEN IN AMSTERDAM
In 1735 ontstond in Amsterdam een kring van mensen die zich aangetrokken voelden tot Herrnhut. Een van hen was Joannes Deknatel, predikant van de doopsgezinde gemeente bij het Lam. Doopsgezinden, of mennonieten, zijn de erfgenamen van de dopersen uit de zestiende eeuw: ze dopen alleen wie zelf gelooft en wilden lang geen geweld gebruiken.
In het voorjaar van 1736 kwam Zinzendorf zelf. Hij reisde met zijn vrouw Erdmuthe Dorothea en hun oudste dochter Benigna. Vier maanden bleef hij in Amsterdam. Deknatel ontving hem. Hetzelfde jaar werd Zinzendorf uit Saksen verbannen. Edelen uit de buurt hadden hem beschuldigd, en er waren vragen over zijn rechtzinnigheid. Hij werd een reizende graaf, zonder vaste plek.
In januari en februari 1737 was hij opnieuw een paar weken in Amsterdam, op weg naar Engeland. Bij Deknatel thuis vierde hij met zijn vrienden het avondmaal. In de jaren daarna leidde Deknatel de bijeenkomsten van de Hernhutters als Zinzendorf er niet was.
EEN HUIS AAN DE HOLLANDSE IJSSEL
Ook in IJsselstein kwam een gemeente, in 1736. De uitnodiging kwam van Maria Louise van Hessen-Kassel, de weduwe van de Friese stadhouder. De Friezen noemden haar Marijke Meu. Ze was vrouwe van de baronie IJsselstein. Langs de Hollandse IJssel bouwden de Hernhutters een groot huis, als doorgangshuis voor zendelingen op weg naar overzee.
Dat huis heette ’s Heerendijk. Er staat nog iets van. Aan de Noord IJsseldijk 53 in IJsselstein staat een pand met een rieten dak, gebouwd in 1735. Het Rijksmonumentenregister noemt het een overblijfsel van ’s Heerendijk, “de eerste nederzetting der Hernhutters in Nederland”.
Zo had de beweging binnen een paar jaar plekken in Amsterdam, in IJsselstein en kort daarna in Haarlem. Wat ze nog niet had, was een eigen dorp zoals Herrnhut.
EEN WAARSCHUWING VAN DE KANSEL
Niet iedereen was blij met de nieuwe broeders. De Gereformeerde Kerk, de publieke kerk van de Republiek, zag in de leer van Zinzendorf een gevaar. Hij was vaag over de leer, vonden de predikanten, en hij had geen geschreven belijdenis. Ze verweten hem enthousiasme, een woord dat toen dweperij betekende. Rond 1744 tot 1750 kwam er nog iets bij: liederen en preken met een sterke nadruk op het bloed en de wonden van Jezus, in beelden die veel mensen te ver gingen. Zinzendorf nam er later zelf afstand van.
In 1738 liet de classis Amsterdam, de vergadering van gereformeerde predikanten in die regio, een Herderlijke en Vaderlijke Brief uitgaan. Het was een waarschuwing aan de gelovigen. Kerkenraden zetten leden die met de Hernhutters omgingen onder druk. Andere classes en synodes zetten de Hernhutters op de lijst van ketterse sekten. In 1739 schreef de predikant Kulenkamp er een boek tegen.
Ook Deknatel kreeg het moeilijk. Op 1 juni 1749 liep bij zijn huis aan de Leliegracht een menigte uit. De stadsbestuurders grepen in, en Deknatel beloofde te stoppen met de bijeenkomsten.
Na 1750 hield de campagne op. In de provincie Utrecht verzachtte de synode het scherpe artikel tegen de Hernhutters in 1784. Pas in 1810 verdween de waarschuwing helemaal. Het is goed om beide kanten te zien. De predikanten wilden hun gemeenten beschermen tegen wat zij als dwaling zagen. De Hernhutters wilden in vrede samenkomen. Het kostte de broeders jaren van wantrouwen en spot.
EEN IJZERHANDELAAR KOOPT EEN SLOT
In 1745 stonden Slot Zeist en de heerlijkheid Zeist en Driebergen te koop. Eigenaar was Willem Adriaan van Nassau-Odijk. Op 29 augustus 1745 verkocht hij alles aan Cornelis Schellinger, een Amsterdamse ijzerhandelaar, en zijn vrouw Sophia Centen. De koop was bedoeld voor de Broedergemeente. De koopsom was 157.000 gulden. Amsterdamse kooplieden, vooral van doopsgezinde afkomst, brachten samen ongeveer een half miljoen gulden bijeen. Naast Cornelis Schellinger worden Jacob Schellinger, Matthijs Beuning en Jan Verbeek genoemd.
Schellinger en zijn vrouw gingen eerst zelf in het Slot wonen. Medewerkers kregen er kamers. In 1746 besloot een synode op het Slot, een vergadering van de leiding van de broeders, om in Zeist een gemeente te stichten. Dat jaar geldt als het begin van de Broedergemeente Zeist.
In 1747 liet de gemeente aan de tuinkant van het Slot een vertrek aanbouwen voor Zinzendorf. Ze noemden het Papa’s Stube. De graaf kreeg als beschermheer ook de Koningskamer en vijf kamers ernaast. Hoe vaak en hoe lang hij er verbleef, heb ik in de bronnen niet kunnen vinden.
BROEDERS AAN DE ENE KANT, ZUSTERS AAN DE ANDERE
In 1747 trokken de ongehuwde broeders in een oude bierbrouwerij bij het Slot. Ze noemden het gebouw Bethlehem. Daarna begon het bouwen op de weilanden voor het Slot.
Op 23 augustus 1748 werd de eerste steen gelegd van het Broederhuis aan het oostelijke plein. Op 8 oktober 1748 volgde het Zusterhuis aan het westelijke plein. Tussen 1748 en 1750 kwam er een Weduwenhuis aan het Zusterplein, voor weduwen en kinderen.
Die gebouwen laten zien hoe de gemeente leefde. De Hernhutters deelden hun leden in koren in. Dat waren geen zangkoren. Een koor was een groep mensen in dezelfde levensfase: ongehuwde broeders, ongehuwde zusters, getrouwden, weduwen, kinderen. Elk koor had eigen samenkomsten en vaak een eigen huis. Het Broederhuis en het Zusterhuis heetten koorhuizen.
In augustus 1883 kwam een bezoeker kijken. Hij schreef op wat hij zag. Op zondag waren er aparte samenkomsten voor getrouwde mannen, weduwen, jonkmans, getrouwde vrouwen, jonge dochters en weeskinderen. Iedereen werkte, behalve zieken en ouden. Hij noteerde een korte zin: “Luiaards worden in die kleine gemeente niet geduld.” In het Broederhuis was een winkel, en rond de huizen lagen tuinen. Wie met iemand van buiten trouwde, moest in principe de gemeente verlaten.
Ook de kerkdiensten volgden die indeling. Tot 1768 kwam de gemeente samen in de oranjerie van het Slot, met een aparte ingang voor broeders en een voor zusters.
EEN KERKZAAL ALS EEN RIJ HUIZEN
Op 9 oktober 1766 begon aan het Zusterplein de bouw van een kerkzaal. Het ontwerp was van Moritz Christian von Schweinitz, die ook de bouw leidde. Het werd geen kerk met een toren die boven het dorp uitsteekt. De zaal werd gebouwd als een rij huizen onder één dak, samen met woningen en werkplaatsen. Op 20 oktober 1768 werd de Grote Kerkzaal in gebruik genomen. Het torentje dat je nu ziet, kwam er pas in 1854.
Zinzendorf heeft die zaal niet meer gezien. Hij stierf op 9 mei 1760 in Herrnhut, negenenvijftig jaar oud.
Wie de kerkzaal binnengaat, stapt in een ruimte die al meer dan tweehonderdvijftig jaar dienstdoet. In 1820 kerkte de hervormde gemeente van Zeist er nog, toen de Oude Kerk werd herbouwd. Zo kwamen de gereformeerden, die de broeders zeventig jaar eerder nog wantrouwden, onder hun dak samen.
ZENDELINGEN AAN HET ZUSTERPLEIN
Wonen, werken en geloven hoorden in Zeist bij elkaar. Er waren werkplaatsen, een bakkerij, een slagerij, een smederij, een kantklosserij. Maar de pleinen keken ook naar buiten. Zendelingen kwamen vaak eerst naar Zeist voor ze vertrokken.
In 1792 was er een uitzendingsdienst voor de eerste zendelingen naar Zuid-Afrika. Een jaar later, in 1793, richtte de Broedergemeente het Zeister Zendingsgenootschap op. Het werd in Nederland vooral bekend door het werk in Suriname. Vanaf 1794 was er elk jaar een Zendingsfeest in de kerkzaal. In 1862 kwamen daar meer dan tweeduizend mensen op af.
De geschiedenis van die zending is niet eenvoudig. M. Lenders beschreef in een proefschrift het leven van Hernhutter broeders en zusters in Suriname van 1735 tot 1900. Ze werkten midden in een samenleving die op slavernij rustte. Tot slaaf gemaakten mochten niet wettig trouwen. De zending bood hun een verbond aan als vervanging, maar volgens een recensie van het boek wilden maar weinigen dat. In de eerste decennia besliste onder de broeders en zusters zelf soms het lot wie met wie trouwde. In 2013, bij de herdenking van honderdvijftig jaar afschaffing van de slavernij, bood de Raad van Kerken excuses aan voor de rol van de kerken in het slavernijverleden. Dat gebeurde ook namens de Evangelische Broedergemeente.
En er is meer te vertellen. In 1913 werd in Zeist de Surinaamse diaken Cornelis Blijd gewijd tot presbyter, een ambt waarin hij de sacramenten mocht bedienen. Volgens de Universiteit Utrecht wonen er vandaag ongeveer zestigduizend Hernhutters in Suriname.
Wat doe je met een geschiedenis waarin geloof en onrecht zo door elkaar lopen? Ik heb er geen kort antwoord op. Ik zie mensen die vertrokken met een evangelie in hun bagage, in een wereld die ze niet hadden gemaakt maar ook niet omverwierpen. En ik zie hun Surinaamse kinderen in het geloof, die de kerk overnamen.
DE KLOK DIE VERDWEEN
In 1818 werd het Slot verkocht. De Broedergemeente hield de twee pleinen, de Karpervijver en de begraafplaats. Volgens een wandeltocht langs de pleinen waren de diensten tot 1945 in het Duits. Dat heb ik in geen tweede bron teruggevonden.
In de Tweede Wereldoorlog haalden de Duitsers de luidklok van de kerkzaal weg. De zaal gaf onderdak aan vluchtelingen uit Arnhem. Op de binnenmuur van de begraafplaats hangt een gedenkplaat voor twee leden van de gemeente die in de oorlog omkwamen. Paul Oscar Martin, geboren in Zeist in 1900, stierf in 1943 als krijgsgevangene in Singapore. John Otto Arkes, geboren in Zeist in 1920, werd op 26 september 1944 in Amsterdam geëxecuteerd.
In 1993 bestond het Zeister Zendingsgenootschap tweehonderd jaar. Er was een dienst in de kerk aan het Zusterplein en een ontvangst in Slot Zeist. Het genootschap kreeg een prijs voor “twee eeuwen onbaatzuchtig werk”. Het steunde toen vooral projecten in Suriname, voor kinderen, ouderen, onderwijs en medische zorg.
GELIJK IN DE GROND
Het Rijksmonumentenregister zegt dat de begraafplaats is aangelegd na 1748. Het oudste graf dat er nu ligt, is van 1777. In andere teksten lees je dat de akker al in 1747 werd aangelegd. Hoe dat precies zit, kon ik niet vaststellen.
Wat wel vaststaat, is wat je ziet. Rijen gelijke stenen. Een nummer, een naam. Rijk of arm, aan de stenen zie je het verschil niet. Die vorm is typerend voor dit kerkgenootschap, schrijft het register.
De bezoeker van 1883 beschreef nog een gewoonte. Op paasmorgen kwam de gemeente bij zonsopgang samen voor een bijzondere plechtigheid. Zijn verslag breekt daar af.
Vandaag wonen de meeste leden van de gemeente niet meer op de pleinen. De huizen worden verhuurd, aan bedrijven en aan bewoners. De grote kerkzaal biedt plaats aan zo’n vierhonderd mensen en wordt ook gebruikt voor concerten, huwelijken en lezingen. De gemeente noemt zichzelf open en vrijzinnig, en ze houdt de band met de kerken in Suriname vast.
Loop aan het eind nog eens terug naar de gracht. Over het houten bruggetje, door het draaihek. Daar liggen ze, broeders en zusters, met hun nummers naar de hemel. Ze hadden in hun leven een kamer in een koorhuis en een plek in de rij. Hier hebben ze dat nog steeds.
GA ER ZELF HEEN
De pleinen van de Evangelische Broedergemeente liggen in het centrum van Zeist, recht voor Slot Zeist. Het Zusterplein ligt aan de westkant, het Broederplein aan de oostkant. De Grote Kerkzaal staat aan het Zusterplein, herkenbaar aan het kleine torentje. De begraafplaats ligt achter de bebouwing van het Zusterplein, met de ingang aan de Zinzendorflaan. Kijk voor diensten, rondleidingen en de toegankelijkheid van kerkzaal en begraafplaats op de website van de Evangelische Broedergemeente Zeist.
Aan de Lageweg 27 in Zeist ligt Museum Het Hernhutter Huis. Het werd opgericht door de Broedergemeente en het Zeister Zendingsgenootschap en heeft sinds 2018 een vaste tentoonstelling over de Hernhutters, hun leven in Zeist en hun zendingswerk. Er zijn ook wisselende tentoonstellingen. Kijk voor openingstijden op de website van Het Hernhutter Huis.
Wie de eerste stappen van de Hernhutters in Nederland wil zien, kan doorrijden naar IJsselstein. Aan de Noord IJsseldijk 53 staat het pand uit 1735 dat het Rijksmonumentenregister een overblijfsel van ’s Heerendijk noemt. Bekijk het vanaf de openbare weg.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): het ontstaan van Herrnhut (1722) en het avondmaal van 13 augustus 1727; de zending naar St. Thomas (1732) en Suriname (vanaf 1735); de Amsterdamse kring rond Deknatel en de verblijven van Zinzendorf in Amsterdam in 1736 en 1737; de gemeente in IJsselstein (1736) en het overblijfsel van ’s Heerendijk; het verzet van de Gereformeerde Kerk vanaf 1738; de koop van Slot Zeist in 1745 voor 157.000 gulden; het besluit van 1746; de bouw van Broederhuis, Zusterhuis en Weduwenhuis vanaf 1748; de kerkzaal van Von Schweinitz (1766-1768); het Zeister Zendingsgenootschap (1793); de aanleg en vorm van de begraafplaats; de excuses van 2013 ook namens de Broedergemeente.
Alleen uit overlevering of eigen getuigenis: het uurgebed van vierentwintig mannen en vierentwintig vrouwen dat meer dan honderd jaar zou hebben geduurd; Zinzendorfs woorden over het Pinksteren van de gemeente; de naam Godsakker voor de begraafplaats in Zeist; de beschrijving van het gemeenteleven in 1883 (één ooggetuige).
Onbevestigd: het precieze jaar waarin de begraafplaats werd aangelegd (1747 volgens sommige teksten, na 1748 volgens het monumentenregister, oudste graf 1777); Duitstalige diensten tot 1945; of en hoe lang Zinzendorf zelf in Zeist verbleef; een paasdienst op de begraafplaats in Zeist.
Duiding: hoe de zending in Suriname moet worden gewogen tegen haar plaats in een slavensamenleving, is een open gesprek, ook binnen de Broedergemeente zelf.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Rijksmonumentenregister, monument 40408: begraafplaats behorende bij Slot Zeist
- Rijksmonumentenregister, monument 20137: Noord IJsseldijk 53, IJsselstein
- M. Schimmel en C.L. Temminck Groll, “Het Zusterplein en het Broederplein van de Evangelische Broedergemeente Zeist”, Bulletin KNOB 1970
- C.L. van Groningen, “Het Slot te Zeist en zijn bewoners vanaf 1745 tot 1924”, Bulletin KNOB 2002
- Nederlandse historische bronnen 3 (1983), “De Bataafse Omwenteling te Zeist” (DBNL)
- Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, deel 2: Deknatel (DBNL)
- E.G.E. van der Wall, recensie van Exalto en Karels, Waakzame wachters en kleine vossen (BMGN)
- P.C. Emmer, recensie van M. Lenders, Strijders voor het Lam (BMGN)
- J. Meerdink, Het huis ’s Heerendijk en zijn bewoners (Universiteit Utrecht)
- Hernhutters in beweging: 250 jaar grote kerkzaal (2019), voorproef
- “Een bezoek bij de Hernhutters” (1887), deel 1 (DBNL)
- “Een bezoek bij de Hernhutters” (1887), vervolg (DBNL)
- Christian History, “We learned to love”
- Zinzendorf.com, “A Golden Summer”
- Women on the Move: dagboek van de reis van de Zinzendorfs naar de Nederlanden, 1736
- Universiteit Utrecht, Overzichtskaart van het zendings- en kerkewerk der Evangelische Broedergemeente in Suriname (1960)
- Neerlandia 1993, “VN-prijs voor ZZG” (DBNL)
- VPRO, De plantage van onze voorouders, aflevering 7
- TracesOfWar, gedenkplaat begraafplaats Evangelische Broedergemeente Zeist
- Functieprofiel directeur-rentmeester Evangelische Broedergemeente Zeist (2026)
- Visit Utrecht Region, Het Hernhutter Huis
- Geocaching, wandeling langs de pleinen van de Broedergemeente
- Wikipedia, Nicolaus Zinzendorf (startpunt)