In de nacht van 1 op 2 november 1561 sloop iemand door de straten van Doornik. De stad lag in de Zuidelijke Nederlanden, in wat nu België is. Het was een stad vol soldaten. In het kasteel verbleef op dat moment de landvoogdes Margaretha van Parma, die namens de Spaanse koning Filips II over de Nederlanden regeerde.
Bij de muur van het kasteel bleef de man staan. Hij had een pakketje bij zich. Daarin zat een boekje van zevenendertig artikelen, met een brief aan de koning. Hij gooide het pakketje over de muur en verdween in het donker.
Het boekje heette Confession de foy, belijdenis van het geloof. Het legde uit wat de protestanten in de Nederlanden geloofden. Ze waren geen oproerkraaiers, stond er in de brief aan de koning die bij de belijdenis hoorde. Ze wilden de koning gehoorzamen in alles wat niet tegen Gods Woord inging. Maar ze konden hun geloof niet opgeven. Liever zouden ze, zo staat het in een adres aan de koning dat bij de belijdenis werd gevoegd, hun rug geven aan de zweep, hun tong aan het mes, hun mond aan de prop en hun lichaam aan het vuur.
Margaretha van Parma heeft het boekje gezien. Volgens de bronnen kwam het echt bij haar terecht. Wie het geschreven had, wist ze niet. Dat kwam pas later uit.
De man in het donker heette Guido de Brès. Vijf jaar en een half later hing hij aan een galg. Zijn belijdenis leeft nog. In bijna elke gereformeerde en hervormde kerk in Nederland wordt ze vandaag gelezen, als de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
EEN WAAL IN EEN NEDERLANDS BOEK
Je kunt je afvragen wat een man uit Bergen in Henegouwen doet in een boek over Nederlandse mannen en vrouwen van God. Hij sprak Frans. Hij heeft nooit in Holland gewoond. Maar in zijn tijd bestond de grens tussen Nederland en België nog niet. Er waren de Nederlanden, zeventien gewesten onder één heer, van Groningen tot Artois. Bergen, Doornik en Valenciennes hoorden daar net zo goed bij als Amsterdam en Utrecht.
En zijn belijdenis werd een Nederlands stuk. Al in 1562 verscheen er een vertaling in het Nederlands, gedrukt in Emden. De synode van Dordrecht stelde haar in 1618 en 1619 vast als een van de drie Formulieren van Enigheid. Sindsdien hoort ze bij het hart van de Nederlandse protestantse kerken. Wie in Nederland belijdenis doet in een gereformeerde gemeente, belooft vaak instemming met de leer die Guido de Brès ooit opschreef. Daarom begint dit boek bij hem.
DE ZOON VAN EEN GLASSCHILDER
Guido de Brès werd in 1522 geboren in Bergen, in het Frans Mons. Het jaartal staat in de meeste bronnen, al zegt een recente studie dat het niet met een akte te bewijzen is. Zijn vader heette Jean du Béguinage. Hij was schilder en zou zich in Bergen de naam De Brès hebben aangemeten. Het gezin had vier zonen en een dochter.
Guido leerde een vak. Samen met zijn broer Christoffel ging hij in de leer bij een glasschilder. Hij maakte glas in lood, de gekleurde ramen die je in kerken ziet. Daar kwam hij dus vandaan: uit een werkplaats, niet uit een studeerkamer.
Zijn moeder was een vrome rooms-katholieke vrouw. Ze hoopte dat haar zoon in de kerk zou gaan dienen. Volgens de martelaarsgeschiedenis van Jean Crespin, een tijdgenoot, was Guido zelf in zijn jeugd ook een oprecht katholiek. Dat is belangrijk om te weten. Hij werd geen protestant uit verzet tegen de kerk. Hij was eerst een overtuigd lid ervan.
