Wat betekenendeze stenen?

Deel 2 · Hoofdstuk 8

Ulrum

honderdzevenendertig namen in een herberg

1834Hervormde kerk aan de H. de Cockstraat

De kerk van Ulrum staat hoog, op de westelijke van de twee wierden waarop het dorp is gebouwd, binnen een muur rond het oude kerkhof. Het is een gebouw uit de dertiende eeuw, met een forse toren. Binnen hangt een preekstoel uit 1745, met snijwerk van Casper Struiwig, en er staat een orgel dat Nicolaas Anthonie Lohman in 1806 bouwde. Naast de kerk staat een groot wit huis met een schilddak en vier schoorstenen: de oude pastorie. De straat heet de H. de Cockstraat.

Wat je niet ziet, is een herberg. Die stond verderop in het dorp en is in 1906 gesloopt. Daar gebeurde op dinsdag 14 oktober 1834 iets wat de kerkgeschiedenis van Nederland veranderde. In een kuiperij met tapperij, van een weduwe die Koster heette, zetten 137 mannen en vrouwen hun naam onder een stuk papier. Ze verklaarden dat ze uit de Nederlandsche Hervormde Kerk stapten, de kerk van de koning en van bijna iedereen om hen heen.

De meeste van die namen kent niemand meer. Zij zijn de hoofdpersonen van dit hoofdstuk. Hun dominee kennen we wel. Over Hendrik de Cock heb ik elders een eigen hoofdstuk geschreven, dus hier blijft hij op de achtergrond. Ik wil weten wat het voor een boer, een arbeider of een weduwe in Ulrum betekende om die handtekening te zetten. En wat het hun kostte.

EEN DOMINEE DIE VAN MENING VERANDERDE

In 1829 kwam een jonge predikant in de witte pastorie wonen. Hendrik de Cock preekte, zo vertelt een dorpsgeschiedenis van Ulrum, in het begin vrijzinniger dan zijn gemeente. Vrijzinnig betekent hier: losser van de oude belijdenis van de kerk, met meer nadruk op deugd en verstand dan op zonde en genade.

In Ulrum woonden mensen die de oude leer wel kenden. Er gaat een verhaal rond over een van hen, Klaas Pieters Kuipinga, die op de boerderij Zuidhof woonde, aan de weg naar Zuurdijk. Hij zou tegen de dominee hebben gezegd dat hij voor eeuwig verloren zou zijn als hij zelf ook maar één zucht aan zijn redding moest bijdragen. Het verhaal wordt al lang verteld in de kring van de afgescheiden kerken. Een verslag uit die tijd zelf heb ik er niet voor gevonden.

Wat wel vaststaat: De Cock ging anders preken. De kerk liep vol, ook met mensen uit andere dorpen. Ouders die hun eigen predikant niet vertrouwden, kwamen hun kinderen in Ulrum laten dopen. Dat mocht niet volgens de regels van de kerk. Toen De Cock ook nog een brochure schreef tegen twee collega’s, greep het kerkbestuur in. Op 20 december 1833 werd hij geschorst. Hij mocht niet meer preken in zijn eigen kerk.

EEN MEISJE ONDER DE PREEKSTOEL

In het najaar van 1834 kwam alles samen. Op 2 oktober stond De Cock opnieuw voor het provinciale kerkbestuur in Groningen. Hij kreeg nauwelijks de kans om te spreken. Volgens Zwerver kapte de voorzitter, Hendriksz, het gesprek af met de opmerking dat er niet onderhandeld werd. Hij gaf niet toe, en het bestuur ook niet.

Drie dagen later, op 5 oktober, stierf zijn dochtertje Jantje. Ze was drie jaar oud. Op vrijdag 10 oktober werd ze begraven, aan de voet van de kerkmuur, onder de preekstoel waarop haar vader al maanden niet mocht staan. De historica Hanneke Hoekstra heeft dit verdriet beschreven in een artikel over het gezin De Cock. Zij laat zien dat de Afscheiding begon in een huis dat in de rouw was.

Ik noem dit omdat het verhaal van de Afscheiding vaak wordt verteld als een strijd om de leer. Dat was het ook. Maar de mensen die er middenin stonden, droegen ook hun eigen leven mee.

EEN BOERENKAR IN HET WEILAND

Op donderdag 9 oktober kwam een gast naar Ulrum: Hendrik Pieter Scholte, predikant in het Brabantse Doeveren. Hij dacht er net zo over als De Cock. Volgens het verhaal dat Els Zwerver voor De Verhalen van Groningen schreef, sprak hij die dagen in de herberg van de weduwe Koster en doopte hij er zeven kinderen.

Op zondag 12 oktober zat de kerk vol. Voor de dienst was een andere predikant aangewezen, Nicolaas Smith uit het naburige Leens. Scholte vroeg hem de preekbeurt aan hem over te laten. Smith weigerde. Toen riep Frouwe Venema, de vrouw van De Cock, volgens Hoekstra: “Hier is het tijd, hier moet het gebeuren!”

Wat er daarna precies gezegd en gedaan werd, is in de bronnen niet helemaal gelijk verteld. Wel staat vast dat de kerkvoogd A.J. Sleuver de kerk op slot deed. Een kerkvoogd beheerde het gebouw en het geld van de gemeente, en hij hoorde niet bij de mensen rond De Cock. ’s Middags preekte Scholte buiten, in het grasland bij de pastorie. Hij stond op een boerenkar.

MAANDAGAVOND IN DE PASTORIE

Op maandag 13 oktober zat De Cock de hele dag aan een tekst. Het werd de Acte van Afscheiding of Wederkeer. Die tweede naam is belangrijk. De schrijvers vonden zelf niet dat ze iets nieuws begonnen. Ze keerden terug, zo zagen zij het, naar de kerk van de Reformatie.

De Acte begint met de verklaring dat de ondertekenaars opzieners en leden zijn van de gereformeerde gemeente van Ulrum. Opzieners zijn de ouderlingen en diakenen. Daarna somt de tekst op wat er volgens hen mis was. De Hervormde Kerk had de leer van de vaderen losgelaten, de sacramenten ontheiligd en de tucht bijna laten varen. Hun predikant was geschorst omdat hij tegen dwaling preekte. Scholte mocht niet spreken. De conclusie is hard: de Hervormde Kerk was “niet de ware, maar de valsche kerk”.

Zij maakten zich los, zo schrijft Historiek, “totdat deze terug keert tot de waarachtige dienst des Heeren.” De deur bleef in hun eigen woorden dus op een kier. Ze zochten ook gemeenschap met andere gereformeerden in het land die er net zo over dachten.

De ondertekenaars beloofden zich te houden aan de belijdenisgeschriften van de gereformeerde kerken, de zogenaamde drie formulieren van enigheid, en aan de kerkorde van de Synode van Dordrecht uit 1619. En ze bleven De Cock zien als hun wettige herder en leraar.

’s Avonds tekende de kerkenraad. Er is een klein, opvallend detail. Volgens Hoekstra staat de naam van Hendrik de Cock er niet onder. Die van zijn vrouw Frouwe wel.

DINSDAG IN DE KUIPERIJ

De volgende dag, dinsdag 14 oktober, lag de Acte klaar in de kuiperij-herberg van de weduwe Koster-Hulshoff. Een kuiper maakte tonnen en vaten, en als herberg was het ook een plek waar dorpsgenoten samenkwamen. Daar kwamen de leden van de gemeente om te tekenen.

Hoeveel waren het? Het Reformatorisch Dagblad en Hoekstra noemen 137 namen, van mannen en vrouwen. Het verhaal van Zwerver geeft meer details. Volgens haar waren er ruim honderdvijftig mensen. Er tekenden er 144, acht weigerden, en onder die acht zaten de twee kerkvoogden. Zeven van de ondertekenaars trokken hun naam later weer in. Als dat klopt, verklaart het misschien het verschil tussen 144 en 137. Dat laatste is mijn eigen rekensom. Een bron die het zo uitlegt, heb ik niet gevonden.

Zwerver legt De Cock die dag één zin in de mond: “Het gaat er niet om dat u mij volgt.” Of hij het zo zei, kan ik niet controleren. Maar de zin past bij wat er op papier staat. De Acte is ondertekend door een gemeente, niet door één man.

Wat zou jij gedaan hebben? Je woont in een dorp waar iedereen elkaar kent. De kerkvoogden tekenen niet. Een deel van je buren blijft in de kerk van de koning. Je kinderen zitten op de enige school in het dorp. En je zet je naam op een papier waarin staat dat de kerk van je ouders de valse kerk is.

VELDWACHTERS IN HET KERKPAD

De zondag erna, 19 oktober, werd duidelijk dat het dorp in tweeën lag. Een predikant uit Niekerk, Van der Helm, kwam de dienst leiden. Volgens Zwerver liepen er zeven veldwachters en een gerechtsdienaar met hem mee naar de kerk. Een veldwachter was een soort dorpspolitieagent.

In de kerk kon De Cock de preekstoel niet bereiken. Hij las de Acte voor vanaf een bank in de kerk. Er werd geroepen en gescholden. Daarna gingen de deuren dicht.

De gouverneur van de provincie, Rengers, stuurde soldaten.

TWAALF SOLDATEN AAN TAFEL

Op zaterdag 25 oktober 1834 marcheerden ruim honderd infanteristen uit de stad Groningen Ulrum binnen. Ze moesten de orde bewaren. Ze werden ingekwartierd, en vooral bij afgescheiden gezinnen. Inkwartiering betekende dat een gezin soldaten in huis moest nemen, met bed en eten, of het wilde of niet. Een dorpsgeschiedenis van Ulrum rekent uit dat er in die maanden één soldaat op negen inwoners was.

In de pastorie kwamen er twaalf. De deuren van de pastorie werden verzegeld, de boeken en papieren van De Cock in beslag genomen. Een dag later, op zondag 26 oktober, ging de kerkklok van Ulrum, en de trommels van de soldaten klonken erdoorheen.

De Cock had volgens Omroep Het Hogeland veel aanhang onder de armere bevolking. Vooral afgescheiden gezinnen moesten deze mannen nu te eten geven. In een winter. Hoe zij het precies ervoeren, staat in geen enkele bron die ik heb kunnen lezen. Wel weten we hoe lang het duurde. Volgens Zwerver vertrokken de laatste soldaten pas in juli 1835. Stichting Ulrum 1834 spreekt van ongeveer een half jaar.

TWINTIG MENSEN IN EEN SCHUUR

Ondertussen kwam de gemeente samen waar het kon. In de pastorie, in schuren, op de boerderij Zuidhof van Kuipinga. Soms waren het er zoveel dat de dienst naar buiten moest, het veld in.

Dat was strafbaar. Nederland had uit de Franse tijd het wetboek van Napoleon overgehouden. Artikel 291 daarvan bepaalde dat een vereniging van meer dan twintig personen alleen mocht samenkomen met toestemming van de regering. Koning Willem I liet die regel tegen de afgescheidenen gebruiken. De predikant die voorging kreeg een boete, en de eigenaar van het huis of de schuur vaak ook.

Ook de gewone gemeenteleden kregen het te verduren. Zwerver noemt Klaas Pieters Ritsema, die een maand gevangenisstraf en acht gulden boete kreeg. Ik heb zijn naam in geen andere bron teruggevonden, maar ik wil hem hier niet weglaten. Er waren er meer zoals hij, in Ulrum en straks in honderden andere dorpen.

En het gewone leven ging door. In 1834 had Ulrum maar één kerk en maar één school. De kinderen van de afgescheidenen bleven naar die school gaan, samen met de kinderen van de mensen die niet getekend hadden. Pas in 1870 kwam er in het dorp een christelijke lagere school. Zesendertig jaar lang gingen de kinderen van beide kanten naar dezelfde school.

De Cock zelf werd op 31 oktober door de rechtbank in Appingedam veroordeeld. Op 28 november bevestigde het hof in Groningen het vonnis: honderdvijftig gulden boete en drie maanden cel. Hij zat ze uit in het huis van bewaring aan de Zoutstraat in Groningen. In februari 1835 moesten Frouwe en de kinderen de pastorie uit. Ze vonden onderdak bij de weduwe Martje Wierenga. In mei 1835 verhuisde het gezin met de trekschuit naar Smilde, in Drenthe.

EEN BOER DIE ERTEGENIN SCHREEF

Niet iedereen in Ulrum was het met de afgescheidenen eens. Een van de felste tegenstanders woonde in hetzelfde dorp: Marten Douwes Teenstra, een boer die ook schrijver was. Hij schreef pamfletten tegen de slavernij, tegen bijgeloof en tegen wat hij de “geestdrijverij” van De Cock en de zijnen noemde. Hij ligt begraven op het oude kerkhof aan de Snakkeburen.

Ik vind het goed dat hij in dit verhaal staat. Dezelfde man die tegen de slavernij schreef, zag in zijn afgescheiden buren dwepers. Allebei hoort bij hem. De kerkgeschiedenis van een dorp is zelden het verhaal van goede en slechte mensen. Het is het verhaal van buren die elkaar niet meer begrepen, en die elkaar op straat bleven tegenkomen.

VAN EEN DORP NAAR EEN LAND

Wat in Ulrum begon, bleef er niet. Binnen een paar weken volgden andere gemeenten. In Smilde scheidde een groep zich af op 20 november 1834. Volgens Historiek ontstonden er tussen 1834 en 1836 ongeveer honderddertig afgescheiden gemeenten. Eind 1839 waren het er ruim honderdvijftig.

De vervolging hield jaren aan, met boetes, inkwartiering en ontbonden diensten. Het overkwam ook Scholte. In Loosdrecht kreeg hij in januari 1836 vijfentwintig gulden boete, en later dat jaar in Gorinchem honderd gulden. Vanaf september 1836 kregen de afgescheidenen in Loosdrecht ook soldaten in huis. Het patroon van Ulrum werd door het hele land herhaald. Pas na de troonswisseling van 1840 kregen afgescheiden gemeenten die daarom vroegen erkenning van de koning. Met de Grondwet van 1848 kwam er godsdienstvrijheid voor iedereen.

In Ulrum zelf groeide de afgescheiden gemeente uit tot een vaste groep in het dorp. In 1849 hoorde 28,9 procent van de inwoners van de gemeente Ulrum erbij, zo berekende de historicus Dick Drost. Hun eerste eigen kerk stond in De Fuik, waar nu verpleeghuis Asingahof staat. Een gedenksteen is er niet. In 1901 bouwden de gereformeerden een nieuwe kerk aan de Leensterweg, die er nog staat.

EEN STAD DIE PELLA HEETTE

Voor een deel van de afgescheidenen werd Nederland te klein. De vervolging woog zwaar, en in 1845 en 1846 mislukte de aardappeloogst. Voor arme gezinnen betekende dat gebrek. Een overzicht van de Rijksuniversiteit Groningen concludeert dat geloof en armoede ongeveer even zwaar meetelden.

In het najaar van 1846 vertrok predikant Albertus van Raalte met een groep vanuit Rotterdam. Ze wilden naar Wisconsin, maar de winter hield hen tegen. In februari 1847 kwamen ze aan bij de monding van de Black River in Michigan. Daar bouwden ze hun eerste blokhut. De plaats heet nu Holland.

Eind april 1847 vertrok ook Scholte, de man van de boerenkar in Ulrum. Hij was geschorst, gearresteerd en had volgens de historische vereniging van Pella drie weken vastgezeten. Zijn groep voer met vier schepen naar Amerika, drie vanuit Rotterdam en een vanuit Amsterdam. Op 26 augustus 1847 kwamen bijna achthonderd kolonisten aan in Iowa. Ze noemden hun stad Pella, naar de plaats waar volgens een oude overlevering de christenen van Jeruzalem een toevluchtsoord vonden. Het stadszegel draagt de woorden In Deo Spes Nostra et Refugium: in God is onze hoop en onze toevlucht.

Tot 1857 vertrokken volgens Historiek 7570 afgescheidenen naar Amerika. Of er Ulrumers bij waren, en wie, heb ik niet kunnen vaststellen. Het zou me niet verbazen. Maar ik schrijf het pas op als ik hun namen vind.

DE KERK OP DE WIERDE

De kerk waaruit de afgescheidenen in 1834 vertrokken, bleef de Hervormde kerk van Ulrum. In 2013 of 2014, de bronnen verschillen, ging ze over naar de Stichting Oude Groninger Kerken. In het gebouw werd in september 2014 een heruitgave van de Acte gepresenteerd, met de oorspronkelijke tekst erin. Inwoners werken samen met de stichting aan een kerkhistorisch museum. In 2021 was dat museum nog in oprichting en organiseerde het rondleidingen door het dorp.

In 1834 had Ulrum één kerk. Volgens het Reformatorisch Dagblad waren het er in 2010 vier. Stichting Ulrum 1834 houdt af en toe een feest waarbij het dorp het jaar van de Afscheiding naspeelt, met oude rijtuigen, straattoneel en ook weer soldaten in de straten. Dit keer zijn het dorpsgenoten in uniform.

Zo komen de twee helften van het verhaal weer samen in hetzelfde gebouw. In de kerk die de afgescheidenen verlieten, wordt nu hun geschiedenis verteld.

Wie er rondloopt, staat op het kerkhof binnen de oude muur. Aan de voet van de kerkmuur, onder de preekstoel, werd in oktober 1834 een meisje van drie begraven. Vier dagen later zetten 137 mannen en vrouwen hun naam in een kuiperij elders in het dorp. Haar moeder was een van hen. De herberg is verdwenen. De kerkmuur staat er nog.

GA ER ZELF HEEN

De Hervormde kerk, ook Catharinakerk genoemd, staat aan de H. de Cockstraat 5 in Ulrum, in het noordwesten van de provincie Groningen. Je herkent haar aan de forse toren op de wierde en de muur rond het kerkhof. Binnen zie je de preekstoel uit 1745, de herenbank met het gesneden wapen van de familie Inn- en Knyphausen en het Lohman-orgel uit 1806. De kerk is van de Stichting Oude Groninger Kerken: kijk voor openingstijden en activiteiten op de website van die stichting.

Direct naast de kerk staat de witte pastorie, H. de Cockstraat 1, waar De Cock vanaf 1829 woonde. Het huis is een rijksmonument, en vanaf de straat zie je goed hoe dicht het bij de kerk staat. Aan de Leensterweg 1 staat de gereformeerde kerk uit 1901, gebouwd na de vereniging in 1892 van de afgescheidenen met de dolerenden, de groep rond Abraham Kuyper.

Stichting Ulrum 1834 heeft een wandelroute door het dorp langs plekken uit die tijd. De folder kun je downloaden van de website van de stichting. Wie de reis wil afmaken, kan in de stad Groningen het graf van Hendrik en Frouwe de Cock bezoeken op de Zuiderbegraafplaats.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): De Cock predikant in Ulrum vanaf 1829 en woonachtig in de pastorie; schorsing in december 1833; de gesloten kerk en de middagpreek van Scholte buiten op zondag 12 oktober 1834; de ondertekening door de kerkenraad op 13 oktober en door de gemeente op 14 oktober in de herberg van de weduwe Koster; de inhoud van de Acte; ruim honderd soldaten in Ulrum vanaf eind oktober 1834, twaalf in de pastorie; boete van 150 gulden en drie maanden cel voor De Cock; het gezin moest de pastorie uit; het verbod op samenkomsten van meer dan twintig personen; erkenning vanaf 1840 en godsdienstvrijheid in 1848; de emigratie onder Van Raalte (Holland, Michigan, 1847) en Scholte (Pella, Iowa, 1847); de huidige monumenten (kerk, pastorie, gereformeerde kerk).

Alleen uit overlevering of één bron: het woord van Kuipinga over “een zucht”; de dood en begrafenis van Jantje onder de preekstoel (alleen bij Hoekstra, een wetenschappelijke bron); het bezoek van Scholte aan de herberg op 9 en 10 oktober en de zeven dopen; de uitspraak van De Cock op 14 oktober; het aantal veldwachters op 19 oktober; de verhouding van één soldaat op negen inwoners; de straf van Klaas Pieters Ritsema; de ene school tot 1870; het vertrek van de laatste soldaten in juli 1835; het percentage van 28,9 in 1849; de plaats van de eerste afgescheiden kerk.

Onbevestigd: het precieze aantal ondertekenaars (137 bij Hoekstra en het Reformatorisch Dagblad, 144 bij Zwerver; de verklaring met de zeven die terugkwamen is een eigen rekensom); of er Ulrumers bij de emigranten naar Amerika waren; of het museum in Ulrum inmiddels geopend is.

Duiding: of de Hervormde Kerk van 1834 de valse kerk was, is een geloofsoordeel van de ondertekenaars. Dit hoofdstuk beschrijft wat zij geloofden en wat het hun kostte, zonder dat oordeel over te nemen.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Els Zwerver, “Ulrum 1834: Hier is het tijd, hier moet het gebeuren!”, De Verhalen van Groningen
  2. Hanneke Hoekstra, “Het gestorven kind. Het verdriet van Hendrik de Cock en de Afscheiding van 1834”, De Moderne Tijd 2008
  3. Reformatorisch Dagblad, 2 september 2014, “Akte van afscheiding 1834 heruitgegeven” (via Digibron)
  4. Reformatorisch Dagblad, 2 april 2010, “Tumult in Ulrum” (via Digibron)
  5. Reformatorisch Dagblad, 29 oktober 2004, “In het spoor van ds. H. de Cock” (via Digibron)
  6. Act of Secession or Return (1834), vertaling J. Smith
  7. Ds. H. de Cock (1801-1842) en Frouwe Venema, Theologienet
  8. Ds. H. de Cock (1801-1842), GereformeerdeKerken.info
  9. Historiek, “De Afscheiding van 1834: kerkscheuring in Ulrum”
  10. Rijksmonumentenregister, Hervormde kerk Ulrum (35863)
  11. Rijksmonumentenregister, complex Pastorie Ulrum
  12. Rijksmonumentenregister, Gereformeerde kerk Ulrum (509489)
  13. Reliwiki, Ulrum, Catharinakerk
  14. Erfgoed Groningen, bezienswaardigheden in Ulrum
  15. Dorpsonderzoek Ulrum, Hervormde pastorie
  16. Stichting Oude Groninger Kerken, “KerkHistorisch Museum in Ulrum” (2016)
  17. Omroep Het Hogeland, rondleiding Ulrum (november 2021)
  18. Stichting Ulrum 1834
  19. Stichting Ulrum 1834, wandelroute
  20. Dick Drost, “Thesinge en de Afscheiding van 1834”, Groniek
  21. C. Smits, De Afscheiding van 1834, deel 4, Provincie Utrecht (DBNL)
  22. Association loi de 1901 (over artikel 291 van de Code pénal), Wikipédia
  23. Rijksuniversiteit Groningen, “The Founding of the Last ‘Colonies’”
  24. Pella Historical Society, History of Pella
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel