Gods generaalsin Nederland

Deel 2 · Volg hun geloof na · Hoofdstuk 3

Albert Kruyt

de zendeling die zeventien jaar wachtte

1869-1949Poso, Midden-Celebes

Op 3 februari 1892 schreef een jonge zendeling in zijn dagboek één korte zin: “Ik ga in Gods kracht naar Poso.” De volgende dag voer hij uit met een schip dat De Zeeduif heette. Hij was tweeëntwintig. Aan boord noteerde hij hoe goed het was om in zijn moedertaal te bidden, nu hij gescheiden was van iedereen met wie hij die taal kon spreken. De taal van de mensen naar wie hij op weg was, sprak hij nog niet. Met Maleis kon hij zich aan de kust redden.

We weten dit omdat Albert Kruyt bijna zijn hele werkzame leven een dagboek bijhield, van 1892 tot 1922. De theoloog Gerrit Noort las die dagboeken en de archieven van het zendingsgenootschap door voor zijn proefschrift uit 2006. Veel van wat volgt, komt uit dat werk.

De man die daar in Gorontalo aan boord ging, zou veertig jaar in Midden-Celebes werken, het huidige Midden-Sulawesi in Indonesië. Hij werd een van de bekendste zendingsmensen van Nederland en een etnoloog met een internationale naam. Maar de eerste zeventien jaar liet niemand van het volk waarvoor hij gekomen was zich dopen. En toen het eindelijk gebeurde, was het anders dan hij had gehoopt.

Het begon met een jongen die slapend aan boord werd gedragen.

SLAPEND AAN BOORD

Albertus Christiaan Kruyt werd geboren op 10 oktober 1869. Zijn vader, Johannes Kruyt, was zendeling van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, kortweg het NZG. Sinds 1864 werkte hij in Mojowarno, in Oost-Java. Zijn moeder heette Dorothea van der Linden en was de dochter van een arts uit Barneveld. Albert was de zesde van acht kinderen.

Over zijn geboorteplaats lopen de bronnen uiteen. Veel naslagwerken noemen Mojowarno, de standplaats van het gezin. Noort vond in de familiepapieren dat zijn moeder voor elke bevalling naar Soerabaja ging, en daar werd ook Albert geboren.

Zoals in meer zendingsgezinnen ging ook Albert jong naar Nederland voor zijn opleiding. Dat gebeurde begin 1877, toen hij een jaar of zeven was. Zijn ouders lieten hem vroeg in de ochtend aan boord brengen terwijl hij nog sliep. Die manier van afscheid nemen kleurde zijn herinneringen aan de scheiding. Samen met zijn oudere zus Jaantje kwam hij op 15 juni 1877 in Nederland aan.

Hij woonde eerst kort bij zijn grootmoeder in Den Haag. Vanaf september 1877 ging hij naar een jongenshuis in Rotterdam, onder leiding van J.W. Roskes. Daar was hij gelukkig, zo vertelde hij later. In 1879 verhuisde hij naar een gastgezin, en die jaren beschreef hij als eenzaam.

Op 11 juli 1881 stierf zijn moeder. Ze werd begraven in Malang, op Java. Albert was elf en woonde aan de andere kant van de wereld. Ik ben zelf vader, en deze regels raken me. Een kind van zeven slapend op een schip laten zetten: ik kan het me nauwelijks voorstellen. Zijn ouders deden het omdat ze geloofden dat het zo moest.

EEN EXAMEN ONDER DE VIJFTIEN

Op 26 april 1884 schreef Albert een brief aan het bestuur van het NZG. Hij wilde zendeling worden, net als zijn vader. In september van dat jaar deed hij toelatingsexamen voor het Zendelinghuis in Rotterdam, nog voordat hij de minimumleeftijd van vijftien had bereikt. Hij werd toegelaten.

De opleiding duurde zeven jaar. Zijn eindexamen in oktober 1889 was volgens het verslag matig. Een uitblinker leek hij niet.

Hij was opgeleid om op Java te werken, naast zijn vader en een broer. Maar in februari 1889 had het bestuur al besloten dat hij naar een nieuw gebied zou gaan: Poso, aan de Golf van Tomini op Celebes. Het was een nieuw zendingsveld. De stad Gorontalo zou zijn uitvalsbasis zijn. Zijn vader maakte bezwaar tegen die bestemming. Albert zelf was er blij mee. Hij zag er tegenop om in de schaduw van zijn familie te werken, zo blijkt uit zijn brieven.

Het NZG wilde dat ook het Nederlandsch Bijbelgenootschap iemand naar hetzelfde gebied zou sturen. Er moest een vertaler komen. Die afspraak zou later de samenwerking opleveren die zijn werk bepaalde.

JO UIT NIJMEGEN

In de paasvakantie van 1889 logeerde Albert bij de familie Moulijn in Nijmegen. Daar ontmoette hij Johanna Hendrika Moulijn, die iedereen Jo noemde. Ze was twee jaar ouder dan hij en de dochter van dominee Jacob Moulijn.

In september vroeg hij het bestuur toestemming om zich te verloven. Die kwam er, met één voorwaarde: het genootschap betaalde haar overtocht niet. Albert protesteerde en vroeg om een deel van het geld. Het bestuur weigerde. De ongeveer zevenhonderd gulden moest via de familie bijeengebracht worden.

Op 19 juni 1890 werd hij in Den Haag bevestigd als zendeling. Op 12 november 1890 trouwden Albert en Jo. Zes dagen later tekende hij een verklaring dat hij drieduizend gulden aan opleidingskosten zou terugbetalen als hij het genootschap ooit verliet. Daarna vertrokken ze naar de Oost.

Jo Kruyt-Moulijn zou ruim negentig jaar oud worden en haar man veertien jaar overleven. Ze kregen drie kinderen: Jan in 1893, Miep in 1895 en Doortje in 1896. Wat Jo in al die jaren in Poso deed, staat in de bronnen die ik kon raadplegen nauwelijks beschreven. Ik vind dat jammer. Een vrouw die veertig jaar in een afgelegen zendingspost woont en daar drie kinderen grootbrengt, heeft een eigen verhaal. Het is alleen niet opgeschreven, of het ligt nog in een archief.

EEN SCHIP DAT DE ZEEDUIF HEETTE

Na bijna twee jaar voorbereiding in Gorontalo ging Albert in februari 1892 op weg naar Poso. Daar schreef hij die zin over Gods kracht.

Het eerste jaar was zwaar. Hij worstelde met de taal van de To Pamona, de mensen in het binnenland. In maart 1892 schreef hij in zijn dagboek dat hij zendeling wilde zijn. Maar hij miste, zo schreef hij, de bezieling van de Heilige Geest die dit werk vroeg. In augustus en september kwam hij er steeds op terug. Hij voelde dat het hem ontbrak aan de kracht die alles overwint, en hij twijfelde of hij wel geschikt was als pionier.

In brieven aan Jo uit dat jaar gaf hij iets toe wat veel gelovigen zullen herkennen. Hij zuchtte weleens tot God, schreef hij, maar hij verzuimde om zijn noden als een kind bij Hem neer te leggen. Hij verlangde naar een hart dat altijd bleef geloven.

Herken je dat? Dat je weet dat je kunt bidden, en het toch niet doet? Albert Kruyt wordt vaak beschreven als een nuchtere wetenschapper. In zijn dagboek uit 1892 staat een jonge man die God zoekt en zich tekort voelt schieten.

Op 18 september 1892 noteerde hij dat hij nog niet sprak over dopen of over christen worden. Hij was bang de mensen daarmee af te schrikken. Hij hoopte dat God hun harten zou veranderen zonder dat ze het eigenlijk merkten.

EERST VEEL LATER

In oktober 1893 schreef Kruyt aan het bestuur in Nederland een eerlijke brief. De boodschap van Gods liefde raakte de mensen niet, zei hij, zolang ze er niet op waren voorbereid. Bekeringen in groten getale verwachtte hij pas veel later. De dorpen lagen verspreid in de bergen. Het evangelie moest naar elk dorp afzonderlijk gebracht worden.

In zijn jaarverslag over 1896 schreef hij dat hij niet kon zeggen of het Koninkrijk van God dat jaar was vooruitgegaan. Hij koos ervoor om door te gaan.

Ondertussen ontstond er aan de kust wel een kleine gemeente. Ze bestond uit mensen van elders, die Maleis spraken. In november 1892 had Kruyt in Mapane christenen van de Sangir-eilanden gevonden. Uit zijn wekelijkse samenkomsten groeide een gemeente. Op 23 maart 1894 werd het eerste avondmaal gevierd. In mei 1895 doopte hij de eerste leden. In 1900 telde die gemeente honderdtwintig leden. Onderwijzers uit de Minahasa, in het noorden van Celebes, hielpen mee. Een van hen, Herman Kolondam, werkte van 1894 tot 1910 in Poso en Mapane.

Maar de To Pamona zelf, het volk voor wie hij gekomen was, bleven bij hun eigen godsdienst.

In maart 1895 kwam er versterking. Het Bijbelgenootschap stuurde de taalkundige Nicolaus Adriani, vier jaar ouder dan Kruyt en net gepromoveerd in Leiden. Adriani zou het Nieuwe Testament vertalen in de taal van de To Pamona. De twee mannen vulden elkaar aan. Adriani bestudeerde de taal, Kruyt de godsdienst en de gewoonten. Samen trokken ze door het binnenland en schreven ze reisverslagen.

In 1898 las Kruyt de levensbeschrijving van David Brainerd, de Amerikaanse zendeling onder de indianen. Eerst vond hij Brainerds dagboek te veel met zichzelf bezig. Toen hij het uit had, schreef hij dat hij voelde hoeveel er bij hemzelf nog ontbrak.

DE TAMME BUFFEL

Er is één gesprek dat iets laat zien van de positie waarin Kruyt verkeerde. In 1904 zei hij tegen een aantal hoofden dat hij maar een gewone onderdaan van de regering was. Zij gaven hem een antwoord dat hij zelf heeft opgeschreven. Hij was, zeiden ze, de tamme buffel die de regering gebruikte om de wilde buffels te vangen.

Een jaar later kwam het Nederlandse leger. In 1905 en 1906 werd Midden-Celebes met militaire expedities onder Nederlands gezag gebracht. In januari 1906, toen Kruyt met verlof was, hielp zijn jongere collega Philip Hofman een hoofd met de naam Tarama overtuigen om zijn versterkingen af te breken en het gezag te aanvaarden. De zendingshistoricus Van Randwijck noemde dat later een typisch voorbeeld van hoe zendelingen de uitbreiding van het koloniale gezag steunden.

Na de onderwerping veranderde het leven in het binnenland snel. Het bestuur verbood het koppensnellen, de tempelcultus en de grote dodenfeesten. Dorpen moesten verhuizen van de heuveltoppen naar een nieuwe weg tussen Poso en Tentena. Er kwam natte rijstbouw. De oude godsdienst verloor zijn houvast.

Kruyt zag dat. Hij schreef dat het ingrijpen van de regering de oude godsdienst had opengebroken. Hij merkte ook op dat de nieuwe orde de weg vrijmaakte voor de islam. Noort noemt zijn houding tweeslachtig. Kruyt erkende wat het bestuur had gedaan, maar over zijn eigen aandeel was hij terughoudend.

Ik wil hier eerlijk en tegelijk zacht zijn. Historici zijn het er breed over eens dat de zending in Poso niet los te zien is van de koloniale verovering. Kruyt was geen soldaat. Al in de jaren negentig sprak hij wel over een druk die zacht moest zijn, maar ook sterk. En hij leefde onder de bescherming van een gezag dat met geweld was gekomen. De hoofden hadden dat in 1904 al scherp gezien. Die buffel uit 1904 blijft door dit verhaal heen lopen.

KERSTMIS IN KASIGUNCU

Een van de hoofden die Kruyt het best kende, was Papa i Woente, het hoofd van de To Pebato. Kruyt sprak al in 1892 met hem, over de priesteressen van het dorp en over Gods macht om te genezen. In de bronnen die op Kruyts eigen verslag teruggaan, staat hoe het hoofd uiteindelijk besloot. Toen een groep schoolkinderen met doopcatechisatie zou beginnen, oordeelde hij dat er genoeg mensen achter stonden om samen de stap te zetten. Hij verklaarde openlijk dat hij christen wilde worden. Nu de uiterlijke belemmeringen weg waren, zei hij volgens Kruyt, wilde hij zich aan God overgeven.

In een Indonesisch naslagwerk staat dat hij al vanaf 1898 bereid was, maar dat hij die stap niet in zijn eentje wilde zetten, omdat hij verantwoordelijk was voor de eenheid van zijn volk. Kruyt zou hem daarin hebben gerespecteerd. Dat past bij wat we van beide mannen weten, maar ik heb er geen tweede bron voor kunnen vinden.

In 1909 werden in Kasiguncu de eerste To Pamona gedoopt. Zeventien jaar na Kruyts aankomst. Een van hen was Marisi Mbau. Kruyt zag tussen de volwassen dopelingen veel mensen die als kind bij hem op de school in Panta hadden gezeten.

Over de precieze datum en het aantal bestaat één spoor. Een Indonesisch naslagwerk beroept zich op een in memoriam dat Adriani in 1919 over Hofman schreef. Volgens die bron doopte Hofman op eerste kerstdag, 25 december 1909, Papa i Woente en zijn volgelingen. Zo’n zesenzestig mensen zouden zich na een toespraak van Hofman in juli hebben aangemeld. Kruyt kwam uit Pendolo om bij de doop te spreken. Ik heb dat in memoriam zelf niet kunnen inzien, dus de datum en het aantal noem ik met voorbehoud.

Wat vaststaat, is dit: zeventien jaar lang zaaide een man onder de To Pamona zonder te oogsten. Hij schreef in die jaren geen triomfantelijke verslagen. Hij schreef dat hij niet wist of het Koninkrijk vooruitging. En hij bleef.

EEN HEEL VOLK TEGELIJK

Na 1909 ging het snel, sneller dan Kruyt wilde. In Panjoka ging een hele groep tegelijk over. Kruyt schreef dat ze dat liever anders hadden gezien, maar dat ze de loop van de dingen niet konden tegenhouden. Hij wilde langzame groei, van binnenuit.

Over een massadoop bij een ander volk, de To Loinang, was hij nog scherper. Wie met zijn hele volk gedoopt wordt, schreef hij, blijft vanbinnen gewoon heiden. Hij vergeleek het met de kerstening van de Germaanse stammen in Europa: christen in naam, maar nog niet vanbinnen.

Hier zit een spanning die zijn hele werk doortrekt. Kruyt dacht in volken, niet in losse personen. Hij geloofde dat een gemeenschap als geheel tot Christus moest komen, met haar eigen gewoonten, haar eigen taal en haar eigen leiders. Hij wilde een christelijke adat, een christelijke volksgewoonte. Hij weigerde het Maleis als zendingstaal te gebruiken.

In 1919 kwam hij in het dorp Bo’e, in het district Pendolo. Hij noteerde dat de mensen daar eigenlijk nog helemaal geen geestelijke ervaring hadden. Ze waren gedoopt, maar hij zag weinig verandering. Hij was eerlijk genoeg om dat op te schrijven.

De kerk groeide wel. In 1926 waren er in het district Pendolo 1.830 christenen op 3.661 inwoners.

EEN SCHOOL IN PENDOLO

Van 1912 tot 1922 leidde Kruyt de opleiding voor onderwijzers in Pendolo. In het begin kwamen de onderwijzers uit de Minahasa. Hier werden jongemannen uit de eigen dorpen opgeleid.

In 1913 gaf de Universiteit Utrecht hem een eredoctoraat in de theologie. Kruyt vond zelf, zo schrijft Noort, dat een doctoraat in de letteren beter bij zijn werk had gepast. Hij had dan ook veel geschreven over volken en godsdiensten. In 1906 verscheen Het animisme in den Indischen Archipel. Tussen 1910 en 1914 volgde het grote werk dat hij met Adriani schreef: De Bare’e-sprekende Toradja’s van Midden-Celebes, drie delen. Het geldt nog altijd als een belangrijke bron over de volken van Midden-Sulawesi. Later kwamen Van heiden tot christen (1925), Zending en volkskracht (1937) en De West-Toradjas op Midden-Celebes (1938).

In 1920 deed hij etnologisch onderzoek voor de regering. Aan een vriend schreef hij dat hij hoopte dat dit werk op Gods weg lag. Twee jaar later trok de regering een toezegging in om hem in dienst te nemen. Kruyt schreef dat hij dat aannam als leiding van God.

Op 5 augustus 1926 stierf Nicolaus Adriani in Poso. Hij had ongeveer zeventig procent van het Nieuwe Testament vertaald. Het evangelie naar Lukas was al in 1907 verschenen. In 1929 nam Kruyt het vertaalwerk over, met hulp van de taalkundige S.J. Esser. In 1933 verscheen het hele Nieuwe Testament in de taal van de To Pamona. Ruim veertig jaar nadat een jongeman op De Zeeduif in zijn moedertaal bad, konden de To Pamona de evangeliën in hun eigen taal lezen.

Hun zoon Jan was inmiddels zelf zendeling geworden. Van 1922 tot 1939 leidde hij de onderwijzersopleiding in Pendolo, die zijn vader had opgebouwd.

EEN BRIL UIT EUROPA

Albert Kruyt keek naar de To Pamona met grote belangstelling, maar ook door een bril die hij uit Europa had meegenomen. Hij was beïnvloed door denkers als E.B. Tylor, die meenden dat godsdienst zich in stadia ontwikkelt, van magie naar geloof. Vandaar de titel van Noorts proefschrift: De weg van magie tot geloof. Gereformeerde en evangelische zendingen wezen die evolutionistische kijk af, en ook latere theologen hadden er moeite mee.

Noort is waarderend, maar hij benoemt ook de grenzen. Kruyt onderschatte hoe snel de moderne tijd het binnenland zou veranderen, met bestuur, scholen, wegen en het Maleis als bestuurstaal. Hij deed weinig voor de bevrijding van slaven en hun kinderen. Pas in 1937 werden kinderen van voormalige slaven tot de onderwijzersopleiding toegelaten. En vóór de Tweede Wereldoorlog werd er geen enkele inheemse predikant bevestigd. De kerk werd pas na de oorlog zelfstandig.

De antropoloog Albert Schrauwers ging verder. Hij betoogde dat Kruyts volkenkunde mede diende om een bestuurlijke eenheid te vormen die de koloniale macht uitkwam. Noort vindt dat Schrauwers dat niet uit de bronnen aantoont. Ook Kruyts manier van spreken klinkt ons nu vreemd in de oren. Hij sprak vrijuit over heidenen en heidendom, woorden die we nu als kleinerend ervaren.

Ik noem dit omdat het eerlijk is. Wie een geloofsheld als een foutloos mens beschrijft, doet hem en de lezer tekort. Kruyt was een man van zijn tijd, met de blinde vlekken van die tijd. Hij was ook een man die zeventien jaar bleef, de taal leerde, de verhalen van een volk opschreef en Gods Woord in hun taal hielp brengen.

TAAIE VOLHARDING

In 1932 keerden Albert en Jo Kruyt definitief terug naar Nederland. Hij had veertig jaar in Midden-Celebes gewerkt. Ze woonden eerst in Nijmegen. In brieven aan zijn zoon Jan schreef hij over de ochtendgebeden, waar een kleindochter aan meedeed, en over de vraag hoe je kinderen in het geloof opvoedt. Later vestigden ze zich in Den Haag.

In 1935 verloren ze hun dochter Miep, die in 1895 geboren was.

Op 17 juni 1940 schreef Kruyt een brief aan de zendingsman Hendrik Kraemer. Een roeping in een soms ziekelijke, piëtistische vorm telde voor hem niet. Wie eenmaal voor de zending gekozen had, schreef hij, moest die volgen met taaie volharding. Het zendingsleven bracht meer teleurstellingen dan het leven van een dominee in Nederland. Het is moeilijk om die zin te lezen zonder aan de zeventien jaar zonder dopen te denken.

Hoe zou jij volhouden, als je zeventien jaar zaait en niets ziet opkomen? Kruyt had geen formule. Hij had een dagboek, een vrouw die bleef, een vriend die vertaalde, en een God bij wie hij zich als jonge man tekort voelde schieten en bij wie hij steeds terugkwam.

GEEN ANDERE NAAM

Op 18 oktober 1947 werd de Gereja Kristen Sulawesi Tengah zelfstandig, de Christelijke Kerk van Midden-Sulawesi. De kerk die begonnen was met een handvol dopelingen in Kasiguncu, stond nu op eigen benen. Kruyt maakte het nog mee.

Op 19 januari 1949 overleed Albertus Christiaan Kruyt in Den Haag. Hij was negenenzeventig jaar. Op zijn grafsteen kwam een verwijzing naar een tekst uit Handelingen. Petrus sprak die woorden voor de Joodse Raad in Jeruzalem: En de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden. (Handelingen 4:12)

Jo leefde nog tot 1963.

In 1992, honderd jaar na Kruyts aankomst in Poso, vierde de kerk in Midden-Sulawesi een eeuwfeest. Ze eerde hem als bapak gereja, vader van de kerk. Uit gesprekken die Noort met predikanten van die kerk voerde, kwam een zin naar voren die blijft hangen: Kruyt wordt er geëerd, maar niet gekend. Ze kennen zijn naam. Wie hij was, weten de meesten niet meer.

Misschien is dat niet erg. Op een Haagse grafsteen staan drie woorden en een verwijzing naar de Bijbel: Geen andere naam. Het is de Naam waarvoor hij in februari 1892 aan boord ging van De Zeeduif.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 10 oktober 1869 (plaats Soerabaja volgens archiefonderzoek van Noort, Mojowarno in diverse naslagwerken); opleiding in het Zendelinghuis Rotterdam; huwelijk met Johanna Hendrika Moulijn op 12 november 1890; aankomst in Poso in 1892; komst van Nicolaus Adriani in 1895; de militaire expedities van 1905 en 1906 en de maatregelen daarna; de eerste dopen onder de To Pamona in 1909 in Kasiguncu; het werk met Adriani (1910-1914); het eredoctoraat in Utrecht (1913); de onderwijzersopleiding in Pendolo; het Nieuwe Testament in het Pamona (1933); terugkeer naar Nederland in 1932; de zelfstandige kerk in 1947; overlijden op 19 januari 1949 in Den Haag; de tekst op zijn grafsteen.

Alleen uit eigen getuigenis: zijn gevoelens bij vertrek en in het eerste jaar (dagboek 1892); de brieven aan Jo; zijn oordeel over het uitblijven van groei (1893, 1896); het gesprek over de tamme buffel (1904); het besluit en de woorden van Papa i Woente, zoals Kruyt die vastlegde; zijn reactie op de massa-overgangen; de brief aan Kraemer (1940). Deze komen uit zijn dagboeken en brieven, zoals Gerrit Noort die in de archieven vond en citeert.

Onbevestigd: de exacte doopdatum 25 december 1909 en het aantal van ongeveer zesenzestig aanmeldingen (één secundaire bron, die verwijst naar een in memoriam uit 1919 dat ik niet heb ingezien); de bereidheid van Papa i Woente vanaf 1898 en zijn weigering om alleen over te gaan; de precieze omstandigheden van de dood van zijn dochter Miep.

Duiding: historici zijn het breed eens dat de zending in Poso verweven was met de koloniale verovering van 1905 en 1906. Hoe groot Kruyts eigen aandeel daarin was en of zijn volkenkunde het koloniale bestuur bewust diende, is onder onderzoekers omstreden. Over zijn vrouw Jo en haar werk zeggen de geraadpleegde bronnen bijna niets.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. G. Noort, De weg van magie tot geloof (proefschrift Universiteit Utrecht 2006), samenvatting en inhoud
  2. Noort 2006, titelpagina
  3. Noort 2006, hoofdstuk 1: Inleiding
  4. Noort 2006, hoofdstuk 2: Kruyt, een biografische schets
  5. Noort 2006, hoofdstuk 3: Kruyt, een schets van zijn spiritualiteit
  6. Noort 2006, hoofdstuk 5: De christelijke zending onder de To Pamona
  7. Noort 2006, hoofdstuk 7: Kerstening van de To Pamona
  8. Noort 2006, hoofdstuk 8: Bijbelvertaling en kerkplanting
  9. Noort 2006, hoofdstuk 9: Levensvernieuwing van de To Pamona
  10. Noort 2006, hoofdstuk 10: De invloed van Kruyt op zending en kerk
  11. Noort 2006, hoofdstuk 12: Slotbeschouwing
  12. Nationaal Herbarium Nederland, Flora Malesiana collectors: Kruyt, Albert Christiaan
  13. Yale eHRAF World Cultures, Kruijt, Albertus Christiaan, 1869- 1949
  14. S.C. van Randwijck, “Enkele opmerkingen over de houding der zending tegenover de expansie van het Nederlands gezag”, BMGN 86
  15. J. Coté, “Missionary Albert Kruyt and Colonial Modernity in the Dutch East Indies”, Itinerario 34 (2010)
  16. A. Schrauwers, Colonial ‘Reformation’ in the Highlands of Central Sulawesi (2000), boekbeschrijving
  17. DBNL, auteurspagina A.C. Kruyt
  18. Nicolaus Adriani (Wikipedia, als startpunt)
  19. Philip Heinrich Christoph Hofman (Indonesisch naslagwerk, gebaseerd op Adriani 1919)
  20. Albertus Christiaan Kruyt (Indonesische Wikipedia, als startpunt)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel