Naar de inhoud
Wim Kamphorst

Leiderschapswoordenboek

433 woorden voor leiden en leider, in 45 talen en taalgroepen.

Elke taal kijkt op een eigen manier naar leiders. De een ziet een herder, de ander een hoofd, een oudste of een dienaar. Zoek op een woord, kies een taal of een beeld, en kijk wat er gebeurt.

  • Bijbels Hebreeuws מֶלֶךְ melek koning koning; van malak, regeren koning en vorst ca. 2.523x; 1 Sam 8; Deut 17:14-20; Ps 93:1 (God als Koning)
  • Bijbels Hebreeuws מָלַךְ malak regeren koning zijn, regeren koning en vorst ca. 348x; Ex 15:18; 1 Sam 8:7, 22
  • Bijbels Hebreeuws נָגִיד nagid aangewezen leider waarschijnlijk "wie vooraan staat" voorgaan en leiden 44x; 1 Sam 9:16; 10:1; 13:14; 2 Sam 5:2; Dan 9:25
  • Bijbels Hebreeuws נָשִׂיא nasi vorst, stamhoofd "opgehevene", van nasa, opheffen hoofdkoning en vorst 132 à 134x; Num 1:16; 7; Lev 4:22; Ez 34:24; 37:25
  • Bijbels Hebreeuws שַׂר sar overste, bevelhebber heerser, van sarar koning en vorst 421x; Ex 18:21; Jes 9:5 (Sar Shalom); Dan 10:13
  • Bijbels Hebreeuws רֹאשׁ rosh hoofd hoofd, top, begin hoofd 599x; Ex 18:25; Num 1:4; Richt 11:8-11; rosh beit av
  • Bijbels Hebreeuws שָׁפַט / שֹׁפֵט shafat / shofet rechtspreken / richter recht doen, richten, verlossen 203x; Gen 18:25; Richt 2:16; 1 Sam 8:5
  • Bijbels Hebreeuws זָקֵן zaqen oudste oud; oudste oudste 179x; Ex 3:16; 24:1; Num 11:16-25; Ruth 4
  • Bijbels Hebreeuws רָעָה / רֹעֶה ra'ah / ro'eh weiden / herder weiden, hoeden herder 164x; Ps 23:1; 2 Sam 5:2; Jer 23; Ez 34
  • Bijbels Hebreeuws אַלּוּף alluf stamhoofd, vriend vertrouwd; clanhoofd (mogelijk van elef, duizend) hoofd 69x; Gen 36; Ex 15:15; Zach 12:5-6
  • Bijbels Hebreeuws קָצִין qatsin aanvoerder "beslisser", van qatsah voorgaan en leiden 12x; Richt 11:6, 11; Jes 3:6-7; Micha 3:1, 9
  • Bijbels Hebreeuws מָשַׁל / מֹשֵׁל mashal / moshel heersen / heerser heersen, heerschappij hebben koning en vorst 81x; Gen 3:16; Richt 8:22-23; 2 Sam 23:3; Micha 5:1
  • Bijbels Hebreeuws שֹׁטֵר shoter beambte mogelijk "schrijver"; beambte 25x; Ex 5:6-19; Num 11:16; Deut 16:18; Joz 1:10
  • Bijbels Hebreeuws פָּקִיד paqid opziener gevolmachtigde, van paqad opziener 13x; Gen 41:34; Neh 11:9; Jer 20:1
  • Bijbels Hebreeuws מְחֹקֵק mechoqeq wetgever, bevelhebber "inkerver", van chaqaq wortel 19x; Gen 49:10; Richt 5:9, 14; Jes 33:22
  • Bijbels Hebreeuws רֹזְנִים rozenim machthebbers de gewichtigen 6x; Richt 5:3; Ps 2:2; Spr 8:15
  • Bijbels Hebreeuws אָדוֹן adon heer heer, meester, eigenaar koning en vorstprofeet en leraar ca. 325x; Ps 97:5; Ps 110:1
  • Bijbels Hebreeuws נָהַג nahag drijven, aanvoeren voortdrijven, geleiden voorgaan en leiden 31x; Ex 3:1; Ps 78:52; 80:2; Jes 63:14
  • Bijbels Hebreeuws נָחָה nachah geleiden leiden, begeleiden voorgaan en leiden 39x; Ex 13:17, 21; 15:13; Ps 23:3
  • Bijbels Hebreeuws רָדָה radah heerschappij voeren heersen; vertreden koning en vorstvoorgaan en leiden 27x; Gen 1:26, 28; Lev 25:43; Ez 34:4
  • Bijbels Hebreeuws נָבִיא navi profeet woordvoerder, spreker profeet en leraar 316x; Ex 7:1; Deut 18:15-22; 1 Sam 9:9
  • Bijbels Hebreeuws כֹּהֵן kohen priester dienaar (in de eredienst) dienaar ca. 750x; Gen 14:18; Ex 19:6; Lev 10:10-11
  • Bijbels Hebreeuws אָב av vader vader, hoofd van een vaderhuis hoofdvader ca. 1.212x; Gen 45:8; 2 Kon 2:12; beit av
  • Bijbels Hebreeuws עֶבֶד eved knecht slaaf, dienaar, van avad dienaar ca. 800x; Num 12:7; Joz 24:29; Jes 42:1; 52:13
  • Bijbels Hebreeuws עֶבֶד יְהוָה eved YHWH knecht van de HEERE knecht van JHWH dienaar Mozes (Deut 34:5), Jozua (Joz 24:29), David, Jesaja's knechtliederen
  • Bijbels Hebreeuws מַמְלֶכֶת כֹּהֲנִים mamlechet kohanim koninkrijk van priesters koningschap van priesters koning en vorst Ex 19:6
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἄρχων archōn overste (Septuagint) heerser, leider koning en vorstvoorgaan en leiden onderscheiden van basileus voor de Israëlitische leider
  • Aramees מֶלֶךְ melek koning koning koning en vorst ca. 180 keer in Daniël en Ezra; "koning der koningen" (Dan 2:37; Ezra 7:12)
  • Aramees מַלְכוּ malku koningschap koninkrijk, koningschap koning en vorst Daniël 2 en 7
  • Aramees שַׁלִּיט shallit heerser macht hebbend, heersend koning en vorst Dan 4:17, 25, 32; Ezra 4:20; 7:24
  • Aramees שָׁלְטָן sholtan heerschappij heerschappij Dan 7:14
  • Aramees רַב rav groot, hoofd groot; overste hoofd Dan 2:48; 4:9; Ezra 5:8
  • Aramees סָרְכִין sarkin (mv.) rijksbestuurder hoofd, opziener hoofdopziener 5 keer in Daniël 6
  • Aramees אֲחַשְׁדַּרְפְּנִין achashdarpenin (mv.) satraap beschermer van het rijk Dan 3:2; 6:1 tot 7; Hebr. in Ezra 8:36 en Ester
  • Aramees סִגְנִין signin (mv.) prefect aangestelde, prefect Dan 2:48; 3:2; 6:7
  • Aramees פֶּחָה pechah stadhouder gouverneur Ezra 5:3, 14 (Tattenai, Sesbazar); Dan 3:2
  • Aramees שָׂבַיָּא sabayya / sabe oudsten grijzen, oudsten oudste Ezra 5:5; 6:7, 14
  • Aramees מָרֵא mare heer heer koning en vorst "Heer der koningen" (Dan 2:47); "Heer des hemels" (Dan 5:23)
  • Aramees ῥαββί / רַבִּי rhabbi / rabbi rabbi mijn grote, mijn meester profeet en leraar 15 keer in de evangeliën; Mat 23:8
  • Aramees ῥαββουνί rhabbouni rabboeni mijn meester profeet en leraar Marc 10:51; Joh 20:16
  • Aramees רַבָּן rabban onze meester vaderprofeet en leraar Rabban Gamaliël (vgl. Hand 5:34)
  • Aramees ἀββά abba vader vader vader Marc 14:36; Rom 8:15; Gal 4:6
  • Aramees μαραναθά maranatha (marana tha / maran atha) onze Heer, kom onze Heer, kom / is gekomen koning en vorst 1 Kor 16:22; Didache 10:6
  • Aramees ריש גלותא resh galuta hoofd der ballingschap hoofd van de ballingschap hoofd exilarch in Babylonië, 2e tot 11e eeuw
