Op 16 maart 1911 stemde de Tweede Kamer over een nieuwe zedenwet. Een van de artikelen, nummer 250bis, maakte het houden van een bordeel strafbaar. Dat artikel ging erdoor zonder hoofdelijke stemming. Niemand vroeg erom.
In Zetten, in de Betuwe, was een man van zesenzeventig directeur van een opvanghuis voor vrouwen. Hij had drieëndertig jaar op deze dag gewacht. Hendrik Pierson noemde de uitslag het succes van een kruistocht. Hij las er een verandering in af in het geweten van het hele land. Volgens de historici Martin Bossenbroek en Jan Kompagnie, die zijn reactie hebben nagelezen, gaf hij de eer niet aan zichzelf. Hij zette er drie letters onder: S.D.G., Soli Deo Gloria, alleen aan God de eer. En hij schreef een zin die zijn hele strijd samenvatte: “geen vrouw mag tot slavin worden gedoemd”.
Pierson was predikant. Hij volgde in 1877 Ottho Gerhard Heldring op als directeur van de gestichten in Zetten, waar vrouwen werden opgevangen die in de prostitutie hadden gezeten of als ongehuwde moeder op straat stonden. Over Heldring heb ik in deel 1 al geschreven. Pierson nam zijn werk over en trok het door naar de politiek. Waar Heldring vrouwen opving die uit de bordelen kwamen, wilde Pierson de bordelen zelf weg hebben. Hij werd een van de leiders van een internationale beweging die zich abolitionistisch noemde, naar het woord voor de afschaffing van de slavernij.
Hij begon in een Amsterdams koopmanshuis.
“DE GODZALIGE GLAZENMAKER”
Hendrik Pierson werd geboren op 10 juni 1834 in Amsterdam. Zijn vader was Jan Lodewijk Gregory Pierson, een koopman die in 1806 in Alkmaar was geboren. Zijn moeder was Ida Oyens, een Amsterdamse. Ze waren in 1829 getrouwd.
Het was een welgesteld gezin, en een vroom gezin. Zijn vader kreeg de bijnaam “de godzalige glazenmaker”. Het huis was gevormd door het Réveil, de opwekkingsbeweging die in die jaren door de bovenlaag van protestants Nederland ging. Mensen die erbij hoorden, zochten een persoonlijk geloof en wilden dat laten zien in zending, onderwijs en zorg voor armen. In huize Pierson deed het gezin mee aan zendingswerk en liefdadigheid. Plicht gold er als de weg naar geluk, zo schreef een biograaf van Hendriks jongere broer.
Er waren zeven kinderen. Hendrik was een van de middelste. Zijn oudere broer Allard zou hoogleraar worden. Zijn jongere broer Nicolaas Gerard, de jongste van het gezin, werd econoom. Allard en Hendrik wilden allebei theologie studeren.
Ook zijn moeder schreef. In 1853 verscheen een Bijbels dagboekje voor kinderen van haar hand, zonder haar naam op de kaft. Haar brieven liggen nu in het archief van het Réveil. Hoe zij haar zoon precies vormde, weten we niet. Wel weten we in wat voor huis hij opgroeide: een huis waar de Bijbel open lag en waar geloof iets was wat je deed.
Wat neem jij mee uit het huis waar je bent opgegroeid? Soms merk je pas veel later wat er in je is gelegd.
EEN DOMINEE AAN DE OUDE MAAS
In september 1851 ging Hendrik theologie studeren in Utrecht. In 1857 werd hij predikant in Heinenoord, een dorp in de Hoeksche Waard. Datzelfde jaar, op 4 juni, trouwde hij in Rotterdam met Hermine Agnes Kolff, een Rotterdamse van een jaar ouder dan hij.
In Heinenoord bleef hij twaalf jaar. Hij preekte er, en hij schreef. In 1864 verscheen een studie over heilige stenen in het oude Israël, twee jaar later een tweede over hetzelfde onderwerp. Hij werkte mee aan tijdschriften als het Theologisch Tijdschrift, De Gids en Stemmen voor waarheid en vrede. Hij was een geleerde dominee, met belangstelling voor oude godsdiensten en voor de vragen van zijn eigen tijd.
Er werden kinderen geboren. Naslagwerken spreken van zes kinderen uit dit huwelijk. Een van hen was Christine Hermine, geboren in 1863. Haar naam komt later in dit hoofdstuk terug.
