Gods generaalsin Nederland

Deel 3 · Volg hun geloof na · Hoofdstuk 2

Anna Maria van Schurman

de geleerde die het betere deel koos

1607-1678Wieuwerd

In het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht, aan het Domplein, ligt de Aula. Wie daar vandaag een promotie bijwoont, zit in een zaal met hoge ramen en portretten van hoogleraren. Ooit was er naast een van de collegezalen een kleine afgeschermde ruimte, een soort loge. Daarin zat in de zeventiende eeuw een vrouw. Ze kon de hoogleraar horen, maar de studenten konden haar niet zien.

Ze heette Anna Maria van Schurman. Ze wordt vaak de eerste vrouwelijke student van Nederland genoemd. Ze sprak en schreef een stuk of veertien talen. Ze schilderde, graveerde in koper, sneed portretjes uit buxushout en maakte een spraakkunst van het Ethiopisch. Geleerden in heel Europa schreven haar brieven. Koningin Christina van Zweden kwam haar opzoeken. Ze kreeg bijnamen als de Ster van Utrecht en de Nederlandse Minerva.

En toen ze ruim zestig was, verkocht ze haar huis bij de Dom, gaf een deel van haar bibliotheek weg en trok mee met een kleine groep gelovigen die door bijna iedereen als een sekte werd gezien. Haar vrienden begrepen er niets van. Er verschenen spotschriften. Haar oude leermeester was diep teleurgesteld.

Zelf noemde ze het de keuze voor het betere deel.

EEN KIND IN KEULEN

Anna Maria van Schurman werd geboren op 5 november 1607 in Keulen. Haar vader, Frederik van Schurman, kwam uit een Antwerpse familie die om het protestantse geloof was gevlucht. Haar moeder heette Eva von Harff. Ook haar familie kwam uit de Zuidelijke Nederlanden. Anna Maria was de jongste en het enige meisje in het gezin.

Ook in Keulen waren protestanten niet veilig. In 1610 vertrok het gezin naar het kasteel Dreiborn in de Eifel, en rond 1615 vestigden ze zich in Utrecht. Daar woonden ze vanaf 1627 in een huis aan Achter de Dom, vlak bij de Domkerk. Anna Maria zou er bijna veertig jaar wonen.

Over haar vroege jeugd weten we veel, omdat ze er zelf over schreef in haar levensverhaal. Ze vertelt dat ze op ongeveer vierjarige leeftijd de Heidelbergse Catechismus opzei. Bij het antwoord op de eerste vraag werd ze diep geraakt. Je kent die vraag misschien: wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Het antwoord begint met: dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.

Ze schreef later dat ze de levende herinnering aan dat moment nooit kwijt was geraakt. Toen ze dat opschreef, was ze bijna zeventig.

Op haar elfde las ze over de martelaren, de mannen en vrouwen die om hun geloof waren gestorven. Ze schrijft dat ze toen hartelijk had gewenst om zelf zo te sterven. Dat zijn woorden van een oude vrouw over een kind. We moeten ze lezen als haar eigen herinnering. Maar ze laten wel zien hoe zij haar leven later zelf zag: als een lijn die vroeg begon.

EEN MEISJE TUSSEN HAAR BROERS

Ze bleek een opvallend begaafd kind. Ze kon al jong lezen. Op haar zesde knipte ze ingewikkelde figuren uit papier. Op haar tiende leerde ze borduren. Ze maakte later een wassen beeld van zichzelf en schreef dat ze veel dingen had moeten uitvinden die niemand haar kon leren.

Haar vader zag dat ze meer kon. Volgens het verhaal dat later vaak verteld wordt, wist ze bij de Latijnse lessen van haar broers de antwoorden eerder dan zij. Hij liet haar meedoen. Ze was ongeveer elf. Hij gaf haar Seneca te lezen, een Romeinse schrijver, om Latijn te leren. Daarna kwam Grieks. Het was in die tijd zeer ongewoon dat een meisje zo werd opgeleid.

In 1623 verhuisde het gezin naar Franeker in Friesland, waar haar broers gingen studeren. Daar stierf haar vader, in november 1623. Anna Maria was zestien. Op zijn sterfbed waarschuwde hij haar, volgens haar eigen latere verslag, tegen het huwelijk. Hij noemde het een onontwarbare, wereldse band. Ze is nooit getrouwd.

Haar motto werd een Latijnse zin die ze uit de oude kerk had overgenomen: Amor meus crucifixus est. Mijn liefde is gekruisigd. De zin gaat terug op de kerkvader Ignatius van Antiochië. Je kunt hem op twee manieren lezen: mijn aardse liefde is gekruisigd, of mijn liefde is Hij die gekruisigd is. Waarschijnlijk bedoelde zij allebei.

DE STER VAN UTRECHT

Terug in Utrecht groeide haar naam snel. Ze schreef gedichten in het Frans, het Latijn en het Nederlands. Ze correspondeerde met dichters als Jacob Cats en Constantijn Huygens. Ze leerde koper graveren bij Magdalena van de Passe en maakte in 1633 een zelfportret in koper, dat werd rondgestuurd als een soort visitekaartje. Ze tekende pastelportretten. In 1643 werd ze als erelid toegelaten tot het Utrechtse schildersgilde.

In 1636 werd de Illustere School in Utrecht een universiteit. Op verzoek van de theoloog Gisbertus Voetius schreef Anna Maria een Latijns lofdicht voor de opening. Ze prees de nieuwe hogeschool, maar ze schreef er ook bij dat dit heiligdom gesloten bleef voor vrouwen. Het gedicht maakte haar beroemd.

Voetius zorgde er daarna voor dat ze colleges kon bijwonen. Dat moest wel apart. Ze zat in die afgesloten loge naast de collegezaal. Over het precieze jaar zijn de bronnen het niet eens. Sommigen zeggen 1636, een oudere studie zegt dat het pas na 1640 was. Ook of je haar een echte student kunt noemen, is een vraag. Ze stond niet ingeschreven en deed geen examen. Dat konden vrouwen in Nederland pas aan het eind van de negentiende eeuw.

Wat ze leerde, was vooral taal. Voetius leerde zijn studenten de talen van het Oude Midden-Oosten, omdat dat hielp om de Bijbel te begrijpen. Anna Maria leerde Hebreeuws, Aramees, Syrisch en Arabisch, en ze stelde een grammatica van het Ethiopisch op. Ze las de Bijbel in de grondtalen.

Er gaat een verhaal rond dat de filosoof René Descartes haar ooit opzocht en haar aantrof terwijl ze het Oude Testament in het Hebreeuws las. Hij zou gezegd hebben dat hij daar zelf ook aan begonnen was, maar er niets aan had gevonden. Zij vond dat een oneerbiedige opmerking over Gods Woord. Rond 1640 koos ze in de ruzie tussen Descartes en Voetius de kant van Voetius. Het verhaal over het gesprek komt uit latere vertellingen. Wat er precies werd gezegd, valt niet meer na te gaan.

MAG EEN MEISJE GELEERD ZIJN?

In 1638 schreef ze, in briefwisseling met de Leidse hoogleraar André Rivet, een verhandeling in het Latijn over de vraag of een christelijke vrouw mocht studeren. Het werd in 1641 officieel uitgegeven en later vertaald in het Frans, Engels en andere talen. De Engelse titel was The Learned Maid, het geleerde meisje.

Haar antwoord was ja. Ze schreef dat alle mensen van nature verlangen naar kennis, en dat vrouwen dus net zo goed mogen leren als mannen. Ze hield er wel een voorwaarde bij. Vrouwen moesten tijd en middelen hebben, en de studie moest leiden tot een betere kennis van God. Studie was voor haar geen doel op zich. Het moest dienen.

Het boek maakte haar beroemd in heel Europa. In 1648 bundelde haar vriend Friedrich Spanheim haar brieven, gedichten en verhandelingen in een boek dat uitkwam bij de uitgeverij Elzevier. Het werd meer dan honderd jaar herdrukt.

Ze was op het hoogtepunt van haar roem. En toen begon ze terug te trekken.

DE ZORG VOOR TWEE BLINDE TANTES

Vanaf 1642 woonden twee tantes bij haar en haar broer Johan Godschalk, Agnes en Sibylla von Harff. Haar moeder was in 1637 gestorven. De tantes werden in de loop van de jaren blind, en Anna Maria zorgde voor hen. Ze schreef minder. Ze ontving minder bezoek.

In 1651 stierf André Rivet, met wie ze al jaren schreef. In 1653 reisde ze met haar broer en de tantes naar Keulen, om familiebezit terug te krijgen. Ze bleven er een paar jaar. In Utrecht ging toen een gerucht dat ze katholiek was geworden. Dat was niet zo.

Daarna gingen ze wonen in Lexmond, een dorp aan de Lek. Daar leefde ze met haar broer, de tantes en een paar vrome dienstmeisjes als een kleine kring van gelovigen. Ze las, bad en schreef stichtelijke gedichten. Rond 1661 en 1662 stierven de tantes. Ze werden begraven in de Cunerakerk in Rhenen, in de grafkelder van de familie, waar ook haar moeder lag.

Ik vind dit een van de minst bekende, maar ook een van de mooiste delen van haar leven. De vrouw van wie koninginnen brieven kregen, zat jarenlang aan het bed van twee blinde oude vrouwen. Niemand schreef er gedichten over. Het staat niet in de lofzangen op de Ster van Utrecht. Maar het hoort wel bij haar.

JEAN DE LABADIE

Haar broer Johan Godschalk vertrok na de dood van de tantes op reis naar Duitsland en Zwitserland. In Genève ontmoette hij in 1662 een Franse predikant, Jean de Labadie. Hij kwam enthousiast terug. Kort daarna, in 1664, stierf hij. Anna Maria was nu alleen.

Labadie was een opvallende man. Hij was in 1610 in Frankrijk geboren, was jezuïet geweest, had de katholieke kerk verlaten en was in 1650 gereformeerd geworden. Hij preekte vurig over bekering, heiliging en een zuivere gemeente van echte gelovigen. Overal waar hij kwam, ontstond onrust. Hij werd uit Frankrijk weggestuurd, daarna kreeg hij moeite in Genève.

In 1666 werd hij predikant van de Franse gemeente in Middelburg. Op weg daarheen logeerde hij tien dagen in het huis van Anna Maria in Utrecht. Bij haar thuis ontmoette hij Voetius en andere predikanten, onder wie Jodocus van Lodenstein, de bekende dichter-predikant. Ze hoopten allemaal dat hij de kerk zou helpen vernieuwen. Daar was in die tijd veel behoefte aan. Velen vonden de gereformeerde kerk te koud, te formeel en te veel verweven met de macht.

Het liep anders. In Middelburg kwam Labadie snel in conflict met de kerkelijke vergaderingen. Hij wilde een zuivere gemeente van echt bekeerde mensen en botste daarover met de kerkelijke leiding. In 1669 werd hij afgezet.

HET HUIS BIJ DE DOM VERKOCHT

En toen deed Anna Maria van Schurman iets wat niemand had verwacht. Ze koos voor Labadie. In 1669 verkocht ze haar huis aan Achter de Dom, gaf een groot deel van haar bezit weg en trok in bij zijn huisgemeente in Amsterdam. Die gemeente leefde als één huishouden. Bezit werd gedeeld. Er werd veel gebeden, gepreekt en gezongen. Kinderen werden streng opgevoed.

Voor haar oude vrienden was het een schok. De beroemdste geleerde vrouw van het land koos voor een groep die buiten de kerk was gezet. Voetius, haar oude leermeester, was diep teleurgesteld. Ook oude vrienden als Constantijn Huygens keerden zich van haar af. Er verschenen spotschriften.

Waarom deed ze het? Ze legde het zelf uit in een boek dat ze schreef in 1673, toen de groep al drie keer was verhuisd. Het heette Eukleria, wat in het Grieks zoiets betekent als de goede keuze. De ondertitel was: de keuze van het betere deel.

Die woorden komen uit het evangelie naar Lukas. Jezus is bij Maria en Martha. Martha is druk met het werk in huis, Maria zit aan Zijn voeten en luistert. Als Martha klaagt, zegt Jezus: Martha, Martha, u bent bezorgd en maakt u druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat niet van haar zal worden afgenomen. (Lukas 10:41-42).

In Eukleria kijkt ze terug op haar leven. Ze schrijft dat ze haar hele jeugd en een groot deel van haar volwassen leven had besteed aan kennis, kunst en roem. Dat was niet allemaal slecht, maar het had haar niet dichter bij God gebracht. Ze schrijft dat de geringste ervaring van Gods liefde een waardere en diepere kennis geeft dan alle studie. Dat was een opvallende zin voor iemand die zelf ooit had verdedigd dat vrouwen moesten mogen studeren. Ze nam die verdediging niet terug. Maar ze zag nu dat er iets groters was.

HERFORD, ALTONA, WIEUWERD

De groep kreeg geen rust. In Amsterdam werden ze lastiggevallen en bespot. In 1670 nodigde prinses Elisabeth van de Palts, een oude vriendin van Anna Maria en abdis van het stift Herford in Westfalen, hen uit. Ze trokken naar Herford. Ook daar kwam verzet van de stadsbewoners, die de vreemde gemeenschap niet vertrouwden. In 1672 vertrokken ze naar Altona, bij Hamburg, dat toen onder de Deense koning viel. Daar schreef Anna Maria haar Eukleria. Op 13 februari 1674 stierf Labadie in Altona.

De groep moest opnieuw verder. Drie zussen uit de familie Van Aerssen van Sommelsdijk, die zich bij de gemeenschap hadden aangesloten, bezaten in Friesland een landhuis: de Walta-state in Wieuwerd. In 1675 trok de gemeenschap daarheen. Op haar hoogtepunt telde de beweging volgens latere schattingen zo’n zeshonderd leden. Ook de kunstenares en natuuronderzoekster Maria Sibylla Merian woonde er later een tijd.

Anna Maria was toen bijna zeventig. Ze had last van zware reuma en kwam haar kamer nauwelijks meer uit. Toch bleef ze schrijven, onder meer aan een tweede deel van Eukleria. Op haar laatste zelfportret staat een gedicht. Daarin staat dat ze met blijdschap alles aan de voeten van Christus had neergelegd.

Ze stierf in mei 1678 in Wieuwerd. Over de precieze dag verschillen de bronnen: de meeste noemen 4 mei, een paar 5 of 14 mei. Over haar graf heb ik geen betrouwbare gegevens gevonden.

VERLIEZEN OM TE WINNEN

Hoe kijk je naar zo’n leven? Daar zijn de meningen altijd verdeeld geweest. Voor haar tijdgenoten was ze een gevallen ster. In 1926 schreef de historica H.C.M. Ghijsen dat haar bekering een bevrijding was, maar ze vond haar ook zwak in zelfkennis, met een trek van intellectuele hoogmoed die ze nooit helemaal kwijtraakte. Feministische schrijvers hebben haar geprezen om haar pleidooi voor vrouwenstudie, en vonden haar latere keuze juist moeilijk te begrijpen. Kerkhistorici zien de labadisten vaak als een sekte die mensen van de kerk vervreemdde. Dat is niet ten onrechte. De gemeenschap was streng, hield een harde scheiding met de buitenwereld aan en verdween na een paar decennia. Rond 1730 was ze er niet meer.

Ik denk niet dat je haar keuze voor Labadie hoeft te verdedigen om toch iets van haar te leren. Het gaat mij om iets anders. Hier is een vrouw die alles had wat de wereld kon geven: roem, kennis, schoonheid in haar werk, vrienden aan hoven en universiteiten. En ze kwam tot de ontdekking dat het niet genoeg was. Paulus schreef iets vergelijkbaars over zijn eigen glanzende verleden: Ja, beslist, ik beschouw ook alles als schade vanwege de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere. (Filippenzen 3:8).

Het is opvallend hoe haar leven begon en eindigde. Een meisje van vier zei op dat ze niet van zichzelf was, maar van haar trouwe Zaligmaker. Een oude vrouw van zeventig legde met blijdschap alles aan Zijn voeten neer. Daartussen lag een leven vol talent, roem, zorg en een keuze die bijna niemand begreep.

Misschien heb jij ook gaven waarvoor mensen je bewonderen. Dat is niet verkeerd. Anna Maria van Schurman heeft altijd volgehouden dat studie en kunst goede gaven van God zijn. Maar de vraag die zij zich aan het eind stelde, mag je jezelf ook stellen. Waarvoor gebruik ik ze? En als het erop aankomt, wat is voor mij het betere deel?

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Keulen op 5 november 1607; vader Frederik van Schurman en moeder Eva von Harff; vestiging in Utrecht rond 1615; Latijnse opleiding door haar vader; dood van haar vader in Franeker in 1623; haar grote talenkennis en kunstzinnige werk; het lofdicht voor de opening van de Utrechtse universiteit in 1636; het bijwonen van colleges vanuit een afgeschermde ruimte; de verhandeling over vrouwenstudie (1638, uitgegeven 1641); de Opuscula (1648); de zorg voor twee tantes en het verblijf in Keulen en Lexmond; de rol van haar broer Johan Godschalk bij het contact met Labadie; haar aansluiting bij Labadie in 1669; Herford (1670), Altona (1672), Labadies dood (1674) en Wieuwerd (1675); Eukleria (1673); haar dood in Wieuwerd in 1678.

Alleen uit haar eigen getuigenis: het moment met de catechismus op vierjarige leeftijd; haar verlangen naar het martelaarschap op haar elfde; de waarschuwing van haar vader tegen het huwelijk; haar eigen uitleg van haar keuze voor Labadie in Eukleria.

Uit één bron of latere overlevering (niet onafhankelijk gecontroleerd): het verhaal dat ze bij de lessen van haar broers de antwoorden eerder wist; het gesprek met Descartes over het Hebreeuws; het bezoek van koningin Christina; het gedicht op haar laatste zelfportret.

Onbevestigd of betwist: het jaar waarin ze colleges begon te volgen (1636 of na 1640); of ze een echte student was; de precieze sterfdatum (4, 5 of 14 mei 1678); haar begraafplaats; de vraag of het tweede deel van Eukleria geheel door haar is geschreven.

Duiding: de beoordeling van haar keuze voor Labadie loopt sterk uiteen. Tijdgenoten zagen een val, Ghijsen een bevrijding met blijvende zwakke kanten, latere kerkhistorici een stap naar een sekte, en weer anderen een consequente keuze voor persoonlijk geloof.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. “Anna Maria van Schurman”, in G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs (1985) (DBNL)
  2. H.C.M. Ghijsen, “Anna Maria van Schurman”, De Gids 90 (1926), twee delen (DBNL)
  3. Universiteit Utrecht, “Anna Maria van Schurman: an academic multitalent” (uu.nl)
  4. Pieta van Beek, The First Female Student: Anna Maria van Schurman (Utrecht 2024)
  5. annamariavanschurman.org, “About Anna Maria van Schurman”, met chronologie
  6. Wikipedia EN, “Anna Maria van Schurman” en “Jean de Labadie” (geraadpleegd oktober 2026)
  7. Historische Vereniging Oud Rhenen, “Anna Maria van Schurman, de Nederlandse Minerva” (2023)
  8. The Public Domain Review, “A Truer and Deeper Knowledge: Anna Maria van Schurman’s The Learned Maid”
  9. Recensie van de bundel Anna Maria van Schurman (1607-1678). Een uitzonderlijk geleerde vrouw, Tijdschrift voor Nederlandse Taalen Letterkunde 1993 (DBNL)
  10. A.M. van Schurman, Eukleria of uitkiezing van het beste deel, vertaling en inleiding S. van der Linde (Leeuwarden 1978)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel