Gods generaalsin Nederland

Deel 3 · Volg hun geloof na · Hoofdstuk 3

Hendrik de Cock

de dominee die preekte vanaf de ouderlingenbank

1801-1842Ulrum

Op zondag 19 oktober 1834 liep Hendrik de Cock zijn eigen kerk in Ulrum binnen. Hij was er al bijna vijf jaar predikant. Bij de kansel werd hij tegengehouden. De plaatselijke veldwachter ontzegde hem de toegang, zo staat het in een uitgave van Stichting De Gihonbron over zijn leven.

De Cock ging niet naar huis. Hij bleef beneden in de kerk, bij de bank van de ouderlingen. Daar las hij een stuk voor dat vijf dagen eerder door zijn kerkenraad en een groot deel van zijn gemeente was ondertekend. Een oud biografisch woordenboek van protestantse predikanten noemt de plek nauwkeurig: een bank bij het doophek.

Het stuk heette de Acte van Afscheiding of Wederkeering. Het zou de geschiedenis van de kerk in Nederland veranderen. Wat in Ulrum begon, kreeg in de jaren daarna navolging in Groningen, Friesland, Drenthe en ver daarbuiten. Hendrik de Cock werd de vader van de Afscheiding genoemd. Hij betaalde ervoor met boetes, een gevangenisstraf, soldaten in zijn huis en het verlies van zijn ambt.

Hij was toen drieëndertig. Acht jaar later was hij dood.

Wie was deze man, die in de kerk van zijn eigen dorp niet meer op de preekstoel mocht?

EEN JONGEN UIT DE VEENKOLONIËN

Hendrik de Cock werd geboren op 12 april 1801. Over de plaats zijn de bronnen het niet eens. De oude biografische woordenboeken noemen Wildervank, andere bronnen Veendam. Vast staat dat hij opgroeide in Wildervank, in het oosten van Groningen. Zijn vader, Tjaarda de Cock, was landbouwer, later schout en burgemeester. Zijn moeder heette Jantje Kappen de Boer.

Het was een gezin met aanzien in het dorp. Hendrik mocht leren. Na de lagere school in Wildervank studeerde hij talen en daarna theologie aan de hogeschool in Groningen. Op 14 mei 1823 werd hij toegelaten tot de predikdienst.

Op 11 februari 1824 trouwde hij met Frouwe Venema, de dochter van een landbouwer uit Wildervank. Ze zou hem zevenenveertig jaar overleven. Een maand na de bruiloft, op 7 maart 1824, werd hij bevestigd als predikant van Eppenhuizen, een klein dorp in het noorden van Groningen. In 1827 vertrok hij naar Noordlaren, aan de andere kant van de stad.

Het was in die jaren een gewone loopbaan. De Cock preekte wat hij op de universiteit geleerd had, en zijn professoren in Groningen waren vrijzinnig. Een historicus schreef later dat hij als jonge dominee de Dordtse Leerregels nog nooit had gelezen, en de werken van Calvijn nauwelijks kende.

BEVESTIGD DOOR DE PROFESSOR

In november 1829 kwam hij naar Ulrum, een dorp in het noordwesten van Groningen. Hij werd daar bevestigd door Petrus Hofstede de Groot, hoogleraar in de theologie in Groningen. Volgens een latere beschrijving waren ze vrienden.

Wie dit leest en weet hoe het verhaal afloopt, voelt de spanning al. De professor die hem bevestigde, zou een paar jaar later aan de andere kant staan.

In Ulrum trof De Cock een gemeente die anders was dan hij gewend was. De kerkenraad was streng rechtzinnig. Ouderling Jan Jacobs Beukema verweet de nieuwe dominee dat hij niet rechtzinnig preekte, zo staat het in het biografisch woordenboek. De Cock probeerde eerst te bemiddelen tussen de aanhangers van Hofstede de Groot en de oude garde in zijn kerkenraad.

Er woonden in Ulrum ook eenvoudige gemeenteleden die de oude leer kenden. Gesprekken met hen veranderden zijn denken, schreef een historicus een eeuw later. Met een van hen zou De Cock een gesprek hebben dat hij niet meer vergat.

EÉN ZUCHT

Net buiten Ulrum woonde een oude boer, Klaas Pieters Kuipenga. Hij kwam als catechisant bij de jonge dominee. Hoe oud hij was en in welk jaar het gesprek plaatsvond, vermelden de bronnen niet.

