Halverwege de jaren tachtig schreef de columnist Nico Scheepmaker een stuk voor het tijdschrift Onze Taal over rouwadvertenties. Hij had ze uitgeknipt en bewaard, omdat er steeds hetzelfde gedicht in opdook, of in elk geval het begin ervan. Het ging over het afscheid van een vriend en over rust na een leven. Telkens stond het er net iets anders. Hij telde 77 verschillende versies.
In geen enkele van die advertenties stond wie het gedicht geschreven had. Scheepmaker schreef het met hoofdletters op, zo verbaasd was hij. Het gedicht heette “In memoriam voor een vriend” en stond in de bundel Een vlinder van God uit 1973. De dichteres woonde aan de rand van Arnhem en was net met pensioen als lerares Nederlands. Ze heette Nel Benschop.
Volgens Scheepmaker werd geen gedicht in het Nederlands zo vaak geciteerd. Families kozen haar woorden bij het verlies van iemand die ze liefhadden, zonder te weten van wie die woorden kwamen.
Nel Benschop werd de best verkochte dichteres van Nederland. Haar bundels gingen bij honderdduizenden over de toonbank, bij de christelijke uitgeverij Kok in Kampen. Literaire critici moesten er weinig van hebben. Zijzelf noemde wat ze schreef geen literatuur. Ze zag het als pastoraal werk, als troost voor mensen die het zwaar hadden. Hoe een gereformeerd meisje uit Den Haag daar terechtkwam, begint bij een hovenier.
DE ZESDE VAN ZEVEN
Nelly Anna Benschop werd geboren op 16 januari 1918 in Den Haag. Ze was de zesde van zeven kinderen. Haar vader, Gerrit Benschop, had in Boskoop een kwekerij gehad. In 1912 was hij daarmee gestopt. Hij ging werken als hovenier bij de plantsoenendienst van Den Haag. Van hem kreeg Nel haar liefde voor de natuur en voor muziek mee, schrijft Peter Altena in het Biografisch Woordenboek Gelderland. Haar moeder heette Elisabeth Krijnen.
Het gezin was gereformeerd en leefde zuinig. Soms was er geldgebrek. Op zondag golden strenge regels. Haar broers mochten op zondag tekenen, zo vertelde ze op haar zeventigste aan het Reformatorisch Dagblad, maar zij en haar zussen mochten niet handwerken. Ze vond dat onrechtvaardig. Opstandig werd ze er niet van. Ze vertelde ook dat haar ouders spraken over de vreugde van het geloof.
Die twee dingen bleef ze haar hele leven bij zich dragen: de ernst van haar gereformeerde jeugd en een geloof dat haar blij maakte. In haar gedichten komen ze allebei terug.
Ze ging naar de mulo en daarna naar de kweekschool. Altena noemt een hoofdonderwijzer op haar lagere school, J. Lens, die haar voor het onderwijs zou hebben gewonnen.
EEN KLAS IN DE SCHELDESTRAAT
In 1937 stond ze voor het eerst voor de klas, op de Abraham Kuyperschool in de Scheldestraat in Den Haag. Ze was negentien. Daarna haalde ze de ene akte na de andere: de hoofdakte, en in de oorlogsjaren de akten Engels en Frans.
Ze nam ook lessen in voordragen. Op avonden las ze gedichten van anderen voor publiek voor, onder meer werk van Henriëtte Roland Holst. Eigen werk bracht ze daar nog niet. Dat zou pas veel later komen.
Volgens één bron kreeg ze tegen het eind van de oorlog een lichte vorm van cholera, en herstelde ze in de hongerwinter vijf weken bij een tuindersgezin in Naaldwijk. Dat detail heb ik maar op één plek gevonden, in een overzicht dat uit oudere naslagwerken is samengesteld.
Na de bevrijding, in 1945, verliet ze het ouderlijk huis. Ze werd onderwijzeres aan het instituut Coolsma in Driebergen, een internaat met een mulo voor meisjes. Daar leerde ze Bep Velberg kennen, een collega. Bijna zestig jaar later was Bep er nog bij op haar laatste verjaardag.
In 1948 verhuisde ze naar Arnhem. Ze ging lesgeven aan de christelijke mulo Molenbeke in de Parkstraat. Daar bleef ze tot 1975. Ze gaf er Nederlands en Frans.
In datzelfde jaar 1948 begon ze, volgens de meeste bronnen, gedichten te schrijven. Altena schrijft dat ze al jong schreef, en veel, vooral over liefde. Maar 1948 is het jaar waarin het serieus werd. Ze was dertig.
In 1951 legde ze haar werk voor aan de criticus P.H. Ritter jr. Hij had waardering voor wat hij las. Hij waarschuwde haar ook: de moderne literaire kritiek kon hard zijn voor wie zo schreef.
Hij kreeg gelijk, maar dat kon ze toen nog niet weten.
EEN LIEFDE DIE ZE ZELF LOSLIET
Rond haar dertigste werd Nel verliefd op een getrouwde man. Het was een collega. Later volgde nog eens zo’n liefde, rond haar zesendertigste, opnieuw voor een man die getrouwd was. Beide keren bleef het kort. De eerste keer speelde de school een rol in het einde. De tweede keer koos ze er zelf voor om uit zijn leven te gaan, omdat ze het niet goed vond. Over de precieze gang van zaken verschillen de bronnen wat, maar over de grote lijn zijn ze het eens.
Ze is nooit getrouwd. Uit die jaren bewaarde ze ongeveer tweehonderd liefdesgedichten. Ze liet ze aan bijna niemand zien. Pas na haar dood, en na de dood van iedereen die erbij betrokken was, mochten ze verschijnen, zo had ze bepaald.
In 1988 vertelde ze aan het Reformatorisch Dagblad dat de periode waaruit die gedichten komen een beslissende fase in haar leven was geweest. Daar was haar dichterschap begonnen.
Ik noem dit omdat het zo makkelijk overgeslagen wordt. De vrouw die later zoveel mensen troostte bij een verlies, had zelf iets moeten opgeven. Ze heeft er in het openbaar geen verhaal van gemaakt. Ze schreef het op en legde het weg.
Heb jij ook iets wat je hebt losgelaten omdat je wist dat het niet goed was? Dan weet je ook wat het kost.
EEN VRAAG VAN DE WIJKPREDIKANT
De eerste lezers van Nel Benschop zaten in de kerk. Haar wijkpredikant in Arnhem, dominee Willemse, vroeg haar om bijdragen voor het kerkblad van de gereformeerde kerk. Vanaf 1953 stonden daar haar gedichten in.
In 1958 waagde ze de stap naar een uitgever. Ze stuurde een manuscript naar Kok in Kampen. Volgens een overzicht van haar leven heette het Dialoog. Kok wees het af. De directie zag er geen markt voor. Andere uitgevers lieten het ook liggen.
Ze ging door met lesgeven en schrijven.
EEN JONGEN IN HUIS
In 1961 verhuisde ze naar de Kemperbergerweg in Schaarsbergen, een buitenwijk van Arnhem. Daar zou ze de rest van haar leven wonen.
Rond die tijd moest een van haar oud-leerlingen na zijn muloexamen het internaat verlaten waar hij woonde. Nel bood hem onderdak. Hij bleef ongeveer zeven jaar en werd haar pleegzoon. Ze moedigde hem aan om verder te studeren. Hij werd later zelf leraar Nederlands.
In de buurt werd erover gepraat. Een ongetrouwde lerares met een jongen in huis: niet iedereen vond dat gepast. Ook Bep Velberg, haar vriendin uit Driebergen, woonde een tijd bij haar.
Ze was nooit getrouwd geweest, maar voor hem werd ze een moeder. Toen zij overleed, vertelde hij aan het Reformatorisch Dagblad dat ze een geweldige grootmoeder was geweest voor zijn dochter. Ze kon, zei hij, een uur lang luisteren naar de problemen van een ander zonder het gesprek naar zichzelf te trekken.
TWEEHONDERD EXEMPLAREN
In 1967 kwam er beweging. Een Arnhemse boekhandelaar, Bert Oranje, geloofde in haar gedichten. Hij stond garant voor de verkoop van tweehonderd exemplaren. Met die zekerheid op zak durfde Kok het aan.
In december 1967 verscheen Gouddraad uit vlas, een dun boekje van 48 bladzijden. Nel Benschop was negenenveertig. Ze had bijna twintig jaar geschreven voor er een bundel van haar in de winkel lag.
In 1973 stond het boekje in de toptien van best verkochte boeken van De Telegraaf. In 1977 was het aan de tweeënveertigste druk. In 1987 waren er volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie 247.000 van verkocht. De laatste druk, de vierenzestigste, kwam in 2001. De encyclopedie noemt het de Nederlandstalige dichtbundel met de hoogste oplage van de twintigste eeuw.
Een boekhandelaar in Arnhem waagde het op tweehonderd stuks. Twintig jaar later waren het er bijna een kwart miljoen.
EEN VLINDER VAN GOD
In 1970 volgde Een boom in de wind, met ook oudere gedichten. In 1973 kwam Een vlinder van God. In die bundel sprak ze meer met anderen over God dan over zichzelf, schrijft Altena. Vanaf dat moment las ze op haar voordrachtsavonden ook haar eigen werk voor.
In die bundel stond het gedicht dat Scheepmaker later 77 keer in rouwadvertenties zou terugvinden. Ze had nog een tweede gedicht dat veel bij overlijden werd gebruikt, “Adieu”. Dat gedicht schreef ze, zo vertelde ze zelf, voor een vrouw die Nora heette. Zo ontstonden de meeste van haar gedichten: na iets wat echt gebeurd was, om iemand te bemoedigen of te troosten.
Daarna kwamen de bundels snel. Wit als sneeuw in 1974. Een open hand naar de hemel in 1976. Geloof je dat nog? in 1979. In latere bundels voerde ze vaker een gesprek tussen een gelovige en iemand die twijfelde. De vogel van het woord in 1980, met een eerste druk van vijftigduizend. Volgens één overzicht verscheen in 1976 ook een langspeelplaat waarop ze zelf gedichten voorlas.
In 1982 werd haar miljoenste bundel verkocht. Haar gedichten kwamen ook op kalenders, in agenda’s en op wandtegels. Ze stonden in rouwadvertenties en op trouwkaarten, ze klonken in preken en toespraken. Dominees namen ze mee op huisbezoek.
Hoeveel er in totaal verkocht zijn, is lastig te zeggen. Bij haar dood schreven het Reformatorisch Dagblad en De Waarheidsvriend dat het er meer dan drie miljoen waren. Andere bronnen houden het op ruim een miljoen. Voor zover ik kon nagaan, heeft niemand die cijfers onafhankelijk nageteld. Dat het er honderdduizenden waren, staat vast.
VIJF TALENTEN
De kritiek bleef hard. Literaire recensenten namen haar werk niet serieus. De criticus Wam de Moor sprak in 1979 van “lonend dilettantisme”. Anderen schreven dat ze haar talent begroef. Scheepmaker was een van de weinigen die haar vaste vorm en haar eenvoud wel waardeerden.
Ze trok zich daar weinig van aan. Ze noemde haar werk zelf meditaties op rijm. In het interview bij haar zeventigste, in januari 1988, nam ze het verwijt over het begraven talent en keerde het om. Misschien, zei ze, was het zo “dat ik van God vijf talenten kreeg om anderen te troosten”.
Het beeld komt uit de gelijkenis in Mattheüs, waar een heer zijn knechten geld toevertrouwt: En aan de één gaf hij vijf talenten, aan de ander twee en aan de derde één, ieder naar zijn bekwaamheid (Mattheüs 25:15). Haar talent hoefde geen plek in een bloemlezing. Het moest werken bij mensen die verdriet hadden.
Voor haar was dichten een vorm van evangelisatie. Ze zag haar gedichten als pastorale gesprekken met haar lezers. Die lezers schreven haar brieven. Ze vertelden dat ze tot rust kwamen door haar verzen. Vaak was dat voor hen een aanleiding om zelf de Bijbel te lezen, zei ze. Ze waarschuwde wel: niet elk vers past bij elk mens.
Haar lezers kwamen uit alle hoeken: protestanten en roomskatholieken, gelovigen en mensen die niet meer naar de kerk gingen. In de reformatorische kring, vertelde ze, schreven mensen haar vooral over zonde, genade en verdriet.
OUDERLING IN SCHAARSBERGEN
In 1975 haalde ze haar hoogste bevoegdheid voor het vak Nederlands. Ze ging lesgeven op het Christelijk Lyceum in Veenendaal. In 1981 ging ze met pensioen. Ze had vierenveertig jaar voor de klas gestaan.
In haar eigen kerk werd ze ouderling. Dat kon in de gereformeerde kerk waar ze lid van was, omdat vrouwen daar in het ambt werden toegelaten. Ze zag het ambt als dienst, zei ze, niet als gezag. De kerkenraadsvergaderingen vond ze vervelend, gaf ze eerlijk toe.
Met haar gedichten trad ze op voor vrouwenbonden, voor mensen met een handicap, voor ouderen. Zo leerden veel mensen haar persoonlijk kennen. Een goede vriendin was majoor Alida Bosshardt van het Leger des Heils. Samen stonden ze op avonden voor de stichting Zending over Grenzen. Nel las gedichten voor, de zangeres Renate Heemskerk zong en de majoor sprak. Bosshardt zei na haar dood dat Nel mensen dichter bij God bracht, en God dichter bij mensen.
In de weken voor haar zeventigste verjaardag benaderden journalisten van De Telegraaf en Omroep Gelderland haar. Een optreden op zondagochtend weigerde ze. Dan zat ze in de kerk.
In datzelfde interview vertelde ze iets wat haar lezers misschien niet verwachtten. Ze was van nature eigenlijk een beetje somber, zei ze. Het ouder worden had haar blijmoediger gemaakt. Ze leefde, zei ze, in de verwachting van een heerlijke toekomst bij God en bij Christus. Zolang ze kon, wilde ze anderen vertellen over Gods goedheid.
Haar troost kwam dus niet uit een zonnig karakter. De Waarheidsvriend noemde haar vroomheid bij haar dood doorleefd. Ze verzweeg de donkere kanten van het leven niet, schreef de auteur. Ze had ze zelf meegemaakt, in de liefde en bij de dood.
LIEFDESGEDICHTEN IN EEN MAP
In 1987 gaf de schrijver Hans Werkman een boekje uit over haar leven en werk, Van harte. Daarin stond voor het eerst een van haar liefdesgedichten. Tien jaar later, in 1997, werd er een voorgelezen in het televisieprogramma Villa Felderhof. Daar maakte ze ook duidelijk dat ze de rest niet wilde laten verschijnen.
Ze bleef bundels maken. Zo zag ik Hem in 1983, Licht onder de horizon in 1987, Geloven is geluk in 1990, Sporen in het zand in 1992. In 1997 kwam De stem uit de wolk, een verzameling van haar gedichten. Haar laatste nieuwe bundel was Zie de mens, in 1999.
EEN TEHUIS IN RENKUM
In haar laatste jaren kreeg ze vasculaire dementie, een vorm van dementie die ontstaat door problemen met de bloedvaten in de hersenen. Haar pleegzoon vertelde dat het haar zwaar viel toen ze niet meer kon dienen met schrijven en spreken. Ze aanvaardde het wel. God beslist, niet de mens, zo vatte hij haar houding samen.
Eind 2004 verhuisde ze naar een tehuis in Renkum. Op 16 januari 2005 vierde ze haar zevenentachtigste verjaardag, met Bep Velberg, met haar pleegzoon, zijn vrouw en hun dochter.
Ze overleed vijftien dagen later, op maandagochtend 31 januari 2005. Volgens een latere gerechtelijke uitspraak stierf ze aan de gevolgen van de vasculaire dementie. Het Biografisch Woordenboek Gelderland noemt het tehuis in Renkum als sterfplaats. Andere bronnen schrijven Arnhem, haar woonplaats. Op zaterdag werd ze begraven op begraafplaats Vredenoord in Schaarsbergen.
Majoor Bosshardt was toen eenennegentig. Ze was te wankel om naar de begrafenis te komen, zei ze.
Na haar dood volgde een rechtszaak over de rechten op de liefdesgedichten.
In 2006 verschenen haar Verzamelde gedichten, met een nawoord van haar pleegzoon. In 2011 bracht Kok een keuze uit de geheime gedichten uit: Echte liefde kan niet sterven, met 55 gedichten. Het Reformatorisch Dagblad schreef erover dat haar leven liet zien hoe diep geloof en overtuiging een leven kunnen vormen. In 2015 volgde nog een bundel met wat de uitgever haar honderd mooiste gedichten noemde.
De literaire wereld bleef op afstand. In 1995 merkte het tijdschrift Streven op dat een bloemlezing met gedichten over de dood haar oversloeg, omdat haar werk te makkelijk zou zijn. De Waarheidsvriend noemde haar bij haar dood de koningin van het pastorale gedicht.
GOUDDRAAD
Nel Benschop heeft nooit gepreekt van een kansel. Ze stond voor de klas in Den Haag, Driebergen, Arnhem en Veenendaal, en ze was ouderling in haar kerk. Haar preekstoel was een dun boekje van 48 bladzijden, en een advertentie in de krant.
Misschien heb je zelf ooit een kaart gekregen bij een verlies. Misschien stond er een gedicht op waarvan je niet wist wie het schreef. De kans is groot dat het van haar was.
Over de titel van haar eerste bundel, Gouddraad uit vlas, heb ik geen uitleg van haarzelf gevonden. Vlas is een gewone plantenvezel. Wie haar leven naast die titel legt, ziet wel iets gebeuren. Een somber meisje met strenge zondagen, een liefde die ze moest laten gaan, twintig jaar schrijven zonder uitgever. Van die gewone draad maakte ze iets waar veel mensen zich bij een verlies aan vasthielden.
In 77 rouwadvertenties stond haar naam niet. Alleen haar woorden stonden er, boven de naam van iemand die gestorven was.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 16 januari 1918 in Den Haag als zesde kind in een gereformeerd gezin; vader hovenier bij de plantsoenendienst na een kwekerij in Boskoop; kweekschool en eerste baan in 1937 aan de Abraham Kuyperschool; Coolsma in Driebergen (1945); mulo Molenbeke in Arnhem (1948 tot 1975); begin met dichten rond 1948; twee onmogelijke liefdes met een getrouwde man en circa tweehonderd verborgen liefdesgedichten; gedichten in het kerkblad vanaf 1953; afwijzing door Kok in 1958; een pleegzoon in de jaren zestig; debuut Gouddraad uit vlas in december 1967 dankzij de garantie van boekhandelaar Bert Oranje; het miljoenste exemplaar in 1982; ouderling; de 77 varianten in rouwadvertenties (Scheepmaker); Christelijk Lyceum Veenendaal (1975 tot 1981); vriendschap met majoor Bosshardt; overlijden op 31 januari 2005 aan de gevolgen van vasculaire dementie; begraven in Schaarsbergen; een rechtszaak na haar dood over de rechten op de liefdesgedichten; postume bundel Echte liefde kan niet sterven (2011).
Alleen uit eigen getuigenis: de strenge zondagen en de vreugde van het geloof bij haar ouders; het beslissende belang van de liefdesperiode voor haar dichterschap; “Adieu” geschreven voor Nora; haar uitleg van de vijf talenten; haar sombere aanleg en latere blijmoedigheid; haar verwachting van de toekomst bij God; wat lezers haar schreven. Wat ze in haar laatste jaren voelde, kennen we uit de woorden van haar pleegzoon.
Onbevestigd: de cholera aan het eind van de oorlog en het herstel in Naaldwijk, de langspeelplaat uit 1976, de titel Dialoog van het afgewezen manuscript, de topnotering in De Telegraaf in 1973 en de naam van hoofdonderwijzer J. Lens (elk maar in één bron gevonden); de totale oplage (schattingen van ruim een miljoen tot meer dan drie miljoen, alleen van de uitgever); de precieze sterfplaats (tehuis in Renkum of Arnhem); de jaren van de pleegzoon (1961 of 1962 tot 1967).
Duiding: de uitleg van de titel Gouddraad uit vlas als beeld van haar leven is van mij, niet van haar. Uit auteursrechtelijke overwegingen zijn in dit hoofdstuk geen regels uit haar gedichten opgenomen.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Peter Altena, “Nel Benschop”, Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 6 (2007)
- Reformatorisch Dagblad, 22 januari 1988, “Kan het zijn dat ik vijf talenten kreeg om te troosten?” (via Digibron)
- Reformatorisch Dagblad, 2 februari 2005, “Een geweldige grootmoeder” (via Digibron)
- De Waarheidsvriend, 10 februari 2005, J. de Gier, “Pastorale poëzie als bemoediging” (via Digibron)
- Reformatorisch Dagblad, 11 juni 2011, Enny de Bruijn, “Onmogelijke liefde” (via Digibron)
- Rechtbank Zwolle-Lelystad, uitspraak 30 september 2009 (via IE-Forum)
- Nico Scheepmaker, “Rust nu maar uit: 77 variaties”, Onze Taal (via DBNL)
- Robert-Henk Zuidinga, “Zoveel soorten van verdriet”, Rozenberg Quarterly
- Joris Gerits, “Het novembergevoel”, Streven 62 (1995) (via DBNL)
- Nederlandse Poëzie Encyclopedie, Gouddraad uit vlas
- Schrijversinfo, Nel Benschop, bi(bli)ografie
- Mijn Gelderland, Nel Benschop
- Beeldfiguren van het christendom, Nel Benschop
- AbsoluteFacts, Nel Benschop (1918-2005)
- Eilanden-Nieuws, 24 april 2015, “De 100 mooiste gedichten van Nel Benschop” (via Digibron)
- Poëziecentrum Nederland, bibliografie Nel Benschop