In maart 1943 moest een student theologie in Utrecht een handtekening zetten. De Duitse bezetter eiste van de studenten een loyaliteitsverklaring. Willem Barnard tekende niet.
Twee maanden later stond hij in Berlijn, in een fabriek van Siemens. Hij was tweeëntwintig. Hij zou er ruim een jaar blijven, van mei 1943 tot juni 1944. Later vertelde hij waar hij in die maanden bang voor was. Dat iemand zou merken dat hij het werk saboteerde. Dat hij zou sterven in de ziekenboeg. Dat een bom bij een nachtelijke luchtaanval de fabriek of zijn onderkomen zou raken. Die herinneringen kennen we uit het levensbericht dat theoloog Th. Marius van Leeuwen na zijn dood over hem schreef, en dat leunt op zijn eigen dagboeken en verhalen.
In die jaren had hij al gedichten geschreven. Een paar ervan stonden in bladen die de bezetter verboden had. Wie toen had gezegd dat deze stille, wat angstige jongen later een van de belangrijkste kerkliedschrijvers van zijn eeuw zou worden, had weinig bewijs gehad. Het werd wel zo. Willem Barnard schreef tientallen psalmberijmingen en honderden liederen. Als dichter, onder de naam Guillaume van der Graft, won hij literaire prijzen. Als predikant hielp hij de protestantse eredienst in Nederland vernieuwen. En hij schreef een dagboek, van zijn jeugd tot in zijn laatste jaren.
Het begon in een kapperszaak in Rotterdam.
EEN KAPPERSZAAK AAN DE VAN SPEIJKSTRAAT
Wilhelmus Barnard werd geboren op 15 augustus 1920 in Delfshaven, een oude wijk van Rotterdam. Zijn ouders, Hendrik Barnard en Cornelia Jannetje Zuur, hadden een kapperszaak aan de Van Speijkstraat. Hij was hun enige kind. Zijn moeder was drieënveertig toen hij werd geboren.
Over dat ouderlijk huis sprak hij later als over een dubbele erfenis. Van zijn vader had hij de twijfel, de neiging tot somberte. Van zijn moeder kreeg hij een warme, innige vroomheid. Beide zou hij zijn hele leven meedragen, de twijfel en het geloof, en ze komen allebei terug in wat hij schreef.
Hij groeide beschermd op, en ook wat bang. Volgens zijn levensbericht was hij een eenzelvig kind. Zijn trouwste metgezellen waren een dagboek en gedichten. Dat dagboek zou hij nooit meer loslaten.
In 1938 ging hij in Leiden Nederlands studeren. Toen de oorlog naderde, moest hij in militaire dienst. Na de capitulatie werd hij in juni 1940 gedemobiliseerd. Hij koos toen een andere richting: theologie, in Utrecht. Die faculteit stond bekend als rechtzinniger dan die in Leiden, en dat woog voor hem mee. Volgens zijn levensbericht hoopte hij er ook antwoord te vinden op de vragen die de oorlog opriep.
Hij was halverwege die studie toen de loyaliteitsverklaring kwam.
“ALS IN EEN FUIK”
Na Berlijn en na de bevrijding studeerde hij af. In 1946 verschenen zijn eerste twee dichtbundels, In exilio en Achterstand. De titel van de eerste is Latijn voor “in ballingschap”. Hij publiceerde ze onder een schuilnaam: Guillaume van der Graft. Guillaume is de Franse vorm van Willem. Van der Graft is een variant op het woord gracht.
Dat jaar werd hij ook predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk. Dat was minder vanzelfsprekend dan het lijkt. In februari 1946 schreef hij in zijn dagboek dat het hem verbijsterde dat hij binnenkort in het ambt zou staan. Veel later keek hij erop terug met een beeld uit de visserij. Hij was, zei hij, “als in een fuik het predikantschap ingezwommen”.
Het is een eerlijk beeld. Een fuik is een net waar een vis wel in zwemt, maar moeilijk weer uit komt. Barnard voelde zich geen vanzelfsprekende dominee. Hij twijfelde, en hij was in de eerste plaats dichter. En toch bleef hij in dat net, bijna dertig jaar lang.
