Op de avond van 2 april 1851 klonk er muziek in Alkmaar. Er werd een serenade gebracht en er ging vuurwerk de lucht in. De stad vierde dat een van haar bekendste inwoners de volgende dag zou trouwen. De volgende ochtend, 3 april, stond Geertruida Toussaint in de Grote Kerk naast de Haagse schilder Johannes Bosboom. Dominee J.J. van Oosterzee, wiens preken ze jaren eerder zo had bewonderd, zegende het huwelijk in.
Ze was achtendertig. Ze was al jaren een van de bekendste schrijvers van het land. Achter haar lag een verbroken verloving, een reeks zware jaren en een geloof dat langzaam vaste grond had gekregen. Voor haar lag een huwelijk van vijfendertig jaar met een man die zelf diepe dalen zou kennen.
Wie was deze vrouw, die in haar romans de Nederlandse Reformatie weer tot leven riep? Ze schreef geen preken en geen stichtelijke boekjes. Ze schreef dikke historische romans, en ze bad er zelf om dat God dat werk zou zegenen. Zo vertelde ze het in haar brieven.
Het begon in een apotheek in Alkmaar.
EEN ZWAKKE BABY IN EEN APOTHEKERSHUIS
Anna Louisa Geertruida Toussaint werd geboren op 16 september 1812 in Alkmaar. Haar vader, Hendrik Toussaint, was apotheker. Haar moeder, Cornelia Magdalena Cecilia Rocquette, kwam uit een familie van hugenoten, Franse protestanten die eeuwen eerder om hun geloof naar Nederland waren gevlucht. De ouders waren op 30 december 1810 in Haarlem getrouwd.
Als zuigeling was Geertruida zwak, schrijft haar biograaf Dyserinck. In 1820 kreeg ze een broertje, Johan Daniël Sybrand.
Het geloof in huis was niet eenvoudig. Haar moeder voelde zich niet thuis in de hervormde kerk van Alkmaar. Ze ging later naar de remonstranten. Het meisje groeide dus op met de vraag waar je eigenlijk thuishoort, als kerk en hart niet samenvallen. Die vraag zou haar nog lang bezighouden.
TIEN JAAR BIJ GROOTMOEDER IN HARLINGEN
Toen ze acht was, ging ze naar Harlingen. Daar woonde haar grootmoeder, mevrouw Toussaint-Talma. Tot haar achttiende bleef Geertruida in het Friese havenstadje wonen. Volgens haar biograaf had de grootmoeder een goede invloed op haar opvoeding. Ze kreeg er les en ze vond er een vriendin, Johanna Blok.
Ze las veel. De historische romans van Walter Scott en Jacob van Lennep wekten haar liefde voor het verleden. Ze probeerde Franse boeken te vertalen, maar er kwam geen uitgever.
In april 1829 deed ze belijdenis in de hervormde kerk van Alkmaar, bij dominee H.E. Vinke. Ze was zestien. Wat die stap voor haar betekende, vertellen de bronnen niet. Het zou nog jaren duren voor haar geloof echt van haarzelf werd.
EEN DIPLOMA DAT ZE NIET GEBRUIKTE
Op 16 april 1833 slaagde ze in Haarlem voor het examen van onderwijzeres. Ze probeerde het vak ook echt.
Vanaf mei 1834 werkte ze als gouvernante bij de familie De Bruyn Kops in Hoorn. Het ging niet goed. Ze vond de kinderen moeilijk, en haar biograaf schrijft dat haar leven er verbitterd raakte. In februari 1835 vertrok ze weer.
Terug in Alkmaar merkte ze dat het onderwijs haar geen voldoening meer gaf. Ze wilde schrijven. In een brief noemde ze het schrijven, in zedelijk opzicht, opium voor haar. Het is een opvallend eerlijke zin.
ALMAGRO EN EEN STEM UIT DE GIDS
In 1837 verscheen haar eerste novelle, Almagro, in een tijdschrift van uitgever Van der Aa. Het was een romantisch verhaal, sterk beïnvloed door de toneelschrijver Schiller. Een jaar later volgde haar eerste grote historische roman, De graaf van Devonshire.
De dichter en criticus E.J. Potgieter besprak haar werk in het belangrijke tijdschrift De Gids. Hij was kritisch, maar ook bemoedigend. Hij zag talent. Vanaf dat moment hoorde ze bij de literaire wereld van Nederland, en De Gids drukte tot 1848 regelmatig haar verhalen af.
Haar gezondheid bleef een zorg. Na een verblijf in Amsterdam in 1837 schreef ze dat ze ziek en halfdood was en rust nodig had. Zulke zinnen komen in haar brieven vaker terug. Een artikel uit 1986 noemt haar van nature nerveus. Ze meed grote gezelschappen. Haar klachten waren volgens die schrijver waarschijnlijk vooral van psychische aard.
EEN PASTORIE IN HEILOO
Vanaf 1838 kwam ze geregeld in de pastorie van Heiloo, vlak bij Alkmaar. Daar woonde dominee J.P. Hasebroek, zelf ook schrijver. In dat huis leefde het Réveil, de beweging van opwekking die in die jaren door protestants Nederland ging. Mensen als Isaäc da Costa, Willem de Clercq en Guillaume Groen van Prinsterer zochten naar een geloof dat persoonlijk was en warm, met aandacht voor de Bijbel en voor de armen.
Geertruida werd er bevriend met Hasebroeks zus Betsy. Die vriendschap hield haar hele leven stand. Via de familie Hasebroek leerde ze ook Willem de Clercq kennen. Nicolaas Beets, de dominee en schrijver van de Camera Obscura, schreef aan Hasebroek dat hij hoopte dat zij een zuster in de Heer zou worden.
Er speelde meer. Volgens het artikel uit 1986 werd ze verliefd op Hasebroek, maar hij beantwoordde haar gevoelens niet. Jaren later deed hij haar alsnog een aanzoek. Toen weigerde zij.
Het jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde beschrijft hoe ze klem kwam te zitten. Aan de ene kant stond de liberale kring van De Gids, aan de andere kant de pastorie van Heiloo. Ze hoorde bij allebei, en daardoor kwam ze vaak in psychische moeilijkheden. Ken je dat, dat je je thuis voelt bij twee groepen die elkaar niet vertrouwen?
HET HUIS LAUERNESSE
In 1840 verscheen Het huis Lauernesse. Ze schreef de voorrede op 22 oktober van dat jaar. Het boek speelt in de zestiende eeuw, in de tijd dat de Reformatie Nederland binnenkwam. In korte woorden: het vertelt hoe de nieuwe leer een familie binnendringt en mensen voor keuzes zet die hun leven kosten of veranderen.
Het werd haar bekendste boek. Volgens haar biograaf kwamen er minstens tien drukken van. Ze schreef het als iemand die zichzelf zag als een dochter van de Reformatie. Haar moeder had hugenotenbloed. Zij gaf in haar roman een stem aan de mensen die in Nederland als eersten voor hun protestantse geloof hadden geleden.
Een detail dat weinig mensen weten: hoofdstuk achttien van het boek is geschreven door een ander. Dat was R.C. Bakhuizen van den Brink, uit de kring van De Gids. Hij zou kort daarna een grote plaats in haar leven innemen.
VERLOOFD, VERLATEN, EN EEN BRIEF UIT 1846
In de herfst van 1841 verloofde Geertruida zich met Bakhuizen van den Brink. Op 30 november schreef ze erover aan Beets. Het geluk duurde niet lang. Bakhuizen kwam in geldproblemen en vertrok naar het buitenland. Over het precieze moment verschillen de bronnen: haar biograaf noemt de herfst van 1842, het Schrijverslexicon oktober 1843.
Wat volgde, waren jaren van onzekerheid. In Luik leerde Bakhuizen Julie Simon kennen. Geertruida wist lang niet waar ze aan toe was. Volgens het artikel uit 1986 raakte ze door deze geschiedenis vervreemd van vrienden en zelfs van haar vader. In dezelfde tijd ging ze in Alkmaar naar de remonstranten, nadat dominee Van Oosterzee in 1844 naar Rotterdam was vertrokken. Ze vond de hervormde kerk daarna geestelijk arm. Ze ging bij de remonstranten aan het avondmaal en kreeg daarvoor een berisping van haar eigen hervormde gemeente.
Op 1 oktober 1846 ontving Bakhuizen haar brief waarin ze de verloving verbrak. De meeste bronnen noemen dat jaar; het artikel uit 1986 noemt 1847. In december 1847 trouwde hij met Julie Simon.
