Op donderdag 15 mei 1845 stonden zeven mensen bij het water achter de boerderij van Roelof Reiling in Gasselternijveen. Het water heette de Nijveensche Mond. Een Engelse bron noemt het gewoon een sloot. Een Duitse prediker uit Hamburg, Julius Köbner, doopte hen een voor een. Roelof Reiling ging, en zijn vrouw Geertruida Teissens. Arend Speelman, die uit Nieuwe Pekela kwam. Drie broers Kruit: Willem, Jannes en Hendrik.
En een man van negenendertig met een doctorstitel in de theologie. Hij was vijftien jaar hervormd predikant geweest, in Friesland, Groningen en Drenthe. Nu liet hij zich dopen in een sloot.
Zijn naam was Johannes Elias Feisser. Anderhalf jaar eerder was hij uit zijn ambt als predikant gezet. Met die zeven mensen bij het water begon de eerste baptistengemeente van Nederland. Baptisten noemen hem nog altijd hun geestelijke vader, schreef de baptistische historicus Jan Brandsma in 1955. Zijn vroegere kerk zag het anders. Voor de hervormde kerkbesturen was hij een predikant die zijn werk weigerde en onrust bracht.
Beide kanten hebben hun redenen. Ik wil ze in dit hoofdstuk allebei laten horen.
Het begon in een gezin in Groningen.
EEN DOCTOR UIT WINSUM
Johannes Elias Feisser werd geboren op 10 december 1805 in Winsum, in de provincie Groningen. Hij was de eerste zoon van Johannes Feisser en Anna Maria Bouer. Later woonde het gezin in Veendam, waar zijn vader stadsontvanger werd.
Op 16 mei 1823 schreef hij zich in als student theologie aan de universiteit van Groningen. Hij was zeventien. De theologie die hij daar leerde, was vrijzinnig en optimistisch over de mens, en hij nam die opvattingen over. Hij studeerde ook in Leiden, waar hij kerkgeschiedenis koos als hoofdvak bij professor Clarisse. Op 21 juni 1828 promoveerde hij. Zijn proefschrift ging over Basilius de Grote, een kerkvader uit de vierde eeuw.
Datzelfde jaar werd hij predikant. Zijn eerste gemeente was Miedum-Lekkum, in Friesland. In 1831 ging hij naar Winschoten, in 1833 naar Franeker. Hij schreef ook. In 1832 verscheen in Groningen zijn boek over het leven en de lessen van Jezus.
Op papier was het een loopbaan zoals er in die jaren veel waren. Een begaafde jongen, een doctoraat, een paar gemeenten, een boek. Niets wees erop dat hij ooit buiten de kerk zou komen te staan waarin hij was opgeleid. Hij was een vrijzinnige dominee met belangstelling voor de geschiedenis van de vroege kerk.
DRIE GRAVEN IN FRANEKER
In Franeker kwam de klap. Zijn eerste vrouw stierf daar, en twee van zijn kinderen. De bronnen zeggen niet hoe en ook niet precies wanneer. Ze zeggen alleen dat het in Franeker gebeurde, en dat Feisser daarna terugging naar het huis van zijn ouders in Veendam om te herstellen.
Daar begon hij te lezen, vooral puriteinse boeken. Volgens de historici Teun van der Leer en Arjen Stellingwerf bracht die lectuur hem op het spoor van een theologische ommekeer.
Ik sta even stil bij die volgorde. Een jonge predikant verliest zijn vrouw en twee kinderen. Hij gaat terug naar het huis waar hij opgroeide. En daar, in de stilte van dat verdriet, raakt hij aan boeken die hij op de universiteit niet had leren lezen. Wat hij er toen precies bij voelde, weten we niet. Hij heeft het voor zover ik kan nagaan niet opgeschreven. Maar het is niet de eerste keer dat God iemand vindt op de plek waar alles is weggevallen.
Heb jij ook zo’n plek in je leven, waar je pas ging zoeken toen je niets meer had?
GASSELTERNIJVEEN, 1839
Op 3 maart 1839 begon Feisser als predikant in Gasselternijveen, een dorp in Drenthe.
De eerste jaren zijn er weinig sporen. Dat verandert in het najaar van 1841. Feisser las toen Cardiphonia, een bundel brieven van de Engelse predikant John Newton. Het boek overtuigde hem ervan dat een mens alleen uit genade behouden wordt. Hij schreef daarna dat er in de mens van nature niets goeds woont. De optimistische theologie van zijn studietijd liet hij los.
Zijn preken veranderden. Hij sprak nu over het onvermogen van de mens en over de soevereiniteit van God. En hij maakte een scherp onderscheid tussen bekeerden en onbekeerden. In 1841 verscheen een geschrift met de titel Het eene noodige. In 1843 volgde een boekje dat de slapers opriep wakker te worden.
Hij wilde de kerk hervormen. Van der Leer en Stellingwerf vatten zijn doel samen als een reformatie van de reformatie.
WIE MAG AAN DE TAFEL?
Dat bleef niet bij preken. In november 1842 kwam het tot een conflict met de kerkenraad over de verkiezing van nieuwe ambtsdragers. In mei 1843 ging het over het avondmaal. Feisser wilde sommige leden, ook ouderlingen, de toegang tot de tafel weigeren. Een christen moest ook op een gewone werkdag laten zien dat hij God diende, zo vatte De Waarheidsvriend zijn standpunt in 2024 samen.
Voor de dorpelingen moet dat hard zijn aangekomen. Een dominee die zijn eigen ouderlingen van het avondmaal weert, dat raakte aan wie ze waren in hun dorp. Van hun kant is weinig overgeleverd. Wat we weten, komt grotendeels uit wat Feisser zelf schreef en uit wat baptistische historici later uitzochten.
Intussen groeide er een andere vraag in hem. Als de gemeente uit bekeerde mensen moet bestaan, wat betekent dan de doop van baby’s die nog niets kunnen geloven? Hij vroeg het classicaal bestuur in Assen om hem vrij te stellen van het dopen van kleine kinderen. In september 1843 publiceerde hij een beknopte verhandeling over wat hij het ongeoorloofde van de kinderdoop noemde.
ZONDAG 24 SEPTEMBER 1843
Op zondag 24 september 1843 weigerde hij het kind te dopen van een gemeentelid dat onder kerkelijke tucht stond. Hij weigerde ook verder kinderen te dopen en brood en wijn uit te delen aan mensen die hij als ongelovig zag. De classis riep hem op te verschijnen. Hij ging niet.
Op 19 december 1843 zette het provinciaal kerkbestuur hem uit zijn ambt. Op 1 januari 1844 werd het besluit openbaar gemaakt. Zo komt het dat sommige bronnen 1843 noemen en andere 1844. De reden was, zo geven Van der Leer en Stellingwerf het weer, dat hij delen van zijn werk categorisch weigerde en ergernis en wanorde veroorzaakte.
Hier moet ik even blijven staan, want hier lopen de verhalen uiteen.
TWEE MANIEREN OM HET TE LEZEN
Voor de Hervormde Kerk was de zaak in de kern eenvoudig. Een predikant was gebonden aan de regels van de kerk. Sinds 1816 was de kerk geordend volgens een algemeen reglement, en daarin was het werk van een predikant vastgelegd. Dopen hoorde erbij. Wie een kind van een gemeentelid weigerde te dopen, weigerde een deel van zijn ambt.
Daar zat ook een overtuiging onder. De Heidelbergse Catechismus, een van de belijdenisgeschriften van de kerk, leert in vraag 74 dat kleine kinderen gedoopt moeten worden. Ze horen net als hun ouders bij het verbond van God en bij Zijn gemeente. Zoals jongetjes in Israël het teken van de besnijdenis kregen, zo ontvangen kinderen nu het teken van de doop. Voor hervormde christenen is de kinderdoop geen gewoonte zonder grond. Ze zien er Gods belofte in, die er al is voordat een kind iets kan zeggen of doen. Een predikant die dat ontkende, haalde iets weg wat voor hen bij het evangelie hoorde.