Herken je dat? Dat je op een plek terechtkomt die je niet echt hebt gekozen, en dat je pas later ziet wat je daar te doen had?
In september 1946 trouwde hij met Tinka van Malde, voluit Christina. Over het trouwjaar verschillen de bronnen: de meeste noemen 1946, één essay noemt 1945. Ze kregen drie kinderen. Dochter Renata, geboren in 1951, werd later zelf predikant. Zoon Benno, geboren in 1954, werd dichter en schrijver, net als zijn vader.
GEEN WEERKLANK IN HARDENBERG
Zijn eerste gemeente was Hardenberg, in Overijssel. Hij begon er in 1946 als hulppredikant en werd er in 1947 predikant. Het werd geen succes. De jonge dichter uit Rotterdam voelde zich afgesneden van de mensen in zijn kerk. In 1948 schreef hij in zijn dagboek dat hij er geen weerklank voelde.
Ik vind het moedig dat hij dat opschreef, en dat het later ook gepubliceerd werd. Veel levensverhalen van predikanten slaan zulke jaren over. Hier staat het gewoon: het lukte niet goed.
Ondertussen ging het dichten door. In 1948 verscheen Poëzie in praktijk, in 1950 Mythologisch. Voor die laatste bundel kreeg hij in 1950 een Gelderse prijs voor poëzie. In datzelfde jaar verhuisde het gezin naar Nijmegen, waar hij predikant werd.
NIJHOFF KOMT NAAR NIJMEGEN
In Nijmegen kreeg hij bezoek dat zijn leven een andere richting gaf.
De Nederlandse Hervormde Kerk werkte in die jaren aan een nieuwe berijming van de psalmen. Een synodecommissie onder leiding van theoloog K.H. Miskotte zocht dichters. Vanaf 1951 was de bekende dichter Martinus Nijhoff literair adviseur van die commissie. Hij kwam zelf naar Nijmegen om Barnard over te halen mee te doen. Barnard had zijn aarzelingen, maar hij zette ze opzij. Nijhoff overleed in januari 1953.
Zo kwam Barnard in een kleine groep dichters terecht: Ad den Besten, Klaas Heeroma, Jan Willem Schulte Nordholt, Jan Wit en hijzelf. Met een knipoog noemden ze zichzelf “het landvolk”. In 1958 verscheen een gezamenlijke bundel onder die naam. Een lexicon noemt Barnard de spil van die kring.
Het werk duurde jaren. In 1968 was de nieuwe psalmberijming klaar. Barnard had er zevenentwintig psalmen alleen van berijmd, en aan elf andere had hij samen met anderen gewerkt.
Ondertussen kwam zijn poëzie in de volle aandacht. In 1953 verscheen Vogels en vissen. In 1954 kreeg hij daarvoor de Van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. De jury hoorde in zijn taal iets van Nijhoff. Twee jaar later volgde Woorden van brood, bekroond met de poëzieprijs van de stad Amsterdam.
Over één prijs gaat soms een misverstand rond. Barnard heeft de Constantijn Huygensprijs niet gekregen. Zijn naam staat niet op de lijst van winnaars van die prijs.
DINSDAGAVOND IN DE MARANATHAKERK
In 1954 verliet hij de gewone gemeente. Hij werd studiesecretaris van de Prof. dr. G. van der Leeuw-Stichting in Amsterdam, een stichting die kerk en kunst bij elkaar wilde brengen. Volgens een essay van Hans Werkman ging hij in 1956 een half jaar naar Engeland om religieus drama te bestuderen. Daar zag hij een liturgie waarin kerk en kunst niet zo ver uit elkaar lagen als hij in Nederland gewend was. Dat Engelse halfjaar noemt alleen Werkman; in de andere bronnen die ik las, komt het niet voor.
In januari 1957 begon in de Maranathakerk in Amsterdam iets nieuws: de Nocturnen. Het waren avonddiensten op dinsdag. Barnard en cantor-organist Frits Mehrtens waren de drijvende krachten. Samen schreven ze er veel liederen voor. De diensten werden in het hele land bekend.