  • Syrisch ܟܗܢܐ kahna priester priester Peshitta; rab kahne = hogepriester
  • Syrisch ܩܫܝܫܐ qashisha oudste, priester oude, oudste oudste presbyter in Syrische kerken; ordinatieritueel
  • Syrisch ܐܦܝܣܩܘܦܐ episqopa bisschop opziener opziener bisschop in Syrische kerken
  • Syrisch ܡܫܡܫܢܐ mshamshana diaken dienaar dienaar diaken
  • Syrisch ܪܥܝܐ raʿya herder herder herder Joh 10:11 (Peshitta); Afrahat
  • Syrisch ܡܪܝ Mar / Mor mijn heer mijn heer koning en vorst eretitel van heiligen en bisschoppen
  • Syrisch ܡܪܢ Maran / Moran onze Heer onze Heer koning en vorst titel van Christus; Moran Mor voor patriarch
  • Syrisch ܡܦܪܝܢܐ maphryono maphrian die vrucht doet dragen tweede ambt in de Syrisch-orthodoxe kerk (vanaf 628/629)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) βασιλεύς basileus koning koning koning en vorst vertaling van melek
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἡγούμενος hēgoumenos leider die voorgaat voorgaan en leiden Gen 49:10; Ezech 43:7; Mat 2:6; Heb 13:7, 17
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἀρχηγός archēgos aanvoerder eerste die leidt hoofdvoorgaan en leiden nasi, rosh; Jes 3:5; Hand 3:15; Heb 12:2
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἀρχιστράτηγος archistratēgos opperbevelhebber eerste legeraanvoerder hoofdvoorgaan en leiden Joz 5:14
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ποιμήν poimēn herder herder herder ro'eh; Ezech 34; Joh 10; Ef 4:11
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) πρεσβύτερος presbyteros oudste oudere oudste zaqen; Num 11:16; Hand 14:23
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) γερουσία gerousia raad van oudsten ouderenraad oudste oudsten van Israël, o.a. Ex 3:16
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἐπίσκοπος episkopos opziener die toezicht houdt opziener paqid; Neh 11:9; Hand 20:28
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) κριτής kritēs rechter rechter shofet; titel Κριταί
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἀρχιερεύς archiereus hogepriester opperpriester Lev 4:3; Hebreeën
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἀρχισυνάγωγος / ראש הכנסת archisynagōgos / rosh ha-knesset hoofd van de synagoge hoofd van de samenkomst hoofd Marc 5:22; Hand 13:15; 18:8
  • Aramees פַּרְנָס parnas verzorger, bestuurder verzorger Babylonisch woord voor synagogehoofd
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἡγέομαι / ἡγούμενος hēgeomai / hēgoumenos leidende voorgaan, leiden; achten voorgaan en leiden Luc. 22:26; Hand. 15:22; Heb. 13:7, 17, 24 (28x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) προΐστημι proïstēmi vooraan staan voor (iets) staan; leiding geven, zorg dragen voorgaan en leiden Rom. 12:8; 1 Tess. 5:12; 1 Tim. 3:4-5, 12; 5:17 (8x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) προστάτις prostatis beschermvrouwe zij die vooraan staat, beschermster Rom. 16:2 (Febe)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ποιμαίνω poimainō hoeden weiden, hoeden, beschermend leiden herdervoorgaan en leiden Joh. 21:16; Hand. 20:28; 1 Petr. 5:2 (11x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἀρχιποίμην archipoimēn opperherder eerste herder herderhoofd 1 Petr. 5:4 (Christus)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) διάκονος diakonos dienaar dienaar, bediende; gezant (Collins) dienaar Marc. 10:43; Rom. 16:1; Fil. 1:1; 1 Tim. 3:8-13 (29x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) διακονία diakonia dienst dienst, bediening dienaar Hand. 6:1-4; 2 Kor. 5:18; Ef. 4:12 (34x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) δοῦλος doulos slaaf slaaf, gebondene dienaar Rom. 1:1; Fil. 2:7; Marc. 10:44 (126x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ὑπηρέτης hypēretēs dienaar, assistent ondergeschikte; volgens populaire etymologie onderroeier dienaar Luc. 1:2; Hand. 26:16; 1 Kor. 4:1 (20x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) οἰκονόμος oikonomos rentmeester huisbeheerder profeet en leraar Luc. 12:42; 1 Kor. 4:1-2; Tit. 1:7; 1 Petr. 4:10 (10x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) κυβέρνησις kybernēsis bestuur het sturen van een schip 1 Kor. 12:28 (1x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) κυβερνήτης kybernētēs stuurman stuurman, kapitein Hand. 27:11; Op. 18:17 (2x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) καθηγητής kathēgētēs leidsman, leraar die de weg voorgaat, meester-leraar voorgaan en leidenprofeet en leraar Mat. 23:10 (2x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ὁδηγός hodēgos wegwijzer wegleider voorgaan en leiden Mat. 15:14; 23:16, 24 (blinde leidslieden) (5x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) κατακυριεύω katakyrieuō heersen over als heer neerdrukken koning en vorst Marc. 10:42; 1 Petr. 5:3 (4x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) κατεξουσιάζω katexousiazō macht doen gelden gezag naar beneden uitoefenen Mat. 20:25; Marc. 10:42 (2x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἐξουσία exousia gezag het geoorloofde; bevoegdheid, macht Mat. 7:29; 28:18; 2 Kor. 10:8 (102x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἄρχω archō heersen als eerste zijn, heersen; beginnen hoofdkoning en vorst Marc. 10:42; Rom. 15:12
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) πρῶτος prōtos eerste de voorste, eerste hoofd Marc. 9:35; 10:44; Op. 1:17 (100x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) μέγας megas groot groot, aanzienlijk Mat. 18:1-4; 20:26; Marc. 10:43 (243x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἀπόστολος apostolos apostel gezondene Joh. 13:16; 1 Kor. 12:28; Ef. 4:11; Heb. 3:1 (80x)
