Aan de Lange Nieuwstraat in Utrecht staan twee gebouwen tegen elkaar aan die bij elkaar horen. Op nummer 38 zit Museum Catharijneconvent, in een oud klooster. Op nummer 36 staat een kerk met een toren van drieënvijftig meter en een sierlijke geveltop aan de straat. Het is de Sint-Catharinakathedraal.
Wie naar binnen gaat, ziet witte muren en hoge gotische bogen. In het koor staat de cathedra, de stoel van de bisschop. Het woord kathedraal komt daarvan: een kathedraal is de kerk waar de bisschop zijn zetel heeft. Langs de muren hangen de staties van een kruisweg, veertien afbeeldingen van de lijdensweg van Jezus. Ze hingen hier al in de negentiende eeuw, verdwenen, en kwamen in 2003 terug.
Deze kerk is sinds 1853 de hoofdkerk van het rooms-katholieke aartsbisdom Utrecht. Dat jaartal ziet er onschuldig uit. Het was een van de heftigste jaren uit de Nederlandse kerkgeschiedenis van de negentiende eeuw. Tienduizenden protestanten tekenden een protest bij de koning. Een kabinet viel. En de katholieken van Nederland kregen voor het eerst sinds rond 1600 weer bisschoppen in hun eigen land.
Wie op de stoep voor deze kerk staat, ziet een gebouw. Maar wie de geschiedenis kent, ziet een plek waar twee groepen christenen elkaar in 1853 niet konden verstaan.
EEN KERK DIE VIJF KEER VAN FUNCTIE WISSELDE
Om te begrijpen wat er in 1853 gebeurde, moet je weten wat deze kerk al had meegemaakt. In 1468 begonnen karmelieten, een kloosterorde die leefde van giften, hier aan een klooster met een kerk. Ze bouwden langzaam, want het geld kwam langzaam binnen. In 1529 moesten ze de half afgebouwde kerk afstaan aan de Johannieters, een ridderorde die zieken en reizigers verzorgde. Keizer Karel V wilde hun oude grond gebruiken voor zijn kasteel Vredenburg.
De Johannieters lieten de kerk afbouwen naar een ontwerp van Rombout Keldermans. In 1560 was hij klaar. Hij werd gewijd aan Catharina van Alexandrië, een vroegchristelijke martelares.
Twintig jaar later, in 1580, werd de katholieke eredienst in Utrecht verboden. De Johannieters vertrokken. Vanaf 1636 gebruikten protestanten de kerk. Zij haalden de versieringen weg, kalkten de muren wit en verwijderden het marmeren koorhek. Een tijd lang zat er ook een anatomische zaal in, en werd er ijzer opgeslagen.
Na de Franse tijd werd de kerk onderdeel van een kazerne. Vanaf 1815 kerkten er katholieke soldaten. In 1836 stortte een deel van het gebouw in tijdens een storm. In 1840 gaf koning Willem II de kerk aan de katholieken van Utrecht, met geld voor herstel erbij.
Zo zag de kerk eruit die in 1853 kathedraal werd. Een gebouw dat katholiek begon, protestants werd, kazerne was en katholiek terugkwam.
RUIM TWEE EEUWEN ZONDER BISSCHOP
In de Republiek was de gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk. Het katholieke geloof werd sterk beperkt, en openbare katholieke diensten waren verboden. Katholieken kwamen samen in schuilkerken, kerkzalen die van buiten op een gewoon huis of pakhuis leken. Rome beschouwde het noorden van Nederland vanaf 1592 als missiegebied. Er waren geen bisdommen meer. De katholieken werden bestuurd door een vertegenwoordiger van de paus, een apostolisch vicaris.
Na 1795 kregen katholieken officieel vrijheid van godsdienst. Ze konden hun schuilkerken vervangen door echte kerken. Rond 1830 was ongeveer achtendertig procent van de Nederlanders katholiek, schrijft het Katholiek Documentatiecentrum in Nijmegen. Een grote groep. Maar zonder eigen bisschoppen bleef het voelen als een kerk in de wachtkamer.
Vanaf 1847 schreven katholieken daarom brieven naar Rome. Eerst leken, daarna dekens en priesters, toen een comité uit Amsterdam, katholieke Kamerleden en ten slotte de bisschoppen zelf. Ze vroegen allemaal hetzelfde: geef ons weer een gewone kerkstructuur, met bisdommen en bisschoppen. Zo beschreef een katholieke historicus het in 1903.
Wat dat voor een gewone katholieke boer in Brabant of een winkelier in Utrecht betekende, staat in geen van mijn bronnen. Ik ga het dan ook niet invullen. Wel weet je dat ze ruim twee eeuwen hadden gewacht.
DE GRONDWET VAN 1848 EN EEN BRIEF UIT ROME
De doorbraak kwam via de politiek. In 1848 kreeg Nederland een nieuwe grondwet, geschreven onder leiding van de liberale staatsman Johan Rudolf Thorbecke. Kerk en staat werden volledig gescheiden. Elke kerk mocht zichzelf inrichten zoals ze wilde.
Thorbecke werd in 1798 in Zwolle geboren. Hij was hoogleraar in Leiden, luthers van huis uit, maar geen kerkganger. Het Parlementair Documentatiecentrum noemt hem de grootste Nederlandse staatsman van de negentiende eeuw. Vanaf 1849 leidde hij het kabinet.
Op 9 december 1851 vertelde de vertegenwoordiger van de paus in Den Haag aan minister Van Sonsbeeck dat Rome de bisschoppen wilde terugbrengen. De minister antwoordde in het voorjaar van 1852 dat de paus vrij was om zijn kerk in te richten. Hij vroeg alleen om op tijd te horen wat Rome besloot.
Dat gebeurde niet. In september 1852 nam de paus zijn besluit, maar hij liet het de Nederlandse regering niet rechtstreeks weten. Op 4 maart 1853 werd het openbaar.
VIER MAART 1853
Paus Pius IX maakte die dag bekend dat Nederland weer een gewone kerkprovincie kreeg. Utrecht werd opnieuw aartsbisdom, zoals het in 1559 al was geweest. Daaronder kwamen vier bisdommen: Haarlem, ’s-Hertogenbosch, Breda en Roermond. De pauselijke brief begint met de woorden Ex qua die, en wordt daarom zo genoemd.
Over de precieze datum en vorm van het stuk zijn de bronnen het niet helemaal eens. Een katholieke historicus schreef in 1903 dat een eerste exemplaar werd ingetrokken omdat de paus twee woorden wilde veranderen. Wat vaststaat: begin maart 1853 wist Nederland het.
In de brief stond een zin die bij protestanten hard aankwam. De paus schreef over de schade die “de calvinistische ketterij” had aangericht, zo citeert de historicus Slijkerman. Een ketterij is een leer die de kerk als dwaling veroordeelt. Voor protestanten was dat geen ketterij. Het was het geloof waarvoor hun voorouders hadden geleden.
Tot aartsbisschop van Utrecht werd Joannes Zwijsen benoemd.
DE MOLENAARSZOON UIT KERKDRIEL
Joannes Zwijsen werd op 28 augustus 1794 geboren in Kerkdriel, in de Bommelerwaard. Zijn vader was molenaar. Het huis aan de Molenstraat staat er niet meer. In 1817 werd hij priester. Hij was kapelaan in Schijndel en daarna pastoor in Tilburg.
In Tilburg leerde hij kroonprins Willem kennen, de latere koning Willem II. Volgens sommige historici hielp die band later bij zijn benoeming. Over die band gingen in zijn tijd ook geruchten rond. Daar is geen bewijs voor, en ik laat het daarbij.
Wat wel vaststaat, is wat hij in Tilburg opbouwde. In 1832 stichtte hij de Zusters van Liefde, om meisjes onderwijs te geven. In 1844 volgden de fraters, een broederschap die arme jongens les gaf en weeskinderen opving. De eerste frater, Petrus van de Ven, gaf zijn hele vermogen aan het nieuwe werk. Zwijsen koos de naam fraters ter ere van de Broeders van het Gemene Leven, de beweging van Geert Grote uit de veertiende eeuw.
In 1842 werd hij bisschop. In 1853 benoemde Rome hem tot aartsbisschop. Hij kreeg naast Utrecht ook het bestuur over ’s-Hertogenbosch.
Volgens het verslag van de jezuïet Albers uit 1903 wilde Zwijsen dat helemaal niet. Hij had bezwaar tegen het besturen van twee bisdommen en wilde in Brabant blijven. Rome wees zijn bezwaren af. Een levensschets in hetzelfde tijdschrift beschreef hem met de woorden: “Aan een ijzeren wil paarde hij een groote kalmte.”
EEN ADRES UIT DE UTRECHTSE KERKENRAAD
Utrecht was voor protestanten geen willekeurige stad. In 1579 was hier de Unie van Utrecht gesloten, het verbond waaruit de Republiek groeide. De stad had een sterke streng-calvinistische traditie, schreef het tijdschrift Onze Eeuw in 1903. Mede daarom verzetten protestanten zich ertegen dat juist Utrecht de zetel van een katholieke aartsbisschop werd.
Op 13 maart 1853, negen dagen na de bekendmaking, stuurde de hervormde kerkenraad van Utrecht een adres aan de koning. Een adres was een formeel verzoekschrift met handtekeningen. De kerkenraad vroeg de koning om niemand toe te staan een bisschopstitel aan te nemen. Het stuk ging rond langs kerkenraden in het hele land.
Anderen volgden. In Arnhem schreef de predikant Anthony Brummelkamp een adres voor de kerkenraden van Arnhem en Velp. Hij vroeg de koning om de bisschoppen niet te erkennen, de diplomatieke banden met Rome te verbreken en de vrijheid van katholieken in te perken. Volgens zijn biograaf Melis te Velde ging hij nog verder. Wie het herstel aanvaardde, keurde in zijn ogen ook de moord op Willem van Oranje goed.
In pamfletten en kranten werd gesproken over een terugkeer van de inquisitie, de kerkelijke rechtbank die in de zestiende eeuw protestanten had vervolgd. Sommige protestanten dachten zelfs dat Thorbecke de paus had aangemoedigd.
Hoe kijk je hiernaar, als protestant of als katholiek van nu? Ik merk dat ik het allebei kan begrijpen. De angst van de protestanten had wortels: hun voorouders waren vervolgd, en de paus noemde hun geloof een ketterij. Maar wat ze vroegen, was dat hun katholieke buren minder vrij zouden zijn dan zijzelf.
VIJFTIGDUIZEND HANDTEKENINGEN OP DE DAM
In Utrecht had de hoogleraar Gerrit Mulder een vooraanstaande rol in de beweging. De historicus Slijkerman noemt de stad in dat voorjaar “een reactionair bolwerk.” Het Utrechtse adres werd door de koning niet ontvangen, op advies van minister Van Zuylen.
Het grote moment kwam in Amsterdam. Daar hadden ongeveer achtendertigduizend mannen en veertienduizend vrouwen een adres getekend, samen ruim eenenvijftigduizend mensen. Op 15 april 1853 ontving koning Willem III een commissie in het paleis op de Dam. De predikant en dichter Bernard ter Haar voerde het woord.
Het kabinet had de koning een antwoord meegegeven. Dat zei vriendelijk maar duidelijk nee: de grondwet gaf elke kerk vrijheid. De koning sprak andere woorden. Hij liet merken dat hij met de protestanten meevoelde. Zijn handen waren gebonden door de grondwet, zei hij. Concreet beloofde hij niets.
De historicus Hooykaas schreef in 1994 dat de officiële tekst in de krant van de volgende dag was afgezwakt. Volgens ooggetuigen sprak de koning zich feller uit. Willem III had een lange afkeer van Thorbecke. Hooykaas denkt dat de koning de beweging gebruikte om van Thorbecke en diens ministers af te komen. Het blijft de duiding van een historicus, al onderbouwt hij die met verslagen van mensen die erbij waren.
THORBECKE STAPT OP
Het kabinet stond in die weken al onder druk. De regering had pas op 24 maart een officieel bericht uit Rome gekregen, drie weken nadat het nieuws al openbaar was. Op 13 april vroeg het conservatieve Kamerlid Van Doorn de ministers in de Tweede Kamer of zij wel genoeg hadden gedaan om op tijd te weten wat de paus van plan was. De tegenstanders van Thorbecke vonden dat hij het herstel te gemakkelijk had laten gebeuren. Ook conservatieven die niet zo kerkelijk waren, sloten zich daarom bij het protest aan, omdat ze zijn ideeën te vooruitstrevend vonden.
Voor Thorbecke was het antwoord van de koning onaanvaardbaar. Volgens de grondwet van 1848 zijn de ministers verantwoordelijk voor wat de koning zegt. Een koning die in het openbaar afstand neemt van zijn eigen kabinet, maakt die regel kapot.
De ministers schreven de koning op 16 april een brief, opgesteld door Thorbecke. Ze verdedigden daarin de vrijheid van de kerken die de grondwet gaf. De koning moest het antwoord van het kabinet overnemen, of de ministers zouden gaan. De koning weigerde. Rond 17 en 18 april boden de ministers hun ontslag aan. In dezelfde dagen vroeg de Tweede Kamer met een grote meerderheid aan de regering om bij de paus te protesteren. Op 19 april trad een nieuw kabinet aan onder Floris van Hall.
De nieuwe regering ontbond de Kamer. Bij de verkiezingen in mei 1853 leden de liberalen een zware nederlaag. De conservatieven gingen van negen naar zevenentwintig zetels.
Er zit een stille wending in dit verhaal. Thorbecke, de man die door veel protestanten werd verdacht van een geheim verbond met Rome, werd in 1853 gekozen in Maastricht. Een katholiek district. Hij zat daar tot 1856 in de Kamer. In 1862 werd hij opnieuw minister.
GEEN TRIOMF
Wat deden de katholieken zelf in die weken? De bronnen die ik vond, zeggen er weinig over. Dat vind ik jammer, want zij waren degenen om wie het allemaal ging, en hun stem klinkt in de verslagen van 1853 nauwelijks door. De jezuïet Albers schreef in 1903 dat hun reactie ingetogen was. Er klonk geen triomf. Ze dankten God, maar wilden het herstel niet vieren als een overwinning op andersdenkenden.
Er ging wel een dankadres naar Rome. Een commissie onder leiding van J.W. Cramer verzamelde handtekeningen, en Zwijsen en de bisschop van Haarlem keurden het op 20 mei goed. Op 13 juli 1853 werd het in Rome aan Pius IX overhandigd en voorgelezen. Er ging ook een dankadres naar koning Willem III. Een katholieke vereniging liet een penning slaan, met op de achterkant het herstel als een gunst van God.
Dit alles komt uit één katholieke bron, vijftig jaar later geschreven. Ik heb het niet in een onafhankelijke bron teruggevonden. Het past wel bij wat er daarna gebeurde.
EEN WET EN EEN STILLE AARTSBISSCHOP
Het kabinet-Van Hall draaide het herstel niet terug. De grondwet van 1848 bleef ongewijzigd. Er kwam een Wet op de kerkgenootschappen, die de scheiding van kerk en staat bevestigde en de kerken wel onder enig toezicht hield. Het Parlementair Documentatiecentrum noemt de wet grotendeels zonder gevolgen. In september 1853 ebde de beweging weg.
Zwijsen ging aan het werk. In 1857 opende hij een seminarie voor de opleiding van priesters in zijn aartsbisdom. In 1858 richtte hij de kapittels op, de raden van priesters rond de bisschop. In 1864 hield hij het eerste provinciale concilie, een vergadering van alle Nederlandse bisschoppen samen. Rond de kerk aan de Lange Nieuwstraat begon een grote restauratie. Vanaf 1859 kreeg het interieur kleur: glas-in-loodramen, beschilderde muren en nieuw meubilair uit het atelier van Friedrich Wilhelm Mengelberg.
In 1868 trad Zwijsen af als aartsbisschop van Utrecht. Hij bleef bisschop van ’s-Hertogenbosch. Op 16 oktober 1877 stierf hij in zijn woning daar, drieëntachtig jaar oud. Hij werd begraven in Orthen, vlak bij het graf van twee van zijn Zusters van Liefde. In 1882 kwam er een kapel over zijn graf.
TWEE AARTSBISSCHOPPEN IN ÉÉN STAD
Er is nog een kant aan dit verhaal. In 1853 was er in Utrecht al een aartsbisschop. In 1723 hadden Utrechtse katholieken zich losgemaakt van Rome. Zij werden later oud-katholiek genoemd. Hun leer lijkt veel op de rooms-katholieke, maar ze erkennen het gezag van de paus niet. Zij hielden hun eigen aartsbisschop van Utrecht. Hun kathedraal staat vandaag aan het Willemsplantsoen, de Gertrudiskathedraal, gebouwd in 1912 tot 1914.
Zo heeft Utrecht sinds 1853 twee katholieke aartsbisschoppen, elk met een eigen kathedraal in dezelfde stad.
DE WITTE MUREN
In de jaren 1955 tot 1970 haalde de kerk aan de Lange Nieuwstraat het meeste van de negentiende-eeuwse versiering weer weg. Daarbij diende een tekening van de schilder Pieter Saenredam uit 1636 als voorbeeld. Die tekening toont de kerk zoals de protestanten hem hadden gemaakt: wit en leeg. De muren werden opnieuw gewit.
Dat vind ik een van de vreemdste en mooiste dingen aan deze plek. De hoofdkerk van het rooms-katholieke aartsbisdom ziet er vanbinnen uit zoals de protestanten hem in de zeventiende eeuw achterlieten. Later kwamen er weer stukken terug: de bisschopsstoel, het koorhek, de zitbanken voor de priesters, de kruisweg van Mengelberg en in 2004 een gotische sacramentstoren.
Bijna was het voorbij geweest. In 2018 wilde het parochiebestuur de kathedraal sluiten, omdat er geen geld was. Op 2 maart 2019 werd bekend dat aartsbisschop Eijk dat besluit had teruggedraaid. Eind 2024 opende de aartsbisschop hier het Heilig Jaar van de katholieke kerk, en eind 2025 werd het hier gesloten.
Wie nu binnenkomt, loopt over de plek waar in 1853 een land in beroering kwam. De muren zijn wit. In het koor staat de stoel van de bisschop.
GA ER ZELF HEEN
De Sint-Catharinakathedraal staat aan de Lange Nieuwstraat 36 in de binnenstad van Utrecht, op ongeveer een kwartier lopen van Utrecht Centraal. Je herkent de kerk aan de toren en aan de geveltop aan de straat, een kopie van de geveltop uit 1550. Binnen zie je de witte middeleeuwse ruimte, de cathedra, het koorhek, de kruiswegstaties van Mengelberg en de gotische sacramentstoren. De kerk is in gebruik voor vieringen. Kijk voor de momenten waarop je binnen kunt op de website van het aartsbisdom Utrecht of van Kerken Kijken.
Direct ernaast, op nummer 38, zit Museum Catharijneconvent, in het voormalige klooster van de karmelieten en het latere ziekenhuis van de Johannieters. Het museum heeft onder meer middeleeuwse kunst, een schatkamer met goud- en zilverwerk en schilderijen van Rembrandt en Jan Steen. Kijk voor openingstijden op de website van Museum Catharijneconvent.
Wil je de andere kant van het verhaal zien, loop dan naar het Willemsplantsoen aan de singel. Daar staat de Gertrudiskathedraal, de kerk van de oud-katholieke aartsbisschop van Utrecht.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de bekendmaking van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie op 4 maart 1853, met Utrecht als aartsbisdom en vier bisdommen eronder; de benoeming van Joannes Zwijsen; zijn geboorte op 28 augustus 1794 en zijn dood op 16 oktober 1877; de stichting van de Zusters van Liefde (1832) en de fraters (1844); het adres van de hervormde kerkenraad van Utrecht op 13 maart 1853; het Amsterdamse adres met ruim 51.000 handtekeningen en de audiëntie op 15 april; het afwijkende antwoord van Willem III en de val van het kabinet-Thorbecke rond 18 en 19 april; de verkiezingsnederlaag van de liberalen; Thorbeckes verkiezing in Maastricht; de Catharinakerk als kathedraal sinds 1853; de restauratie van 1955 tot 1970 op basis van Saenredam; het teruggedraaide sluitingsbesluit van 2019.
Alleen uit overlevering of eigen kring: dat Zwijsen in Brabant wilde blijven en bezwaar had tegen twee bisdommen; de ingetogen reactie van de katholieken, het dankadres aan de paus en de penning (alleen uit een katholieke bron uit 1903); de rol van Gerrit Mulder en de weigering van de koning om het Utrechtse adres te ontvangen (één wetenschappelijke bron).
Onbevestigd: de geruchten over de vriendschap tussen Zwijsen en Willem II; het exacte verloop van de pauselijke brief (4 of 12 maart, een ingetrokken eerste versie); de precieze woorden van de koning op 15 april, omdat de krantentekst volgens ooggetuigen was afgezwakt.
Duiding: dat Willem III de Aprilbeweging gebruikte om van Thorbecke af te komen, is de lezing van de historicus Hooykaas.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Parlement.com, “Aprilbeweging 1853”
- Parlement.com, “Kabinet-Thorbecke I (1849-1853)”
- Parlement.com, “Dr.Mr. J.R. Thorbecke”
- Parlement.com, “Z.M. koning Willem III”
- G.J. Hooykaas, “Koning Willem III en de grondwet in april 1853”, BMGN 109 (1994)
- D.S. Slijkerman, Het geheim van de ministeriële verantwoordelijkheid (Leiden 2011), hoofdstuk over de Aprilbeweging
- Onze Eeuw, jaargang 3 (1903), “De Aprilbeweging” (DBNL)
- P. Albers S.J., “Het herstel der Hiërarchie”, De Nieuwe Belgische Illustratie 1903 (DBNL)
- De Nieuwe Belgische Illustratie 1903, over Zwijsen (DBNL)
- De Nieuwe Belgische Illustratie, over de fraters van Tilburg (DBNL)
- Melis te Velde, Anthony Brummelkamp (1811-1888), 1853 (DBNL)
- J.P. Rottier, Godsdienstcontroverse of politieke rel? (Erasmus Universiteit 2015)
- Katholiek Documentatiecentrum, Geschiedenis van het Nederlands katholicisme
- Bert van Coenen, “De kapel op de begraafplaats te Orthen”, Bossche Kringen 2017
- In Your Pocket Bommelerwaard, “Bekende Bommelerwaarders: Mgr. Zwijsen”
- Rijksmonumentenregister, Sint Catharinakerk, monument 36264
- Kerken Kijken, Catharinakathedraal: geschiedenis en gebouw
- DUIC, “Hoe een dreigende sluiting nieuw leven blies in de Catharinakathedraal” (2020)
- Aartsbisdom Utrecht, Jaarverslag 2025
- Museum Catharijneconvent, bezoekersinformatie
- DUIC, “Gertrudiskerk: kleurige kathedraal aan de singel”