Op 5 januari 1893, de avond voor Driekoningen, luidde in Dublin de doodsklok van het klooster op Mount Argus. Een oude pater was die ochtend vroeg gestorven. Zijn lichaam werd naar de kapel gebracht, en daar stond al een menigte te wachten. Iedereen wilde hem aanraken.
De dagen daarna kwamen er duizenden mensen. Vier paters stonden bij de kist. Mensen gaven hun zakdoeken, rozenkransen en boeken aan, en de paters streken die langs het lichaam. Daarna namen de mensen ze weer mee naar huis. Een getuige vertelde later dat hij een uur nodig had om bij de kist te komen. Zo staat het in de levensbeschrijving die de Pater Karel Kapel in Munstergeleen heeft samengesteld. Op 8 januari werd hij begraven, en uit heel Ierland waren mensen gekomen.
De overste van het klooster schreef daarna een brief aan de familie van de overledene, ver weg in Limburg. Volgens de vertaling die in Munstergeleen bewaard is, schreef hij dat niemand wilde bidden voor de rust van zijn ziel. Iedereen riep juist zijn hulp in. En hij schreef een zin die ruim honderd jaar later door een paus op het Sint-Pietersplein zou worden aangehaald: “Het volk heeft hem al heilig verklaard.”
De man in de kist was een Nederlander. Hij heette Johannes Andreas Houben, in zijn dorp Drieske genoemd, in het klooster Karel van Sint Andries, en in Ierland Father Charles of Mount Argus. Hij kon slecht Engels en heeft er nooit een echte preek gehouden. Toch kwamen er op sommige dagen meer dan driehonderd mensen naar zijn kloosterpoort om door hem gezegend te worden. In 2007 werd hij door de Rooms-Katholieke Kerk heilig verklaard.
Wie protestant is, zal bij sommige woorden in dit hoofdstuk even slikken: relieken, voorspraak, heiligverklaring. Ik leg ze uit waar ze langskomen. Ik vraag je alleen om eerst naar de man te kijken. Hij begon in een molen aan de Geleenbeek.
"GOTT LOF UND DANK"
Johannes Andreas Houben werd geboren op 11 december 1821 in Munstergeleen, een dorp tussen Sittard en Geleen in het bisdom Roermond. Hij werd dezelfde dag gedoopt in het oude parochiekerkje. Hij was het vierde van elf kinderen. Zijn vader, Peter Houben, was molenaar. Zijn moeder heette Johanna Elisabeth Luijten; in sommige bronnen wordt ze Anna Luyten genoemd.
Zijn vader schreef de geboorte op in het kerkboek, in het Duits dat in die streek nog gangbaar was. Volgens de levensbeschrijving van de Pater Karel Kapel eindigde hij met de woorden: “Gott lof und Dank.” God zij lof en dank.
In het dorp heette de jongen Andries of Drieske. Omdat zijn vader molenaar was, noemden ze hem ook Drieske van de mulder. Het gezin werkte in een molen die van een oom was, zo vertellen de Ierse bronnen. Er werd thuis samen gebeden, ’s ochtends en ’s avonds.
Op 26 april 1835 deed hij zijn eerste communie, en op 28 juni van dat jaar werd hij gevormd. Hij was misdienaar en ging volgens de Ierse bronnen elke dag naar de kerk. Al vroeg wilde hij priester worden.
Willen en kunnen zijn twee verschillende dingen. Drieske ging na de lagere school naar het college in Sittard, maar het leren ging hem moeilijk af. Vooral het Latijn, dat een priester toen nodig had, was een worsteling. De bronnen zijn er eerlijk over: hij was geen bolleboos. In een groot molenaarsgezin was het thuis ook te druk om te studeren. Volgens de expositie over zijn leven woonde hij daarom een tijd met zijn zus Sibylla bij een oom, Peter Luyten.
De Ierse levensbeschrijvingen vertellen dat hij jarenlang heen en weer liep naar school in Sittard. Ze noemen hem verlegen en traag in het leren. Ze noemen hem ook trouw.
Ik vind dat een troostend begin. Hier zit geen wonderkind in de schoolbanken. Hier zit een jongen die iets wil wat hem eigenlijk te hoog gegrepen is, en die het toch blijft proberen. Herken je dat? Dat je iets voor God wilt doen, en dat je hoofd of je handen niet meewerken?