Baptisten lezen dezelfde gebeurtenissen anders. In hun ogen is de doop een antwoord van iemand die zelf tot geloof gekomen is. Een gemeente bestaat uit mensen die zich bewust bekeerd hebben. Wie dat in de Bijbel leest en ernaar wil handelen, kan geen baby’s meer dopen zonder zijn geweten geweld aan te doen. Van der Leer en Stellingwerf, zelf baptisten, schrijven dat de hogere kerkbesturen zich op het reglement beriepen en zijn theologische bezwaren niet wilden horen.
Ik ben zelf niet de scheidsrechter in deze vraag, en dit boek ook niet. Christenen die de Bijbel liefhebben, zijn er al eeuwen over verdeeld. Wat ik wel zie, is dat beide kanten iets serieus namen. De kerk nam haar orde en haar belijdenis serieus. Feisser nam zijn geweten serieus. Ze konden niet meer samen verder.
Er is ook veel wat ze deelden. Beide kanten geloofden dat de doop door Christus zelf is ingesteld. Beide wilden een kerk waarin geloof meer was dan een vorm. Het verschil zat in de vraag wie het teken mag ontvangen, en wanneer. Hervormden beginnen bij Gods belofte aan ouders en kinderen. Baptisten beginnen bij het antwoord van de gelovige. Wie in een van beide tradities is opgegroeid, vindt de andere kant soms moeilijk te begrijpen.
Hoe zou jij het uitleggen aan iemand uit de andere traditie, zonder hem meteen te willen overtuigen?
ZONDER KERK, ZONDER INKOMEN
Feisser stond nu buiten de kerk. Hij had geen gemeente meer en geen inkomen. Een groep mensen uit het dorp bleef wel bij hem. Ze kwamen samen in zijn huis.
Hij bleef schrijven. In 1844 verscheen een getrouw verhaal van wat er in Gasselternijveen gebeurd was. In februari van dat jaar schreef hij een traktaat over de Heilige Geest.
Hij zocht ook naar mensen met wie hij verder kon. Eerst sprak hij met de afgescheidenen, de christenen die in 1834 uit de Hervormde Kerk waren gegaan. Het werd niets. Zij hielden vast aan de kinderdoop, en dat was voor hem het grote bezwaar. Ze waren wel afgescheiden, schreef hij, maar daarmee nog niet verenigd. Daarna ontmoette hij Jan de Liefde in Zutphen, een prediker met wie hij een tijd brieven wisselde.
BEZOEK UIT HAMBURG
Feissers boekjes kwamen in Duitsland terecht. In Hamburg lazen Johann Gerhard Oncken en Julius Köbner ze. Ze herkenden in de afgezette Nederlandse dominee iemand die op hun spoor zat.
In november 1844 stuurde Oncken Köbner en A.F. Remmers naar Gasselternijveen. Köbner vertelde Feisser over de baptisten en hoe hun gemeenten leefden.
Feisser was niet van plan een baptistengemeente te beginnen. Hij beschouwde zichzelf ook niet als ongedoopt. Pas na een briefwisseling met de Duitse broeders raakte hij ervan overtuigd dat hij zelf nog gedoopt moest worden, als gelovige. Begin mei 1845 reisde hij naar Hamburg en sprak hij met Oncken en Köbner. Oncken was overtuigd van zijn geloof.
Een paar dagen later was Köbner in Gasselternijveen.
DE JUISTE POORT
Zo kwamen de zeven bij het water achter de boerderij van Reiling. Roelof Reiling werd diaken van de nieuwe gemeente. Feisser werd haar voorganger. Zijn achterkleinzoon Jannes Reiling (1923-2005) werd later theoloog. In 2024 verscheen een biografie over hem.
Feisser zocht later een beeld voor wat hij die dag gedaan had. Hij vond het in De Christenreis van John Bunyan. Hij was, zo zag hij het, door de juiste poort binnengegaan, in plaats van over de muur te klimmen. Hij zag zijn stap ook als het logische gevolg van zijn calvinistische overtuiging. De ware calvinist, zei hij volgens Van der Leer en Stellingwerf, is een baptist.
Daar zullen hervormde lezers het niet mee eens zijn. De kerken die zich op Calvijn beroepen, dopen kinderen. Maar het zegt wel iets over Feisser. Hij zag zichzelf niet als iemand die de gereformeerde leer verliet. Hij dacht dat hij haar tot het eind doordacht.
Kort na de doop gingen Feisser en Köbner naar Jan de Liefde. Ze dachten dat hij zich ook wilde laten dopen. Dat bleek een misverstand. De Liefde protesteerde, het werd ruzie, en ze vertrokken. Volgens een ander artikel bezochten Feisser en Köbner die maand ook een groep in Amsterdam, waar vier mensen gedoopt werden.
Feisser was intussen hertrouwd; wanneer, vermelden de bronnen niet. In september 1845 kwam Oncken zelf naar Gasselternijveen. Hij doopte toen Feissers tweede vrouw, Karsina Hovingh Wichers.
EEN KUUR IN BOHEMEN
Daarna gaat het in de bronnen vooral over zijn gezondheid. Die was zwak. In 1846 reisde hij naar een kuuroord bij Leitmeritz in Bohemen, waar hij een waterkuur volgde. Op 20 juli 1846 was hij terug.
In 1849 verhuisde hij naar Nieuwe Pekela, net over de grens in Groningen. Daar woonde Arend Speelman, een van de zeven van 1845. Feisser stichtte er een kleine gemeente en bleef ook geregeld voorgaan in Gasselternijveen. De gemeente uit Gasselternijveen verhuisde later naar Stadskanaal.
In 1850 schreef hij voor een Duits zendingsblad uit Hamburg de geschiedenis van zijn gemeente op. In september van dat jaar ging hij op uitnodiging van een zekere Tekelenburg naar Amsterdam om de gemeente daar te leiden. Half oktober was hij al terug in Nieuwe Pekela.
Er wordt ook verteld dat hij later in Amsterdam en Ilpendam werkte. In de bronnen die ik kon raadplegen, heb ik dat niet teruggevonden. Brandsma noemt alleen het korte verblijf in Amsterdam in 1850.
GROTE ZACHTHEID, SNIJDENDE SCHERPTE
In 1858 verscheen nog een brochure van zijn hand, De Levenswekker. Ook de titel van dat late werk gaat weer over wakker worden.
In zijn laatste jaren raakte de band met de Duitse broeders losser. Hij vond dat ze te veel het standpunt van de afgescheidenen innamen en het Oude en het Nieuwe Testament niet goed van elkaar onderscheidden. Hij voelde zich meer verwant met de Engelse baptisten, die elke plaatselijke gemeente vrij lieten. Het is opvallend dat de Nederlandse baptisten later dezelfde kant op gingen. In 1881 richtten ze hun eigen unie op, naar Engels voorbeeld.
Iets van zijn eigen koers bleef ook na zijn dood zichtbaar. In 1869 stemde de gemeente in Franeker in met een voorstel om zich aan te sluiten bij de Duitse bond van baptisten. De gemeente in Stadskanaal, de voortzetting van die eerste groep uit Gasselternijveen, protesteerde. Het voorstel ging niet door. Van der Leer en Stellingwerf zien daarin een lijn die bij Feisser begon: de Nederlandse baptisten wilden vrije, zelfstandige gemeenten blijven.
Wat voor man was hij? Het oude protestantse naslagwerk waarin hij een lemma kreeg, schrijft dat hij een hekel had aan alles wat onwaarachtig was en aan vaste, ingesleten kerktaal. Jan de Liefde, met wie hij toch ruzie had gehad, schreef over hem dat hij een grote zachtheid had naast een snijdende scherpte. Sommigen vergeleken hem met Menno Simons, de voorman van de doopsgezinden in de zestiende eeuw.