EEN SCHOOL VOOR DE KINDEREN VAN DEN BOSCH
In 1869 verhuisde het gezin naar ’s-Hertogenbosch, waar Hendrik predikant werd van de hervormde gemeente. Een jaar later, op 28 oktober 1870, stierf Hermine. Hendrik bleef achter met jonge kinderen. Volgens de naslagwerken trouwde hij later opnieuw, met een nicht, Petronella Adriana Oyens. Die zou volgens dezelfde bronnen een moeder voor zijn kinderen zijn geworden. Een tweede onafhankelijke bron heb ik daar niet voor gevonden.
In Den Bosch raakte hij voor het eerst in een openbare strijd. Het ging om een school. De hervormde kerkeraad had een eigen diakonieschool, ooit opgezet voor kinderen van arme gezinnen. In 1874 besloot de meerderheid van de kerkeraad die school op te heffen. Het openbare onderwijs was beter geworden, vonden ze, en het scheelde geld.
Pierson wilde dat anders. Hij stelde voor om er een protestantse school van te maken, onder toezicht van de kerk. Hij bood samen met twee anderen aan om er geld in te steken. De kerkeraad stemde beide voorstellen weg. Toen er in die tijd bij een openbare school een katholieke onderwijzer werd benoemd, schreef Pierson er een fel stuk over in het tijdschrift De Tijdspiegel.
Dat bleef niet onbeantwoord. In oktober 1874 publiceerde de kerkeraad een eigen toelichting. Een van de ouderlingen schreef erbij dat hij de openbare toon van zijn predikant betreurde. Pierson zocht ondertussen steun in het hele land, en wilde samen met de Christelijke Gereformeerden een eigen school beginnen. Hij gaf zijn stukken uit als brochure, De Bossche schoolkwestie, en twee jaar later volgde een Catechismus van de schoolkwestie.
Het is een kleine geschiedenis in een provinciestad. Er blijkt wel iets uit wat later in zijn leven steeds terugkwam. Pierson kon niet zwijgen als hij vond dat iets fout zat. Hij schreef scherp, en niet iedereen waardeerde dat.
EEN LEGE STOEL IN ZETTEN
Op 11 juli 1876 stierf Ottho Gerhard Heldring in Mariënbad, een kuuroord in Bohemen. Hij was tweeënzeventig. In Zetten liet hij een heel complex achter: het Asyl Steenbeek uit 1848 voor vrouwen die uit de prostitutie kwamen, Talitha Kumi uit 1856, Bethel uit 1861 en een kweekschool uit 1864. Dat staat op zijn grafsteen, bij de Vluchtheuvelkerk in Zetten.
Wie moest dit werk overnemen? De keus viel op de dominee uit Den Bosch. In 1877 werd Hendrik Pierson directeur van de gestichten in Zetten. Hij was begin veertig.
Voor Pierson was het een grote stap. Hij liet een stadsgemeente achter en kwam terecht in een dorp in de Betuwe, tussen meisjes en vrouwen die de samenleving had afgeschreven. In de taal van die tijd heetten ze gevallen vrouwen. Heldring had geloofd dat zij gered konden worden, door een nieuw begin, door werk en door het evangelie. Pierson geloofde dat ook.
Ik schrijf het woord “gevallen” met enige aarzeling op. Het hoort bij die eeuw. Pierson zou de rest van zijn leven proberen de schuld te leggen waar hij vond dat die hoorde.
DE VRAAG ACHTER DE VRAAG
Heldring had vrouwen opgevangen. Pierson keek verder. Waarom kwamen er steeds nieuwe vrouwen? Volgens een masterscriptie over de Middernachtzending vond hij dat het niet genoeg was om zielen te redden door evangelisatie. Er moesten ook verenigingen komen die de maatschappelijke oorzaken aanpakten.
En een van die oorzaken, vond Pierson, was de overheid zelf.
In Nederland was prostitutie in die tijd gereglementeerd. De overheid stond bordelen toe onder voorwaarden, en vrouwen in de prostitutie moesten zich verplicht medisch laten controleren op geslachtsziekten. Wie dat systeem verdedigde, zag prostitutie als een kwaad dat er nu eenmaal was en dat je dan maar beter kon beheersen. Pierson zag het omgekeerd. Een overheid die bordelen een vergunning gaf, deed volgens hem mee. In een brochure schreef hij dat de overheid de ontucht bevorderde en daarmee medeplichtig was.