ROND ZIJN VIJFENTWINTIGSTE
Wat er daarna gebeurde, weten we niet tot in detail. Een verslag dat een jaar na zijn dood verscheen, zegt dat hij rond zijn vijfentwintigste een zware innerlijke strijd doormaakte. Hij legde de leer van zijn kerk naast het Woord van God. Hij las de Bijbel, waarschijnlijk in geheime bijeenkomsten, en hij las geschriften van de hervormers. Ook de prediker Pierre Brully, die in 1545 in Doornik werd verbrand, heeft volgens sommige auteurs invloed op hem gehad.
Dat lezen was niet zonder gevaar. Keizer Karel V had in de Nederlanden harde wetten laten afkondigen, de plakkaten. Wie verboden boeken bezat, protestantse bijeenkomsten hield of zelf in de Bijbel ging uitleggen, kon de doodstraf krijgen. In 1540 stonden ook Franse en Vlaamse Bijbelteksten op de lijst van verboden boeken. Volgens sommige historici werden in de Nederlanden in die tijd meer mensen om hun geloof gedood dan ergens anders in Europa.
In 1548 werd het in Bergen te heet. Guido had vriendschap gesloten met een Engels echtpaar, en die mensen werden gearresteerd, samen met andere protestanten. Hij vluchtte naar Londen. Engeland had toen een jonge protestantse koning, Edward VI, en in Londen bestond een kerk voor vluchtelingen uit het vasteland. De leider daarvan was Johannes a Lasco, een Pool. Bij die gemeente vond Guido een thuis, en volgens de bronnen kreeg hij daar ook de roeping om predikant te worden.
LA ROSE IN RIJSEL
In 1552 keerde hij terug. Hij ging naar Rijsel, het huidige Lille, en bouwde daar een geheime gemeente op. Ze kwam samen onder de schuilnaam la Rose, de roos. Hij schreef er ook zijn eerste boek, Le Baston de la foy chrestienne, de staf van het christelijk geloof. Het was een verzameling uitspraken van kerkvaders en de Bijbel, bedoeld om gewone gelovigen te laten zien dat de leer van de hervorming niet nieuw was.
In maart 1555 viel de vervolging hard op de gemeente in Rijsel. Een familie uit de gemeente, de familie Aughier, werd opgepakt. Een Amerikaanse auteur schrijft dat in een van zijn gemeenten een vader, een moeder en twee zonen als martelaar stierven. Guido vluchtte opnieuw, via Gent en Antwerpen naar Frankfurt, waar hij Johannes a Lasco weer ontmoette, en daarna naar Zwitserland. In Lausanne en Genève studeerde hij ongeveer drie jaar, onder Johannes Calvijn en Theodorus Beza.
Ik sta er even bij stil hoe dit leven eruitzag. Een glasschilder die geen academische opleiding had, die steeds moest vluchten, die vrienden zag sterven, en die toch blijft leren. Hij gaat in zijn dertigste levensjaar weer in de schoolbanken zitten om het Woord beter te kunnen uitleggen. Het geloof was voor hem geen gevoel alleen. Het was ook iets om te begrijpen en uit te leggen.
EEN TUINHUIS IN DOORNIK
In 1559 kwam hij terug naar de Nederlanden, nu als predikant van de geheime gemeente in Doornik. Hij trouwde in dat jaar met Catherine Ramon. Op 31 augustus 1560 werd hun zoon Israël geboren. Er kwamen meer kinderen. In 1567 waren er vijf, en de oudste was toen zes jaar.
Hij leefde onder een schuilnaam. Vaak gebruikte hij de naam Jérôme. Vanuit Doornik reisde hij naar Rijsel, Valenciennes, Douai en Bergen om kleine groepen gelovigen te bezoeken. Die gemeenten noemden zichzelf later de kerken onder het kruis. Ze kwamen samen in huizen, schuren en bossen. Wie zich liet zien, liep risico.
In Doornik werkte hij in een verborgen tuinhuis. Daar schreef hij brieven en daar schreef hij ook zijn belijdenis. Hij gebruikte een Franse belijdenis van twee jaar eerder als voorbeeld en werkte die om. Hij wilde twee dingen laten zien. Aan de overheid: wij zijn geen opstandelingen. En aan iedereen: wij zijn ook geen wederdopers. Dat was in die tijd een gevoelig punt. De opstand van radicale dopers in Münster in 1534 en 1535 lag nog vers in het geheugen. Overheden dachten bij elke protestant aan oproer.
De belijdenis begint met een zin die je vandaag nog in kerken hoort, in een wat modernere vorm: wij geloven allen met het hart en belijden met de mond dat er één enig en eenvoudig geestelijk Wezen is, dat wij God noemen. Daarna volgt het hele verhaal van het geloof: de Schrift, de Drie-eenheid, de schepping, de zonde, Christus, de rechtvaardiging door het geloof, de kerk, de sacramenten, de overheid en het laatste oordeel.
Het is geen vurige preek. Het is rustig en helder. Juist daarom raakt het me. Hier schrijft iemand die wist dat hij elke dag kon worden opgepakt, en hij schrijft geen schreeuw van woede maar een uitleg. Paulus schrijft: Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot zaligheid. (Romeinen 10:10). De Brès nam dat letterlijk. Geloven was niet genoeg. Je moest het ook kunnen zeggen.
MEN MOET HET GEVAAR NIET ZOEKEN
In september 1561 gebeurde er in Doornik iets wat Guido niet wilde. Protestanten trokken ’s avonds zingend door de straten. Ze zongen de Franse psalmen, in grote groepen tegelijk. Het was een soort demonstratie. De overheid reageerde fel.
Guido keurde die optochten af. Hij zei, zo is overgeleverd: Men moet het gevaar niet zoeken. Ik vind dat een interessante kant van hem. Hij was moedig, maar hij was geen waaghals. Hij geloofde dat je de overheid niet onnodig moest uitdagen. Die houding zou hij tot aan de galg volhouden.
Toch was het juist in die onrustige weken dat hij zijn pakketje over de kasteelmuur gooide. Het was geen uitdaging maar een uitleg. Hij wilde dat de landvoogdes en de koning zouden lezen wat de protestanten echt geloofden, voordat ze hen allemaal als rebellen zouden behandelen.
Het pakte anders uit. De overheid ging zoeken. Zijn vrouw en kinderen waren al eerder naar Sedan gestuurd, een klein vorstendom net over de grens waar protestanten veiliger waren. Guido zelf vluchtte. Vrienden probeerden zijn boeken en papieren te verbranden en staken het tuinhuis in brand, maar het vuur werd ontdekt. Bij de huiszoeking werden volgens een studie uit 2017 tweehonderdvijftig exemplaren van de belijdenis in beslag genomen, met boeken van Luther en Calvijn en zijn brieven. De overheid liet alles verbranden. Vanaf dat moment wisten de autoriteiten wie de schrijver was.
SEDAN EN DE PRINS
De volgende jaren woonde hij in Sedan. Hij was er huispredikant van de hertog van Bouillon, die protestant was. Hij schreef een groot boek tegen de wederdopers, dat in 1565 verscheen. Hij reisde naar geheime synodes in Antwerpen.
In 1564 sprak hij in Brussel met prins Willem van Oranje. Het ging over de vraag of de lutheranen en de calvinisten in de Nederlanden niet samen konden optrekken. Dat gesprek liep op niets uit. Het laat wel zien hoe serieus De Brès inmiddels werd genomen. Een glasschilder uit Bergen sprak met de man die later de Vader des Vaderlands zou heten.
In die jaren groeide de spanning in de Nederlanden. In 1566 boden edelen de landvoogdes een smeekschrift aan. In de zomer van dat jaar trokken predikers het land rond en hielden hagenpreken in de open lucht, voor duizenden mensen. Toen sloeg de vlam in de pan.
VALENCIENNES, 1566
In augustus 1566 werd Guido naar Valenciennes geroepen. Hij kwam er op 9 augustus aan, samen met zijn collega Pérégrin de la Grange. De volgende dag preekte hij al, eerst in de open lucht.
Op 24 augustus brak in Valenciennes de beeldenstorm uit. Groepen mensen trokken de kerken in en vernielden beelden, altaren en schilderijen. Of Guido dat heeft goedgekeurd, is niet bekend. Zijn eigen lijn was steeds dat je de overheid niet moest uitdagen. Maar na de beeldenstorm preekte hij wel in de Sint-Janskerk, en de protestanten hadden de stad feitelijk in handen.
De overheid sloeg terug. In december 1566 werd Valenciennes belegerd door een leger onder leiding van Philippe de Noircarmes. Het beleg duurde maanden. De predikanten, De Brès en De la Grange voorop, leidden het verzet in de stad. Hier zie je ook een andere kant van zijn verhaal. De man die in Doornik zei dat je het gevaar niet moest zoeken, stond nu in een stad die de wapens had opgenomen tegen de landvoogdes. Historici hebben zich afgevraagd hoe dat met elkaar te rijmen is. Een eenduidig antwoord is er niet. Misschien zag hij het als zijn plicht om bij zijn gemeente te blijven. Misschien had hij het in de chaos van die maanden niet meer in de hand.
Op Palmzondag, 23 maart 1567, gaf de stad zich over.
GEVANGEN
Een paar dagen eerder was Guido met De la Grange en een paar anderen ’s nachts over de wallen ontsnapt. Volgens een van de verslagen gingen ze met een bootje over de Schelde. Ze waren vermomd. Toch werden ze een paar dagen later opgepakt. Over de plaats verschillen de bronnen: de ene noemt Saint-Amand, een andere Rumegnies. Een dorpeling zou een van de vluchtelingen hebben herkend.
Ze werden eerst naar het kasteel van Doornik gebracht. Daar was het pakketje met de belijdenis ooit over de muur gevlogen. Na enkele weken werd Guido overgebracht naar Valenciennes. Hij kwam in de Brunain terecht, een kerker die de mensen het Zwarte Gat noemden. Het was er donker, koud en het stonk. Volgens een van de verslagen zat hij in het laagste deel, tussen het afvalwater, met zware ijzers aan zijn benen.
Toch kwam er bezoek. Edelen, vrouwen uit de stad, monniken. Sommigen kwamen om te spotten, anderen om hem over te halen. Een gravin van Reux kwam een paar keer. De bisschop van Atrecht, François Richardot, voerde op 18 april en op 22 mei lange gesprekken met hem over de mis en het avondmaal. Guido ging steeds op hun vragen in. Hij bleef rustig en hij bleef bij wat hij geloofde.
Petrus schrijft: Wees altijd bereid tot verantwoording aan ieder die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en ontzag. (1 Petrus 3:15). Ik ken weinig levens waarin die tekst zo letterlijk werd uitgevoerd als in die weken in de Brunain.
EEN BRIEF AAN CATHERINE
In de gevangenis schreef hij brieven. Er zijn er drie bewaard die vaak worden genoemd: aan de gemeente in Valenciennes, aan zijn moeder en aan zijn vrouw. Ze werden al snel na zijn dood gedrukt, en dat is de reden dat we ze nog hebben. Over de data van de brieven zijn de bronnen het niet helemaal eens. De brief aan zijn vrouw wordt meestal gedateerd op 12 april 1567, de brief aan zijn moeder op 19 mei.
De brief aan Catherine is een van de mooiste christelijke brieven die ik ken. Hij schrijft dat ze zeven jaar getrouwd zijn geweest. Hij weet dat hij haar met vijf kleine kinderen achterlaat. En toch probeert hij haar te troosten in plaats van zichzelf.
