Wie op het Domplein in Utrecht staat, kijkt naar een gat. Aan de ene kant rijst de Domtoren op, aan de andere kant staat de Domkerk. Daartussen ligt een plein waar een kerkschip hoort te staan. In 1674 blies een grote storm het middenschip weg. Het koor en de toren bleven overeind, en wat er tussen lag, werd in de negentiende eeuw opgeruimd. Zo ontstond het plein.
Aan het plein staat ook het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht, met een voorgevel in neorenaissancestijl uit de jaren 1891 tot 1894. Wie goed kijkt, ziet een knik in die gevel. Als compromis met de gotische kerk ernaast werd het gebouw verder van de kerk af gezet dan eerst de bedoeling was. Achter die gevel zit iets dat veel ouder is: de Aula, de oude kapittelzaal van de Dom, die teruggaat tot 1462. Daar werd in 1579 de Unie van Utrecht getekend. En daar kreeg in 1636 een nieuwe universiteit haar eerste plek.
Vlak bij het plein, tussen de Domstraat en het Pieterskerkhof, ligt een korte straat met een naam die de meeste voorbijgangers niets zal zeggen: de Voetiusstraat. Ze draagt de naam van een man die hier tweeënveertig jaar lesgaf en preekte. Gisbertus Voetius was de eerste hoogleraar theologie van Utrecht. Hij wilde dat geleerdheid en een godvrezend leven bij elkaar bleven. Daar heeft hij voor gepreekt, en daar heeft hij ook hard voor gevochten.
EEN JONGEN UIT HEUSDEN
Hij heette eigenlijk Gijsbert Voet. Hij werd geboren op 3 maart 1589 in Heusden, een vestingstadje aan de Maas. Het waren de jaren van de Opstand tegen Spanje. Volgens een Engelstalige levensschets sneuvelde zijn vader, Paul Voet, in die oorlog toen Gijsbert acht jaar oud was. Ik heb dat niet in een tweede bron kunnen terugvinden.
Op zijn vijftiende ging hij naar Leiden. Hij studeerde er van 1604 tot 1611, in de jaren dat daar twee hoogleraren met elkaar botsten, Franciscus Gomarus en Jacobus Arminius. Het ging over de vraag of God vooraf beslist wie behouden wordt. Voetius kreeg les van allebei, maar Gomarus vormde hem. Hij koos voor de strenge lijn van de leer van Calvijn en heeft die nooit meer losgelaten.
In 1611 werd hij predikant in Vlijmen, een dorp in de buurt van zijn geboortestad. Een jaar later trouwde hij met Deliana van Diest. Ze kregen tien kinderen.
ACHT PREKEN PER WEEK
In 1617 kwam hij terug in Heusden, nu als predikant van zijn eigen stad. Volgens een oude theologische encyclopedie preekte hij daar acht keer per week. Tussen die preken door leerde hij Arabisch.
Een jaar later zat hij in Dordrecht, op de grote synode van 1618 en 1619 waar de strijd uit zijn studietijd werd beslecht. Hij was de jongste afgevaardigde. De synode wees de leer van de volgelingen van Arminius af. Voetius stond aan de kant die won. Hij bleef er later tegen schrijven.
In 1629 trok hij volgens dezelfde levensschets met het Staatse leger mee naar het beleg van ’s-Hertogenbosch, als veldprediker. Na de inname van de stad hielp hij er de gereformeerde kerk op te bouwen. Heusden bleef zijn standplaats.
EEN PREDIKANT UIT MIDDELBURG
In diezelfde jaren preekte in Middelburg een man die op Voetius grote indruk maakte. Willem Teellinck werd in 1579 geboren in Zierikzee. Hij studeerde rechten, maar in 1604 woonde hij negen maanden in het Engelse Banbury, tussen de puriteinen. Dat waren Engelse protestanten die een zuivere kerk en een heilig dagelijks leven zochten. Volgens de Amerikaanse theoloog Joel Beeke geloofde Teellinck dat God hem daar had bekeerd. Hij studeerde theologie in Leiden en werd predikant, vanaf 1613 in Middelburg. Daar stierf hij in 1629.
Teellinck wordt vaak de vader van de Nadere Reformatie genoemd. Dat woord vraagt uitleg. De Reformatie van de zestiende eeuw had de leer van de kerk hervormd. De mannen en vrouwen van de Nadere Reformatie vonden dat het daar niet bij mocht blijven. Het leven zelf moest ook hervormd worden: in het gezin, op het werk, in de politiek. Een Nederlandse studie omschrijft het als een beweging die alle terreinen van het bestaan wilde doordringen van Gods Woord.