Die twee dingen naast elkaar, zacht en scherp, verklaren misschien veel. Hij kon niet doen alsof. In een kerk waar doop en avondmaal vanzelf spraken, vroeg hij of het geloof erachter echt was. Dat maakte mensen boos. Het bracht ook zeven mensen bij het water.
Wanneer heb jij voor het laatst iets gedaan omdat je geweten het vroeg, terwijl je wist dat het je iets zou kosten?
EEN PORTRET IN EEN JAARBOEKJE
Johannes Elias Feisser stierf op 2 juni 1865, na een lange tijd van zwakke gezondheid. Hij was negenenvijftig. Hij overleed in vrede, schrijft het naslagwerk. Waar hij stierf, heb ik in de bronnen niet kunnen vinden.
De gemeente die hij met zes anderen begon, verhuisde naar Stadskanaal. Er kwamen andere gemeenten bij, en in 1881 vormden ze samen een unie. In 1884 kwam er in Sneek een jaarboekje van die unie uit. Er staat een portret van Feisser in.
Ik heb dat portret niet gezien. Ik zie wel het water achter de boerderij van Roelof Reiling. Een man met een doctorstitel die een Drentse sloot in stapt, omdat hij niet anders kon dan doen wat hij in de Bijbel las.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in 1805 als zoon van Johannes Feisser en Anna Maria Bouer; studie met vrijzinnige opvattingen en predikantschap vanaf 1828; het verlies van zijn eerste vrouw en twee kinderen in Franeker; zijn komst naar Gasselternijveen in 1839; zijn theologische ommekeer rond 1841-1843; conflicten over ambtsdragers en avondmaal; zijn afzetting op 19 december 1843 (bekendgemaakt op 1 januari 1844); het bezoek van Köbner en Remmers in november 1844; de doop van zeven mensen door Köbner op 15 mei 1845 in Gasselternijveen; de verhuizing naar Nieuwe Pekela in 1849; de verwijdering van de Duitse baptisten in zijn laatste jaren; zijn overlijden op 2 juni 1865.
Alleen uit zijn eigen getuigenis: het beeld van de juiste poort uit Bunyans Christenreis; de uitspraak dat de ware calvinist een baptist is; zijn oordeel over de afgescheidenen.
Onbevestigd: latere werkzaamheden in Amsterdam (na 1850) en in Ilpendam (in de geraadpleegde bronnen niet gevonden); zijn plaats van overlijden. Een aantal details (de precieze datum van 24 september 1843, de waterkuur in Bohemen, de titels van zijn vroege geschriften) staan maar in één bron, het artikel van Brandsma uit 1955.
Duiding: de meeste uitvoerige bronnen over Feisser zijn geschreven door baptistische historici. Hoe de kerkenraad en de dorpelingen van Gasselternijveen het conflict beleefden, is nauwelijks overgeleverd. Of de kinderdoop of de geloofsdoop het meest recht doet aan de Bijbel, is een vraag waarover hervormde en baptistische christenen tot vandaag verschillen.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- J.A. Brandsma, “Johannes Elias Feisser and the Rise of the Netherlands Baptists”, Baptist Quarterly 16.1 (1955)
- J. Reiling, “Baptists in the Netherlands”, Baptist Quarterly 28.2 (1979)
- T. van der Leer en A. Stellingwerf, “Dutch Baptist Identity (1845-2021): A Multi-Coloured Robe”, Journal of European Baptist Studies 21.2 (2021)
- Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, deel 3, lemma Feisser (via DBNL)
- D. Welsink, “Een aanvullinkje op Ter Laan (3)” (via DBNL)
- P.J. Vergunst, recensie van de biografie van Jannes Reiling, De Waarheidsvriend, 7 november 2024
- Preek over de Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 74 (kinderdoop)