In Engeland voerde Josephine Butler al jaren campagne tegen hetzelfde systeem. Zij en haar medestanders zagen prostitutie onder toezicht van de staat als een vorm van slavernij, en noemden hun strijd daarom abolitionisme: afschaffing. In september 1877 kwam in Genève het eerste internationale congres van haar beweging bijeen, met zes- tot zevenhonderd deelnemers. Daar werd de Internationale Abolitionistische Federatie formeel opgericht. Verschillende bronnen noemen Butler als de vrouw die Pierson inspireerde. Dat hij zelf in Genève was en daar door haar geraakt werd, staat in de Engelse Wikipedia. Een andere bron daarvoor heb ik niet kunnen openen.
EEN VERENIGING VOOR MANNEN
Rond 1879 richtte Pierson de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie op. Over het jaartal zijn de bronnen het niet helemaal eens: de een noemt 1878, de ander 1879. Pierson werd voorzitter en bleef jarenlang de man die de koers bepaalde. Het was een kleine vereniging, met vooral protestantse leden en relatief veel mensen uit de elite. Ze gaf brochures uit, stimuleerde onderzoek en probeerde bestuurders en politici te overtuigen. Pierson stuurde ook het blad van de vereniging, Het Maandblad.
Volgens Bossenbroek en Kompagnie had hij een duidelijke verdeling in zijn hoofd. Vrouwen waren volgens hem het best geschikt voor het reddingswerk, het opvangen en begeleiden van vrouwen die eruit wilden. Mannen moesten het publieke getuigenis geven en de politieke druk organiseren. Hij vond ook dat mannen die zelf tussen prostituees werkten, een moreel risico liepen. In de statuten van de vereniging kregen vrouwen een plaats in aparte vrouwencomités. In het bestuur kwamen ze niet.
Zijn kern lag elders. Hij bestreed wat hij de dubbele moraal noemde: een zedenwet voor vrouwen en een andere voor mannen. Een vrouw die in de prostitutie terechtkwam, was haar naam kwijt. De man die haar bezocht, liep gewoon de straat weer op. Pierson vond dat mannen hun drift konden beheersen en dat voor hen dezelfde maat gold. In 1889 stelde hij die vraag in de titel van een brochure: Tweeërlei zedewet?
Het was een ongemakkelijke boodschap voor de nette heren van zijn tijd. Hij legde de schuld bij hun eigen stand.
EEN JAARBOEK DAT SCHUURDE
Niet iedereen was het met hem eens, ook niet onder mensen die het werk van Zetten waardeerden. In 1881 verscheen een jaarboek met de naam Magdalena, ten bate van het Asyl Steenbeek. Pierson was een van de redacteuren. In De Tijdspiegel kreeg het een kritische bespreking. De recensent vond dat het boek over prostitutie schreef op een toon die lezers kon kwetsen. Hij verdedigde ook de medische controle van prostituees die Pierson zo bestreed. Theologen, vond hij, moesten die vraag maar aan artsen en politie overlaten.
Pierson bleef erover schrijven. Hij zag het als een vraag van geweten.
In Zetten ging het werk ondertussen door. In 1882 kwam er een Magdalenahuis bij, voor ongehuwde moeders. Later volgden een kinderhuis en opleidingen, maar de precieze jaartallen daarvan heb ik alleen op Wikipedia gevonden.
ANTWERPEN, SEPTEMBER 1885
In 1885 voerde de Londense journalist W.T. Stead in zijn krant, de Pall Mall Gazette, een opzienbarende campagne tegen de handel in meisjes.
Pierson bewonderde de moed van Stead. Zijn methode vond hij ongeoorloofd. In september 1885 ontmoette hij Stead in Antwerpen. Volgens Bossenbroek en Kompagnie zei Pierson hem recht in het gezicht dat hij hem bewonderde en tegelijk verafschuwde.
Hoe ver mag je gaan voor een goede zaak? Pierson vond in elk geval dat Stead een grens over was gegaan, hoe goed zijn doel ook was. Toen Engeland kort daarna het systeem van reglementering afschafte, kopte hij in zijn blad dat de overwinning bij Engeland begon.
MANNEN VOOR DE DEUR VAN HET BORDEEL
In Haarlem was in die jaren een groep jonge mannen bezig met een eigen aanpak. Onder hen waren Gerard Velthuysen, Johannes van der Steur en H. Stap. Pierson steunde hun werk met geld. In 1888 gingen Velthuysen en Van der Steur op uitnodiging naar Amsterdam. In 1890 kwam er een landelijke vereniging, de Nederlandsche Middernachtzending-Vereeniging. Pierson werd voorzitter van het hoofdbestuur.
Het werk was eenvoudig en riskant. De zogenoemde werkende leden gingen ’s avonds naar de straten met bordelen. Ze gingen voor de deur staan en spraken mannen aan die naar binnen wilden. Ze deelden traktaatjes uit. Het bestuur bestond uit heren die zelf niet op straat stonden. In Amsterdam bestond de plaatselijke afdeling uit werklieden.
Dat leverde confrontaties op met politie en overheid, zo blijkt uit een Leidse scriptie over de Middernachtzending. Op Wikipedia lees je dat het vaak op vechtpartijen uitliep. Een andere bron voor dat laatste heb ik niet gevonden.
Ik vind het een opvallend beeld. Een dominee in Zetten, ver van de Amsterdamse binnenstad, betaalt en bestuurt een groep mannen die ’s nachts voor een bordeeldeur staan om een ander op andere gedachten te brengen. Hij schreef de brochures. Zij stonden op straat.
SAMEN STRIJDEN, APART OPTREKKEN
In 1884 hadden protestantse vrouwen hun eigen organisatie opgericht: de Nederlandsche Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn. Het initiatief kwam van vrouwen, vaak familie van leden van Piersons vereniging. De drijvende kracht was Marianne Klerck-van Hogendorp. Ook zij was door Josephine Butler geïnspireerd. De twee organisaties werkten samen, organiseerden een congres en stuurden verzoekschriften naar de regering.
Maar de verhouding bleef gespannen. Pierson wilde geen vrouwen in het bestuur van zijn vereniging. Zijn motto was, in de woorden van Bossenbroek en Kompagnie, samen strijden en gescheiden optrekken. In 1906 vielen Marianne Klerck en Anna van Hogendorp hem daar openlijk op aan. Het bestuur van de vereniging koos zijn kant. Het conflict werd nooit helemaal opgelost.
Hier zie je de grens van een man van zijn tijd. Pierson kwam op voor vrouwen die niemand verdedigde. De vrouwen naast hem in de strijd gaf hij geen stem in zijn bestuur. Het een en het ander zat in hetzelfde hoofd. Ik vertel het omdat het in de bronnen staat, en omdat ook generaals van God niet alles zien.
In 1898 werd Pierson voorzitter van de Internationale Abolitionistische Federatie, de beweging die Butler had opgericht. Dat staat in twee Engelstalige Wikipedia-artikelen. Een andere bron heb ik daar niet voor gevonden, en de lezer mag dat weten.
DRIEËNDERTIG JAAR
En dan kwam maart 1911. Op 16 maart nam de Tweede Kamer de nieuwe zedenwet aan. Bordelen werden strafbaar, net als handel in vrouwen. Artikel 250bis ging erdoor zonder dat er hoofdelijk over werd gestemd.
Pierson was inmiddels zesenzeventig. Hij noemde het de winst van een kruistocht van drieëndertig jaar. Hij zag in de uitslag een verandering in het zedelijk besef van het volk. En hij gaf God de eer: S.D.G.
Wat hij in dat stuk schreef, zou je als zijn levensmotto kunnen lezen. Een schandhuis had geen recht van bestaan, en geen vrouw mocht als slavin worden behandeld. Hij had het drieëndertig jaar lang herhaald, in brochures, in zijn blad, in vergaderzalen in Nederland en daarbuiten.
Of de wet de prostitutie verdreef, is een andere vraag, en die beantwoordt dit hoofdstuk niet. Wel gaf de overheid vanaf dat moment geen vergunning meer voor een bordeel. Dat was waar Pierson voor gestreden had.
EEN STEEN OP DE HELLING
In 1914 legde Pierson het directeurschap in Zetten neer. Hij was tachtig. De Engelse Wikipedia schrijft dat het om zijn gezondheid ging. Een andere bron heb ik daar niet voor. Zijn opvolger werd J. Lammerts van Bueren. Pierson was Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Over zijn laatste jaren is weinig bekend. Hij overleed op 7 augustus 1923 in Groningen, negenentachtig jaar oud.
Ze brachten hem terug naar Zetten. Op de helling die naar de Vluchtheuvelkerk loopt, liggen vier sobere natuurstenen grafplaten. Ze zijn tegenwoordig een rijksmonument. Op een ervan staan de namen van Ottho Gerhard Heldring en zijn vrouw Anna Elisabeth. Op een andere staat Petronella Voûte, die het Asyl Steenbeek leidde en in 1877 overleed. Op een derde de naam van Christine Hermine Pierson, Hendriks dochter, geboren in 1863 en overleden in 1887. Ze was getrouwd met de predikant C.C. Schot uit Hardenberg. En op de vierde staat Hendrik Pierson zelf, 1834 tot 1923, overleden te Groningen.
Volgens de Nederlandse Wikipedia zijn er scholen naar hem vernoemd, in Zetten en in ’s-Hertogenbosch, de stad waar hij ooit ruzie maakte over een school.
Misschien ken jij een strijd die al jaren duurt en waar weinig van te zien is. Een onrecht dat iedereen normaal vindt. Pierson zag het onrecht in de vrouwen die in Zetten aanklopten, en in de gemeenten die bordelen een vergunning gaven. Hij schreef, hij vergaderde, hij betaalde de mannen die ’s nachts op straat stonden. Toen het kwam, zette hij er drie letters onder.
Op de helling in Zetten liggen de stenen van Heldring en Pierson een paar meter van elkaar. De man die de vrouwen opving, en de man die de deur van het bordeel dicht wilde hebben.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 10 juni 1834 in Amsterdam; zijn ouders Jan Lodewijk Gregory Pierson en Ida Oyens en het Réveilmilieu waarin hij opgroeide; studie in Utrecht vanaf 1851; huwelijk met Hermine Agnes Kolff (1857) en haar dood in 1870; predikantschap in Heinenoord (1857) en ’s-Hertogenbosch (1869); de Bossche schoolkwestie van 1874; directeur in Zetten vanaf 1877 als opvolger van Heldring; oprichting en voorzitterschap van de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie; zijn rol bij de Middernachtzending; de inspiratie van Josephine Butler; de aanname van de zedenwet in 1911 en zijn reactie daarop; overlijden in 1923 in Groningen en zijn graf bij de Vluchtheuvelkerk in Zetten.
Uit één wetenschappelijke bron: zijn ontmoeting met W.T. Stead in Antwerpen in 1885; het conflict met Marianne Klerck-van Hogendorp en Anna van Hogendorp in 1906; zijn opvattingen over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen (allemaal uit Bossenbroek en Kompagnie, 1998). Ridderorde (alleen uit een genealogie van 1901).
Onbevestigd: zijn tweede huwelijk met Petronella Adriana Oyens en het aantal kinderen; zijn aanwezigheid op het congres in Genève in 1877; zijn voorzitterschap van de Internationale Abolitionistische Federatie vanaf 1898; de reden van zijn vertrek uit Zetten in 1914; de precieze sterfdag (de grafplaat geeft alleen het jaar); de jaartallen van het kinderhuis en de opleidingen in Zetten; vechtpartijen bij de Middernachtzending; de scholen die naar hem vernoemd zijn. Deze punten komen alleen van Wikipedia. Over het oprichtingsjaar van zijn vereniging (1878 of 1879) verschillen de bronnen.
Duiding: of de zedenwet van 1911 de prostitutie werkelijk terugdrong, is in dit hoofdstuk niet onderzocht. Vast staat dat de overheid er vanaf toen geen bordelen meer toeliet.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- DBNL, J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden, Biographisch woordenboek: Hendrik Pierson
- DBNL, Biographisch woordenboek: Ida Oyens Pierson
- DBNL, Biographisch woordenboek: Ottho Gerhard Heldring
- De Nederlandsche Leeuw 1901, genealogie Pierson (KNGGW)
- SheWrote (Radboud Universiteit), Ida Pierson-Oyens
- ESB, Beroemde economisten: Nicolaas Gerard Pierson
- Martin Bossenbroek en Jan H. Kompagnie, “De stille trom der vrouwenzusters”, Leidschrift 14 (1998)
- Dieke Heijboer-Paul, De Middernachtzending als bestrijder van de prostitutie in Amsterdam (masterscriptie Universiteit Leiden)
- The fight against the regulation of prostitution (masterscriptie Universiteit Utrecht)
- BMGN, recensie van O.W. Dubois, Reddende liefde. Het werk van de Heldringstichtingen in Zetten 1847-2010
- De Tijdspiegel 1874, toelichting van de Bossche kerkeraad
- De Tijdspiegel 1881, “Twee philanthropen”
- Rijksmonumentenregister, grafplaten bij de Vluchtheuvelkerk in Zetten
- Wikipedia (Nederlands), Hendrik Pierson
- Wikipedia (Engels), Hendrik Pierson
- Wikipedia (Engels), International Abolitionist Federation
- DBNL, lemma Réveil