Hij schrijft dat hij niet bij toeval in de handen van zijn vijanden is gevallen. God heeft het zo gewild, en daarom kan hij er rust in vinden. Hij vraagt haar om niet te veel bedroefd te zijn, om God niet te bedroeven. God is, schrijft hij, de man van gelovige weduwen en de vader van arme wezen. En dan, over de kinderen: wees hun vader en hun moeder.
Over zichzelf schrijft hij een zin die vaak wordt geciteerd: Ik ben vrolijk, mijn hart is opgewekt, mij ontbreekt niets in mijn droefenissen. En ook: Ik heb meer geleerd sinds ik gevangen ben dan in mijn hele leven daarvoor.
Hij noemt het een eer om voor Christus te sterven. Dat is geen bravoure. Het staat in een brief aan de vrouw van wie hij hield, op een moment dat hij niets meer te bewijzen had.
Aan zijn moeder, de vrome katholieke vrouw die hem graag in de kerk had zien dienen, schreef hij dat hij zijn Zaligmaker meer dan twintig jaar had gediend, en dat Hij hem nooit aan iets had laten ontbreken. Hij vroeg haar om zijn vrouw en kinderen te helpen. Hij ondertekende met: gevangen om Jezus Christus, de Zoon van God.
PINKSTEREN 1567
Op de vooravond van Pinksteren kreeg hij zijn vonnis. De beschuldiging was niet alleen zijn geloof. Hij werd veroordeeld wegens opstand en omdat hij tegen het verbod van de landvoogdes het avondmaal had gevierd. De straf was de dood door ophanging.
Op 31 mei 1567, om zes uur ’s morgens, werd hij met De la Grange naar het plein gebracht. Volgens de verslagen stonden er meer dan duizend mensen. Voor hij naar buiten ging, zei hij tegen zijn medegevangenen: Mijn broeders, ik ben vandaag ter dood veroordeeld om de leer van de Zoon van God. Hem zij de lof.
De beul liet hem niet bidden aan de voet van de ladder. Bovenaan sprak Guido de mensen toe. Hij riep hen op om de overheid te eren en trouw te blijven aan de leer die hij had verkondigd. Midden in die woorden duwde de beul hem van de ladder. Hij werd vijfenveertig jaar.
Volgens een van de verslagen ontstond er daarna onrust onder de soldaten, die begonnen te schieten en te plunderen. Sommige tijdgenoten zagen daar een oordeel van God in. Dat verhaal staat in een oud verslag van de martelaren, en ik heb het niet in een onafhankelijke bron teruggevonden.
Zijn lichaam werd ’s avonds haastig begraven op de Mont d’Anzin, buiten de stad. Een Amerikaanse auteur schrijft dat het graf zo ondiep was dat dieren het lichaam opgroeven. Dat staat in geen enkele wetenschappelijke bron die ik heb gezien, en ik vertel het dus met voorbehoud. Een graf van Guido de Brès bestaat in elk geval niet.
ONDERDANIG AAN DE OVERHEID, TROUW AAN DE WAARHEID
Wat Guido de Brès op de ladder zei, werd later samengevat in een Franse zin die in Valenciennes bekend werd: Soyez soumis au magistrat mais fidèles à la vérité. Wees onderdanig aan de overheid, maar trouw aan de waarheid.
Daar zit de spanning van zijn hele leven in. Hij wilde een gehoorzaam onderdaan zijn. Hij schreef dat ook in zijn belijdenis, in het artikel over de overheid. Maar hij wilde God meer gehoorzamen dan mensen. Waar die twee botsten, koos hij voor God, en hij aanvaardde de prijs.
Het was geen volmaakt leven. Hij was geen heilige op een gebrandschilderd raam, ook al leerde hij die ramen maken. Hij stond in een stad die in opstand was. Zijn belijdenis bevat ook zinnen die vandaag ongemakkelijk klinken, bijvoorbeeld over de taak van de overheid om valse godsdienst te weren. Veel kerken hebben die zin later aangepast, omdat ze vonden dat hij strijdig was met de vrijheid van geweten waar De Brès zelf voor stierf. Ook dat hoort bij dit verhaal.
Maar kijk naar wat er overblijft. Een vluchteling zonder universitaire titel schreef in een tuinhuis zevenendertig artikelen. Ze werden in beslag genomen en verbrand, net als hij. En toch worden ze bijna vijfhonderd jaar later nog gelezen, ook in Noord-Nederland, waar hij nooit heeft gewoond.
Jezus zei tegen de gemeente in Smyrna: Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven. (Openbaring 2:10). Misschien wordt van jou nooit gevraagd om voor je geloof te sterven. Maar er wordt wel gevraagd om het te belijden, met je mond en niet alleen met je hart. Durf jij te zeggen wat je gelooft, ook als het je iets kost?
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Bergen (Mons), meestal op 1522 gesteld; opleiding tot glasschilder; vlucht naar Londen rond 1548 en contact met Johannes a Lasco; werk in Rijsel in de jaren vijftig; studie in Lausanne en Genève; predikant in Doornik vanaf 1559; huwelijk met Catherine Ramon in 1559; de Confession de foy van 1561 en het pakket over de kasteelmuur van Doornik in de nacht van 1 op 2 november 1561; de Nederlandse uitgave van 1562; Sedan en het gesprek met Willem van Oranje; zijn rol in Valenciennes in 1566 en 1567; de overgave van de stad in maart 1567; zijn gevangenschap in Doornik en in de Brunain; de gesprekken met bisschop Richardot; de brieven aan zijn vrouw, zijn moeder en de gemeente; zijn executie op 31 mei 1567 in Valenciennes.
Alleen uit eigen getuigenis of uit verslagen van geloofsgenoten: zijn innerlijke strijd rond zijn vijfentwintigste (uit een verslag van 1568); de uitspraak dat men het gevaar niet moet zoeken; zijn laatste woorden in de gevangenis en op de ladder (uit de martelaarsverslagen van Crespin en anderen).
Uit één bron (niet onafhankelijk gecontroleerd): het aantal van tweehonderdvijftig in beslag genomen exemplaren; de zware ijzers en de plaats in het laagste deel van de kerker; de onrust en het schieten van de soldaten na de executie; de schuilnaam Jérôme.
Onbevestigd of betwist: het precieze geboortejaar; de plaats van de arrestatie (Saint-Amand of Rumegnies); de exacte data van de brieven; de rol van De Brès bij de beeldenstorm en het gewapende verzet in Valenciennes; het verhaal dat dieren zijn lichaam opgroeven.
Duiding: De Brès werd veroordeeld als opstandeling en niet alleen als ketter. Zijn verdedigers zien hem als martelaar voor het geloof, zijn tegenstanders zagen hem als leider van een gewapende opstand. Beide kanten hebben een grond in de feiten van 1566 en 1567.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- G.P. van Itterzon, “Guido de Bres”, Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme, deel 2 (Kampen 1983), 97-100
- E.M. Braekman en E.A. de Boer, Guido de Bres. Zijn leven, zijn belijden (Kampen 2011)
- Wikipedia NL, “Guido de Brès” (geraadpleegd oktober 2026)
- Wikipedia EN, “Guido de Bres” (geraadpleegd oktober 2026)
- F. Verspeeten, “Guy de Brès”, De Franse Nederlanden / Les Pays-Bas Français 2017, 28-45
- J.C. van Wijk, studie over Guido de Brès en de Nederlandse Geloofsbelijdenis (theologienet.nl)
- J. Crespin en S. Goulart, Histoire des martyrs (1582)
- Procédures tenues à l’endroit de ceux de la religion du Pays-Bas (1568)
- W. Bredenhof, “The Reformation and martyrdom”, 27 oktober 2017, met vertaling van de brief van 12 april 1567
- Captive Faith, “Guido de Brès (1522-1567) comforts his family from death row”
- Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 1 en artikel 36