Aan Beets schreef ze in die tijd: “Ik zal nooit meer een engagement hebben.”
Ik vind dat een ontroerende zin. Een vrouw van in de dertig, beroemd, gelovig, en diep teleurgesteld. Ze sloot de deur. Volgens het artikel uit 1986 bleef ze Bakhuizen haar hele leven herinneren. Haar vrienden uit het Réveil bleven haar steunen, en die steun maakte haar geloof dieper. Wat haar brak, bracht haar ook dichter bij God.
EEN TAAK VOOR GOD
Midden in die jaren werkte ze aan het grootste project van haar leven. In 1843 schreef ze aan Da Costa dat ze haar boek over Leycester wilde schrijven als een taak die ze voor God moest doen. In 1846 verscheen het eerste deel van De graaf van Leycester in Nederland.
Het gaat over de Engelse graaf die aan het eind van de zestiende eeuw in de opstandige Nederlanden het bestuur kreeg, in de jaren dat het jonge protestantse land voor zijn bestaan vocht. Er volgde een hele reeks: De vrouwen van het Leycestersche tijdvak en Gideon Florensz. Pas in 1855 was de cyclus af. In de figuur van de predikant Gideon Florensz zag het Schrijverslexicon later haar christelijke ideaal: zacht, maar vast.
Niet iedereen was blij. Een criticus trok haar historische juistheid in twijfel, een ander raadde haar aan ermee te stoppen. En sommige geloofsgenoten vonden dat een christen geen romans hoorde te schrijven. Een roman was in hun ogen ongewijde kunst. Geertruida dacht er anders over. Ze schreef dat ze om de zegen van de Heer over haar werk had gebeden. Ze zag het schrijven als werk in gemeenschap met God.
Hoe kijk jij naar je eigen werk? Zij zat aan een schrijftafel in Alkmaar, met een pen en stapels oude kronieken. Ze vroeg God om Zijn zegen over iets wat anderen niet eens geestelijk vonden.
EEN TEKENING IN EEN HAAGS ATELIER
In de zomer van 1846, kort na het eerste deel van Leycester, ging ze naar Den Haag. De dichter S.J. van den Bergh nam haar mee naar het atelier van een jonge schilder: Johannes Bosboom. Hij was in 1817 in Den Haag geboren en schilderde vooral kerkinterieurs, hoge witte ruimtes met licht dat door grote ramen valt. Hij gaf haar een tekening.
In september van dat jaar kwam Bosboom naar Alkmaar, en ze zagen elkaar vaak. Er gingen geruchten over een verloving. Een schrijver in het tijdschrift Onze Eeuw noemde die eerste ontmoeting later beslissend voor hun allebei.
Ze had gezegd dat ze zich nooit meer zou verloven. Vijf jaar later stond ze met hem in de Grote Kerk. Volgens het jaarboek moesten er eerst nog geldzaken worden opgelost. In augustus 1846 was ze op de Bierkade in Alkmaar gaan wonen, vanaf mei 1848 op nummer 23. Bosboom kwam er op bezoek en maakte aquarellen van het interieur.
En toen, op die aprilavond in 1851, klonk de serenade.
EEN HUIS MET UITZICHT OP DE WEILANDEN
Na de bruiloft trok het echtpaar naar Den Haag. Ze woonden eerst aan de Zuidwal, met uitzicht over de weilanden richting Rijswijk. In 1860 verhuisden ze naar de Zuidbinnensingel. Vanuit dat huis keek ze uit over gras en water, met in de verte de toren van Delft.
Haar brieven aan Potgieter uit de eerste jaren van het huwelijk ademen rust en tevreden werk, schreef Onze Eeuw. Bosboom was zeer aan haar gehecht. Hij kon geen kritiek op haar verdragen. Over hem schreef ze dat hij “meer gemoedelijk Christen dan menige pruik” was. Ze bedoelde: een eenvoudig, hartelijk gelovig mens, meer dan menig geleerde dominee.
Ze bleef werken. Tussen 1860 en 1877 schreef ze ongeveer zeventien delen romans, naast kortere verhalen. In 1862 ging ze in het openbaar in gesprek met de criticus Conrad Busken Huet over de moderne theologie. Ze stond niet aan de kant van de modernen. Ze sloot zich ook niet aan bij de partij van Groen van Prinsterer. Ze bleef een eigen stem in het Réveil.
