Gods generaalsin Nederland

Deel 2 · Volg hun geloof na · Hoofdstuk 1

Isaäc da Costa

de dichter die Jood bleef

1798-1860Amsterdam

Op zondag 20 oktober 1822 knielde een jonge man in de Pieterskerk in Leiden. Hij was vierentwintig, dichter, doctor in de rechten en doctor in de letteren. Naast hem stonden zijn vrouw Hanna en zijn vriend Abraham Capadose, een arts. Alle drie kwamen ze uit de Portugees-Joodse gemeenschap van Amsterdam. Alle drie werden ze die dag gedoopt.

Willem de Clercq zat in de ouderlingenbank. Hij schreef in zijn dagboek dat de dienst “ten uiterste stil gehouden” werd. De dichter Willem Bilderdijk, de leermeester van de knielende man, was ook in de kerk. Dominee Egeling preekte uit Romeinen 11. Hij koos het vijfde vers als hoofdtekst: Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade. (Romeinen 11:5). Hij sprak over een overblijfsel van genade onder Israël.

De man die daar knielde heette Isaäc da Costa. Een jaar later zou een storm van verontwaardiging over hem losbreken. Hij werd de stem van een opwekking die de geschiedenis het Réveil is gaan noemen. Hij hield meer dan dertig jaar lang Bijbellezingen in zijn huis aan de Rozengracht. En hij bleef tot zijn dood zeggen dat hij een zoon van Israël was.

Zijn verhaal begint in een welgesteld huis in Amsterdam.

EEN JONGEN MET HEBREEUWS EN VERZEN

Isaäc da Costa werd geboren op 14 januari 1798 in Amsterdam. Zijn vader, Daniel da Costa, was een vooraanstaand koopman. Zijn moeder, Rebecca Ricardo, was familie van de Engelse econoom David Ricardo. Het gezin hoorde bij de Sefardische Joden, de nakomelingen van Joden die eeuwen eerder uit Spanje en Portugal naar Amsterdam waren gekomen. Volgens een latere beschrijving van zijn leven was de vader sterk geraakt door de ideeën van de Verlichting.

Isaäc leerde jong Hebreeuws. Van 1806 tot 1811 zat hij op de Latijnse school, en daar schreef hij zijn eerste verzen. Daarna volgde hij lessen aan het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam.

Jaren later, in 1845, keek hij terug op zijn jeugd. In een Engels blad over Israël schreef hij: “Van der jeugd aan had ik een soort van godsdienstig instinct.” Een jongen die zocht, al wist hij nog niet wat.

LEMANS NEEMT HEM MEE NAAR BILDERDIJK

In 1813 bracht zijn leraar Hebreeuws, Mozes Lemans, hem in contact met een dichter die toen in Amsterdam woonde. Die dichter was Willem Bilderdijk. Bilderdijk woonde toen eenvoudig aan de Oudezijds Achterburgwal. Hij geloofde in de God van de Bijbel en had weinig op met de redeneerkunst van de achttiende eeuw.

Da Costa was vijftien. Datzelfde jaar schreef hij een gedicht, Lof der dichtkunst, dat Bilderdijk opviel. Een jaar later verscheen zijn eerste gedrukte werk, De verlossing van Nederland. Er groeide een band die zijn hele leven zou bepalen. Bilderdijk gaf hem les en werd zijn vaderlijke vriend. De jongen werd zijn belangrijkste leerling.

In 1816 schreef Da Costa zich aan het Athenaeum in voor rechten. Een jaar later vertrok hij naar Leiden, de stad waar Bilderdijk zich in 1817 vestigde. Daar volgde hij de colleges van zijn leermeester. In 1818 promoveerde hij in de rechten. Op 21 juni 1821 volgde een tweede doctorstitel, in de letteren en de wijsbegeerte.

Abraham Capadose, zijn vriend en familielid, studeerde in dezelfde jaren in Leiden voor arts. Ook hij raakte onder de invloed van Bilderdijk. De twee lazen samen in de Bijbel.

EEN NICHT DIE DE CATECHISMUS KENDE

In de zomer van 1821, een paar weken na zijn tweede promotie, trouwde Da Costa met zijn nicht Hanna Belmonte. Ze kwam uit dezelfde Portugees-Joodse kring. Ze was opgevoed op een christelijke school en kende de Heidelbergse Catechismus al.

Het is een klein detail, maar het zegt veel. In het huis van het jonge echtpaar kwamen twee wegen samen. Hij las de profeten met de ogen van een dichter. Zij had als meisje al geleerd wie Jezus volgens de christenen was.

Wat er in die maanden precies in hun hart gebeurde, beschreef Da Costa vooral in gedichten. Capadose schreef er later een boekje over. Zo kwamen ze er, volgens die latere verslagen, alle drie toe dat Jezus de Messias was die de profeten hadden beloofd. In 1821 en 1822 verschenen ook zijn eerste bundels, onder de titel Poëzy.

EEN STILLE DOOP IN EEN GROTE KERK

Waarom gebeurde het in Leiden en niet in Amsterdam? Capadose vertelde later dat het voor de familie zo minder zwaar was. Bilderdijk had het hun aangeraden en bracht hen in contact met dominee Egeling. Die gaf hun een korte voorbereiding, en zo kwamen ze bij de doopvont.

Na de doop zegden Da Costa en Capadose schriftelijk hun lidmaatschap van de Portugese gemeente op.

Ik sta graag even stil bij die stoel in de ouderlingenbank. Willem de Clercq zou een van Da Costa’s trouwste vrienden worden. Volgens een latere beschrijving was ook Groen van Prinsterer erbij, later een van de bekendste christelijke staatslieden van ons land. In die stille dienst in Leiden zaten mensen bij elkaar die samen een beweging zouden vormen. Niemand wist dat toen.

Heb jij ooit iets gekozen waarvan je wist dat het je familie pijn zou doen? Da Costa deed het op zijn vierentwintigste, met zijn vrouw naast zich.

“DOOR GODSDIENSTIGHEID MUNT DAN ZEKER DE NEGENTIENDE EEUW NIET UIT”

Een jaar later, in 1823, verscheen een boekje van zijn hand: Bezwaren tegen den geest der eeuw. Het telde tien hoofdstukken. Da Costa viel daarin alles aan waar zijn tijd trots op was. De godsdienst, de zeden, de wetenschap, de politiek. Zijn tijdgenoten dachten dat de wereld vooruitging. Hij vond van niet.

Het hoofdstuk over zedelijkheid opende met een zin die prikte: “Door Godsdienstigheid munt dan zeker de negentiende Eeuw niet uit.” Hij keerde zich tegen de ideeën van de Franse Revolutie en tegen het vertrouwen op het verstand alleen. Aan het slot riep hij de overheden op om Christus als hun Heer te erkennen.

Het boekje riep een storm van verontwaardiging op. Bilderdijk verdedigde zijn leerling met een eigen brochure. Willem de Clercq was minder blij met de felle toon. Volgens de historica Elisabeth Kluit vroegen bezoekers bij De Clercq aan de deur eerst of Da Costa binnen was. Zo ja, dan kwamen ze liever een andere keer terug.

Eén bron vertelt dat Da Costa na het boekje een tijd onder toezicht van de politie stond, en dat Egeling, die hem gedoopt had, met hem brak. Ik heb dat niet in een tweede bron teruggevonden.

Er staan in het boekje ook dingen die een christen vandaag niet meer zou verdedigen. Da Costa keerde zich onder meer tegen de afschaffing van de slavernij. Latere schrijvers die hem bewonderen, zeggen het eerlijk: op dit punt was hij een kind van zijn tijd. Ik wil dat hier niet wegpoetsen. Een man kan scherp zien waar zijn tijd van God afdrijft, en op een ander punt zelf blind zijn.

Het boekje is nooit vergeten. Tweehonderd jaar later schrijven theologen en letterkundigen er nog artikelen over.

ZONDAGAVOND AAN DE ROZENGRACHT

Da Costa kreeg na zijn studie geen officiële betrekking. Hij keerde terug naar Amsterdam en ging wonen aan de Rozengracht. Vanaf 1826 opende hij op zondagavond zijn huis voor Bijbellezingen. Later kwamen er op vrijdag voordrachten bij, vooral over theologie.

We weten hoe zo’n avond eruitzag. De schrijver Pierson beschreef het later. De kamer werd met kaarsen verlicht, de stoelen stonden langs de wanden, in de hoek stond een orgel. Da Costa zat achter een tafeltje. Er was een lang gebed, dan lezing en uitleg van een Bijbelgedeelte, een meditatie, zang, ruimte voor vragen en een slotgebed. Als hij in vuur raakte, schreef Pierson, dan spanden zijn lippen zich en straalden zijn ogen.

Een van de vaste bezoekers, Johan Frederik Schimsheimer, kwam met zijn blinde vrouw. Hij schreef de lezingen mee, en dankzij hem zijn ze bewaard gebleven. Rond 1830 zaten er volgens een latere beschrijving veel bekende en begaafde Amsterdammers in de kamer. De literatuurhistoricus Jan ten Brink rekende uit dat Da Costa ruim dertig jaar lezingen heeft gehouden. Over de geschiedenis van Nederland, over de Bijbel, over de profetie. In een reeks over de profeten noemde hij dingen die volgens hem nog moesten komen. De bekering van Israël stond daarbij, en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Hier ligt het hart van wat later het Réveil heette. Het woord betekent ontwaken. Het begon in huiskamers waar mensen samen de Bijbel lazen, baden en elkaar opzochten. Da Costa en De Clercq waren de spil van de Amsterdamse kring.

EEN STEM IN DE KRANT EN IN HET INSTITUUT

Da Costa bleef schrijven. In 1824 volgde een tweede strijdschrift, De Sadduceën. Vanaf 1834 gaf hij een tijdschrift uit, de Nederlandsche Stemmen over Godsdienst, Staat, Geschied- en Letterkunde. Over het jaar waarin het stopte, verschillen de naslagwerken: 1838 of 1840.

De man die in 1823 werd gemeden, werd langzaam weer gezien. In 1839 werd hij lid van het Koninklijk Instituut, het voorname gezelschap van geleerden en kunstenaars. Hij las er in 1840 het gedicht Vijf en twintig jaren voor. Volgens één bron werd hij in 1845 door een hoogleraar voorgedragen als buitengewoon hoogleraar, maar die benoeming kwam er nooit. Ik heb dat niet elders kunnen controleren.

Na 1840 schreef hij gedichten over de gebeurtenissen van zijn tijd, de zogenoemde tijdzangen. Ze werden in 1854 gebundeld.

“VAN DE JORDAAN NAAR DE AMSTEL”

Wat Da Costa onderscheidde van veel andere christenen in zijn tijd, was zijn liefde voor het Joodse volk. Hij was christen geworden, maar hij hield nooit op zichzelf als Jood te zien. Dat schrijft de historicus Jaap Colthof in een wetenschappelijk artikel uit 2016. Da Costa geloofde zelfs dat het uitverkoren volk, zoals hij het zag, van de Jordaan naar de Amstel was getrokken.

In 1846 begon hij samen met Capadose openbare bidstonden voor Israël. Daarna kwamen er maandelijkse bijeenkomsten in huiskamers. Al eerder, in 1839, was hij bevriend geraakt met een Schotse predikant, Jamieson, via hun gezamenlijke zorg voor de zending onder Israël.

In 1848 en 1849 verscheen de tweede druk van zijn grote boek Israël en de volken, over de geschiedenis van de Joden. Hij bestreed daarin de minachting die veel christenen voor Joden hadden. Het boek werd in 1850 in het Engels vertaald en in 1855 in het Duits.

In 1849 kwam Carl Schwartz naar Amsterdam. Schwartz was zelf van Joodse afkomst, in 1837 gedoopt, en werkte voor de Vrije Schotse Kerk, de Free Church of Scotland, als zendeling onder de Joden. Met steun van Da Costa en Capadose begon hij in 1850 het blad De Heraut. In de winter van 1848 op 1849 hield Da Costa lezingen in het Casino in Amsterdam. Vijf predikanten gaven hem daarna een geschenk, en hij bedankte hen op 30 mei 1849 in een brief die nog bestaat. Ook de Schot Jamieson kreeg brieven van hem. Hij vertaalde in 1851 een boek van Da Costa in het Engels, The Four Witnesses, over de vier evangeliën. Da Costa schreef het tegen de Duitse theoloog Strauss. Ook in 1851 sprak Da Costa in Londen op een conferentie over de zending onder de Joden. Hij schreef een jaar later een verslag van die reis.

Vanaf 1852 gaf Da Costa les aan het seminarie van de Schotse kerk in Amsterdam. Dat jaartal komt uit één bron. Dat hij er in zijn laatste jaren leraar en leider was, staat ook in de Jewish Encyclopedia van 1903. Wat hij er precies doceerde, heb ik niet kunnen vinden.

Ik vind dit een van de mooiste dingen aan zijn leven. Hij koos voor Jezus, en bleef zijn volk liefhebben. Veel christenen in zijn tijd zagen die twee als tegenstellingen. Hij zag ze als één verhaal.

EEN MES IN DE KERK

Die liefde werd op een zondagmorgen zwaar op de proef gesteld. Op 1 augustus 1858 leidde Da Costa de dienst in de kerk van de Schotse zending in Amsterdam. Carl Schwartz stond op de kansel en begon te bidden. Een jongen van vijftien, Samuel Abraham Hirsch, rende de trap op met een dolk onder zijn kleren. Hij stak Schwartz drie keer, in de borst en in de linkerarm.

Hirsch kwam uit een streng orthodox Joods gezin. Hij wilde een einde maken aan de zending onder zijn volk. Een kerkganger hield hem vast tot de politie kwam.

Toen Da Costa het gebed hervatte, gebruikte hij volgens het artikel van Colthof de woorden die Jezus aan het kruis bad: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. (Lukas 23:34).

Schwartz herstelde en stond eind september weer op de kansel. Hirsch kreeg twaalf jaar, maar kreeg in 1862 gratie. Hij werd later in Londen een gewaardeerd Joods geleerde. Het verhaal van de aanslag is goed onderzocht. Het gebed van Da Costa ken ik uit dat ene artikel.

Een Joodse christen die na een aanslag in de kerk verder bidt, met de woorden van Jezus over vergeving. Ik laat dat beeld liever voor zichzelf spreken.

BILDERDIJK TOT HET EINDE

In zijn laatste jaren keerde Da Costa terug naar de man die hem had gevormd. Van 1856 tot 1859 bezorgde hij de verzamelde gedichten van Bilderdijk, vijftien delen. In 1859 verscheen zijn boek De mensch en de dichter W. Bilderdijk.

Hij bleef lezingen geven. Zijn laatste reeks werd afgebroken door de ziekte waaraan hij zou sterven. Zijn laatste gedicht ging over de slag bij Nieuwpoort, een veldslag uit 1600. Het werd breed bewonderd.

Isaäc da Costa overleed op zaterdag 28 april 1860 in Amsterdam. Hij was tweeënzestig. Een latere beschrijving van zijn leven merkt op dat hij stierf aan het einde van de Joodse sabbat, toen de christelijke zondag naderde.

LEERLINGEN DRAGEN HUN LERAAR

De begrafenis was op 3 mei 1860. Volgens een latere beschrijving, gebaseerd op het verslag uit zijn eigen kring, stroomden de straten rond het sterfhuis en de kerk vol. De kerk was tot de laatste plaats bezet. Het orgel speelde de melodie van Psalm 42. Leerlingen van het seminarie van de Vrije Schotse Kerk droegen zijn lichaam naar binnen.

Bij het open graf sprak Abraham Capadose. Achtendertig jaar eerder hadden ze samen in Leiden bij de doopvont gestaan. Capadose gaf de laatste woorden van zijn vriend door: “Onbeschrijfelijke liefde, wijsheid en trouw van onze God in Christus!”

Die woorden kennen we alleen via Capadose. Ik heb geen reden om aan hem te twijfelen, maar je moet weten waar ze vandaan komen. Waar Da Costa begraven ligt, kon ik in geen betrouwbare bron vinden. Een jaar na zijn dood werd zijn grote bibliotheek geveild.

Da Costa was geen gemakkelijk mens. Hij kon hard schrijven en hij zat er soms naast. Maar wat hij in 1822 koos, bleef hij kiezen. Achtendertig jaar lang, in zijn huiskamer, in zijn boeken, in een kerk waar een mes getrokken werd.

Wat zou jij willen dat iemand bij jouw graf over je laatste woorden vertelt?

Op een zondag in 1822 knielde hij in een stille kerk, en een dominee las over een overblijfsel van genade onder Israël. Op een zaterdagavond in 1860, toen de sabbat voorbij was en de zondag kwam, sprak hij over de liefde van God in Christus. Daartussen lag een leven. Zijn lichaam werd gedragen door jonge mannen aan wie hij les had gegeven.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 14 januari 1798 in Amsterdam in een Portugees-Joods gezin; zijn ouders Daniel da Costa en Rebecca Ricardo; de ontmoeting met Bilderdijk in 1813; de promoties in Leiden in 1818 en 1821; het huwelijk met Hanna Belmonte in 1821; de doop op zondag 20 oktober 1822 in de Pieterskerk in Leiden, samen met Hanna en Abraham Capadose, door ds. Egeling, met een preek over Romeinen 11:5; Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) en de felle reacties; de Bijbellezingen in zijn huis vanaf 1826; de bidstonden voor Israël vanaf 1846; Israël en de volken (1848-1849); zijn band met de Schotse zending en zijn rol aan het seminarie in zijn laatste jaren; zijn overlijden op 28 april 1860 in Amsterdam.

Alleen uit eigen getuigenis of eigen kring: de reden voor de doop in Leiden (Capadose); zijn uitspraak over zijn godsdienstig instinct (zijn eigen artikel uit 1845); de laatste woorden (doorgegeven door Capadose); de beschrijving van de begrafenis, met de leerlingen die zijn lichaam droegen.

Onbevestigd: het politietoezicht na de Bezwaren en de breuk met Egeling (één bron); de voordracht als hoogleraar in 1845 (één bron); het jaartal 1852 voor het begin van zijn lessen aan het seminarie (één bron); zijn gebed met Lukas 23:34 na de aanslag van 1858 (één wetenschappelijke bron); zijn begraafplaats (niet betrouwbaar gevonden). Eén bron noemt 22 oktober 1822 als doopdatum; het dagboek van De Clercq en de andere bronnen wijzen op zondag 20 oktober.

Duiding: Da Costa’s verdediging van de slavernij in 1823 wordt ook door zijn bewonderaars als een blinde vlek van zijn tijd gezien.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. DBNL, Schrijvers en dichters, “Costa, Isaäc da”
  2. Jewish Encyclopedia (1903), “Costa, Isaac da”
  3. Willem de Clercq, Naar zijn dagboek (1869), via DBNL
  4. Jan ten Brink, Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de XIXe eeuw, deel 1 (1888), via DBNL
  5. Isaäc da Costa, Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823), via DBNL
  6. Theologienet, “Mr. I. Da Costa, wie was hij?”
  7. Boekhuis, fragment “Wie was Isaac da Costa?”
  8. Jaap Colthof, “From juvenile criminal to Jewish scholar”, Jewish Historical Studies 48 (2016)
  9. Leen J. van Valen, “Jodenzending Réveil Schotland/Nederland” (2025)
  10. M. Elisabeth Kluit, Het protestantse Réveil in Nederland en daarbuiten (fragment)
  11. DBNL, biografisch fragment over ds. Jamieson
  12. Encyclopaedia Britannica, “Isaäc da Costa”
  13. Album Academicum Universiteit van Amsterdam, I. da Costa
  14. Ben van der Walt, “Isaac da Costa (1798-1860) se besware teen die gees van sy tyd” (2017)
  15. R.A.M. Honings, “Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823)” (2023)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel