Echt gebeurd!

Naar de andere kant van de wereld · verhaal 1

Robertus Junius

letters voor een volk zonder letters

Ongeveer 7 minuten voorlezen

Een man komt zelf

Het is 1640. Op het eiland Formosa komt een man naar een Nederlandse dominee toe. Hij komt uit het dorp Soulang. Hij vraagt de dominee om hem te onderzoeken. Hij wil namelijk gedoopt worden.

De dominee heet Robertus Junius. Hij schreef dit zelf op, in een brief van 23 oktober 1640. Het is een van de weinige keren dat iemand van het eiland zelf iets zegt in de oude papieren.

Formosa heet nu Taiwan. Het ligt aan de andere kant van de wereld, vlak bij China. Hoe kwam een jongen uit Rotterdam daar terecht?

Robert wordt Robertus

Hij werd in 1606 geboren in Rotterdam. Zijn naam was Robert de Jonghe. Toen hij ging studeren, maakte hij er een Latijnse naam van: Robertus Junius. Dat deden geleerde mensen toen vaak.

In Leiden begon een professor een opleiding in zijn eigen huis. Daar leerden jonge mannen voor dominee. Robertus was een van hen. Ze gingen allemaal naar dezelfde kant van de wereld: naar Azië, waar de VOC handel dreef.

De VOC was een groot Nederlands handelsbedrijf. Het had schepen, soldaten en forten. Het wilde vooral geld verdienen. De dominees die meegingen, kregen hun loon van de VOC.

In 1628 was Robertus klaar met zijn studie. Waarom hij zo ver weg wilde, heeft hij niet opgeschreven.

Een bruiloft en een eiland

In 1629 kwam hij aan in Batavia, de stad die nu Jakarta heet. Daar trouwde hij met Geertruyd van Nederhoven. Nog datzelfde jaar ging hij verder naar Formosa. Hij was pas drieëntwintig.

Op het eiland had de VOC een kasteel gebouwd: Zeelandia. Op de vlakte woonden de Siraya. Dat is een volk dat daar al heel lang woonde. Ze leefden in dorpen, en die dorpen voerden vaak oorlog met elkaar.

Het dorp Sinkan was bevriend met de Nederlanders. Het grote dorp Mattau was tegen hen. In het jaar dat Junius aankwam, doodden krijgers uit Mattau ongeveer zestig Nederlandse soldaten.

Een taal zonder letters

De eerste twee jaar preekte Junius in het Nederlands. Maar de mensen van het eiland spraken geen Nederlands. Dus ging hij hun taal leren. Dat was een moeilijke taal.

En er was nog iets. Het Siraya werd nooit geschreven. Er bestonden geen letters voor. De dominees gingen de taal opschrijven met onze letters: a, b, c. Ze maakten ook een woordenlijst. Zo kreeg het Siraya een eigen alfabet.

Stel je voor dat jouw taal nooit was opgeschreven. Hoe zou je dan een verhaal bewaren?

Vanaf 1631 woonde Junius in Sinkan. Hij bleef er twaalf jaar. In 1634 vroeg hij of hij jongens uit Sinkan mee mocht nemen naar Nederland. Daar konden ze dan dominee worden, voor hun eigen volk. Of dat ooit gebeurd is, weten we niet.

Een donkere bladzijde

Nu komt een stuk dat niet mooi is. Maar het is wel echt gebeurd.

Junius was dominee, maar hij werkte ook voor de VOC. Hij klaagde vaak over Mattau. In november 1635 ging hij mee met soldaten van de VOC naar dat dorp. Ook krijgers uit Sinkan gingen mee. Niemand in Mattau vocht terug. Toch werden er zesentwintig mensen gedood. Het dorp brandde af.

Junius schreef dat Mattau gestraft moest worden. Anders zouden de andere dorpen de Nederlanders niet serieus nemen. Een week later sloot Mattau vrede. Daarna beloofden nog veel meer dorpen dat ze de VOC zouden gehoorzamen.

Zo kwamen het geloof en de macht van de VOC tegelijk op het eiland. Dat is de schaduwkant van dit verhaal. Wat vind jij ervan dat een dominee met soldaten meeging?

Vijftig meesters

Junius begon ook scholen. Hij maakte minstens dertien boekjes in de taal van Sinkan. Er stonden gebeden in, en vragen en antwoorden over het geloof.

Hij leidde mensen van het eiland op tot schoolmeester. In 1643 gaven ongeveer vijftig Siraya les op zes scholen. Meer dan zeshonderd kinderen leerden er lezen en schrijven in hun eigen taal. Hoe die meesters heetten, weet niemand meer. Jammer, want zij stonden elke dag voor de klas.

Volgens zijn eigen verslagen doopte Junius meer dan vijfduizend mensen. Of al die mensen goed wisten wat ze geloofden, kan niemand nu nog nagaan.

Een schilderij en een blauw bord

In 1643 ging Junius terug naar Nederland. Hij was niet gezond meer en had heimwee. In datzelfde jaar maakte een Chinese schilder op Formosa een schilderij van hem. Je ziet hem er twee keer op. Bovenaan preekt hij. Onderaan doopt hij een baby. Een moeder knielt en houdt haar kindje omhoog.

Junius werd dominee in Delft. Hij woonde aan de Koornmarkt, in een huis met de naam Het Witte Hart. Hij vergat het eiland niet. Hij schreef een ABC-boekje voor de scholen daar. In 1648 kwam het met een schip aan op Formosa.

Later werd hij dominee in Amsterdam. Daar leidde hij jonge mannen op die naar Azië zouden gaan. Hij vond het belangrijk dat ze de talen daar goed leerden. In 1655 stierf hij in Amsterdam.

Vijf jaar later schilderde iemand zijn gezicht in blauw op een bord van aardewerk. Dat bord is nu van het Rijksmuseum.

Letters die bleven

In 1661 viel een Chinees leger het eiland aan. In 1662 moesten de Nederlanders vertrekken. De kerk in Sinkan verdween. In één dorp maakten de mensen de schoolboeken zelfs kapot.

Maar de letters bleven. De Siraya bleven hun eigen taal schrijven met het alfabet van toen. Ze schreven er contracten mee. Een contract is een afspraak op papier. Er zijn er ongeveer honderdveertig bewaard gebleven. Het jongste is uit 1813. Dat is meer dan honderdvijftig jaar nadat de laatste Nederlander vertrok!

Echt gebeurd?

Ja. Dat Junius van 1631 tot 1643 in Sinkan werkte, scholen begon, boekjes in het Siraya maakte en in 1635 meeging naar Mattau, staat in meerdere bronnen. Het schilderij en het blauwe bord bestaan echt. Over de man uit Soulang en het aantal dopelingen weten we alleen iets uit de brieven en verslagen van Junius zelf. Hoe de mensen van Mattau en Sinkan er zelf over dachten, heeft niemand opgeschreven.

Praat erover

  • Junius schreef een taal op die nog nooit geschreven was. Waarom is het fijn om in je eigen taal te kunnen lezen?
  • Het geloof en de soldaten kwamen tegelijk naar het eiland. Waarom is dat moeilijk, denk je?

Uit de Bijbel

En hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt? (Romeinen 10:14)

Ga zelf kijken

In Delft staat aan de Koornmarkt nummer 42 het huis Het Witte Hart, waar Junius woonde. Het Rijksmuseum in Amsterdam bewaart het blauwe bord met zijn portret.