EEN KAZERNE IN BERGEN OP ZOOM
Rond zijn twintigste werd zijn studie onderbroken. Hij werd ingeloot voor de militaire dienst. De Vaticaanse levensbeschrijving noemt het jaar 1840. De expositie in Munstergeleen geeft 9 juli 1841 als de dag waarop hij zich meldde bij zijn regiment in het Markiezenhof in Bergen op Zoom, en de passionisten in Glasgow noemen ook 1841. Na ruim drie maanden mocht hij weer naar huis. Hij bleef wel reservist.
In die kazerne gebeurde iets wat zijn leven een andere richting gaf. Een medesoldaat, volgens de expositie Antonius Raaymakers, vertelde over zijn broer. Die was ingetreden in een nieuw klooster in België, bij paters die het lijden van Jezus verkondigden. Het waren passionisten. Dit was de eerste keer dat Drieske van hen hoorde, zo staat het ook in de officiële levensbeschrijving van het Vaticaan.
De passionisten zijn een katholieke kloosterorde, in de achttiende eeuw in Italië gesticht door Paulus van het Kruis. Hun naam komt van het Latijnse woord passio, lijden. Hun leven draait om het lijden en sterven van Jezus. Ze beloven dat lijden levend te houden in hun eigen gebed en het aan anderen te vertellen. Hun teken is een hart.
Op 19 januari 1844 overleed zijn moeder. Ze was tweeënvijftig. Een maand later kreeg hij definitief ontslag uit de dienst. Daarna nam hij contact op met het klooster van de passionisten in Ere.
Op 5 november 1845 verliet Andreas Houben Munstergeleen, en die dag begon zijn noviciaat in Ere, bij Doornik in België. Hij was drieëntwintig. Volgens de expositie in zijn geboortedorp is hij er nooit meer teruggekeerd.
De Vaticaanse levensbeschrijving vermeldt dat hij in Ere werd ontvangen door Dominicus Barberi, een Italiaanse passionist die later zalig werd verklaard. Hij kreeg de kloosternaam Karel van Sint Andries, in het Latijn Carolus a Sancto Andrea. Zijn eerste geloften legde hij af op 10 december 1846, zo schrijven het hoofdhuis van de passionisten in Rome, de Nederlandse tekst van het Vaticaan en de expositie. Alleen de Engelse Vaticaanse tekst noemt 1850, wat een vergissing lijkt.
Daarna volgden vier jaar filosofie en theologie. Ook die vielen hem zwaar. Op 21 december 1850 werd hij in Doornik tot priester gewijd door bisschop Labis. Zijn familie was er niet bij. Zijn vader was die zomer overleden, en volgens de Ierse bronnen kon het gezin de reis niet betalen na de kosten van ziekte en begrafenis.
"MY PEOPLE"
Op 16 februari 1852 vertrok pater Karel naar Engeland. In een brief aan zijn familie schreef hij later over een ongemakkelijke overtocht, en over een trein die zelfs onder de grond reed. Hij was dertig en zou het Europese vasteland niet meer terugzien.
In Engeland werkte hij een paar jaar in kloosters van zijn orde, onder andere in Staffordshire en Broadway. Hij kwam er terecht tussen Ierse migranten. Vanaf 1845 was in Ierland de aardappeloogst mislukt. Minstens een miljoen mensen stierf. Velen vluchtten, naar Amerika, en een deel naar Engeland, waar ze als goedkope arbeiders werkten.
Pater Karel raakte aan hen gehecht. In de Ierse bronnen staat dat hij ze “my people” noemde, mijn mensen.
In Dublin hadden de passionisten in 1856 een nieuw klooster gesticht, op Mount Argus in de wijk Harold’s Cross. Het heette St Paul’s Retreat. Pater Karel werd erheen gestuurd. De Vaticaanse tekst noemt 1856, het jaar waarin het klooster begon. De parochie van Mount Argus en de passionisten in Glasgow geven allebei 9 juli 1857 als de dag van aankomst. Hij was vijfendertig. Hij zou het grootste deel van zijn verdere leven in Dublin blijven.
EEN PRIESTER DIE NIET KON PREKEN
De passionisten waren gekomen om te preken. Dat kon pater Karel nu net niet. Zijn Engels bleef gebrekkig, zijn hele leven. Hij hield geen formele preken en leidde geen missies, de grote preekweken waar de orde bekend om stond.
Wat hij wel kon, was luisteren. Hij hoorde biecht, gaf geestelijke leiding en bezocht zieken. In de Ierse bronnen staat dat hij in de biechtstoel en bij het ziekbed uitblonk. Volgens de expositie miste hij nooit het nachtgebed van de kloostergemeenschap, om twee uur ’s nachts. Bij de jonge novicen, die hij een tijd mee begeleidde, stond hij bekend als zachtaardig.
Hij reisde ook door Ierland om geld in te zamelen voor de nieuwe kerk en het klooster. Met gegoede mensen kon hij goed omgaan, ondanks zijn taal. Zo werd zijn naam in het hele land bekend.
Ik sta hier even stil, omdat ik dit herken uit mijn eigen werk. Wij denken vaak dat God vooral werkt door mensen die goed kunnen praten. Bij pater Karel ging het via een man die zijn woorden niet kon vinden, en die daarom maar luisterde.
DRIEHONDERD MENSEN AAN DE POORT
Het begon met zieken die hij bezocht. Volgens de levensbeschrijving van de Pater Karel Kapel meldden mensen daarna dat ze genezen waren. Het verhaal ging rond, en al snel kwamen er elke dag mensen naar Mount Argus. De parochie van Mount Argus schrijft dat het er op sommige dagen wel driehonderd waren. In 1860 werd hij uitgenodigd in Glendalough, waar volgens de expositie een grote menigte op hem afkwam.
Hij zegende de mensen met een relikwie van Paulus van het Kruis, de stichter van zijn orde. Een relikwie is een voorwerp dat met een heilige verbonden is, zoals een stukje van zijn kleding of lichaam. Hij legde de mensen de handen op en bad voor hen. Hij gaf ook water mee dat in aanraking was geweest met die relikwie.
Wat er daarna gebeurde, is voor een deel opgeschreven. De expositie noemt verhalen over verlamden die weer liepen, blinden die weer zagen, mensen met tuberculose en vrouwen met kraamvrouwenkoorts. Op de website van de parochie staat een verhaal van pater Sebastian Keens, over een jongen van twaalf die zijn been niet meer kon gebruiken. Kort nadat pater Karel was geroepen, werd de jongen gezien terwijl hij buiten het huis heen en weer liep.
Hier moet ik eerlijk zijn over wat we weten. Deze verhalen komen uit kerkelijke en kloosterlijke overlevering. Er zijn geen medische dossiers uit die tijd bewaard die ik heb kunnen inzien, en geen onafhankelijke onderzoekers die de gevallen hebben nagelopen. In het archief van de Ierse passionisten liggen brieven die later voor het kerkelijk onderzoek zijn verzameld, zoals die van een vrouw uit Dublin die schreef dat ze kort voor zijn dood een grote genezing had ontvangen. Ook dat zijn getuigenissen achteraf. Wat vaststaat, is dat heel veel mensen naar hem toe kwamen, en dat hij al tijdens zijn leven een wonderdoener werd genoemd. Dat schrijft ook het Vaticaan. Wat er in elk afzonderlijk geval gebeurde, weten we niet.
WIJWATER OP DE MARKT
Zoveel toeloop bracht problemen mee. Er waren artsen in Dublin die klaagden dat pater Karel zieken bij de dokter weghield. Volgens Catholic Ireland stuurden ze hun klachten naar kardinaal Paul Cullen, de aartsbisschop van Dublin, en schreven ze brieven aan de kranten. In diezelfde tijd gingen handelaren met het water aan de haal dat hij had gezegend. Ze bottelden het en verkochten het. Toen kwam de beschuldiging van simonie, het verkopen van heilige dingen voor geld.
Beide bronnen die dit vertellen, zeggen dat hij onschuldig was. Hij had niemand van een dokter afgehouden, en hij had zelf niets verkocht. De expositie in Munstergeleen voegt eraan toe dat hij uitgeput raakte van de duizenden die elke week door hem gezegend wilden worden.
De aartsbisschop en de oversten van de orde spraken af dat hij Dublin zou verlaten. In 1866 werd hij naar Engeland gestuurd. Het Vaticaan schrijft dat het was om op krachten te komen. De andere bronnen laten zien dat er meer meespeelde.
De expositie noemt deze periode zijn ballingschap. Hij woonde in Broadway, daarna in Sutton, waar de bevolking door de kolenmijnen in korte tijd sterk was gegroeid, en ten slotte in Highgate in Londen. In Sutton werd hij bewust op de achtergrond gehouden, maar volgens de expositie vonden ook daar zieken de weg naar hem. Catholic Ireland zegt dat er in Engeland geen bijzondere genezingen zijn vastgelegd.
Hoe voelt het om weggestuurd te worden om iets wat je niet gedaan hebt? De bronnen vertellen niet wat er in hem omging. Ze vertellen alleen dat hij gehoorzaamde en ging. Voor een kloosterling was gehoorzaamheid een gelofte. Ik moet bij hem denken aan Jezus, die onrecht droeg zonder Zich te verweren.
In 1874 mocht hij terug naar Dublin.
DINSDAG IN DE GOEDE WEEK
De oversten hadden gehoopt dat de drukte in die acht jaar was overgewaaid. Dat was niet zo. Volgens de parochie van Mount Argus kwamen de zieken en bedroefden bijna meteen weer. Hij bad, hoorde biecht en zegende, jaar na jaar.
Op 12 april 1881, de dinsdag van de Goede Week, was hij op weg naar een zieke. Zijn rijtuigje kwam in botsing met een ander rijtuig. Hij brak zijn been: de Vaticaanse tekst spreekt van zijn rechtervoet en heup, de expositie van zijn enkel. Hij herstelde nooit helemaal en liep de rest van zijn leven mank. De wond bleef open. Volgens de expositie droeg hij de pijn als een deel van het lijden van Christus, het lijden waar zijn hele orde om draaide. Hij bleef de trappen afdalen als er iemand naar hem vroeg. Om hem wat rust te geven, werden er vaste tijden ingesteld.
Hij werd ouder. Een paar jaar voor zijn dood werd hij door zijn geestelijk begeleider stevig gecorrigeerd, en volgens de expositie bleef hij er rustig onder. Hij vond zichzelf geen heilige. In 1889 schreef hij aan zijn familie in Limburg dat hij bang was spoedig te sterven, en hij vroeg hun te bidden voor een goede dood.
In de loop van 1892 begon hij te laat te komen bij de gebedstijden, of hij ontbrak. Op 8 december 1892, het feest van Maria Onbevlekt Ontvangen, droeg hij voor het laatst de mis op. Volgens de expositie deed hij dat aan het oude altaar waar hij zo aan gehecht was. De oude wond aan zijn been ontstak opnieuw. Hij moest in bed blijven en werd zwakker.
Aan de poort bleven de mensen komen. Een andere pater, Salvian, nam het zegenen met de relieken van hem over. Hij schreef er later eerlijk over. In de Nederlandse vertaling op de expositie staat zijn zin: “Er is niet genoeg heiligheid in me om wonderen te bewerkstelligen.”
Ik vind dat een van de mooiste zinnen in dit hele verhaal. Hij laat zien hoe de mensen om pater Karel heen naar hem keken. Ze zagen in hem iemand bij wie God dichtbij was.
Pater Karel bleef bidden. Volgens de expositie moedigde hij ook de jonge studenten die bij zijn bed waakten aan om te bidden. Op 5 januari 1893 stierf hij, bij het aanbreken van de dag. Hij was eenenzeventig.
Daarna kwamen de dagen met de doodsklok, de kist, de zakdoeken en de rozenkransen, waar dit hoofdstuk mee begon. De Ierse bronnen schrijven dat zijn uitvaart groter was dan die van Charles Stewart Parnell, de bekende Ierse politicus die in 1891 was gestorven. Een telling heb ik niet gevonden.
KLEI VAN EEN GRAF
Hij werd begraven op het kerkhof van het klooster. Zijn graf werd een bedevaartsplek. Volgens Catholic Ireland namen mensen er aarde van mee naar huis. In 1949 werd zijn lichaam overgebracht naar een graftombe in de kerk van Mount Argus. Daar ligt hij nog.
Voor protestantse lezers is wat nu volgt misschien het lastigste deel. In de Rooms-Katholieke Kerk kan iemand na zijn dood zalig of heilig worden verklaard. Dat gebeurt na een lang onderzoek naar zijn leven. Daarbij wordt ook gekeken naar een genezing die is gebeurd nadat mensen tot God baden en de overledene vroegen voor hen te bidden. Dat heet voorspraak. Een zaligverklaring geldt voor een streek of orde, een heiligverklaring voor de hele wereldkerk. Protestanten geloven over het algemeen niet dat overleden gelovigen voor ons bidden. Ik vertel hier wat de Rooms-Katholieke Kerk heeft onderzocht en besloten, zonder over dat verschil een oordeel te vellen.
Al in 1922 gaf de algemene overste van de passionisten opdracht om de zaak van pater Karel te onderzoeken. Op 13 november 1935 werd het proces officieel geopend. Intussen kochten de passionisten in Munstergeleen het geboortehuis van de familie. In 1954 werd de grote schuur bij de molen ingericht als Mariakapel, met een hoek voor pater Karel.
In 1951 genas in Valkenburg een vrouw van een gezwel aan haar galblaas. Ze heette Octavia Spaetgens-Verheggen, was eenenzeventig, en haar artsen hadden haar opgegeven. Ze was via haar huwelijk familie van pater Karel. Volgens de expositie leefde ze daarna nog drieëntwintig jaar zonder klachten. In 1979 kreeg pater Karel de titel eerbiedwaardig. Op 16 oktober 1988 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard, en volgens de Ierse bronnen was de genezing van mevrouw Verheggen het wonder dat daarvoor werd aanvaard.
EEN BLINDEDARM IN MUNSTERGELEEN
Het tweede wonder kwam uit zijn eigen dorp. Adolf Dormans, in Munstergeleen Dolf genoemd, kreeg een ernstige blindedarmontsteking. In de Vaticaanse beschrijving staat dat zijn blindedarm was doorgebroken en afgestorven, met een ontsteking door zijn hele buikvlies. Volgens Catholic Ireland gebeurde het in 1999 en vonden de artsen het buiten behandeling. Hij herstelde.
Het kerkelijk onderzoek is goed gedocumenteerd. Het bisdom Roermond onderzocht de zaak van 6 november 2002 tot 19 februari 2003. Op 7 november 2003 erkende de Congregatie voor de Heiligverklaringen dat het onderzoek geldig was. Op 24 november 2005 kwam een medische raad bijeen. Die oordeelde unaniem dat de genezing wetenschappelijk niet te verklaren was. Theologen volgden op 21 februari 2006, kardinalen en bisschoppen op 12 december 2006. Op 21 december 2006 werd het besluit getekend in aanwezigheid van paus Benedictus XVI.
Dormans vertelde later zelf hoe dat voor hem was. Hij werd verhoord, onder ede, met een advocaat van de duivel tegenover zich: iemand die van de kerk de opdracht krijgt om alle zwakke plekken in een zaak te zoeken. Ook zijn vrouw Mia, een zus, broers, kinderen, artsen en verplegers werden gehoord. Het dossier werd volgens hem een boek van bijna duizend bladzijden. Dat weten we alleen uit zijn eigen verhaal op de expositie. De nieuwsberichten uit 2007 die ik kon lezen, noemen zijn naam niet.
In februari 2007 meldde de Ierse omroep RTÉ dat Dublin in juni een nieuwe heilige zou krijgen. Op zondag 3 juni 2007 werd pater Karel op het Sint-Pietersplein in Rome heilig verklaard, samen met drie anderen. De Ierse president Mary McAleese was erbij, met honderden Ierse pelgrims en de burgemeester van Dublin. De dag ervoor noemde zij hem in het Iers College in Rome een opmerkelijke Nederlander, die geen prediker was en slecht Engels sprak. Ze vertelde ook dat hij in haar eigen parochie in Belfast, Holy Cross in Ardoyne, had gewerkt en dat ze hem daar nog altijd herinnerden. Uit Nederland reisden twee bewindslieden naar Rome. De Belgische omroep BRF telde ongeveer achthonderd gelovigen uit de grensstreek op het plein.
In zijn preek haalde Benedictus XVI de zin aan uit de brief van de overste in 1893, over het volk dat hem al heilig had verklaard. In Ierland werd de plechtigheid live uitgezonden. Op 5 juni gaf de Ierse post een zegel uit, naar een schilderij van James Hanley: pater Karel voor Mount Argus en de Limburgse hoeve waar hij geboren was. In Munstergeleen kwamen in die weken zoveel bezoekers naar de kapel dat de gemeente Sittard-Geleen de toegangsweg opnieuw liet asfalteren. Volgens de parochie stonden bij de dankmis op Mount Argus meer dan duizend mensen buiten of in een tent, omdat de kerk vol was.
EEN SCHUUR AAN DE GELEENBEEK
In Munstergeleen staat de oude vakwerkhoeve nog. Het adres is Pater Karelweg 1. De schuur is al sinds 1954 een kapel. Het Meertens Instituut, dat bedevaartsplaatsen in Nederland beschrijft, heeft er foto’s van gemaakt: zijn beeld tussen brandende noveenkaarsen, een kleine reliekhouder, een intentieboek waarin bezoekers hun gebeden konden schrijven, een gebedsprentje met het klooster in Dublin erop. De beheerders van de kapel schrijven dat er elk jaar tienduizenden bezoekers komen.
Je hoeft het met de verering van heiligen niet eens te zijn om iets te zien in het leven van deze man. Hij was een molenaarszoon die moeizaam leerde, die zijn eigen taal moest opgeven en de nieuwe nooit goed onder de knie kreeg. Hij werd weggestuurd om iets wat hij niet had gedaan, en kwam terug zonder bitterheid. Hij liep mank naar elke zieke die hem riep.
Tussen de foto’s van het Meertens Instituut zit ook een eenvoudig overschrijvingsformulier. Een vrouw uit Boskoop stuurde daarmee een gift naar de kapel. Ze vroeg om een goede relatie, en om genezing voor haar broer. Een paar woorden, op een strookje van de giro. Zo stonden ze vroeger ook aan zijn poort in Dublin, met een paar woorden en een vraag.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 11 december 1821 in Munstergeleen als zoon van een molenaar; moeizame studie in Sittard; militaire dienst waarin hij van de passionisten hoorde; intrede in Ere op 5 november 1845 en de kloosternaam Karel van Sint Andries; eerste geloften op 10 december 1846 (generalaat van de passionisten, Vaticaan NL, expositie; de Engelse Vaticaanse tekst met 1850 wijkt af); aankomst op Mount Argus op 9 juli 1857 (parochie Mount Argus, passionisten Glasgow; 1856 is het stichtingsjaar van het klooster); priesterwijding op 21 december 1850 in Doornik; vertrek naar Engeland in 1852 en werk in Mount Argus, Dublin, vanaf 1856 of 1857; gebrekkig Engels en daardoor geen preekwerk; grote toeloop van zieken; klachten van artsen en verkoop van gezegend water, waarna hij van 1866 tot 1874 in Engeland werkte; het rijtuigongeluk op 12 april 1881; laatste mis op 8 december 1892; overlijden op 5 januari 1893; de brief van de overste over het volk dat hem heilig verklaarde; overbrenging naar de kerk in 1949; zaligverklaring op 16 oktober 1988; het kerkelijk onderzoek naar de genezing van Adolf Dormans (2002-2006); heiligverklaring op 3 juni 2007, ook gemeld door RTÉ (23 februari en 31 mei 2007), DutchNews (29 mei 2007) en de Belgische omroep BRF (4 juni 2007); de aanwezigheid van president McAleese en haar toespraak van 2 juni 2007; de Ierse postzegel van 5 juni 2007. Kanttekening: voor zijn leven zelf zijn vrijwel alle bronnen kerkelijk of komen uit de kring van zijn verering.
Alleen uit eigen getuigenis of organisatie: de notitie van zijn vader in het kerkboek; de naam van de medesoldaat Antonius Raaymakers; zijn brieven aan de familie (overtocht, angst voor de dood in 1889); het nachtgebed dat hij nooit miste; de woorden van pater Salvian; zijn werk in Holy Cross, Ardoyne (Belfast), alleen genoemd door president McAleese; de details van de opbaring; het verhaal van Dolf Dormans over het onderzoek; het verzet van zijn vader tegen zijn intrede (één bron).
Onbevestigd: de afzonderlijke genezingen tijdens zijn leven, waaronder het verhaal van pater Sebastian Keens over de jongen van twaalf (kerkelijke overlevering, geen medische dossiers ingezien); de vergelijking met de uitvaart van Parnell; het jaar van zijn militaire dienst (Vaticaan 1840; expositie 9 juli 1841, passionisten Glasgow 1841; Wikipedia noemt ontslag in 1845, de expositie 18 februari 1844); het jaar van de genezing van Dormans (alleen Catholic Ireland noemt 1999, de expositie ook 1988). Onafhankelijke krantenberichten over de genezing van Dormans heb ik niet gevonden: RTÉ, DutchNews en BRF noemen het wonder niet bij naam, en artikelen uit Trouw, De Limburger, Digibron of The Irish Times kwamen niet boven in de zoekresultaten. Alle gegevens over zijn ziekte en het onderzoek komen uit het Vaticaan en de expositie in Munstergeleen. RTÉ schrijft dat Houben op zijn negentiende intrad; dat strookt met geen enkele andere bron (hij was drieëntwintig).
Duiding: of de genezingen van Octavia Spaetgens-Verheggen en Adolf Dormans door God gewerkt zijn, is een geloofsvraag. De medische raad van het Vaticaan stelde vast dat het herstel wetenschappelijk niet te verklaren was; dat is een medisch oordeel, geen bewijs van de oorzaak. Katholieke en protestantse christenen denken verschillend over voorspraak en de verering van heiligen.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Vaticaan, levensbeschrijving van Karel van Sint Andries Houben (Nederlands)
- Vaticaan, biography of Charles of St. Andrew Houben (Engels)
- Benedictus XVI, homilie bij de heiligverklaringen, 3 juni 2007
- Zenit, 29 mei 2007, “Biography of Charles of St. Andrew” (via Byzcath)
- Catholic Ireland, Saint Charles of Mount Argus
- Mount Argus Parish, Saint Charles of Mount Argus
- Mount Argus Parish, Saint Charles of Mount Argus (levensschets)
- Passionists International, St. Charles Houben
- Pater Karel Kapel, levensverhaal van Pater Karel
- Pater Karel Kapel, Munstergeleen
- Expositie Pater Karel, “Het begin”
- Expositie Pater Karel, “Van België naar Engeland”
- Expositie Pater Karel, “De Ierse miserie”
- Expositie Pater Karel, “Ballingschap in Engeland”
- Expositie Pater Karel, “Terug naar Mount Argus”
- Expositie Pater Karel, “Zijn laatste jaar”
- Expositie Pater Karel, “Sterfjaar”
- Expositie Pater Karel, “Octavia”
- Expositie Pater Karel, “Het vervolg”
- Expositie Pater Karel, “Dolf Dormans aan het woord”
- Meertens Instituut, Bedevaartbank: Karel Houben in Munstergeleen
- Visit Zuid-Limburg, Pater Karel Kapel
- RTÉ News, “Martin welcomes Blessed Charles canonisation”, 23 februari 2007
- RTÉ News, “Pope to canonise new Saint for Ireland”, 31 mei 2007
- President of Ireland, toespraak van Mary McAleese in het Pontifical Irish College, Rome, 2 juni 2007
- An Post, “New 55c stamp celebrates canonisation of St Charles”, 2007
- DutchNews.nl, “Ministers in Rome for new Dutch saint”, 29 mei 2007
- BRF Nachrichten, “Ein Heiliger aus dem Dreiländereck”, 4 juni 2007
- Passionist General Curia (Passio Christi), Saint Charles Houben
- Passionists Glasgow, St Charles of Mount Argus
- Passionist Archive, St. Patrick’s Province, “Bl. Charles Houben, C.P., Cures during his life-time” (archiefstuk)
- RKK.nl, “Mgr. Woorts bij herdenking heiligverklaring Karel Houben in Munstergeleen”, 2024