Wat Barnard daar deed, was voor de protestantse kerk in die jaren ongewoon. Hij liet zich inspireren door het rooms-katholieke missaal en de vaste lezingen per zondag, iets wat de gereformeerde traditie niet kende. Hij wilde dat de kerk het jaar door zou leven, van zondag tot zondag, met lezingen die bij elkaar hoorden. Hij gaf ook ruimte aan lezingen uit het Oude Testament, en aan de manier waarop de synagoge de Thora leest.
De diensten die het best bleken te werken, bundelde hij in De adem van het jaar, in drie delen tussen 1962 en 1964. In 1963 verscheen De tale Kanaäns, onder zijn eigen naam Willem Barnard. Het was een leergang van liederen die het kerkelijk jaar volgde, met minstens drie liederen voor elke zondag. In de inleiding betoogde hij dat de psalmen de grond zijn van het christelijk zingen, en dat nieuwe liederen daarop een aanvulling zijn.
Voor hem waren poëzie, liturgie en theologie één geheel. Een lied was in zijn ogen ook een gedicht, en moest dus met vakmanschap gemaakt worden. Bij een latere uitgave van zijn liederen wordt van hem overgeleverd dat het geloof diep ingeademd moest worden, “liefst over de longen”.
EEN SANATORIUM IN LAREN
Het ging hem niet altijd goed. In 1959 moest hij rust nemen. Hij werd opgenomen in een sanatorium in Laren, voor tuberculose, een restant van de ziekte die hij in Berlijn had opgelopen. In februari 1960 werd hij geopereerd. In het sanatorium redigeerde hij een bundel essays, Tussen twee stoelen, die in 1960 verscheen.
Daarna kwam een zware depressie. Volgens zijn levensbericht trok die pas in het voorjaar van 1961 weg.
Ik noem dit omdat het bij zijn leven hoort, en omdat meerdere bronnen het noemen. Barnard was een man van grote woorden over God, en tegelijk iemand die soms maanden in het donker zat. De twijfel van zijn vader en het geloof van zijn moeder woonden allebei in hem.
Met Kerstmis 1961 begon hij weer als predikant, in het dorp Rozendaal bij Arnhem. Hij gaf er bijstand in het pastoraat, deels naast zijn werk voor de Van der Leeuw-Stichting. Volgens Werkman doceerde hij in die jaren ook liturgie en hymnologie in Brussel.
ZESENZEVENTIG LIEDEREN
In 1966 kreeg hij een eredoctoraat in de theologie van de Universiteit Utrecht, voor zijn werk aan de liturgie. Het was dezelfde faculteit waar hij in 1940 was begonnen.
Niet alles ging zoals hij wilde. Hij had voorgesteld om bij elke zondag nieuwe liederen te maken die op de Bijbellezingen aansloten. Dat voorstel werd afgewezen. Het frustreerde hem, en in 1966 schreef hij er een spotdicht over, met de titel “Gezangencommissies”. Ook later klaagde hij over wat hij als onhandige bemoeienis van kerkelijke commissies zag.
Er sloten zich meer kerken bij het project aan, en het werk kwam onder een interkerkelijke stichting. In 1973 verscheen het Liedboek voor de Kerken. Het bevatte de nieuwe psalmberijming en 491 gezangen. Zesenzeventig daarvan kwamen van Barnard: vijfenvijftig eigen teksten en eenentwintig vertalingen.
Werkman telde later verder. In de bundel Zingt Jubilate uit 1977 stonden ongeveer veertig liederen van hem, en in het Oud-Katholiek Gezangboek van 1990 meer dan tachtig.
Wie in een protestantse kerk zingt, zingt al snel iets van hem, ook zonder zijn naam te kennen. Weet jij wie de liederen schreef die jij uit je hoofd kent?
EEN KERK ZONDER DOMINEES
In 1971 verhuisde hij naar Ellecom. Zijn gezondheid bleef kwetsbaar. In 1974 vroeg hij vervroegd emeritaat aan, en in 1975 werd het verleend. Werkman noemt een diepe depressie als reden.
In 1978 vestigde hij zich in Utrecht. Daar zocht hij een kerk. Zijn ervaringen met de hervormde wijkgemeenten waren wisselend. In 1985 werd hij lid van de Oud-Katholieke Kerk. Werkman noemt als jaar 1980, en schrijft dat hij emeritus predikant van de Hervormde Kerk bleef.
Wat trok hem daar? Volgens zijn levensbericht waardeerde hij het moderne, open karakter van die kerk, samen met de oude liturgische vormen die er bewaard waren. Hij ging er als gewoon gemeentelid naar toe. Het beviel hem dat de titel “dominee” er onbekend was. Hij schreef ook voor deze kerk liederen.
TWAALFHONDERD BLADZIJDEN IN DE MARGE
In 1981 begon hij aan een werk dat tien jaar zou duren. In 1992 verscheen Stille omgang, een boek van ongeveer twaalfhonderd bladzijden. Het is een dichterlijke, mediterende uitleg van Bijbelteksten. Hijzelf noemde het een journal intime, een persoonlijk dagboek, geschreven in de kantlijn van de Bijbel. Het was bedoeld om in kleine stukjes te lezen, elke dag een beetje.
Zijn manier van lezen leende hij uit twee tradities. Van de rabbijnen, die woorden net zo lang bewerkten tot hun betekenis openging. En van de woestijnvaders, de vroege christelijke kluizenaars die de Bijbelteksten bij zich droegen, van binnen.
In 1993 kreeg hij voor zijn hele werk de Dr. C. Rijnsdorpprijs, een prijs voor christelijke literatuur.
ONBEREIKBAAR NABIJ
Begin jaren negentig bleek dat zijn vrouw Tinka de ziekte van Alzheimer had. Ze overleed in april 1995. Uit zijn verdriet groeide de bundel Onbereikbaar nabij, die in 1996 verscheen. Volgens zijn levensbericht kreeg hij daarmee een nieuwe, bredere kring van lezers.
Hij bleef schrijven. In 2000 verscheen een bundel waarvan de titel over zijn eigen leeftijd ging: Als een moeder haar zoontje van tachtig. In 2004 en 2005 kwamen selecties uit zijn dagboeken uit, onder meer Anno Domini, met dagboeken uit de jaren 1978 tot 1992. Daarna volgde Een zon diep in de nacht, met zijn dagboeken van 1945 tot 2005. Over het jaar van verschijnen verschillen de bronnen: 2008 of 2009.
Het jongetje uit Delfshaven dat zijn dagboek als vriend had, publiceerde het dus zelf, zestig jaar aan aantekeningen.
In 2005 werd hij geopereerd aan een kwaadaardige tumor. In 2007 viel hij en brak hij zijn heup. Hij ging wonen in een verzorgingshuis. Ook daar schreef hij door. In 2008 verscheen Orthodox of niks.
NEGENTIG JAAR
Op 15 augustus 2010 werd hij negentig. Er kwamen eerbewijzen. Een Utrechtse kunstenaar, Kees Wennekendonk, tekende zijn portret als verjaardagsgeschenk. Dat jaar werd ook een gedenksteen gelegd in de straat waar hij vroeger had gewoond. De NCRV besteedde aandacht aan zijn verjaardag. Op de vraag wat hij ervan vond, zei hij volgens zijn levensbericht alleen dat hij ervan genoot.
Drie maanden later, op 21 november 2010, overleed Willem Barnard in Utrecht. De uitvaartmis was in de Sint-Gertrudiskathedraal, de kathedraal van de Oud-Katholieke Kerk. De dienst begon met een van zijn bekendste liederen.
In het literaire tijdschrift Liter schreef de redactie kort daarna over hem als groot dichter, lezer en schrijver, en als vriend en vader. Ze haalde uit zijn dagboek een passage aan waarin hij het sterven zag als een laatste, volledige overgave aan God. De foto’s bij dat nummer had zijn dochter Renata gemaakt.
EEN LIED DAT VERDER GING
Zijn liederen gingen verder zonder hem. In 2013 verscheen een nieuw Liedboek voor de protestantse kerken, en ook daarin staan veel van zijn psalmen en liederen. Een predikant telde er in een kerkblad meer dan zeventig, plus zevenendertig psalmen. Een officiële telling heb ik niet gevonden, dus dat getal noem ik met voorbehoud.
In december 2021 kwam een van zijn liederen in het nieuws. In het Jeruzalemlied, dat hij rond 1960 schreef, stond een woord dat in onze tijd als kwetsend wordt gehoord, en ook een regel over joden die vragen opriep. De Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied paste die regels aan. Zijn zoon Benno zei tegen de NOS dat zijn vader geen racistische bedoelingen had, maar leefde in een tijd waarin woorden een ander gewicht hadden.
In het voorjaar van 2023 verscheen In wind en vuur, een uitgave in drie delen met ongeveer driehonderdvijftig van zijn liederen en een toelichting op elk lied. Hij wordt daarin genoemd als een van de belangrijkste kerkliedschrijvers van de twintigste eeuw.
Ergens in Nederland gaat op een zondag een kerkdeur open, het orgel speelt de eerste regel, en een gemeente die zijn naam misschien niet kent, zingt zijn woorden. De student die in 1943 zijn handtekening weigerde, en het ambt binnenzwom zonder het te willen, staat dan niet op de kansel. Hij zit in de stem van de mensen in de banken.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 15 augustus 1920 in Delfshaven (Rotterdam) als zoon van een kapper; studie in Leiden en theologie in Utrecht; weigering van de loyaliteitsverklaring in 1943 en tewerkstelling in Berlijn; debuut in 1946 onder het pseudoniem Guillaume van der Graft; predikant in Hardenberg en Nijmegen; studiesecretaris van de Van der Leeuw-Stichting (1954); de Nocturnen in de Maranathakerk; deelname aan de psalmberijming (gereed 1968); 76 gezangen in het Liedboek voor de Kerken (1973); Van der Hoogtprijs (1954), eredoctoraat Utrecht (1966), Rijnsdorpprijs (1993); vervroegd emeritaat in 1975; verhuizing naar Utrecht; Stille omgang (1992); overlijden in november 2010; de aanpassing van het Jeruzalemlied in 2021.
Alleen uit eigen getuigenis: zijn angsten in Berlijn; de dubbele erfenis van zijn ouders; de verbijstering bij zijn ambtsaanvaarding en het beeld van de fuik; het gevoel geen weerklank te vinden in Hardenberg; zijn redenen om naar de Oud-Katholieke Kerk te gaan. Deze punten komen uit zijn dagboeken en verhalen, zoals weergegeven in het levensbericht van Th. Marius van Leeuwen.
Onbevestigd: het precieze aantal liederen van Barnard in het Liedboek van 2013 (alleen een lokaal kerkblad); het halfjaar in Engeland in 1956 en het doceren in Brussel (alleen het essay van Hans Werkman). Over enkele jaartallen verschillen de bronnen: trouwen in 1945 of 1946, de overgang naar de Oud-Katholieke Kerk in 1980 of 1985, Een zon diep in de nacht in 2008 of 2009. De Constantijn Huygensprijs heeft hij niet gekregen.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Th. Marius van Leeuwen, levensbericht Willem Barnard, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2013 (DBNL)
- P. Gillaerts, “Guillaume van der Graft”, Kritisch literair lexicon (DBNL)
- Lemma “Graft, Guillaume van der” (DBNL)
- Hans Werkman, “ ‘Boer van het alfabet’: Guillaume van der Graft”, Literator 15 (1994)
- DBNL, colofon van De tale Kanaäns (1963)
- NOS, 9 december 2021, “Kerklied aangepast vanwege racistische strofe”
- Liter, “Van de redactie” (2010, DBNL)
- Liter, verjaardagsportret door Kees Wennekendonk (2010, DBNL)
- Poëziecentrum Nederland, bibliografie Willem Barnard
- Hoeksteen Boekhandel, In wind en vuur (2023)
- Kerkblad Protestantse Gemeente Brielle, november 2023
- Constantijn Huygens Prize, lijst van laureaten (Wikipedia)