Haar ouders werden oud. Haar vader stierf in 1859. Haar moeder overleed in 1867, drieëntachtig jaar oud, en een jaar later stierf haar broer.
TOEN DE SCHILDER NIET MEER KON
Rond 1863 kwam Johannes Bosboom in een diepe crisis. Onze Eeuw beschrijft hoe hij aan zichzelf ging twijfelen en vreesde dat hij nooit meer zou kunnen werken. Soms klaagde hij luid. Het artikel uit 1986 spreekt van depressies en zenuwziekte, en van geldzorgen die op het gezin drukten. Ook later in zijn leven had hij perioden waarin hij weinig kon maken.
In dezelfde jaren werd Geertruida zelf ernstig ziek, in 1864 volgens het artikel uit 1986. Meer details geeft die bron niet.
Hier was de vrouw die zo vaak zelf ziek en zwak was geweest, en die nu naast een man stond die het licht kwijt was. Over hoe ze hem in die jaren steunde, heb ik geen verslag gevonden. Wel weten we dat hij er weer bovenop kwam. Op aanraden van een vriend begon hij buiten te schetsen en kleine taferelen te tekenen. Daarna schilderde hij nog jaren.
Wat doe je als de ander niet meer kan en jij het zelf ook zwaar hebt? Zij bleef schrijven. Misschien was dat haar manier om overeind te blijven.
MAJOOR FRANS EN EEN GELOVIGE ZEVENTIGJARIGE
Na 1870 koos ze andere onderwerpen. In plaats van de zestiende eeuw schreef ze nu over haar eigen tijd. In 1870 en 1871 verscheen De Delftsche wonderdokter. In 1874 kwam Majoor Frans, een roman die in haar eigen tijd speelt en die samen met Het huis Lauernesse tot haar bekendste boeken ging horen. Een Engelse vertaling volgde in 1885. Sommige bronnen noemen 1875 als jaar van verschijnen.
Zelf vond ze dat het publiek haar niet altijd beloonde voor het werk dat haar de meeste moeite had gekost. Ze schreef in 1874 aan haar vriend Loman dat ze niet van het soort was dat het eigen werk laat bruisen.
Toen ze rond de zeventig was, schreef ze een nieuwe inleiding bij een herdruk van De Delftsche wonderdokter. Een recensent in De Gids noemde die later een gelovig getuigenis van een zeventigjarige. Ze nam er positie in tegenover de antirevolutionairen en de socialisten. Ze bleef dus tot op hoge leeftijd nadenken en kiezen, vanuit haar geloof.
In 1884 schreef ze nog een stuk voor de huldiging van haar oude vriend Nicolaas Beets. Volgens het artikel uit 1986 ging haar lichamelijke gezondheid na 1882 sterk achteruit. In 1885 weigerde Bosboom een tentoonstelling van zijn eigen werk, mede omdat zijn vrouw ziek was. In datzelfde jaar begon een uitgave van haar volledige romantische werken, uiteindelijk vijfentwintig delen.
EEN SNELLE DOOD IN APRIL
Op 13 april 1886 stierf Geertruida Bosboom-Toussaint in Den Haag. Ze was drieënzeventig. Een enkele bron noemt 14 april, maar de meeste houden het op de dertiende.
Ze stierf plotseling. Onze Eeuw schrijft dat Bosboom dankbaar was dat ze geen lang ziekbed had gehad. Sommige vrienden begrepen niet hoe rustig hij haar dood droeg. Een tijdlang was hij zelfs opvallend opgewekt.
Op 17 april werd ze begraven op de begraafplaats bij het kanaal in Den Haag. Het ging in grote eenvoud, schreef een Vlaams tijdschrift, maar er kwamen heel veel mensen. Dezelfde schrijver noemde haar een van de meest begaafde vrouwen uit de Nederlandse letterkunde, en zei dat haar kracht tot het eind niet was verslapt.
Bosboom leefde nog vijf jaar. Hij bleef schilderen tot een beroerte dat onmogelijk maakte. Op 14 september 1891 stierf hij. Hij werd bij haar begraven.
EEN MUZE OP DE KERKHOFLAAN
Een jaar na haar dood kwam er een monument op het graf aan de Kerkhoflaan in Den Haag. Nederlandse vrouwen hadden het samen aangeboden. Bovenop staat een beeld van de muze van de dichtkunst, gemaakt door de beeldhouwer Bart van Hove. Op de voet staat: hulde van Nederlandsche vrouwen.
Het graf is nu een rijksmonument. In Alkmaar kwam in 1912, bij haar honderdste geboortedag, een standbeeld. Op 16 september 1987 werd aan de Bierkade 23 een gedenksteen onthuld, het huis waar ze vóór haar huwelijk woonde.
Ze had in 1881 aan Busken Huet geschreven dat anderen later haar levensbeschrijving maar moesten maken. Ze liet het aan hen over. Wat ze zelf naliet, waren haar boeken en honderden brieven, die nu door het Huygens Instituut online worden gezet.
Maar het mooiste wat over haar gezegd is, staat niet in een boek. Het staat op de platte steen van haar graf, gebeiteld in naam van de man die met haar trouwde toen zij al gezegd had zich nooit meer te verloven. Daar staat dat hier haar lichaam rust, met eronder zijn woorden over haar: “Mijn teergeliefde aangebedene vrouw, mijn roem en mijn trots.”
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 16 september 1812 in Alkmaar, als dochter van een apotheker en een moeder van hugenootse afkomst; opvoeding bij haar grootmoeder in Harlingen van haar achtste tot haar achttiende; onderwijzersexamen in 1833 en een korte tijd als gouvernante in Hoorn; debuut met Almagro in 1837; contact met de Réveil-kring in de pastorie van Hasebroek in Heiloo vanaf 1838; Het huis Lauernesse in 1840; verloving met Bakhuizen van den Brink in 1841 en de breuk; het eerste deel van Leycester in 1846; de ontmoeting met Johannes Bosboom in 1846; het huwelijk op 3 april 1851 in Alkmaar, ingezegend door Van Oosterzee; de depressies van Bosboom in de jaren zestig; overlijden in Den Haag in april 1886; het grafmonument met de tekst van Bosboom.
Alleen uit eigen getuigenis: dat schrijven voor haar als opium was; dat ze zich in 1837 ziek en halfdood voelde; dat ze om de zegen van de Heer over haar werk bad en Leycester als taak voor God zag; haar uitspraak dat ze zich nooit meer zou verloven; haar oordeel over Bosboom als gemoedelijk christen.
Onbevestigd of op één bron gebaseerd: haar onbeantwoorde liefde voor Hasebroek en zijn latere aanzoek; de berisping door de hervormde gemeente na haar avondmaalsgang bij de remonstranten; haar ernstige ziekte in 1864 en de achteruitgang na 1882; de serenade en het vuurwerk op de avond voor de bruiloft; de opgewektheid van Bosboom na haar dood. De bijnaam Truitje heb ik in de geopende bronnen niet teruggevonden.
Duiding: over enkele jaartallen verschillen de bronnen: het vertrek van Bakhuizen (1842 of 1843), de breuk (1846 of 1847), Majoor Frans (1874 of 1875) en haar sterfdag (13 of 14 april 1886). In de tekst volg ik de meerderheid van de bronnen.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- J. Dyserinck, Anna Louisa Geertruida Bosboom-Toussaint, hoofdstuk over jeugd en debuut (DBNL)
- J. Dyserinck, idem, hoofdstuk over Lauernesse en Bakhuizen (DBNL)
- J. Dyserinck, idem, hoofdstuk over Leycester en Bosboom (DBNL)
- J. Dyserinck, idem, hoofdstuk over huwelijk en Den Haag (DBNL)
- Biografisch lemma Anna Louisa Geertruida Bosboom-Toussaint (DBNL)
- Schrijverslexicon: Bosboom-Toussaint, Anna (DBNL)
- Literatuurgeschiedenis.org: A.L.G. Bosboom-Toussaint
- Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1988, gedenksteen Bierkade 23 (DBNL)
- Literatuur 1986, artikel over Bosboom-Toussaint (DBNL)
- Onze Eeuw 1917, over Johannes Bosboom (DBNL)
- De Vlaamsche School 1886, in memoriam (DBNL)
- De Gids 1912, bespreking van de eeuwfeestuitgave (DBNL)
- Rijksmonumentenregister 476060, grafmonument Bosboom-Toussaint
- Huygens ING, brieven van Geertruida Bosboom-Toussaint
- Shewrote (Radboud Universiteit), persoonsrecord Bosboom-Toussaint