Aan de westkant van Nijmegen, waar nu woonwijken en een ziekenhuis liggen, stond ooit een dorp vol kinderen. Er waren huizen voor jongens en huizen voor meisjes. Er was een kerk, een school, een bakkerij, een boerderij, een drukkerij, een kleermakerij en een klompenmakerij. Er reed een stoomtram naartoe, omdat zoveel mensen het wilden zien. Rond 1892 woonden er bijna duizend kinderen. Het was een van de grootste weeshuizen van Nederland.
Het heette de Weesinrichting Neerbosch. Het was begonnen in 1863 in een oud logement in de benedenstad van Nijmegen, met een man en een vrouw die geen geld hadden, en een tekst uit de brief van Jakobus.
Dertig jaar later stond diezelfde man in alle kranten van Nederland, beschuldigd van mishandeling en zelfverrijking. Er werd een toneelstuk over hem gespeeld dat meer dan tachtig keer werd opgevoerd. Een tekenaar maakte een spotprent van hem.
Dit is een verhaal over groot geloof, en over de schaduw die soms over groot werk valt. Ik vertel ze allebei.
EEN BOERENZOON UIT HERVELD
Jan van ’t Lindenhout werd geboren op 4 september 1836 in Herveld, een dorp in de Betuwe. Later noemde hij zich Johannes. Zijn ouders, Jan Jacob van ’t Lindenhout en Derkje Gertzen, hadden een boerderij. Het gezin ging naar de hervormde kerk in Beuningen. Johannes was de oudste zoon. Er werd van hem verwacht dat hij de boerderij zou overnemen.
Op zijn zestiende ging hij naar een kostschool in Nijmegen. Daar begon hij te twijfelen. Hij vroeg zich af of de wonderen in de Bijbel wel echt gebeurd waren. Het was de tijd van de moderne theologie, die veel jonge mensen aan het denken zette.
Toen stierf zijn jongere broer Hendrik, nog maar een tiener. De bronnen noemen 1854 of de zomer van 1855. Johannes noemde dat sterven later de belangrijkste oorzaak van zijn bekering. Hoe dat precies ging, weten we alleen uit zijn eigen herinneringen. Het patroon zul je in dit boek vaker tegenkomen. Een verlies brengt iemand tot stilstand, en in die stilte spreekt God.
TWEE JAAR MET EEN KIST BOEKEN
Na zijn bekering wilde Johannes niet meer boer worden. Tegen de wil van zijn vader trok hij twee jaar lang door het land als colporteur. Dat was iemand die met een kist of een rugzak Bijbels, traktaten en stichtelijke boekjes langs de deuren ging. Het was zwaar werk en slecht betaald. Zijn gezondheid ging eraan onderdoor en hij moest stoppen.
Op zijn eenentwintigste sloot hij zich aan bij de Nederlandsche Evangelisch-Protestantsche Vereeniging. Daar ontmoette hij Abraham Capadose, een joodse arts uit Amsterdam die samen met Isaac da Costa tot geloof in Jezus was gekomen en een van de leiders van het Réveil was. Vanaf 1859 hield Johannes Bijbellezingen in Nijmegen en in dorpen in de omgeving.
Rond die tijd leerde hij ook Ottho Gerhard Heldring kennen, de predikant van Hemmen, over wie je in het eerste deel van deze reeks kon lezen. Heldring werd zijn leermeester. Van Heldring leerde Johannes dat het evangelie niet alleen gepreekt moest worden. Wie Christus liefhad, moest ook iets doen voor wie in nood was. In Zetten zag hij de huizen die Heldring had gesticht voor meisjes en vrouwen die nergens anders terecht konden.
In 1861 trouwde Heldring hem met Hendrina Sipman, een achternicht. Over Hendrina zelf weten we minder dan over haar man, maar wat we weten, laat zien dat zij het werk net zo droeg als hij. In de bronnen worden ze steeds samen genoemd: de weesvader en de weesmoeder.
JAKOBUS 1:27
In maart 1863 namen Johannes en Hendrina een besluit. Ze zouden een weeshuis beginnen. Volgens zijn biograaf Anton van Renssen kwam de doorslag bij het lezen van de brief van Jakobus: De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld. (Jakobus 1:27).
Er waren in die tijd wel weeshuizen in Nederland. Maar die waren er vooral voor kinderen van burgers uit de eigen stad. Arme kinderen van het platteland, of kinderen van wie de ouders niet tot de juiste kerk hoorden, vielen buiten de boot. Armbesturen besteedden ze vaak uit aan wie het minst vroeg. In de praktijk werden ze goedkope arbeidskrachten.
Johannes en Hendrina wilden een huis waar kinderen gratis werden opgenomen, jongens en meisjes, ongeacht waar ze vandaan kwamen. Ze zouden een christelijke opvoeding krijgen en een vak leren.
Ze hadden geen geld. Een grondbezitter, Jan Theodorus Lijbers, kocht een oud logement aan de Lange Brouwerstraat in Nijmegen en verhuurde het aan hen. Vrienden gaven geld om het in te richten. In de zomer van 1863 kwamen de eerste wezen. Johannes was zevenentwintig. Hij en Hendrina hadden zelf al jonge kinderen.
UIT DE HAND DES HEEREN
Hoe moet je zo’n werk betalen? Johannes had een eenvoudig antwoord. Je vraagt het aan God, en je vertelt mensen wat Hij doet. Hij en Hendrina leefden, zoals een latere schrijver het samenvatte, uit de hand des Heeren.
Het lijkt sterk op wat in diezelfde jaren in Engeland gebeurde, in de weeshuizen van George Müller in Bristol. Müller vroeg nooit om geld, bad alleen en publiceerde verslagen van wat er binnenkwam. Johannes vroeg wel om geld, en niet zo zuinig ook. Maar ook hij publiceerde trouw wat er binnenkwam en wat hij nodig had, en hij geloofde dat God het zou geven.
In een oud Nederlands boek met de titel Helden van het geloof staan verhalen uit die eerste jaren. Op een zaterdag in maart 1870 waren alle rekeningen betaald en lag er nog twee en een halve cent in de kas. Binnen een week kwam er meer binnen dan nodig was. Een andere keer, op 1 juli, was het geld op terwijl er een grote betaling moest worden gedaan. Op de avond ervoor kwam er een vrouw in het zwart aan de deur met een envelop. Ze had net een lening terugbetaald gekregen en voelde dat ze het geld aan de wezen moest geven. Het was meer dan nodig was.
Toen een van de koeien ziek werd en geslacht moest worden, stond er drie dagen later een nieuwe koe in de stal, gestuurd door een adellijke dame via haar koetsier. Op een balk van de nieuwe boerderij liet de timmerman een tekst uit Romeinen 8 snijden: Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? (Romeinen 8:31).
Ik vertel deze verhalen omdat ze bij dit leven horen. Ze komen uit de verslagen van het weeshuis zelf en uit een stichtelijk boek dat erop gebaseerd is. Onafhankelijk gecontroleerd zijn ze niet. Maar dat er geld kwam, en heel veel geld, staat vast. Neerbosch trok in de tweede helft van de negentiende eeuw meer giften dan welke andere particuliere instelling in Nederland ook, en volgens Van Renssen veel meer dan de vergelijkbare tehuizen van Heldring.
En er kwamen niet alleen guldens. In 1874 kwamen er honderdtweeëntwintig metworsten uit Varsseveld. Gevers werden bij naam bedankt in het blad en in de almanak.
EEN DORP VOL KINDEREN
In 1865 waren er al ongeveer zeventig kinderen. Het huis in de Lange Brouwerstraat was te klein. In maart 1866 kochten twee vrienden een boerderij in Neerbosch, net buiten de stad, en gaven een deel van de grond aan Johannes. Hij begon te bouwen, alweer zonder dat het geld er was. Op 9 mei 1867 werd het meisjeshuis in gebruik genomen. Hendrina’s zus Marie Sipman kwam helpen.
Daarna ging het snel. Er kwamen een kinderhuis voor de allerkleinsten, een school, een kerk, een ziekenhuis, werkplaatsen, een bakkerij, een smederij, een tuinderij en een boerderij. De kinderen hielpen zelf mee met bouwen, onder leiding van hun meesters. Neerbosch werd een dorp dat bijna helemaal in zijn eigen onderhoud voorzag. Jongens leerden een vak als timmerman, klompenmaker, kleermaker, smid of drukker. Meisjes werden opgeleid voor de huishouding. Wie de leertijd afrondde, kreeg een complete gereedschapskist mee.
In 1870 begon Johannes een drukkerij. Hij haalde er een drukker uit Middelburg voor. De drukkerij gaf weekbladen uit, liedbundels en boeken, en vooral de Neerbossche Weezen-Almanak. De eerste verscheen voor het jaar 1872, met ruim vijfduizend exemplaren. In 1878 werden er vijfenveertigduizend gedrukt. Lezers in het hele land kochten de almanak, en wie hem las, wist wat er in Neerbosch gebeurde en wat er nodig was. Het zangkoor van de wezen werd ook buiten Nederland bekend.
In 1873 was er een geestelijke opwekking in het weeshuis. Volgens de verslagen begon het op tweede Pinksterdag. Johannes bad met een groep oudere jongens in het bos. Jongens van wie de leiding weinig had verwacht, beleden hun zonden. Het sloeg over naar de meisjes en de jongere kinderen. Het is opvallend dat Johannes later waarschuwde om kinderen nooit onder druk te zetten om zich te bekeren. Dat is wijsheid die je niet altijd tegenkomt bij mannen met zoveel vuur.
Er waren ook verdrietige jaren. Hun dochter Johanna stierf in 1882 aan tuberculose. Ze was veertien.
In 1892 woonden er bijna duizend kinderen in Neerbosch. De Engelse kinderredder Thomas Barnardo kwam kijken en was onder de indruk. Leden van het koninklijk huis steunden het werk. Neerbosch was het visitekaartje van de protestants-christelijke liefdadigheid in Nederland.
DE STORM VAN 1893
En toen kwam de storm.
In juni 1893 verscheen een brochure met de titel De weesvader Van ’t Lindenhout ontmaskerd. De schrijvers waren een oud-onderwijzer van Neerbosch en een zeekapitein, Gerrit van Deth, wiens kinderen na de dood van hun moeder in het weeshuis waren geplaatst. Ze beschuldigden Johannes van verrijking, slechte hygiëne, slecht onderwijs, harde lijfstraffen en zelfs seksueel misbruik. Volgens een publicatie van het CBS was er kort daarvoor een jongen van twaalf overleden na een straf.
De kranten doken erop. Het werd een landelijke rel, die een jaar duurde. Er verschenen nieuwe brochures, tegenschriften en rechtszaken. Van Deth hield lezingen in het hele land, voor zalen met soms meer dan tweeduizend mensen. Er kwam een toneelstuk, De geheimen van de Weesinrichting Meerbosch, dat in Amsterdam, Haarlem, Rotterdam en Den Haag werd gespeeld. Toen de burgemeester van Utrecht het verbood, werd het pas echt een succes. Er verscheen zelfs een socialistische roman over.
Het bestuur van Neerbosch probeerde eerst de beschuldigingen te negeren. Dat lukte niet. Om een onderzoek door de overheid voor te zijn, stelde het zelf een commissie in, met politici, geleerden en deskundigen. In februari 1894 kwam het rapport.
Het pleitte Johannes op belangrijke punten vrij. Er was geen geld verdwenen. Maar het rapport was ook kritisch. Het weeshuis was te snel gegroeid. De opvoeding en de hygiëne moesten beter. Het aantal kinderen moest terug naar vijf- of zeshonderd. En de financiën waren volkomen ondoorzichtig. Er was geen jaarlijkse begroting. Johannes bouwde, gaf uit en vertrouwde erop dat het geld zou komen. Dat had jaren gewerkt. Maar een dorp van duizend kinderen kun je niet besturen zoals een huisgezin.
Familieleden haalden tweeëndertig kinderen weg. De verkoop van de almanak zakte in. Hoewel het rapport hem grotendeels vrijpleitte, bleef er een geur aan Neerbosch hangen.
WAT MOET JE ERMEE?
Hoe kijk je hier vandaag naar? Ik vind het belangrijk om het niet weg te poetsen. Een publicatie van het CBS noemt hem een ijdele fantast, die in zijn herinneringen opschepte over wonderen, uitdrijvingen en genezingen. Zijn biograaf Van Renssen is milder, maar ook hij concludeert dat de financiën chaotisch waren en dat Johannes de instelling bij zijn vertrek in een diepe crisis achterliet. De straffen in Neerbosch waren hard. Dat waren ze in de meeste tehuizen van die tijd, maar dat maakt het voor een kind niet minder erg.
Aan de andere kant waren de beschuldigingen van 1893 ook niet allemaal waar. De commissie vond geen bewijs voor verrijking. Een deel van de aanklagers verdiende goed aan de rel. Het toneelstuk werd door critici zelf onkies genoemd, omdat het onbewezen zaken als feiten bracht. En de kinderen die in Neerbosch opgroeiden, hadden zonder dit huis vaak nergens heen gekund.
Ik denk dat je allebei mag vasthouden. Johannes van ’t Lindenhout geloofde God op Zijn woord. Hij begon zonder geld aan een werk voor kinderen die niemand wilde, en God zegende het meer dan hij had durven dromen. Maar hij was ook een mens met een groot ego, die slecht kon delegeren, slordig was met geld en het werk liet groeien tot het boven zijn hoofd uitwies. Juist het geloof dat hem liet beginnen, maakte het hem moeilijk om te stoppen, te plannen of hulp te vragen.
Ook Mozes kreeg van zijn schoonvader Jethro te horen dat hij het niet alleen kon: Wat je doet, is niet goed. Je zult er zeker aan bezwijken, zowel jij als dit volk dat bij je is, want dit is te zwaar voor je. (Exodus 18:17-18). Mozes luisterde. Van ’t Lindenhout luisterde pas toen het te laat was.
EEN MOSTERDZAAD
Na de storm bleef Johannes nog negen jaar directeur. Zijn zoons en schoondochters kregen een steeds grotere rol. Na de dood van Hendrina in 1900 werd een van de schoondochters directrice. In 1903, na veertig jaar, trad Johannes af. Hij was zevenenzestig. De leiding ging naar een predikant, ds. J. Schrijver.
Ook buiten Neerbosch bleef hij actief. Al in 1894, midden in de storm, was hij de initiatiefnemer van Het Hoogeland in Beekbergen, een christelijke kolonie voor zwervers, bedelaars en oudgevangenen. In 1915 schreef hij nog een boek, Lichtstralen aan mijn levensavond. In een van zijn laatste terugblikken noemde hij het begin in 1863 een klein mosterdzaad dat een grote boom was geworden. Dat beeld komt uit de gelijkenis van Jezus in Mattheüs 13.
Er was nog een groot verdriet in de familie. Een jonge Johannes van ’t Lindenhout, in 1893 in Neerbosch geboren en naar alle waarschijnlijkheid zijn kleinzoon, was een begaafde jonge dichter. In 1916 maakte hij tijdens de mobilisatie een einde aan zijn leven. Hij was drieëntwintig. Twee jaar later gaf zijn vader zijn gedichten uit.
Johannes van ’t Lindenhout stierf op 22 januari 1918 in Neerbosch. Hij was eenentachtig. Hij werd begraven op de begraafplaats van het weeshuis, tussen de mensen die hij had opgevoed.
Het werk ging door. De weesinrichting werd later een kinderdorp en daarna een jeugdzorginstelling. De stichting die daaruit voortkwam, draagt nog steeds zijn naam: Lindenhout. In Nijmegen is een klein museum over het kinderdorp.
Misschien heb jij ook een visioen dat begon met een tekst. Misschien ben je aan iets begonnen zonder te weten hoe het betaald moest worden, en heeft God het gegeven. Dan mag je dankbaar zijn, net als Johannes. Maar vergeet niet wat hij te laat leerde. Geloof en goed bestuur zijn geen tegenpolen. Wie Jakobus 1:27 serieus neemt, neemt ook de kinderen serieus die de prijs betalen als het misgaat.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Herveld op 4 september 1836; de dood van zijn broer Hendrik in 1855; werk als colporteur en evangelist; contact met Capadose en Heldring; huwelijk met Hendrina Sipman in 1861; het begin van het weeshuis in de Lange Brouwerstraat in Nijmegen in 1863; de verhuizing naar Neerbosch vanaf 1866 en het meisjeshuis in 1867; de drukkerij vanaf 1870 en de Weezen-Almanak vanaf 1871; de groei tot bijna duizend kinderen rond 1892; de brochure van juni 1893, de landelijke rel en het commissierapport van februari 1894; de dood van Hendrina in 1900; zijn aftreden in 1903; zijn dood in Neerbosch op 22 januari 1918.
Alleen uit eigen getuigenis of uit verslagen van het weeshuis: de dood van zijn broer als oorzaak van zijn bekering; de keuze voor wezen na het lezen van Jakobus 1:27; de verhalen over geld dat op het laatste moment binnenkwam, de vrouw in het zwart en de koe; de opwekking van 1873; de genezingen en uitdrijvingen in zijn herinneringen.
Uit één bron (niet onafhankelijk gecontroleerd): de jongen van twaalf die na een straf overleed; de honderdtweeëntwintig metworsten; de waarschuwing tegen druk bij bekeringen; het oordeel ijdele fantast.
Onbevestigd of betwist: het sterfjaar van zijn broer (1854 of 1855); de precieze familieband met de dichter Johannes van ’t Lindenhout (1893-1916); de waarheid van de afzonderlijke beschuldigingen van 1893, die door de commissie grotendeels werden afgewezen maar nooit volledig zijn opgehelderd.
Duiding: de belangrijkste moderne studie, het proefschrift van Anton van Renssen (2015), ziet in Van ’t Lindenhout een man van groot geloof en grote daadkracht, met een chaotisch financieel beleid en een pedagogiek die niet bijzonder vernieuwend was. Het CBS is in een korte schets veel harder in zijn oordeel.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Wikipedia NL, “Johannes van ’t Lindenhout” (geraadpleegd oktober 2026)
- A. van Renssen, Het wezendorp Neerbosch. De protestants-christelijke weesinrichting Neerbosch en haar stichter Johannes van ’t Lindenhout (1863-1903) (proefschrift VU, Nijkerk 2015)
- I. van der Vlis, recensie van Van Renssen, BMGN 131 (2016)
- De Boekenwereld 31 (2015), twee artikelen over de drukkerij en de Neerbosch-kwestie (DBNL)
- De Boekenwereld 13 (1996), over de drukkerij van Neerbosch (DBNL)
- Centraal Bureau voor de Statistiek, “Johannes van ’t Lindenhout: schandaal”, in Het licht van de statistiek
- Verslag van de Commissie van Onderzoek in zake de Weesinrichting Neerbosch (1894)
- Helden van het geloof, hoofdstukken over Neerbosch (digitale kopie Universiteit van Pretoria)
- M. Altena, P. Altena en H. Rullmann, Druk geweest in Neerbosch. Een eeuw drukken en uitgeven in de weesinrichting (1870-1965)
- G.W. Huygens, “Lindenhout, Johannes van ’t” (1893-1916), in Schrijvers en dichters (DBNL)
- J. van ’t Lindenhout, Lichtstralen aan mijn levensavond (Neerbosch 1915)