Tijdens zo’n les op de pastorie zei Kuipenga iets wat in vrijwel elke beschrijving van De Cocks leven terugkomt. Als hij voor zijn behoud ook maar iets zelf moest bijdragen, dan was hij verloren. De Nederlandse overlevering heeft verschillende vormen. In een versie van Daan Grootveld zegt Kuipenga dat hij, “indien ik ook maar één zucht tot mijn zaligheid moest toebrengen”, voor eeuwig verloren zou zijn.

Eén zucht. Zelfs dat niet.

De Cock dacht er anders over, en hij werd erdoor geraakt. Grootveld beschrijft hoe de eenvoud van de oude man hem aan het denken zette. Was hij wel op het goede spoor, in zijn preken en op zijn huisbezoeken? Het gesprek bleef niet zonder vrucht, zo schrijft hij. De Cock ging de Bijbel opnieuw onderzoeken.

Ik vind het een mooi detail dat de man die de geschiedenis van een kerk veranderde, eerst zelf les kreeg van zijn catechisant. Hoe vaak leert een leraar het meest van wie aan zijn tafel zit? Het verhaal van de Afscheiding begint voor een deel in de woorden van een oude boer.

EEN GELEEND BOEKJE UIT WARFHUIZEN

Er kwam meer op zijn pad. In de winter van 1831 leende De Cock een verkorte uitgave van de Institutie van Johannes Calvijn, het grote leerboek van de Reformatie. Hij kreeg het van ds. Wormnest, predikant in het nabije Warfhuizen. Volgens de uitgave van De Gihonbron vroeg De Cock zelf of hij het mocht lenen, en zei Wormnest meteen ja.

In 1832 bracht een weduwe uit zijn gemeente hem een exemplaar van de Dordtse Leerregels, de belijdenis die de synode van Dordrecht in 1618 en 1619 had vastgesteld. Ze vertelde hem dat het een belijdenisgeschrift van de kerk was. De Cock kende het niet. Hij las het, liet het zien aan ouderling Beukema en besloot het opnieuw uit te geven. In 1833 verscheen die uitgave, met een voorrede van hemzelf.

Zo kwam hij, via een oude boer, een geleend boek en een weduwe, bij de leer die de Nederlandse kerk ooit zelf had beleden: dat een mens behouden wordt door genade alleen. Hij ging die leer voortaan streng en helder preken. Er kwamen mensen van ver om hem te horen.

KINDEREN VAN ELDERS

Wat volgde, ging snel. Ouders uit naburige dorpen brachten hun kinderen naar Ulrum om ze daar te laten dopen. De Cock deed het. Hij nam ook catechisanten van buiten zijn gemeente aan.

In 1833 schreef hij een verweerschrift met de titel Verdediging van de ware Gereformeerde leer en van de ware Gereformeerden. Hij viel daarin twee collega’s scherp aan, ds. Meyer Brouwer uit Uithuizen en ds. Benthem Reddingius uit Assen. De toon was hard, en zijn eigen classis vond dat ook.

In de zomer van 1833 probeerde een commissie van de classis Middelstum hem tot andere gedachten te brengen. Het lukte niet. In december 1833 werd hij voor de classis geroepen. Hij weigerde te stoppen met het dopen van kinderen van elders en hij nam zijn woorden over de twee collega’s niet terug. De classis schorste hem voor onbepaalde tijd, met behoud van zijn traktement. Over de precieze dag verschillen de bronnen: ze noemen 16, 19 en 20 december.

TWEE JAAR ZONDER TRAKTEMENT

Op 1 april 1834 maakte het provinciaal kerkbestuur van Groningen er een schorsing van twee jaar van, nu zonder salaris. Het gezin De Cock had geen inkomen meer.

Kort daarna schreef De Cock een voorrede bij een boekje van Jacobus Klok, een verver en koopman uit Delfzijl. Het ging over de Evangelische Gezangen, de liedbundel die de kerk naast de psalmen zong. De Cock wees die liederen af. Het kerkbestuur vroeg hem de voorrede in te trekken. Hij weigerde.

Op 29 mei 1834 zette het provinciaal kerkbestuur hem af. De synode verzachtte dat op 16 juli 1834. Hij kreeg zes maanden om zich te bedenken. Wie spijt betuigde, kon terugkomen.

Volgens een Engelstalig artikel uit 1989 stierf in dat jaar ook zijn oudste dochter, na een korte ziekte. Ik heb dat in geen andere bron teruggevonden, en vermeld het daarom met voorzichtigheid.

MAANDAGAVOND 13 OKTOBER

De zes maanden liepen, maar De Cock veranderde niet van gedachten. Begin oktober 1834 liepen ook de gesprekken met het provinciaal kerkbestuur vast. Op 2 oktober weigerde hij opnieuw om spijt te betuigen, zo staat het in de uitgave van De Gihonbron. Een weg terug was er niet meer.

Hij had wel steun. Kerkhistoricus Harm Veldman noemt Luitsen Dijkstra als iemand die hem in die dreigende tijd bijstond. En er was een collega die hetzelfde zag als hij.

In het najaar van 1834 kwam Hendrik Pieter Scholte naar Ulrum, predikant van Doveren, Genderen en Gansoijen, die er net zo over dacht als De Cock. Op vrijdagavond 10 oktober preekte Scholte in Ulrum en doopte hij kinderen. De consulent die de geschorste dominee verving, ontzegde hem de kansel. Op zondagmiddag hield Scholte een preek in de open lucht.

Op maandagavond 13 oktober 1834 kwam de kerkenraad van Ulrum bijeen. De Cock zei dat hij nu vrijheid vond om te scheiden. De hele kerkenraad tekende de akte. De volgende dag, dinsdag 14 oktober, tekenden de leden.

Hoeveel het er waren, wordt verschillend opgegeven. De oude biografische woordenboeken spreken van drieënvijftig. Historicus G.J. Schutte schreef in 1986 dat honderdzevenendertig lidmaten tekenden, de dominee meegerekend.

De toon van de akte was scherp. De ondertekenaars schreven dat de kerk waarvan zij zich afscheidden, volgens Gods Woord niet de ware kerk was. In de titel stond ook het woord wederkeer. Zij zagen zichzelf als mensen die terugkeerden.

Vijf dagen later stond De Cock bij de ouderlingenbank.

TWAALF SOLDATEN IN DE PASTORIE

Na die zondag ging het hard. Volgens historicus Jan Wesseling kreeg De Cock al op 17 oktober een eerste boete van vijftig gulden. Op 7 november 1834 veroordeelde de rechtbank in Appingedam hem tot een boete van honderdvijftig gulden en drie maanden gevangenisstraf, voor de dienst van 19 oktober. Volgens het vonnis had hij onrust veroorzaakt in de kerk van Ulrum.

Ondertussen stuurde de regering soldaten. Een compagnie infanterie, volgens meerdere bronnen ongeveer honderdvijftig man, werd ingekwartierd bij de afgescheidenen in Ulrum. Twaalf van hen kwamen in de pastorie bij De Cock, zijn vrouw en zijn kinderen. Het biografisch woordenboek van Van der Aa vermeldt dat hij onder huisarrest werd gesteld.

Over de precieze datum waarop de soldaten kwamen, verschillen de bronnen, net als over hoe lang ze bleven. Een Engelstalige samenvatting spreekt van honderdvier man en zegt dat de helft tot juli 1835 bleef. Een betrouwbare Nederlandse bron daarvoor heb ik niet gevonden.

Wat zou jij doen met twaalf soldaten in je huis, terwijl je man geen salaris meer krijgt? Volgens de overheid moesten de soldaten verdere ordeverstoringen voorkomen. Een oude wet uit de Franse tijd verbood bijeenkomsten van meer dan twintig personen zonder toestemming. Wie toch samenkwam, kreeg boetes of soldaten in huis.

DRIE MAANDEN IN GRONINGEN

De Cock ging in hoger beroep. Op 27 en 28 november 1834 bevestigde de rechtbank in Groningen de vonnissen, zo blijkt uit het werk van Wesseling. Daarna zat hij zijn straf uit in de gevangenis in de stad Groningen.

Uit Drenthe kwamen geloofsgenoten hem daar bezoeken. Kerkhistoricus Harm Veldman schrijft dat die gesprekken in de cel de band met de afgescheidenen in Drenthe versterkten. Een Engelstalig artikel vertelt dat De Cock in de gevangenis met zijn medegevangenen over het evangelie sprak. Dat detail ken ik alleen uit die ene bron.

Tijdens zijn gevangenschap werd zijn gezin uit de pastorie gezet, zo staat het in twee latere beschrijvingen. Het biografisch woordenboek vermeldt wel dat De Cock na zijn terugkeer nog even in de pastorie verbleef. Hoe het precies ging met Frouwe en de kinderen in die winter, weet ik niet.

Op 20 januari 1835 waren de zes maanden bedenktijd voorbij. Het provinciaal kerkbestuur zette hem definitief af. In een kerkelijk blad liet het bestuur weten dat De Cock “niet om zijne gevoelens, maar om zijn gedrag” was afgezet. Het ging volgens de kerk om zijn optreden, niet om wat hij geloofde.

Op 26 februari 1835 werd hij vrijgelaten. Twee dagen later, op 28 februari, was hij terug in Ulrum.

EEN DOMINEE ZONDER KERK

Hij bleef er kort. Al in maart trok hij door Drenthe. Op 18 maart 1835 was hij in Dwingeloo, en op 30 maart leidde hij de instituering van de gemeente in Hijken. Op 8 april 1835 benoemde een vergadering van de noordelijke afgescheiden gemeenten hem tot predikant in algemene dienst voor het noorden.

Op 9 mei 1835 verliet hij Ulrum definitief. Met zijn gezin verhuisde hij naar Smilde, in Drenthe, waar broeders hen opvingen. Twee jaar lang reisde hij van dorp naar dorp, door Groningen, Friesland en Drenthe. Hij preekte, doopte kinderen en hielp nieuwe gemeenten op weg. Die bijeenkomsten waren nog altijd verboden, en wie er zijn huis voor openstelde, liep het risico op een boete.

Hij liet zich niet kennen als geleerde. Het biografisch woordenboek zegt dat hij na de scheiding geen boeken meer schreef. Hij was een herder geworden die rondtrok.

In 1837 vestigde hij zich in de stad Groningen, als predikant van de afgescheiden gemeente daar. Hij bleef ook van daaruit reizen. In 1839 kreeg de gemeente een eigen kerk aan de Guldenstraat, een gebouw dat eerder van de rooms-katholieken was geweest.

VOLG HUN GELOOF NA

Hendrik de Cock werd geen oude man. Hij stierf op 14 november 1842 in Groningen, na een ernstige ziekte. Hij was eenenveertig jaar. Welke ziekte het was, staat in de bronnen die ik heb kunnen lezen niet met zekerheid vermeld.

Hij liet zijn vrouw Frouwe achter en vijf kinderen. Zijn oudste zoon, Helenius, werd later ook predikant en schreef over het leven van zijn vader. Frouwe hertrouwde later met ds. H.G. Poelman, een afgescheiden predikant in Uithuizermeeden.

De Cock werd begraven op de Zuiderbegraafplaats in Groningen. Zijn graf moest een tijd bewaakt worden, schrijft De Gihonbron, om te voorkomen dat tegenstanders het zouden vernielen. Zo diep zat de verdeeldheid nog.

Op 20 november 1842 hield ds. H.J. de Wind uit Leens de lijkrede. Hij koos een tekst uit de brief aan de Hebreeën: Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof na. (Hebreeën 13:7). De rede werd een jaar later in Groningen gedrukt.

Toen ik die tekst tegenkwam, moest ik even stoppen. De laatste woorden van dat vers staan op de omslag van dit boek. Ze werden in 1842 al over Hendrik de Cock uitgesproken.

EEN BANK BIJ HET DOOPHEK

Wat bleef er van hem over? De vervolging hield op toen koning Willem II na 1840 een mildere koers koos. De gemeenten die De Cock had helpen stichten, bleven bestaan. Een deel van de afgescheidenen trok later met Scholte naar Amerika. Voor hun kerken, hier en daar, is Ulrum een begin.

Bijna vijftig jaar na zijn dood, in 1891, kwam er een monument op het graf van hem en Frouwe Venema. Ze was twee jaar eerder gestorven.

Je kunt Hendrik de Cock beoordelen op de scherpe toon van zijn geschriften. Zijn tegenstanders deden dat ook. Maar het begon niet met een pamflet. Het begon met een oude boer die zei dat hij zelfs geen zucht kon bijdragen aan zijn eigen redding. Een jonge dominee hoorde dat en durfde toe te geven dat hij het zelf niet zo had geloofd.

Weet jij waar jouw zekerheid op rust?

Op die zondag in oktober 1834 bleef de preekstoel van Ulrum leeg. Beneden, bij het doophek, stond een geschorste dominee, en hij las de akte voor.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboortedatum 12 april 1801 en jeugd in Wildervank; huwelijk met Frouwe Venema in februari 1824; predikantschap in Eppenhuizen (1824), Noordlaren (1827) en Ulrum (1829), bevestiging in Ulrum door Hofstede de Groot; de geleende verkorte Institutie (1831) en de Dordtse Leerregels via een weduwe; heruitgave van de Dordtse Leerregels (1833); schorsing door de classis (december 1833), schorsing van twee jaar zonder traktement (1 april 1834), afzetting (29 mei 1834), zes maanden bedenktijd (16 juli 1834), definitieve afzetting (20 januari 1835); ondertekening van de akte door de kerkenraad (13 oktober 1834) en de leden (14 oktober 1834); de dienst bij de ouderlingenbank op 19 oktober 1834; twaalf soldaten in de pastorie; veroordeling op 7 november 1834 tot f 150 en drie maanden gevangenis; vrijlating eind februari 1835; vertrek naar Smilde (mei 1835); Groningen (1837); overlijden op 14 november 1842; lijkrede over Hebreeën 13:7 door H.J. de Wind.

Alleen uit latere overlevering of één bron: het gesprek met Klaas Kuipenga (veel herhaald, maar zonder datum en met wisselende bewoording); dat Wormnest het boekje meteen uitleende; de boete van 17 oktober 1834 en de bevestiging in hoger beroep (Wesseling); het bezoek van Drentse broeders in de gevangenis (Veldman); de reizen naar Dwingeloo en Hijken; de Guldenstraatkerk (1839); het bewaakte graf; het hertrouwen van Frouwe Venema met ds. Poelman.

Onbevestigd: de geboorteplaats (Wildervank of Veendam); het aantal ondertekenaars op 14 oktober (53 of 137); de precieze dag van de eerste schorsing (16, 19 of 20 december 1833); het totale aantal soldaten (meestal 150 genoemd, soms 104), hun aankomstdatum en hoe lang ze bleven; de dood van zijn oudste dochter in 1834; zijn spreken met medegevangenen; de aard van zijn laatste ziekte; of het gezin tijdens zijn gevangenschap echt uit de pastorie werd gezet.

Duiding: of de Afscheiding een terugkeer naar de ware kerk was of een onnodige breuk, daarover denken protestanten tot vandaag verschillend. De kerk zei dat zij hem afzette om zijn gedrag. Hijzelf en zijn volgelingen zagen het als trouw aan de belijdenis.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. J.P. de Bie en J. Loosjes, Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, deel 2: Hendrik de Cock (DBNL)
  2. A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden, deel 3: Hendrik de Cock (DBNL)
  3. Stichting De Gihonbron, Ds. H. de Cock (1801-1842) en Frouwe Venema, met D. Grootveld, Ziende in het gebod
  4. M. Golverdingen, Kerkgeschiedenis van de gereformeerde gezindte
  5. J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Groningerland, deel 2 (DBNL)
  6. H. Veldman, De Afscheiding van 1834 in Drenthe (reader, 2023)
  7. G.J. Schutte, “De Afscheiding van 1834 herdacht”, BMGN 101 (1986)
  8. L.G.J. Verberne, “De afscheiding van 1834” (DBNL)
  9. D.R. Drost, “Thesinge en de Afscheiding van 1834”, Groniek
  10. C. Vogelaar, “Rev. H. De Cock and the Secession”, The Banner of Truth 1989 (Christian Study Library)
  11. A. Baars, “The Secession of 1834”, The Messenger 1985 (Christian Study Library)
  12. W. Bredenhof, “Quotable Church History”, 13 maart 2018
  13. Y. Hoitink, “Start of the secession”, Dutch Genealogy
  14. Calvin University Archives, Cock, Hendrik de (1801-1842)
  15. Wikipedia, Hendrik de Cock (alleen als startpunt)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel