Aan de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam staat op de hoek met de Heintje Hoekssteeg een smal grachtenhuis. Het heeft een houten winkelpui en een puntgevel, zoals zoveel huizen in deze straat. Wie langsloopt, ziet niets bijzonders. Er is geen toren.
Binnen is het anders. Je gaat smalle trappen op, langs een voorkamer met een bedstee in de wand, langs een keuken. In de sael, de deftige ontvangstkamer, liggen nog de vloer, de lambrisering en de schouw uit de jaren waarin het huis werd verbouwd, 1661 tot 1663. Dan gaan de trappen verder. Bovenin opent zich een ruimte die je in een woonhuis niet verwacht, met banken en een orgel. Een barok altaar met twee gemarmerde zuilen en twee engeltjes met lelietakken. Boven het altaar hangt een schilderij van Jacob de Wit uit 1716: de doop van Christus in de Jordaan. Er is plaats voor ongeveer honderdvijftig mensen.
Deze kerk heet Ons’ Lieve Heer op Solder. Die naam kreeg ze pas in de negentiende eeuw. De mensen die hier in de zeventiende eeuw ter kerke gingen, noemden haar Het Hart.
Hoe komt een kerk op een zolder terecht? Om dat te begrijpen moet je terug naar een ochtend in mei, ruim tachtig jaar voordat Jan Hartman dit huis kocht.
SCHUITJES NAAR DE ANTHONIESDIJK
Amsterdam was lang katholiek gebleven. Terwijl de andere steden van Holland zich bij de opstand tegen koning Filips II aansloten, bleef de stad trouw aan de koning en aan de oude kerk. Begin 1578 kwam daar een eind aan. Op 8 februari tekende Amsterdam de Satisfactie, een overeenkomst waarmee de stad zich onder het gezag van de prins van Oranje en de Staten van Holland plaatste.
Drie maanden later viel het besluit. Op 26 mei 1578, vroeg in de ochtend, werd op het stadhuis een wisseling van het stadsbestuur afgedwongen. De katholieke burgemeesters en raadsleden werden afgezet. Samen met een aantal priesters en de meeste franciscaner monniken werden ze in schuitjes gezet en de stad uit gebracht, naar de Anthoniesdijk. Historici noemen dit de Alteratie, de omwenteling.
Volgens de beschrijvingen die ik las, vielen er die dag geen doden. Maar voor de katholieke stad veranderde alles. De grote parochiekerk van Amsterdam was gewijd aan Sint Nicolaas, de beschermheilige van de stad. Ze ging over in handen van de gereformeerden en werd voortaan de Oude Kerk genoemd. Op 2 september 1578 werden de Nieuwe Kerk en de kerk van de franciscanen leeggehaald: de altaren en de beelden gingen eruit. In 1579 namen de burgemeesters de klokken van de kloosters in beslag.
Op 18 april 1580 kondigde Amsterdam een verbod af van de Staten van Holland. De katholieke eredienst was voortaan verboden. Alleen de vrijheid van geweten bleef. Je mocht katholiek zijn in je hart. Je mocht het niet vieren.
EEN KERK DIE IEDEREEN KENDE
Wat doen mensen als hun kerk wordt afgepakt? In Amsterdam bleven ze samenkomen. Ze deden het in woonkamers, in werkplaatsen, in pakhuizen. Het stadsbestuur wist ervan en liet het vaak gebeuren, zolang de bijeenkomsten van buiten niet te herkennen waren.
Daarvoor bestaat een Nederlands woord: gedogen. Iets is verboden, maar de overheid treedt er niet tegen op. De schrijver Russell Shorto legt het in een boek over dit museum uit als iets wat technisch onwettig is, maar officieel getolereerd.
Het woord schuilkerk past daar eigenlijk slecht bij. De kerkhistoricus Joke Spaans schrijft dat de naam onjuist is, omdat deze bedehuizen openlijk bekend waren. De kunsthistoricus Richard de Beer noemt het een romantisch begrip uit de negentiende eeuw. Iedereen in de buurt wist waar de katholieken op zondag naartoe gingen. De regel was alleen dat je het vanaf de straat niet mocht zien. Een toren was volgens De Beer volledig uitgesloten.
En het waren er veel. In 1656 maakte de gereformeerde kerkenraad van Amsterdam een lijst. Er stonden tweeënzestig huizen op waar katholieken geregeld bij elkaar kwamen. Rond 1650 woonden er naar schatting dertigduizend katholieken in de stad, ruim een vijfde van de bevolking. Er werkten in die jaren meer dan zestig priesters in Amsterdam, twee keer zoveel als er gereformeerde predikanten waren.
Richard de Beer beschrijft hoe dat in Holland groeide. Tussen 1580 en 1620 kwamen katholieken samen in steeds wisselende woonkamers. Rond 1620 ontstonden vaste huiskerken. Grote kerken in de steden, achter een gewone gevel, waren pas vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw toegestaan. In Amsterdam werd het aantal plekken in die tijd kleiner. In 1683 telde de lijst nog zesentwintig adressen, aan het eind van de achttiende eeuw vierentwintig.
SACRAMENTSDAG 1641
Gedogen betekende niet dat er nooit iets gebeurde.
Op Sacramentsdag 1641, een katholieke feestdag ter ere van het brood van de eucharistie, viel de schout binnen bij twee missen. De schout was de ambtenaar die de orde moest handhaven en overtredingen moest bestraffen. Er waren meer dan vijfhonderd gelovigen aanwezig. De boetes kwamen bij elkaar op 6200 gulden.
Voor een groep mensen die samen een mis vierden, was dat een groot bedrag. Wie katholiek was in de Republiek, wist dat zoiets kon gebeuren. Je kon je geloof houden. Je betaalde er soms voor.
EEN AUGUSTIJN UIT GENT
In april 1636 kwam er een priester naar Amsterdam die later in dit huis zou wonen. Hij heette Petrus Parmentier, geboren in 1601. Hij was augustijn, een kloosterling uit de orde die zich noemt naar de kerkvader Augustinus, en hij kwam uit het klooster van Sint-Stefanus in Gent.
Een priester in Amsterdam had in die jaren geen parochiekerk en geen vaste inkomsten van de kerk. De bezittingen van de oude kerk waren in handen van de overheid gekomen. Hij was afhankelijk van de gelovigen die hem onderhielden. Hij woonde bij hen, preekte in hun huizen en bediende de sacramenten in kamers die op zondag een kerk werden.
Waar Parmentier de eerste vijfentwintig jaar precies preekte, heb ik niet kunnen vinden. Zijn naam komt pas helder in beeld als een koopman aan de Oudezijds Voorburgwal gaat verbouwen.
VAN BAKKERSGEZEL TOT KOOPMAN
Die koopman was Jan Hartman. Hij kwam uit Coesfeld, een stadje in Duitsland, niet ver van Münster. Het museum houdt het op 1619 als geboortejaar. In een boek over het museum staat 1609. Welk jaar klopt, kan ik niet zeggen.
Volgens dat boek kwam hij in 1633 via Zwolle en Utrecht naar Amsterdam, samen met zijn broer Hendrick. Hij begon als bakkersgezel, een jonge knecht bij een bakker. Het museum vertelt dat hij zich opwerkte tot een geslaagd ondernemer. Hij trouwde in 1643 met Maria Verhoeven uit Haarlem, die het jaar daarna overleed. Zijn tweede vrouw heette Elisabeth. Ze kregen kinderen. Hij woonde een tijd aan de Zeedijk.
Hartman was katholiek. Hij leefde in een stad waar hij zijn geld mocht verdienen en zijn huis mocht kopen, maar waar zijn kerk geen gebouw aan de straat mocht hebben. Hij was een nieuwkomer uit Duitsland die in Amsterdam rijk was geworden.
10 MEI 1661
Op 10 mei 1661 kocht Jan Hartman het huis aan de Oudezijds Voorburgwal, met de twee woningen erachter aan de steeg. Hij betaalde er zestienduizend gulden voor. Meteen daarna liet hij alles flink verbouwen.
Wat hij deed, kun je vandaag nog zien. Hij liet de zolders van de drie huizen met elkaar verbinden. Op de bovenste verdiepingen ontstond zo één ruimte die groot genoeg was voor een kerk. Het monumentenregister geeft als bouwtijd 1661 tot 1663. In 1663 werd de kerk in gebruik genomen.
Volgens het museum loopt de weg naar de kerk via de Heintje Hoekssteeg, en onderweg naar boven hangt nog een wijwaterbakje in de muur. Katholieken dopen bij binnenkomst van een kerk hun vingers in gewijd water en maken een kruisteken, als herinnering aan hun doop. Wie hier naar boven ging, deed dat in een gewoon trappenhuis.
De kerk kreeg de naam Het Hart, naar de man die haar bouwde. Ze was gewijd aan Sint Nicolaas. Het was dezelfde heilige aan wie de Oude Kerk was gewijd, de kerk die de katholieken in 1578 waren kwijtgeraakt. Later stond ze officieel bekend als de statie van Sint Nicolaas binnen de veste. Statie was in de Republiek de naam voor zo’n katholieke gemeente.
EEN PRIESTER, EEN HELPER EN TWEE GEESTELIJKE DOCHTERS
Petrus Parmentier huurde de kerk en een van de steegwoningen. Hij werd de eerste priester van Het Hart. Vanaf 1664 kreeg hij hulp van een tweede priester, Johannes van den Eeckhout.
Het museum noemt ook twee vrouwen: Maria van Eck en Margaretha van Loon. Het waren geestelijke dochters, ook wel klopjes genoemd. Dat waren katholieke vrouwen die ongetrouwd bleven en hun leven aan de kerk gaven, zonder in een klooster te gaan. In Amsterdam waren de kloosters gesloten. Uit onderzoek naar zulke vrouwen in Haarlem weten we wat ze deden. Ze zorgden voor het huishouden van de priester, zongen in het koor, gaven les in het geloof en zamelden geld in. Zonder hen draaide een statie niet.
Ik sta er vaak bij stil hoe weinig hun namen worden genoemd. Maria van Eck en Margaretha van Loon zijn twee namen op een museumsite. Meer weten we niet van hen. Ze zaten wel in het hart van dit verhaal.
In 1664 bestelde een vrouw die Sybilla Fonteijn heette een reeks schilderijen voor de kerk bij de schilder Adriaen van de Velde. Ze laten het lijden van Christus zien. Ze zijn nog in het museum.
EEN HUIS VOL SCHULDEN
Jan Hartman zag zijn kerk maar een paar jaar in gebruik. Hij werd op 25 april 1668 begraven in de Oude Kerk. Zo kwam de bouwer van de nieuwe Sint-Nicolaaskerk op zolder te liggen in de oude Sint-Nicolaaskerk.
Hij liet behoorlijke schulden achter. Enkele jaren later moest zijn familie de huizen verkopen. Voor Parmentier betekende dat het einde van zijn tijd in Het Hart. In 1670 moest hij de woning en de kerk verlaten. De familie Van Loon, die zelf een huiskerk had aan de Oudezijds Achterburgwal, De Ster, vroeg hem daar priester te worden. Hij ging.
Parmentier overleed in 1681, rond zijn tachtigste. Hij werd begraven in de Nieuwe Kerk, in het graf van de familie Van Loon. In het museum hangt een portret van hem uit dat jaar.
De kerk bleef in gebruik. In de achttiende eeuw werd ze verbouwd, kwamen er vaste banken voor de notabelen, en in 1794 kreeg ze het orgel dat er nog staat.
ACHTER DE HUIZEN VAN DE KEIZERSGRACHT
Het Hart was niet de enige kerk in Amsterdam die zich achter een gewone gevel verborg. Katholieken werden het zwaarst getroffen, omdat ze in verband werden gebracht met Spanje en de paus. Maar ze waren niet de enigen die geen kerk aan de straat mochten bouwen.
De doopsgezinden, de geestelijke erfgenamen van de dopers en van Menno Simons, kregen in Holland relatief veel ruimte. Hun kerk aan het Singel dateert uit 1639. Ook zij bouwden achter de huizen. In 1664 raakte hun Amsterdamse gemeente zelf verdeeld, in een strijd die de Lammerenkrijg wordt genoemd.
De lutheranen werden het meest gedoogd. In 1600 kregen ze een pakhuis aan het Spui. In 1633 bouwden ze daar een kerk die gewoon aan de straat stond. In 1671 volgde de ronde koepelkerk aan het Singel.
De remonstranten hadden het moeilijker. In 1619 werden ze uit de gereformeerde kerk gezet. In 1617 werd in Amsterdam het huis van Rem Bisschop geplunderd. Op tweede paasdag 1626 gebeurde hetzelfde met een remonstrants huis aan de Oude Schans. Pas na 1627 kregen ze rust. In 1630 werd hun kerk ingewijd, achter de huizen aan de Keizersgracht. Dat gebouw heet nu De Rode Hoed.
Ook de Joodse gemeenschap kreeg in deze jaren een plek. In 1612 nam ze een synagoge in gebruik. In 1671 en 1675 bouwden de Hoogduitse en de Portugese gemeente grote synagogen.
WAAR DE VERDRAAGZAAMHEID OPHIELD
Nederland heeft een naam als land van verdraagzaamheid. Voor een deel klopt dat: in Amsterdam leefden veel geloven naast elkaar. Maar wie goed kijkt, ziet de grenzen.
Katholieken, doopsgezinden, lutheranen en Joden waren uitgesloten van openbare ambten. Een katholieke koopman kon rijk worden, maar geen burgemeester. De gereformeerde kerk was de publieke kerk, en het stadsbestuur hield daar zelf toezicht op. Zelfs gereformeerde predikanten moesten oppassen. In 1629 werd voorganger Smout afgezet en verbannen omdat hij het stadsbestuur vanaf de kansel aanviel.
In 1750 boden de Portugese en de Hoogduitse Joodse gemeente elk tienduizend gulden om toegelaten te worden tot de gilden. Het werd hun geweigerd.
Hoe zou jij het vinden om je geloof te mogen houden, zolang niemand het vanaf de straat kon zien? De katholieken van Het Hart kregen de ruimte om samen te komen. Ze kregen ook duidelijk te horen dat ze tweederangs burgers waren. Beide dingen waren waar, tegelijk, ruim tweehonderd jaar lang.
EEN NIEUWE KERK AAN DE PRINS HENDRIKKADE
In 1795 kwam er een eind aan de Republiek. Alle geloven kregen vrijheid om openlijk gebedshuizen te bouwen. Het duurde nog decennia voordat de katholieken van Amsterdam nieuwe kerken aan de straat neerzetten. Dat gebeurde vooral vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw.
Voor de gemeente van Het Hart kwam het moment in 1887. Aan de Prins Hendrikkade was tussen 1884 en 1887 een grote nieuwe kerk gebouwd naar een ontwerp van Adrianus Bleijs. Ook die werd gewijd aan Sint Nicolaas. Na ruim tweehonderd jaar verhuisde de gemeente van de zolder naar een kerk aan de straat.
Het huis aan de gracht dreigde te worden afgebroken. In 1883 was een katholieke vereniging opgericht, De Amstelkring, om de geschiedenis van de katholieke kerk in Amsterdam te onderzoeken. Op 31 mei 1887 kocht zij het pand voor zesduizend gulden. Er was weinig geld, dus werd alleen het hoognodige hersteld. Op 28 april 1888 ging het huis open voor het publiek. Na het Rijksmuseum is het het oudste museum van Amsterdam.
WEER EEN MIS OP ZOLDER
Een museum is iets anders dan een kerk. In 1951 begon een groep Amsterdamse kunstenaars weer met een maandelijkse mis op de zolder. Er worden er nog steeds gehouden. Het museum noemt ze Soldermissen.
In 1970 werd het huis een rijksmonument. Tussen 2009 en 2015 werd het opnieuw gerestaureerd. Ernaast kwam een nieuw entreegebouw, ontworpen door architect Felix Claus. Op 22 september 2015 werd het vernieuwde museum geopend, in aanwezigheid van koningin Máxima. Het nieuwe gebouw is met het oude huis verbonden door een gang onder de grond. Het museum wilde het huis laten zien als een plek waar mensen woonden, werkten en hun geloof beleefden.
Toen ik over deze plek las, moest ik denken aan een woord van Jezus dat katholieken en protestanten allebei kennen: Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden. (Mattheüs 18:20). Je hebt er geen toren voor nodig.
Ga nog één keer terug naar die zolder. Naast het altaar staan de twee gemarmerde zuilen. In de voet van de linker zuil zit een preekstoel van mahoniehout die je kunt uitklappen. Als hij niet gebruikt werd, verdween hij in de zuil.
Buiten loopt de stad gewoon door. Boven hangt de doop van Christus van Jacob de Wit, op een zolder die Jan Hartman liet doorbreken, met plaats voor honderdvijftig mensen. Vanaf de gracht zie je er nog steeds niets van.
GA ER ZELF HEEN
Museum Ons’ Lieve Heer op Solder staat aan de Oudezijds Voorburgwal 38-40 in het oude centrum van Amsterdam, op de hoek met de Heintje Hoekssteeg. Het is ongeveer vijf minuten lopen vanaf Amsterdam Centraal en van metrostation Nieuwmarkt. Je komt binnen via het nieuwe entreegebouw naast het grachtenhuis, met een museumcafé en een winkel op de begane grond.
In het huis zie je de sael met zijn zeventiende-eeuwse vloer en schouw, de voorkamer met de bedstee, keukens en smalle trappen. Bovenin ligt de zolderkerk met het barokke altaar, het schilderij van Jacob de Wit, de uitklapbare preekstoel en het orgel uit 1794. Er is een gratis audiotour, ook voor kinderen. Houd rekening met smalle trappen. Kijk voor openingstijden, toegankelijkheid en de data van de Soldermissen op de website van Museum Ons’ Lieve Heer op Solder.
In de buurt kun je de Oude Kerk bezoeken, de vroegere Sint-Nicolaaskerk waar Jan Hartman begraven ligt. De Sint-Nicolaaskerk aan de Prins Hendrikkade, waar de gemeente in 1887 naartoe verhuisde, ligt dicht bij het Centraal Station. Het museum heeft samen met de Vrije Universiteit ook De andere kaart van Amsterdam gemaakt, een online kaart met de verhalen van religieuze gemeenschappen in de stad, met wandelingen.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de Satisfactie van 8 februari 1578 en de Alteratie van 26 mei 1578, waarbij het katholieke stadsbestuur en de meeste franciscanen per schuit de stad uit werden gezet; de overgang van de Sint-Nicolaaskerk naar de gereformeerden als Oude Kerk; het verbod op de katholieke eredienst met behoud van vrijheid van geweten; de aankoop door Jan Hartman op 10 mei 1661 en de verbouwing in 1661 tot 1663; het gebruik als kerk vanaf 1663 tot 1887; de namen Het Hart en Ons’ Lieve Heer op Solder; Petrus Parmentier als eerste priester en zijn vertrek in 1670; Hartmans begrafenis in de Oude Kerk in 1668 en zijn schulden; het altaarstuk van Jacob de Wit (1716) en het orgel van 1794; de aankoop door De Amstelkring in 1887 en de opening als museum op 28 april 1888; de heropening met nieuw entreegebouw in 2015; de jaartallen van de lutherse, doopsgezinde en remonstrantse kerken in Amsterdam.
Alleen uit één bron of uit overlevering: de inval op Sacramentsdag 1641 met 6200 gulden aan boetes en de lijst van 62 huizen uit 1656 (één wetenschappelijke bron, Joke Spaans); de reis van Hartman via Zwolle en Utrecht, zijn eerste huwelijk en zijn woning aan de Zeedijk (één boek over het museum); de namen van de geestelijke dochters Maria van Eck en Margaretha van Loon (museum); dat er op de dag van de Alteratie geen doden vielen.
Onbevestigd: het geboortejaar van Jan Hartman (1619 volgens het museum, 1609 in een boek over het museum); een bewering dat een zoon van Hartman priester was (één Engelstalige website, niet in andere bronnen gevonden en daarom weggelaten uit de tekst); waar Parmentier tussen 1636 en 1661 precies werkte.
Duiding: het woord schuilkerk is volgens historici misleidend, omdat iedereen wist waar deze kerken waren. Gedogen gaf de katholieken ruimte en hield hen tegelijk buiten het openbare leven. Hoe het voelde om zo te leven, laten de bronnen niet zien.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Museum Ons’ Lieve Heer op Solder, “Het monument”
- Museum Ons’ Lieve Heer op Solder, “Museum”
- Museum Ons’ Lieve Heer op Solder, “Praktische informatie”
- Museum Ons’ Lieve Heer op Solder, homepage
- Museum Ons’ Lieve Heer op Solder, “De andere kaart van Amsterdam”
- Rijksmonumentenregister, monument 6107, Oudezijds Voorburgwal 38-40
- Joke Spaans, “Stad van vele geloven” (Universiteit Utrecht)
- Richard de Beer, Schuilkerken (Museum Catharijneconvent en RCE, 2022)
- Getty Conservation Institute, “Our Lord in the Attic: historic context”
- Getty Conservation Institute, “Our Lord in the Attic: museum history”
- Fragment uit Ons’ Lieve Heer op Solder / Our Lord in the Attic (Kiers, Shorto, Boers)
- CODART, museumprofiel Ons’ Lieve Heer op Solder
- CODART, “Opening of the renewed Museum Ons’ Lieve Heer op Solder” (2015)
- St. Nicholas Center, “Statie van St. Nicolaas in de Veste”
- De Zeventiende Eeuw 10 (1994), over Cornelius Hagius en de kloppen (DBNL)
- Wikipedia, Alteratie (startpunt)
- Wikipedia, Ons’ Lieve Heer op Solder (startpunt)
- Wikipedia, Basilica of Saint Nicholas, Amsterdam (startpunt)