Voetius heeft Teellinck een paar keer horen preken. Ook voor wat volgt steun ik op Beeke. Voetius wenste later dat meer predikanten in het land zo zouden preken. Toen in 1635 Teellincks boek Het Nieuwe Jeruzalem na zijn dood verscheen, schreef Voetius het voorwoord. Hij noemde hem een tweede Thomas a Kempis, naar de middeleeuwse schrijver van De navolging van Christus. Helemaal eens waren ze het niet: Teellinck was volgens Voetius te streng over de zondagsrust. Maar de lijn was gelegd. Wat Teellinck in Zeeland preekte, zou Voetius in Utrecht gaan onderwijzen.
EEN ONVERWACHTE ROEPING
Utrecht had al lang een universiteit gewild. Al in 1470 was er een voorstel geweest. Het kwam er pas van in 1632, toen de vroedschap, het stadsbestuur, besloot tot een Illustre School. Dat was een hogeschool die academisch onderwijs gaf maar geen graden mocht verlenen. De stad betaalde alles zelf. In 1634 ging de school open, met theologie, rechten en letteren. Het Groot Kapittelhuis naast de Dom, de zaal die nu de Aula heet, werd verbouwd tot twee collegezalen.
Voor de theologie viel de keuze op Voetius. Hij was vijfenveertig en predikant in Heusden. Hij werd hoogleraar in de theologie en de oosterse talen. Jaren later, terugkijkend op zijn loopbaan, noemde hij het in het Latijn een onverwachte en plotselinge roeping tot het werk op school.
Herken je dat? Dat je op een plek zit waar je dacht te blijven, en dat er dan iemand aanklopt met een vraag die je leven verlegt? Voetius nam de benoeming aan.
GODZALIGHEID EN WETENSCHAP
Een nieuwe hoogleraar begon met een openbare rede, een oratie. Voetius koos voor zijn oratie in 1634 een titel die veel zegt: De pietate cum scientia coniungenda. Dat betekent: over het verbinden van godzaligheid met wetenschap. Godzaligheid is een oud woord voor een leven dat helemaal op God gericht is, in wat je denkt, voelt en doet.
De volledige tekst heb ik niet gelezen, en de precieze dag en zaal heb ik niet kunnen vinden. Wel vatten latere onderzoekers de inhoud eensgezind samen. Voetius riep de studenten op hun studie te doen in ware godzaligheid. Al het wetenschappelijke werk moest dienen tot de eer van God en het heil van mensen. Een schrijver in het blad The Banner of Truth vatte het zo samen: godzaligheid hoort in het hoofd én in het hart.
Het klinkt vanzelfsprekend voor een theoloog. Maar het ging over alle studie aan de nieuwe school, en het viel in de jaren dat de filosofie van Descartes opkwam. Een Zuid-Afrikaanse studie schrijft dat de rede de toon zette voor alles wat Voetius daarna in Utrecht deed.
ZONDAG 13 MAART 1636
Twee jaar later was het zover. De Staten van Utrecht besloten de Illustre School te verheffen tot een universiteit, die wel graden mocht verlenen. Op de zondag voor de plechtige opening stond Voetius op de preekstoel van de Domkerk.
Volgens hoogleraar J.J.L. Valeton, die in 1886 op dezelfde preekstoel stond voor het tweehonderdvijftigjarig bestaan van de universiteit, was dat op 13 maart 1636. Utrecht rekende toen nog met de oude, Juliaanse kalender. Op onze kalender was het 23 maart. Een andere bron noemt 16 maart, maar dat was volgens twee andere bronnen de dag van de opening zelf.
Voetius koos een tekst over een jongen van twaalf. Jezus was met Zijn ouders naar Jeruzalem gegaan en bleef achter in de tempel. En het gebeurde dat zij Hem na drie dagen in de tempel vonden, terwijl Hij te midden van de leraars zat, naar hen luisterde en vragen aan hen stelde (Lukas 2:46).
Zo verbond Voetius het werk van de nieuwe universiteit met Jezus zelf, die luisterde en vragen stelde. De preek werd later gedrukt onder de titel Sermoen van de nutticheydt der Academien ende Scholen, over het nut van academies en scholen en van de wetenschappen en kunsten die er geleerd worden. Studenten moesten later bruikbaar zijn voor de kerken en hun kennis kunnen toepassen in het pastorale werk. Valeton vertelt dat Voetius zijn preek afsloot met een gebed: “o God, laat uw werk aan uwe knechten gezien worden.”
Ik lees dat gebed graag. Een geleerde opent een universiteit, en aan het eind vraagt hij of God Zijn werk zichtbaar wil maken.
TWEE STOETEN OP EEN WOENSDAG
Drie dagen later, op woensdag 16 maart 1636, op onze kalender 26 maart, werd de universiteit ingewijd. Die 26e maart viert de Universiteit Utrecht nog altijd als haar verjaardag, haar dies natalis.
Er trokken die dag twee stoeten door de stad. Volgens een studie over de geschiedenis van de Utrechtse rechtenfaculteit vertrok de ene vanaf het stadhuis: vooraan vijf boden, dan de schout en de burgemeesters, daarna de nieuwe rector en de hoogleraren. De andere stoet kwam uit de Statenkamer, met de bestuurders van de provincie en de edelen. Op de mantel van de pedel, de bode van de universiteit, stond “Ac. Ultr.”, van Academia Ultrajectina.
Het was een kleine universiteit. Er waren zeven hoogleraren, allemaal protestant en veel van hen uit het buitenland, en enkele tientallen studenten, onder wie Duitsers, Engelsen en Schotten. Alle colleges waren in het Latijn. De universiteit koos als wapenspreuk Sol Iustitiae Illustra Nos: Zon der gerechtigheid, verlicht ons. Wie de eerste rector was, is niet helemaal duidelijk. De rechtshistorische studie noemt de jurist Bernardus Schotanus, een andere levensschets noemt Voetius. Ik laat die vraag open.
Voetius haalde datzelfde jaar in Groningen zijn doctorstitel in de theologie. Zijn promotor was zijn oude leermeester Gomarus. Een jaar later, in 1637, werd hij ook predikant van de Utrechtse gemeente. Vanaf toen stond hij op twee plekken tegelijk: in de collegezaal en op de kansel.
In de collegezaal zat vanaf 1636 ook een vrouw. Anna Maria van Schurman, een geleerde vrouw uit Utrecht die veel talen beheerste, kreeg toestemming om colleges bij te wonen. Ze zat achter een gordijn, in een aparte loge. Ze was de eerste vrouw in Nederland die dat mocht. Voetius gaf haar ook privéles. Over haar leven vertel ik elders uitgebreid.
Voetius bleef aandringen op een praktisch geloof. Hij spoorde zijn studenten aan om samen te komen voor gebed en Bijbellezing. In 1644 schreef hij een boek met de titel Exercitia pietatis, oefeningen in godzaligheid. De beweging van Teellinck kreeg in Utrecht een thuis. Een Nederlandse studie noemt Voetius de spil van de Nadere Reformatie.
EEN MENS ALS TOEVALLIG WEZEN
Maar er kwam ook strijd, en die begon in de geneeskunde. In 1638 werd Henricus Regius in Utrecht hoogleraar in de theoretische geneeskunde en de plantkunde. Hij legde een kruidentuin aan. Datzelfde jaar begon hij brieven te schrijven met een Franse filosoof die in de Republiek woonde: René Descartes.
Descartes wilde alle kennis opnieuw opbouwen, vanuit wat zeker te weten is. Hij brak met Aristoteles, de Griekse filosoof op wiens denken de universiteiten van Europa al eeuwen rustten. In 1639 kwam zijn filosofie de Utrechtse universiteit binnen, en Regius werd er de pleitbezorger van.
Op 8 december 1641 verdedigde een student onder leiding van Regius de stelling dat lichaam en geest samen een toevallige eenheid vormen. In het Latijn: unum per accidens. Descartes zelf waarschuwde later dat zo’n uitspraak de theologen tegen hen zou opzetten. Voetius reageerde nog dezelfde maand. Aan zijn eigen theologische disputaties hing hij stellingen tegen de nieuwe filosofie. Regius schreef op 16 februari 1642 een antwoord.
In maart 1642 sprak de academische senaat zich uit. Voetius was toen rector. De senaat veroordeelde de nieuwe filosofie, met instemming van het stadsbestuur. Regius mocht geen natuurkunde meer geven en moest zich houden aan de traditionele geneeskunde.
EEN OPEN BRIEF AAN VOETIUS
Descartes liet het er niet bij zitten. In 1642 voegde hij aan een nieuwe druk van zijn Meditaties een brief toe aan pater Dinet, een Franse geestelijke. Daarin viel hij Voetius aan zonder hem bij naam te noemen. Een jaar later verscheen in Utrecht het boek Admiranda methodus, geschreven door Martinus Schoock, met steun van Voetius. Het beschuldigde Descartes van ongeloof en twijfelzucht. Descartes antwoordde in 1643 met een open brief, nu zonder omwegen gericht aan Voetius zelf: de Epistola ad Voetium.
De ruzie hield de stad jaren bezig. In 1645 verbood het stadsbestuur het drukken en verkopen van geschriften voor of tegen Descartes.
Hoe moet je dit lezen? Het is verleidelijk om Voetius hier neer te zetten als de man die de vooruitgang tegenhield, of juist als de man die zag waar het denken van Descartes heen kon gaan. Ik doe geen van beide. Wat vaststaat, is dat Voetius de nieuwe filosofie om geloofsredenen afwees en haar van atheïsme verdacht. Wat ook vaststaat, is dat hij het debat won met de macht van senaat en stadsbestuur, en dat dit het debat niet beëindigde. Een paar jaar later kreeg Utrecht toch een hoogleraar die Descartes volgde.
DE PAUS VAN UTRECHT
Er volgden meer conflicten. Voetius kreeg het aan de stok met de theoloog Johannes Coccejus, die de Bijbel op een eigen manier uitlegde. De ruzie tussen hun volgelingen verdeelde de gereformeerde kerk tientallen jaren. Hij steunde eerst de predikant Jean de Labadie, maar keerde zich tegen hem toen die zich van de kerk afscheidde. Voetius wilde een vurig geloof, maar binnen de kerk.
In 1643 kocht hij een huis vlak bij de Dom. Volgens een uitgave van de historische vereniging Oud-Utrecht stond het achter de kerk. Hij kreeg in de stad de bijnaam “Paus van Utrecht”. Dat zegt iets over zijn gezag. Of het spottend of eerbiedig bedoeld was, vertelt de bron niet.
Hij schreef intussen door, onder meer een groot werk over het bestuur van de kerk, de Politica ecclesiastica, en disputaties over de zending. Hij vond dat de kerk onafhankelijk van de staat moest zijn. Hij drong er bij de handelscompagnieën op aan predikanten mee te nemen op hun schepen.
WEER OP DE KANSEL VAN DE DOM
In 1672, het rampjaar, viel het Franse leger de Republiek binnen. Utrecht werd bezet. Gebouwen van de academie en kerken werden gebruikt voor de bevoorrading van het leger. In november 1673 trokken de Fransen weer weg. Volgens een levensschets stond Voetius toen, vierentachtig jaar oud, opnieuw op de kansel van de Dom.
Een paar maanden later, in 1674, kwam de storm. Het schip van de Domkerk waaide weg. Waar Voetius in 1636 zijn preek over de jongen in de tempel had gehouden, bleef een kleinere kerk over, met de toren los ervan.
In 1675 werd hij volgens een andere bron nog eens rector magnificus, op zijn zesentachtigste. Op 1 november 1676 stierf hij in Utrecht, zevenentachtig jaar oud. Hij was tweeënveertig jaar hoogleraar geweest. Zijn vriend, predikant C. Gentman, hield een gedachtenispreek over 2 Samuël 3:38, de woorden van koning David bij het graf van Abner: dat er een vorst en een groot man gevallen was. De lijkredes van Gentman en van A. Essenius werden het jaar daarop gedrukt.
EEN GAT TUSSEN TOREN EN KERK
Ga terug naar het Domplein. Waar je staat, stond in 1636 nog het schip van de kerk waarin Voetius preekte over Jezus tussen de leraars. Aan de ene kant de toren, aan de andere kant het koor, en vlakbij de knik in de gevel van het Academiegebouw. In de Aula daarachter worden nog altijd oraties gehouden. Nieuwe hoogleraren beginnen er hun werk met een openbare rede, zoals Voetius in 1634.
In die rede vroeg hij om geleerdheid die voor God buigt. In de Senaatszaal hangen de portretten van hoogleraren, een klok draagt de naam van Anna Maria van Schurman, en op de gevel staat nog altijd de zon. Zon der gerechtigheid, verlicht ons.
GA ER ZELF HEEN
Het Domplein ligt midden in de binnenstad van Utrecht. De Domkerk is dagelijks open voor bezoekers en voor diensten. Je ziet er grafstenen in de vloer, glas-in-loodramen en het triforium. Je kunt ook de Pandhof bezoeken, een middeleeuwse binnentuin met een kruisgang eromheen. Kijk voor openingstijden en rondleidingen op de website van de Domkerk.
Het Academiegebouw staat aan het Domplein. Buiten zie je het beeld van graaf Jan van Nassau, ter herinnering aan de Unie van Utrecht, en de zon op de gevel. Binnen liggen de Aula, met glas-in-loodramen van Joep Nicolas uit 1936, en de Senaatszaal met portretten van hoogleraren. Het gebouw is in gebruik voor promoties en plechtigheden. Kijk op de website van de Universiteit Utrecht wanneer je binnen kunt; bij de receptie ligt een gratis brochure.
De Voetiusstraat ligt vlak bij het plein, tussen de Domstraat en het Pieterskerkhof. Combineer je bezoek met het Universiteitsmuseum aan de Lange Nieuwstraat 106. In de Oude Hortus daar ligt de Regiustuin, aangelegd naar de zeventiende-eeuwse kruidentuin waar geneeskundestudenten de werking van planten leerden. Zo sta je op één middag in de wereld van Voetius en van zijn grote tegenstander. Kijk voor openingstijden op de website van het Universiteitsmuseum.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 3 maart 1589 in Heusden; studie in Leiden (1604-1611); predikant in Vlijmen (1611) en Heusden (1617); huwelijk met Deliana van Diest; jongste afgevaardigde op de Synode van Dordrecht; Illustre School in 1634 en hoogleraarschap van Voetius; de titel en strekking van zijn oratie De pietate cum scientia coniungenda (1634); zijn preek in de Domkerk vlak voor de opening van de universiteit in maart 1636; de opening op 16 maart oude stijl (26 maart); doctoraat in Groningen bij Gomarus (1636); predikant in Utrecht (1637); Anna Maria van Schurman achter het gordijn; de strijd met Regius en Descartes (1641-1645) en de veroordeling door de senaat in maart 1642; de storm van 1674; overlijden op 1 november 1676.
Alleen uit één bron of overlevering: de dood van zijn vader in de oorlog; acht preken per week in Heusden; het veldpredikerschap in 1629; Voetius’ oordeel over Teellinck en de vergelijking met Thomas a Kempis (Beeke); de bijnaam “Paus van Utrecht”; de preek in de Dom in november 1673; het rectoraat in 1675; de slotwoorden van de preek van 1636 (zo geciteerd door Valeton in 1886).
Onbevestigd of betwist: de precieze dag van de preek van 1636 (13 of 16 maart; de weekdagen pleiten voor 13 maart); de tekst Lukas 2:46 wordt in één bron met name genoemd, Valeton beschrijft hetzelfde tafereel; wie de eerste rector was (Schotanus of Voetius); de dag en de zaal van de oratie van 1634; waar Voetius begraven ligt (één bron noemt de Catharijnekerk).
Duiding: of Voetius met zijn strijd tegen Descartes het geloof beschermde of het denken beknotte, is een vraag waarover historici en gelovigen verschillend oordelen. De bronnen beschrijven wat er gebeurde, niet wie gelijk had.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Universiteit Utrecht, Historie van het Academiegebouw
- Universiteit Utrecht, Historie van de universiteit
- Domkerk Utrecht
- Domkerk, Bezoek
- Domkerk, Geschiedenis
- Domtoren, Het Domplein
- J.J.L. Valeton, leerrede in de Domkerk bij het 250-jarig bestaan van de universiteit (1886)
- Rozenberg Quarterly, Rechten te Utrecht: 365 jaar rechtsgeleerdheid
- Historische Vereniging Oud-Utrecht, Utrecht en de Universiteit
- Universiteit Utrecht, artikel over Voetius’ benoeming in 1634 (DSpace)
- In die Skriflig, artikel over Voetius en de Nadere Reformatie
- The Banner of Truth, 1 november 1979 (via Digibron)
- Christian Study Library, levensschets van Gisbertus Voetius
- Christian Study Library, Voetius en de opleiding van predikanten
- Christian Study Library, Joel Beeke over Willem Teellinck
- Driestar educatief, Godzaligheid boven geleerdheid
- Schaff-Herzog Encyclopedia, Voetius (via CCEL)
- Stanford Encyclopedia of Philosophy, Henricus Regius
- Boston University, Missionary Biography: Voetius
- Britannica, Gisbertus Voetius
- Gemeente Utrecht, archeologisch rapport Domplein en de Voetiusstraat
- Museum.nl, Universiteitsmuseum Utrecht en de Oude Hortus
- Wikipedia, Gisbertus Voetius (startpunt)