  • Aramees ῥαββί rhabbi rabbi mijn grote profeet en leraar Mat. 23:7-8; Joh. 1:38 (15x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) κύριος kyrios heer eigenaar, heer koning en vorst Rom. 10:9; Fil. 2:11 (722x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) διδάσκαλος didaskalos leraar onderwijzer profeet en leraar Mat. 23:8; Ef. 4:11; Jak. 3:1 (59x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) προφήτης prophētēs profeet die (Gods woord) uitspreekt profeet en leraar Hand. 13:1; 1 Kor. 12:28; Ef. 4:11 (146x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) εὐαγγελιστής euangelistēs evangelist brenger van goed nieuws Hand. 21:8; Ef. 4:11; 2 Tim. 4:5 (3x)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) εὐεργέτης euergetēs weldoener weldoener (eretitel van vorsten) koning en vorst Luc. 22:25
  • Latijn dux aanvoerder, leider voorgaan en leiden Mt 2:6 Vulgaat; later hertog
  • Latijn dūcere ducere leiden, trekken voorgaan en leiden PIE dewk-
  • Latijn princeps die de eerste plaats neemt hoofd Mc 10:42; 1 Pt 5:4 princeps pastorum
  • Latijn rex koning, heerser koning en vorst in de republiek gehate titel
  • Latijn regere recht houden, leiden, regeren voorgaan en leiden Hand 20:28 regere ecclesiam
  • Latijn gubernare een schip sturen 1 Kor 12:28 gubernationes
  • Latijn praepositus vooraan geplaatste, overste Heb 13:7, 17, 24
  • Latijn pastor herder, weider herder Ef 4:11; Joh 10:11
  • Latijn rector stuurman, leidsman voorgaan en leiden Regula pastoralis van Gregorius
  • Latijn magister de meerdere, meester profeet en leraar magister equitum; leraar
  • Latijn minister de mindere, dienaar dienaar Mc 10:43
  • Latijn ministrator die bedient dienaar Lc 22:26
  • Latijn praecessor die voorop gaat voorgaan en leiden Lc 22:26
  • Latijn servus slaaf, knecht dienaar Mc 10:44; servus servorum Dei
  • Latijn dominus heer des huizes koning en vorst Dominus voor God
  • Latijn episcopus opziener, bisschop opziener Fil 1:1; Tit 1:7
  • Latijn presbyter oudste oudste Tit 1:5
  • Latijn senior oudere 1 Pt 5:1
  • Latijn sacerdos priester Heb 7
  • Latijn abbas vader, abt vader kloosteroverste
  • Latijn papa vader, paus vader Heraclas van Alexandrië
  • Latijn auctoritas gezag Gelasius, 494
  • Latijn potestas macht Gelasius, 494; Lc 22:25
  • Koptisch Koptisch episkopos ⲉⲡⲓⲥⲕⲟⲡⲟⲥ opziener, bisschop opziener bron van Arabisch ʔusquf
  • Koptisch Koptisch ouēēb ⲟⲩⲏⲏⲃ priester (oud-Egyptisch "reine") uit Demotisch wꜥb
  • Koptisch Koptisch ouro ⲟⲩⲣⲟ koning (uit "groot huis", farao) koning en vorst Hand 26:27 Bohairisch
  • Ge'ez en Amhaars Ge'ez kahn ካህን priester verwant aan Hebr. kohen
  • Ge'ez en Amhaars Ge'ez nolawi ኖላዊ herder herder kerkelijke herder
  • Ge'ez en Amhaars Ge'ez nəguś ንጉሥ koning koning en vorst van nägśä, regeren
  • Armeens Armeens hoviw հովիւ herder, schapenbeschermer herder PIE h₃ewi-peh₂-
  • Armeens Armeens episkopos եպիսկոպոս bisschop opziener calques veraditoł, makaditoł
  • Armeens Armeens kʻahanay քահանայ priester uit Syrisch kāhnāʾ
  • Armeens Armeens erēcʻ երէց oudste, presbyter oudste verwant aan Gr. présbus
  • Armeens Armeens tʻagawor թագաւոր kroondrager, koning koning en vorst
  • Georgisch Georgisch mc̣q̇emsi მწყემსი herder herder Proto-Georgisch-Zan
  • Georgisch Georgisch mɣvdeli მღვდელი priester uit Oudgeorgisch mɣudeli
  • Georgisch Georgisch eṗisḳoṗosi ეპისკოპოსი bisschop opziener
  • Georgisch Georgisch mepe მეფე koning koning en vorst
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch pastyr' пастырь herder, pastor herder kerkelijk gebruik
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch svjaščennik священник priester, "met het heilige verbonden"
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch pop поп priester (uit Gr. papa) vader
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch jepiskop епископ bisschop opziener
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch vladyka владыка heerser; aanspreekvorm bisschop koning en vorstopziener van vladěti, heersen
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch igumen игумен voorganger, abt vadervoorgaan en leiden Gr. hēgoumenos, vgl. Heb 13:17
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch knjaz' князь vorst koning en vorst uit kuningaz
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch car' царь keizer, koning koning en vorst uit Caesar
  • Gotisch 𐌷𐌰𐌹𐍂𐌳𐌴𐌹𐍃 hairdeis herder herder Joh 10:2
  • Gotisch 𐌸𐌹𐌿𐌳𐌰𐌽𐍃 þiudans die van het volk, koning koning en vorst Joh 19:3
  • Gotisch 𐍂𐌴𐌹𐌺𐍃 reiks heerser, overste koning en vorst Joh 12:42; Ef 2:2
  • Gotisch 𐌺𐌹𐌽𐌳𐌹𐌽𐍃 kindins stadhouder
  • Gotisch 𐍆𐍂𐌰𐌿𐌾𐌰 frauja heer, de Heer koning en vorst Mt 6:24
  • Gotisch 𐌰𐌽𐌳𐌱𐌰𐌷𐍄𐍃 andbahts dienaar dienaar verwant aan ambt
  • Gotisch 𐌲𐌿𐌳𐌾𐌰 gudja priester van guþ, God
  • Gotisch 𐌰𐌹𐍀𐌹𐍃𐌺𐌰𐌿𐍀𐌿𐍃 aipiskaupus bisschop opziener
  • Nederlands leiden doen gaan (causatief van lijden "gaan") voorgaan en leiden Onl. leidon, 10e eeuw; Hebr. 2:10 SV
  • Nederlands leider wie leidt voorgaan en leiden verwant met lædere, Leiter
  • Nederlands leidsman gids, wie leidt voorgaan en leiden Matt. 2:6; Hebr. 2:10 SV
  • Nederlands voorganger wie voorop gaat voorgaan en leiden Hebr. 13:7, 17, 24 SV
  • Nederlands herder hoeder van de kudde herder Ef. 4:11 SV; Joh. 10:11
  • Nederlands ouderling de oudere oudste 1 Petr. 5:1; Hand. 20:17 SV
  • Nederlands opziener wie toeziet opziener 1 Tim. 3:1-2; Hand. 20:28 SV
  • Nederlands voorstander wie vooraan staat Rom. 12:8 SV
  • Nederlands regeren richten, sturen 1 Tim. 5:17 SV; gekozen in SV
  • Nederlands dienaar wie dient dienaar Matt. 23:11 SV
  • Nederlands vorst de voorste koning en vorst Onl. furista, 10e eeuw
  • Nederlands heer de meer waardige/oudere koning en vorst Onl. herro, vertaalt Dominus
  • Nederlands voorman wie vooraan staat 1858 "leider"
  • Nederlands dominee heer (aanspreekvorm) koning en vorst 1504; protestants vanaf 17e eeuw
  • Nederlands predikant verkondiger protestantse predikant
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) diaken dienaar dienaar 1 Tim. 3:8 SV
  • Nederlands kerkenraad raad van de kerk bestuur plaatselijke gemeente
  • Engels lead doen gaan (causatief van liðan) voorgaan en leiden Oudengels lædan
  • Engels leadership positie/vermogen van een leider voorgaan en leiden 1821
  • Engels shepherd schaapherder herder Oudengels sceaphierde
  • Engels pastor herder herder Ef. 4:11 KJV
  • Engels minister de mindere, dienaar dienaar geestelijke, ca. 1300
  • Engels elder de oudere oudste 1 Petr. 5:1 KJV
  • Engels overseer wie overziet Hand. 20:28 KJV
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) bishop opziener opziener 1 Tim. 3:1 KJV
  • Duits führen doen varen (causatief van fahren) ohd. fuoren, 8e eeuw
  • Duits Führer wie leidt, gids voorgaan en leiden titel Hitler 1934-1945
  • Duits Verführer verleider, misleider voorgaan en leiden Bonhoeffer, februari 1933
  • Duits Leiter wie leidt voorgaan en leiden ohd. leitāri, 9e eeuw
  • Duits Hirte hoeder van de kudde herder "der gute Hirte"; Erzhirte
  • Duits Älteste de oudste oudste 1 Petr. 5:1 Luther
  • Duits Vorsteher wie vooraan staat koning en vorst sinds 16e eeuw
  • Duits Herzog legeraanvoerder voorgaan en leiden Matt. 2:6; Hebr. 2:10 Luther
  • Duits Lehrer leraar profeet en leraar Hebr. 13:7, 17, 24 Luther
  • Fries liede leiden voorgaan en leiden Oudfries lēda
  • Scandinavisch leder wie leidt; hoofdredactioneel hoofdvoorgaan en leiden Bokmålsordboka
  • Scandinavisch ledare wie leidt; hoofdredactioneel hoofdvoorgaan en leiden leda + -are
  • Scandinavisch hyrde herder, kerkelijk leider herdervoorgaan en leiden overhyrden, 1 Petr. 5:4
  • Scandinavisch prest priester, predikant uit norrøn prestr, presbyter
  • Scandinavisch vejleder Vejleder wegwijzer, begeleider voorgaan en leiden Hebr. 13:17 (1933)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) Grieks hēgoumenoi ἡγούμενοι zij die leiden voorgaan en leiden Hebr. 13:7, 17, 24
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) Grieks proistamenos προϊστάμενος wie vooraan staat Rom. 12:8
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) Grieks episkopē ἐπισκοπή toezicht, bezoeking opziener 1 Tim. 3:1
  • Frans chef hoofd (uit caput) hoofd baas, leider, hoofd van een kerk; Segond Mc 10:42 "chefs des nations"
  • Frans dirigeant richtend (deelwoord van diriger) bestuurder van bedrijf of staat; classes dirigeantes
  • Frans meneur hij die voert (mener) voorgaan en leiden leider van een volksbeweging; ook agitator; meneur d'hommes
  • Frans guide wegwijzer (Frankisch \witan) voorgaan en leiden gids, guide spirituel
  • Frans conducteur geleider, voorganger voorgaan en leiden Segond, Martin, Darby Heb 13:17
  • Frans pasteur herder (uit pastor), sinds 1238 herder protestantse predikant; bisschop, Christus
  • Frans berger schaapherder (uit \berbicarius) herder Jn 10:11 le bon berger; herdertje in kerststal
  • Frans chef de file hoofd van de rij hoofd officieel aanbevolen voor leader
  • Frans leader leader / leadership leider (Engels to lead) voorgaan en leiden Académie française 1935 en 1990; leadership ontbreekt
  • Spaans líder leider (uit Engels leader) voorgaan en leiden leider van partij of groep; vrouwelijk ook lideresa
  • Spaans dirigente die leidt (dirigir + -nte) voorgaan en leiden bestuurder van partij, bond, vereniging
  • Spaans guía gids (van guiar, mogelijk Gotisch) voorgaan en leiden wegwijzer, mentor, lazarillo
  • Spaans caudillo kopstuk (uit caput) hoofd caudillismo 19e eeuw; Franco "bij de gratie Gods"
  • Spaans pastor herder herder RVR1960 en Almeida ARC, Heb 13:17
  • Portugees liderança leiderschap (liderar + -ança) voorgaan en leiden commando, leiding, hegemonie
  • Italiaans capo hoofd (uit caput) hoofd capo dello stato, capo del governo
  • Italiaans duce leider, gids (uit dux) voorgaan en leiden Dante; Romeinse titel; Mussolini 1919 tot 1945
  • Italiaans condottiero contractant (condotta) huurlingenaanvoerder
  • Italiaans guida gids (van guidare, Frankisch) voorgaan en leiden guida spirituale, guida di un popolo
  • Italiaans pastore herder (uit pastor) herder pastore d'anime, sommo pastore, protestantse predikant
  • Italiaans conduttore geleider voorgaan en leiden Diodati en Riveduta Heb 13:17
  • Roemeens conducător leider (van a conduce) voorgaan en leiden titel van Antonescu en Ceaușescu
  • Roemeens cârmaci roerganger epitheton van Ceaușescu na 1971
  • Roemeens păstor herder (uit pastor) herder priester, bisschop; păstor sufletesc; arhipăstor
  • Roemeens mai-marii de meer-groten, meerderen Cornilescu Heb 13:17 én Mc 10:42
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch vozhd вождь leider, voerder (\vodjь) voorgaan en leiden stamhoofd; Lenin en Stalin; Mt 15:14 Synodaal
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch lider лидер leider (Engels leenwoord) voorgaan en leiden vervangt vozhd
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch rukovoditel руководитель hij die met de hand leidt voorgaan en leiden leidinggevende; RBO Heb 13:17
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch nachalnik начальник chef (bij начало, bron) hoofd Kassian Heb 13:17 en Mc 10:42
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch nastavnik наставник mentor, leermeester profeet en leraar Synodale vertaling Heb 13:17
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch pastyr пастырь herder herder Christus (Jn 10:11), geestelijken; Пастыреначальник
  • Russisch en Kerkslavisch Cyrillisch starets старец oudere (vertaling van γέρων) erkende geestelijke vader, Optina
  • Oekraïens Cyrillisch nastavnyk наставник (наставників) leermeester profeet en leraar Ohienko Heb 13:17
  • Oekraïens Cyrillisch providnyk провідник gids, voorganger voorgaan en leiden leiderschapsideaal bij Gudziak
  • Pools wódz leider voorgaan en leiden verwant aan vozhd, verdrongen door przywódca
  • Pools przywódca leider voorgaan en leiden wie de weg wijst en anderen meetrekt
  • Pools przełożony overste, meerdere Biblia Tysiąclecia Heb 13:17; kloosteroverste
  • Pools pasterz herder herder BT Jn 10:11 dobry pasterz
  • Tsjechisch vůdce leider voorgaan en leiden verwant aan vozhd
  • Tsjechisch správce bestuurder, rentmeester profeet en leraar Kralická Heb 13:17
  • Servisch en Kroatisch Latijns (ook Cyrillisch вођа) vođa leider, gids (van voditi) voorgaan en leiden gewone woord voor leider
  • Servisch en Kroatisch vožd leider voorgaan en leiden Karađorđe als Grote Vožd
  • Servisch en Kroatisch starješina oudste oudste Knjiga o Kristu Heb 13:17
  • Bulgaars Cyrillisch vodach водач wie de weg wijst leider, gids, chauffeur
  • Bulgaars Cyrillisch nastavnitsi наставници leermeesters profeet en leraar Bijbel 1940 Heb 13:17
  • Modern Grieks Grieks igétis ηγέτης leider (stam van ηγούμαι + -της) voorgaan en leiden πολιτικοί ηγέτες
  • Modern Grieks Grieks igesía ηγεσία leiding, leiderschap voorgaan en leiden η ηγεσία του κόμματος
  • Modern Grieks Grieks archigós αρχηγός aanvoerder (αρχ- + άγω) voorgaan en leiden partijleider; Heb 12:2 over Jezus
  • Modern Grieks Grieks poiménas ποιμένας herder (ποιμήν) herder protestantse voorganger; Christus de goede herder
  • Modern Grieks Grieks proestótes προεστώτες zij die vooraan staan Filos Pergamos Heb 13:17
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) Grieks igoúmenos ηγούμενος die voorgaat, leider voorgaan en leiden Heb 13:17; abt van een klooster
  • Swahili kiongozi kiongozi (mv. viongozi) leider (persoonscongruentie ondanks ki-/vi-klasse) voorgaan en leiden gewoon woord voor leider
  • Swahili kuongoza leiden, gidsen voorgaan en leiden Hebr. 13:7, 17; Luk. 22:26 (SUV)
  • Swahili mzee mzee (mv. wazee) oude man, oudste oudste 1 Petr. 5:1 (SUV)
  • Swahili mtumishi / mtumwa dienaar / slaaf dienaar Marc. 10:43-44 (SUV)
  • Swahili utu menselijkheid Swahili-equivalent van ubuntu
  • Zulu en Xhosa inkosi inkosi (mv. amakhosi) koning, hoofdman; ook God/Heer hoofdkoning en vorst traditioneel gezag; christelijk gebruik voor God
  • Zulu en Xhosa induna induna (mv. izinduna) raadgever, hoofdman, woordvoerder hoofd Zulu-koninkrijk; Zuid-Afrikaans Engels en Afrikaans
  • Zulu en Xhosa indaba vergadering, beraad overleg van izinduna
  • Zulu en Xhosa ubuntu menselijkheid (ubu- + -ntu) umuntu ngumuntu ngabantu; Tutu
  • Zulu en Xhosa umalusi herder herder Joh. 10:11, 14 (ZUL59)
  • Zulu en Xhosa -hola -hola (abaniholayo) leiden (zij die u leiden) voorgaan en leiden Hebr. 13:7, 17 (ZUL59)
  • Zulu en Xhosa umbonisi opziener opziener 1 Tim. 3:1-2 (ZUL59)
  • Tswana en Sotho kgosi kgosi (mv. dikgosi) koning, hoofdman hoofdkoning en vorst Ntlo ya Dikgosi (Botswana)
  • Tswana en Sotho kgotla volksvergadering, dorpsraad, rechtbank consensusbesluitvorming
  • Tswana en Sotho botho menselijkheid motho ke motho ka batho
  • Yoruba ọba koning (sacraal) koning en vorst Ooni van Ife, Alaafin van Oyo
  • Yoruba baálẹ̀ vader van het land vader hoofd van een nederzetting
  • Igbo eze koning koning en vorst gekozen vorst met raad van oudsten
  • Igbo obi ontvangsthuis; wie in het troonhuis zit koninklijke titel
  • Hausa sarki koning, heerser; hoofd van een domein hoofdkoning en vorst sarkin noma, sarkin yaki
  • Ge'ez en Amhaars Ge'ez (ንጉሥ, niet in bron gecontroleerd) nəgus negus koning (wortel ngś, regeren) koning en vorst nəgusä nägäst, koning der koningen
  • Ge'ez en Amhaars Ge'ez malak koning koning en vorst troonnamen tot de Gondar-periode
  • Akan okyeame woordvoerder, tolk, gezant staf met spreekwoord
  • Engels big man grote man, informele leider voorgaan en leiden Sahlins 1963
  • Arabisch قائد qāʾid, mv. qāda qāʾid iemand die leidt (van qāda, leiden) voorgaan en leiden aanvoerder, commandant; Maghreb caïd; Spaans alcaide
  • Arabisch رئيس raʾīs, mv. ruʾasāʾ raʾīs hoofd (van raʾs) hoofd president, voorzitter, baas; Ex. 18:21; Mar. 10:42; 1 Pet. 5:4
  • Arabisch رأس raʾs, mv. ruʾūs raʾs hoofd hoofd Ex. 18:25 'hoofden over het volk'; verwant aan Hebr. rosh
  • Arabisch زعيم zaʿīm, mv. zuʿamāʾ zaʿīm leider voorgaan en leiden politieke leider; Libanees patronagesysteem; Ottomaanse zaim
  • Arabisch أمير amīr, mv. umarāʾ amīr bevelhebber (van ʾ-m-r, bevelen) prins, emir; amīr al-muʾminīn
  • Arabisch إمام imām, mv. aʾimma imām leider, voorbeeld voorgaan en leiden gebedsvoorganger (soennitisch), onfeilbare leider (sjiitisch)
  • Arabisch خليفة khalīfa opvolger, plaatsvervanger, rentmeester profeet en leraar kalief; Koran 2:30 en 38:26 (David)
  • Arabisch شيخ shaykh, mv. shuyūkh shaykh oude man (van shākha, oud worden) oudste sjeik, stamhoofd, eretitel; Tit. 1:5 en 1 Pet. 5:1 voor 'oudsten'
  • Arabisch راعٍ / راعي rāʿin, mv. ruʿāh rāʿin / rāʿī hoeder, herder (van raʿā, weiden) herder Ps. 23:1; Joh. 10:11; 1 Pet. 5:4
  • Arabisch رعية raʿiyya kudde; ook onderdanen herder 1 Pet. 5:2 'weidt de kudde Gods'
  • Arabisch خادم khādim dienaar (van khadama, dienen) dienaar Mar. 10:43; in christelijk gebruik ook diaken
  • Arabisch عبد ʿabd slaaf, dienstknecht dienaar Mar. 10:44
  • Arabisch مدبّر mudabbir ontwerper, regelaar (van dabbara) vader Mat. 2:6; Rom. 12:8
  • Arabisch مرشد murshid, mv. murshidūn murshid gids (van arshada) voorgaan en leiden Heb. 13:7, 17 'voorgangers'; ook Perzisch morshed
  • Arabisch أمين amīn, mv. umanāʾ amīn betrouwbaar, trouw; beheerder Ex. 18:21 'betrouwbare mannen'
  • Arabisch خدمة khidma dienst, ambt, werk dienaar Koptisch kerkelijk dienstwerk
  • Syrisch قس qass / qiss, mv. qusūs qass priester, predikant verkorting van qissīs
  • Arabisch قمص qummuṣ / kommos qummuṣ hegoumenos eretitel, rang van aartspriester
  • Aramees ܡܪܝ mar / mor mar mijn heer koning en vorst titel van heiligen en bisschoppen
  • Arabisch نظّار nuẓẓār opzichters 1 Pet. 5:2
  • Arabisch وكيل الله wakīl Allāh gevolmachtigde, rentmeester van God profeet en leraar Tit. 1:7
  • Arabisch أسقف usquf bisschop, opziener opziener 1 Tim. 3:2; Tit. 1:7
  • Arabisch شمّاس shammās, mv. shamāmisa shammās diaken 1 Tim. 3:8
  • Syrisch قسيس qissīs priester, predikant christelijke geestelijke; Koran 5:82
  • Arabisch كاهن kāhin, mv. kahana kāhin priester; ook waarzegger christelijk neutraal, voor moslims vaak negatief
  • Syrisch مطران muṭrān, mv. maṭārina muṭrān metropoliet, aartsbisschop opziener hoofd van een kerkprovincie
  • Arabisch أب / أبونا ab, abūnā ab / abūnā vader / onze vader vader aanspreekvorm voor priesters; Ethiopisch Abuna voor bisschoppen
  • Swahili rais president (uit Arab. raʾīs) staatshoofd
  • Perzisch رهبر rahbar, mv. rahbarān rahbar weg (rah) + bar; leider, gids, dirigent voorgaan en leiden titel van de Iraanse 'Leider' sinds 1979
  • Perzisch رهبری rahbari leiderschap voorgaan en leiden abstract naamwoord
  • Perzisch پیشوا pīshvā / pêšvâ pīshvā voorhoede; voorbeeld, leider herdervoorgaan en leiden Rom. 12:8; Mat. 2:6 (OPV)
  • Perzisch شاه shāh, mv. shāhān shāh koning (uit Oudperzisch xšāyaθiya) koning en vorst shāhanshāh, 'koning der koningen'
  • Perzisch چوپان chūpān / čupân chūpān schapenbeschermer (fšu + pāna) herder; bron van Turks çoban
  • Perzisch شبان shobān herder herder Ps. 23:1; Joh. 10:11; 1 Pet. 5:4 (OPV)
  • Perzisch پیر pīr, mv. pīrān pīr oud; soefi-meester profeet en leraar 1 Pet. 5:1 'oudsten' (OPV)
  • Syrisch کشیش keshīsh, mv. keshīshān keshīsh priester (Syr. qaššīšā, priester of oudste) oudste Tit. 1:5 'oudsten' (OPV)
  • Turks reis hoofd hoofd Ottomaanse kapitein; aile reisi, belediye reisi
  • Turks başkan leider voorgaan en leiden burgemeester, voorzitter, president
  • Turks önder wie vooraan is (önde + -r) Mat. 2:6; Mar. 10:42; Heb. 13:7, 17 (KYÇ)
  • Turks lider leider voorgaan en leiden synoniem van önder
  • Turks rehber gids voorgaan en leiden reisgids, wegwijzer
  • Turks çoban herder herder Ps. 23:1; Joh. 10:11; Baş Çoban in 1 Pet. 5:4
  • Turks ihtiyar oud, oude man oudste Tit. 1:5; 1 Pet. 5:1 'oudsten' (KYÇ)
  • Turks gözetmen opziener opziener 1 Tim. 3:2; Tit. 1:7 (KYÇ)
  • Koerdisch serok / سەرۆک serok hoofd (ser) + -ok; leider hoofdvoorgaan en leiden leider, president, stamhoofd
  • Koerdisch şivan herder herder verwant aan Perz. shobān
  • Modern Hebreeuws מנהיג manhig, mv. manhigim manhig wie leidt (wortel n-h-g, drijven, leiden) voorgaan en leiden Heb. 13:7, 17 'uw leiders'
  • Modern Hebreeuws מנהיגות manhigut leiderschap voorgaan en leiden abstract naamwoord
  • Bijbels Hebreeuws רועה roʿe, mv. roʿim roʿe herder (wortel r-ʿ-h) herder sar ha-roʿim in 1 Pet. 5:4; roʿim ruchaniyim
  • Bijbels Hebreeuws זקן zaqen, mv. zeqenim zaqen oude, oudste oudste 1 Pet. 5:1
  • Engels sheikhocracy sjeik-bestuur tribaal-bureaucratische leiderschapsvorm
  • Arabisch واسطة wāsiṭa wasta middel, bemiddelaar invloed via connecties
  • Chinees 領袖 / 领袖 lǐngxiù leider kraag en mouwen voorgaan en leiden leider van volk of beweging
  • Chinees 領導 / 领导 lǐngdǎo leiden, leiding leiden, geleiden voorgaan en leiden alledaags woord voor leiden en leider, HSK 3
  • Chinees 領導力 / 领导力 lǐngdǎolì leiderschap leidingskracht voorgaan en leiden vermogen om te leiden
  • Chinees 首領 / 首领 shǒulǐng opperhoofd hoofd en hals hoofd leider, baas, hoofd
  • Chinees 牧師 / 牧师 mùshī dominee hoedende leraar herderprofeet en leraar pastor, predikant
  • Chinees 長老 / 长老 zhǎnglǎo oudste lang en oud oudste ouderling; titel van boeddhistische monnik
  • Chinees 僕人 / 仆人 púrén dienaar dienaar dienaar Mattheüs 20:27 CUV
  • Chinees 用人 yòngrén bediende te gebruiken persoon dienaar Mattheüs 20:26 CUV
  • Chinees 君子 jūnzǐ edele mens vorstenkind koning en vorst confucianistisch leiderschapsideaal
  • Chinees 小人 xiǎorén kleine mens kleine mens tegenhanger van junzi
  • Chinees 五倫 wǔlún vijf verhoudingen vijf relaties confucianistische sociale orde (Mencius)
  • Chinees 和合本 Héhéběn Chinese Union Version verenigde uitgave protestantse Bijbel, 1919
  • Koreaans 수령 (首領) suryeong opperhoofd hoofd en hals hoofd leider
  • Koreaans 군자 (君子) gunja edele mens vorstenkind koning en vorst confucianistisch ideaal
  • Koreaans 선배 (先輩) seonbae senior eerdere generatie senior in organisatie
  • Japans 指導者 shidōsha leider wijzen, leiden, persoon voorgaan en leiden leider, gids, mentor, coach
  • Japans 牧師 bokushi dominee hoedende leraar herderprofeet en leraar pastor, JLPT N1
  • Japans 長老 chōrō oudste lang en oud oudste oudere; monnik; presbyter
  • Japans 首領 shuryō opperhoofd hoofd en hals hoofd hoofd, leider
  • Japans 君子 kunshi edele mens vorstenkind koning en vorst junzi
  • Japans 先輩 senpai senior eerdere generatie senior, ouderejaars
  • Japans 後輩 kōhai junior latere generatie junior, jongerejaars
  • Hindi en Sanskriet गुरु guru goeroe zwaar, gewichtig geestelijk leraar
  • Hindi en Sanskriet मार्ग दर्शक mārg darśak wegwijzer weg-toner voorgaan en leiden Hebreeën 13:17 ERV-HI
  • Vietnamees quân tử (君子) quân tử edele mens vorstenkind koning en vorst junzi
  • Bijbels Hebreeuws מֶלֶךְ melekh koning koning, heerser koning en vorst Ex 15:18; 1 Sam 8:5; Deut 17:14-15
  • Bijbels Hebreeuws רֹעֶה ro'eh herder weider, hoeder (van ra'ah, weiden) herder Ps 23:1; Jer 3:15; Ez 34
  • Bijbels Hebreeuws שֹׁפֵט shofet richter die recht verschaft, regeert koning en vorst Richt 2:16
  • Bijbels Hebreeuws עָנָו 'anav nederig, zachtmoedig nederig, ook arm of verdrukt Num 12:3
  • Bijbels Hebreeuws רוּחַ ruach Geest, wind, adem adem, wind, geest Gen 41:38; Num 11:17; 27:18; Richt 6:34
  • Bijbels Hebreeuws שָׁמַע shama horen, gehoorzamen horen, luisteren, gehoorzamen 1 Sam 3:9-10; 15:22; Deut 6:4
  • Bijbels Hebreeuws לֵב שֹׁמֵעַ lev shomea horend hart een hart dat hoort 1 Kon 3:9
  • Bijbels Hebreeuws זְקֵנִים zeqenim oudsten ouden, oudsten oudste Num 11:16; 1 Sam 8:4
  • Bijbels Hebreeuws הוֹד hod majesteit, glans luister, waardigheid Num 27:20
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) πραΰς praus zachtmoedig zachtmoedig, mild Septuaginta Num 12:3 (vertaling van 'anav)
  • Bijbels Hebreeuws מַס mas herendienst dwangarbeid, heerdienst dienaar 1 Kon 5:13; 12:4
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) λύτρον lytron losprijs vrijkoopsom, van lyō "losmaken" Mc 10:45; Mt 20:28
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ὑπόδειγμα hypodeigma voorbeeld wat getoond wordt, model, patroon Joh 13:15
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) μίμησις mimēsis navolging nabootsing, navolging navolgingspatroon in Johannes; Paulus' navolgingstaal
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) μιμηταί mimētai navolgers nabootsers, navolgers 1 Kor 4:16; 11:1
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) καλός kalos goed goed, mooi, voortreffelijk, ideaal Joh 10:11 "de goede herder"
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) συμπρεσβύτερος sympresbyteros medeoudste mede-oudste oudste 1 Pe 5:1
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) προΐστημι proistēmi voorgaan, leiden vooraan staan; voorzitten; beschermen voorgaan en leiden Rom 12:8; 1 Tes 5:12; 1 Tim 3:4-5, 12; 5:17
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) κενόω kenoō leegmaken ledigen, krachteloos maken Fil 2:7 (kenosis)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) πείθεσθε peithesthe gehoorzaamt laat u overtuigen, vertrouwt Heb 13:17
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ὑπείκετε hypeikete wijkt, geeft toe wijken, het verzet opgeven Heb 13:17
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἀγρυπνέω agrypneō waken niet slapen, wakker blijven Heb 13:17
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) χάρισμα charisma genadegave genadegave (van charis, genade) Rom 12:6; 1 Kor 12:4
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἄγγελος angelos engel, boodschapper boodschapper Opb 1:20; 2:1 en verder
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἐκκλησία ekklēsia gemeente samenkomst, gemeente Paulusbrieven, huisgemeenten
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἐπισκοπή episkopè opzicht, opzienersambt opziener 1 Clemens 44, twist over het opzienersambt
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) καθολικὴ ἐκκλησία katholikè ekklèsia algemene, gehele kerk Ignatius aan de Smyrneeërs 8
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) μοναρχία (van μόνος + ἀρχή) monarchia eenhoofdig bestuur hoofd term "monarchaal episcopaat"
  • Latijn episcopatus bisschopsambt opziener Cyprianus: "Episcopatus unus est"
  • Latijn episcopalis audientia bisschoppelijk gehoor, rechtszitting dienaaropziener bisschoppelijke rechtspraak sinds Constantijn
  • Latijn episcopus, christianus episcopus / christianus opziener / christen opziener Augustinus, preek 340
  • Latijn ars artium kunst der kunsten Gregorius, Regula Pastoralis I.1
  • Latijn regula pastoralis herdersregel herder titel van Gregorius' handboek
  • Latijn servus servorum Dei dienaar der dienaren Gods dienaar pauselijke titel sinds Gregorius I
  • Latijn discretio onderscheiding, maat "moeder van de deugden", RB 64
  • Latijn prodesse, praeesse prodesse / praeesse van nut zijn / aan het hoofd staan hoofd woordspel bij Augustinus en Benedictus (niet in bron gecontroleerd)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) γέρων gerōn oude man, oudste oudste geestelijke vader in de woestijntraditie
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) πνευματικός / ψυχικός pneumatikos, psychikos pneumatikos / psychikos geestelijk / natuurlijk (zielsmatig) mens onderscheid bij geestelijke begeleiding
  • Latijn auctoritas sacrata pontificum gewijde autoriteit van de bisschoppen opziener Gelasius, 494
  • Latijn regalis potestas koninklijke macht Gelasius, 494
  • Latijn consideratio bezinning, overweging Bernardus, De consideratione
  • Latijn fratres minores kleinere (mindere) broeders naam van de franciscanen
  • Latijn dominium heerschappij, eigendom Wycliffe, De civili dominio
  • Duits Kirchenpfleger kerkverzorger, kerkvoogd lekentoezichthouders in Straatsburg
  • Duits Seelsorge, cura animarum Seelsorge / cura animarum zorg voor de ziel Bucer, Von der wahren Seelsorge
  • Nederlands nadere reformatie Nadere Reformatie verder doorgevoerde hervorming beweging van Teellinck, Voetius en anderen, 17e en 18e eeuw
  • Latijn idem pietatis cum scientia conjugenda vroomheid moet met wetenschap verbonden worden leus van Voetius
  • Duits Bünde / Bunden bunden Bunden verbonden, groepjes kleine groepen in Herrnhut, 1727
  • Duits losungen Losungen wachtwoorden, dagteksten dagelijkse teksten van de Broedergemeente, vanaf 1728
  • Engels idem class meeting klassenvergadering Wesleys wekelijkse groep van ongeveer twaalf, 1742
  • Nederlands Souvereiniteit in eigen kring idem soevereiniteit in eigen kring eigen gezag binnen elke levenskring rede van Kuyper, 20 oktober 1880
  • Tamil அம்மா ammā Amma moeder erenaam van Amy Carmichael in Dohnavur
  • Duits führer / verführer Führer / Verführer leider / verleider voorgaan en leiden Bonhoeffers radiorede, februari 1933
  • Duits idem Gemeinsames Leben gemeenschappelijk leven boek van Bonhoeffer, 1939
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) διακονέω diakoneō dienen, bedienen dienaar Markus 10:45
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἀγαπάω / ἀγάπη agapaō / agapē liefhebben / liefde Kern van het model van Patterson (2003)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) κατακυριεύω katakurieuō heersen over, overheersen koning en vorst Markus 10:42; 1 Petrus 5:3
  • Latijn primus inter pares eerste onder gelijken hoofd Greenleafs leiderschapsmodel, Quaker-invloed
  • Engels servant leadership dienend leiderschap dienaarvoorgaan en leiden Greenleaf 1970
  • Engels transformational leadership transformationeel leiderschap voorgaan en leiden Burns 1978; Bass 1985
  • Engels spiritual leadership spiritueel leiderschap voorgaan en leiden Fry 2003
  • Engels authentic leadership authentiek leiderschap voorgaan en leiden Walumbwa e.a. 2008
  • Engels ethical leadership ethisch leiderschap voorgaan en leiden Brown, Treviño en Harrison 2005
  • Engels spiritual abuse geestelijk misbruik Oakley en Kinmond 2014
  • Engels stewardship rentmeesterschap profeet en leraar Spears; Van Dierendonck en Nuijten
  • Engels standing back op de achtergrond blijven Servant Leadership Survey
  • Duits Die Morgenlandfahrt Morgenlandfahrt reis naar het Oosten Novelle van Hesse, inspiratie voor Greenleaf
  • Engels role congruity rolcongruentie Eagly en Karau 2002
  • Engels GLOBE Global Leadership and Organizational Behavior Effectiveness Onderzoeksproject naar cultuur en leiderschap in 62 samenlevingen (House et al. 2004)
  • Engels CLT CLT (culturally endorsed implicit leadership theory) Cultureel gedeelde impliciete leiderschapstheorie voorgaan en leiden Zes globale leiderschapsdimensies in GLOBE
  • Engels implicit leadership theory Implicit leadership theory Impliciete leiderschapstheorie, onuitgesproken leiderschapsbeeld voorgaan en leiden Den Hartog et al. 1999; Lord en Maher
  • Engels power distance Power distance Machtsafstand Hofstede-dimensie PDI; Nederland 38
  • Engels individualism Individualism Individualisme Hofstede-dimensie IDV; Nederland 80
  • Engels culturally contingent Culturally contingent Cultureel afhankelijk Leiderschapskenmerken die per cultuur verschillen (ambitieus, risico nemend)
  • Engels self-protective leadership Self-protective leadership Zelfbeschermend leiderschap voorgaan en leiden GLOBE-dimensie; status en gezichtsbehoud
  • Spaans caudillismo Caudillismo Heerschappij van de caudillo Systeem van politieke en sociale overheersing op basis van persoonlijke loyaliteit
  • Spaans ungido Ungido Gezalfde Titel van pinksterleiders die als Gods vertegenwoordigers gelden (Colombia)
  • Spaans machismo Machismo Mannelijkheidscultus Genderpatroon waartegenover het pastorale echtpaar een alternatief vormt
  • Spaans marianismo Marianismo Ideaal van vrouwelijkheid naar het beeld van Maria Genderpatroon in Colombiaanse context
  • Bijbels Hebreeuws בְּרִית berit Berit Verbond Gods verbond met zijn volk; Lingenfelters verbondsrelaties
  • Bijbels Hebreeuws מָשִׁיחַ mashiach Mashiach Gezalfde 1 Samuël 24:7, de gezalfde des HEEREN
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) χριστός christos Christos Gezalfde Titel van Jezus; vgl. zalving van alle gelovigen in 1 Johannes 2:20
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἐπίσημος episēmos uitblinkend/bekend gemarkeerd, opvallend, vermaard Rom. 16:7 (Junia)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) αὐθεντέω authenteō gezag uitoefenen/overheersen eigenmachtig optreden; betekenis omstreden koning en vorst Alleen 1 Tim. 2:12
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) οὐδέ oude noch en niet, noch 1 Tim. 2:12, verbindt "onderwijzen" en authenteō
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) σιγάτωσαν (σιγάω) sigatōsan (sigaō) laten zij zwijgen laten zij zwijgen 1 Kor. 14:34
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἱεράτευμα hierateuma priesterschap priesterschap, priesterlijk lichaam 1 Petr. 2:9; basis algemeen priesterschap
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) διάκρισις diakrisis onderscheiding onderscheiding, beoordeling 1 Kor. 12:10 (onderscheiding der geesten)
  • Grieks (Bijbels en kerkelijk) ἔδοξεν (δοκέω) edoxen (dokeō) het scheen goed het werd goedgedacht, besloten Hand. 15:28
  • Engels (Engels: complementarianism) complementarisme aanvullendheid Term gemunt in 1988 door oprichters van CBMW
  • Engels (Engels: egalitarianism) egalitarisme gelijkheidsdenken Positie van CBE (opgericht 1988)
  • Latijn successio apostolica apostolische successie apostolische opvolging Clemens, Ignatius, Irenaeus; Apostolicae curae 1896
  • Latijn consolatio, desolatio consolatio / desolatio troost / verlatenheid Ignatius, Geestelijke Oefeningen

De woorden komen uit de woordtabellen van het onderzoek. Bij elk woord staat waar het in de Bijbel of de geschiedenis voorkomt. Beelden zijn toegekend op basis van de betekenis.