In het Amsterdamse Buitengasthuis, in de jaren tachtig van de negentiende eeuw, liep een vrouw van rond de veertig in de kleine uurtjes langs de zalen. Ze kwam kijken of de nachtdienst wakker was. Die nachtdienst had ze zelf ingevoerd, en ze controleerde hem ook zelf. Sommige mensen van het personeel vonden dat ze te ver ging. Ze dreigden haar, volgens haar eerste biografe, “de poten te breken”.
Ze bleef lopen.
Die vrouw heette Johanna Paulina Reynvaan. Iedereen noemde haar Anna. Ze kwam uit een welgestelde Amsterdamse familie, had nooit een vak hoeven leren en was ouder dan dertig toen ze voor het eerst een opleiding begon. Ze werd een van de eerste beroepsverpleegsters van Nederland. Ze hielp een opleiding opzetten die model stond voor andere, richtte mee het eerste vakblad op en zat aan de wieg van de eerste beroepsvereniging. Wie vandaag in Nederland verpleegkunde studeert, komt haar naam nog tegen. Elk jaar is er in Amsterdam een lezing die naar haar heet.
Ze heeft het niet gemakkelijk gehad. Haar vader hield haar jarenlang tegen. In het gasthuis werkte ze tussen mensen die haar plannen niet wilden. Ze deed het toch, en ze deed het voor patiënten die arm waren en vaak niet beter zouden worden.
Het begon in een huis waar van een dochter vooral verwacht werd dat ze zou trouwen.
EEN DOCHTER MET EEN FRANSE GOUVERNANTE
Anna Reynvaan werd geboren op 5 april 1844 in Amsterdam. Haar vader, Apolonius Johannes Reynvaan, was tabakshandelaar. Hij had geld. Haar moeder heette Maria Cornelia van de Poll. Er werden in het gezin tien kinderen geboren. Zes van hen werden volwassen.
In 1854 stierf haar moeder. Anna was toen ongeveer tien jaar. Volgens het Museum voor de Verpleegkunde zorgde ze in de jaren daarna voor haar jongere broertjes en zusjes. Haar vader hertrouwde met Catharina Hachmeester Eekhout en kreeg met haar nog vier kinderen.
Onderwijs kreeg Anna thuis, van een Franse gouvernante. Dat was de gewone weg voor een meisje uit haar stand. Van haar werd verwacht dat ze zou trouwen. Ze trouwde niet. Ze bleef als ongehuwde dochter in het ouderlijk huis wonen, zoals veel vrouwen in haar positie.
Over haar jeugd weten we verder weinig. Er bestaat een biografie uit 1963 van M. van Brink-Poort, en het Digitaal Vrouwenlexicon put daaruit. Wat er in haar omging toen ze als twintiger en dertiger thuis zat, heeft niemand voor ons opgeschreven. Ik ga het ook niet invullen.
“NEE” IN 1870
In 1870 brak de Frans-Duitse oorlog uit. Anna was zesentwintig. Ze wilde naar Duitsland om gewonden te verzorgen. Het Museum voor de Verpleegkunde zegt dat ze zich wilde aansluiten bij een ambulancedienst van het Rode Kruis. Volgens het Vrouwenlexicon was ze geïnspireerd door een familielid.
Haar vader weigerde. Ze bleef thuis.
Een volwassen vrouw die toestemming nodig heeft van haar vader om iets goeds te doen: voor ons is dat vreemd. In 1870 was het gewoon. Een ongetrouwde dochter uit de gegoede burgerij ging niet de wereld in om vreemden te wassen en te verbinden. Verplegen was in Nederland in die tijd werk voor twee soorten mensen. Aan de ene kant stonden religieuzen: zusters in katholieke ziekenhuizen en, in protestantse kring, diaconessen. Aan de andere kant stonden ongeschoolde knechten en meiden in de grote gasthuizen van de steden. Voor een dame uit de Amsterdamse burgerij was in geen van beide groepen een plek.
Dat “nee” van 1870 bleef acht jaar staan.
EEN OPLEIDING VOOR GEWONE VROUWEN
In 1878 veranderde er iets. De Vereniging Het Witte Kruis begon dat jaar een opleiding voor lekenverpleegsters, vrouwen die geen kloosterzuster of diacones waren. De leiding lag bij Jeltje de Bosch Kemper, die later een van Anna’s naaste bondgenoten zou worden. De opleiding duurde een jaar.
Anna schreef zich in. Ze was toen ongeveer vierendertig.
Hoe ze dat bij haar vader voor elkaar kreeg, vertellen de bronnen verschillend. Het Amsterdam Museum en een lokale krant schrijven dat haar vader haar op haar zesendertigste eindelijk toestemming gaf. Het Museum voor de Verpleegkunde vertelt iets anders: haar zussen zouden haar stiekem het huis uit hebben geholpen, en haar vader zou haar keuze pas later hebben aanvaard. Volgens het Amsterdam Museum kreeg ze dreigbrieven van familie en kennissen. Ik heb niet kunnen vaststellen welke versie klopt. Misschien zitten ze allebei een beetje in de waarheid.
Vast staat dit. In 1880 behaalde ze haar diploma, als zevende vrouw die slaagde. Ze was een van de allereerste beroepsmatig opgeleide verpleegsters van Nederland.
WAT ZE ZAG IN HET BINNENGASTHUIS
Het praktijkdeel van haar opleiding deed Anna in het Binnengasthuis, het oude stedelijke gasthuis midden in Amsterdam. Wat ze daar zag, beschrijft het Vrouwenlexicon kort en hard. De zorg voor de patiënten was slecht. Ze lag in handen van ongeschoolde, ruwe knechten en meiden.
Na haar diploma nam ze eerst een betrekking aan in het Burgerziekenhuis, een pas geopend ziekenhuis dat voorop liep met de nieuwe manier van verplegen. Daar had ze het goed kunnen hebben. Ze bleef er niet.
Ze wilde naar de gemeentelijke gasthuizen. Die liepen het verst achter, en daar lagen de armen. In 1881 bood ze haar diensten opnieuw aan het Binnengasthuis aan, en ze werd toegelaten. Ze had plannen om de zorg te verbeteren. Die plannen stuitten op grote weerstand, ook bij de leiding van het gasthuis.
Je kunt je afvragen waarom ze niet bleef waar het al goed ging. Ze kwam uit een rijke familie, en een makkelijkere plek lag binnen bereik. De bronnen zeggen alleen dat ze koos voor de plek met de grootste achterstand. Waarom precies, heeft ze voor zover ik weet nergens uitgelegd.
HET GASTHUIS BUITEN DE STAD
In 1882 stapte Anna over naar het Buitengasthuis. Dat gasthuis lag buiten de oude stad en was bedoeld voor mensen die niemand graag in huis had: ongeneeslijk zieken, krankzinnigen en patiënten met besmettelijke ziekten. De directeur was de arts Jacob van Deventer.
In Van Deventer vond ze iemand die wilde wat zij wilde. Op 17 mei 1883 werd ze adjunct-directrice. Ze was negenendertig. Ze zou de rest van haar werkende leven op dit terrein doorbrengen.
Ze begon met dingen die je kon zien. Het personeel kreeg uniformen. Patiënten kregen ziekenhuiskleding. Er kwam een nachtdienst, zodat zieken ’s nachts niet aan hun lot werden overgelaten. Die nachtdienst controleerde ze zelf, door in de kleine uurtjes langs te gaan en te kijken of iedereen wakker was.
Niet iedereen was daar blij mee. Volgens de biografie van Van Brink-Poort, waar het Vrouwenlexicon naar verwijst, dreigden enkele personeelsleden haar iets aan te doen. Ze liet zich niet wegsturen.
EEN CURSUS VOOR BESCHAAFDE VROUWEN
Samen met Van Deventer zette Anna in het Buitengasthuis een opleiding voor verpleegsters op. De taken waren verdeeld. Van Deventer gaf de theorie, Anna het praktijkgedeelte, op de zaal, bij de zieken zelf.
Volgens het Museum voor de Verpleegkunde duurde de cursus twee tot drie jaar. Er werden alleen “beschaafde vrouwen” toegelaten. Ze woonden in het ziekenhuis en verdienden 125 gulden per jaar. Langzaam namen deze opgeleide verpleegsters de plaats in van de ongeschoolde zaalmeiden en zaalknechten. Het Vrouwenlexicon schrijft dat de opleiding een voorbeeld werd voor andere opleidingen in Nederland.
Hier ligt misschien haar grootste werk. Ze was zelf een van de eersten met een diploma. Nu leidde ze anderen op, en die anderen gingen later weer verder. Een vak ontstaat niet uit één persoon. Het ontstaat uit mensen die het doorgeven.
Je vraagt je misschien af of ze ook leerboeken schreef. Ik heb er gezocht en geen leerboek of handboek van haar hand gevonden. Haar onderwijs was praktisch, aan het bed. Wat ze opschreef, verscheen vooral in een tijdschrift, en in één boek dat geen leerboek was.
EEN BLAD, EEN CONGRES, EEN BOND
In 1890 richtte Anna samen met Jeltje de Bosch Kemper het Maandblad voor Ziekenverpleging op. Het was het eerste vakblad voor verpleging in Nederland. Anna zat tot haar dood in de redactie. Vanaf 1914 heette het blad Tijdschrift voor Ziekenverpleging, en het bestaat nog steeds.
In 1892 organiseerden de twee vrouwen het eerste congres over verpleging in Nederland. Het heette de Samenkomst van Belangstellenden in Ziekenverpleging, en Jeltje de Bosch Kemper was voorzitter. Het Museum voor de Verpleegkunde merkt op dat verpleegsters er met korting naar binnen mochten, maar zelf niet mochten meepraten. Het woord was aan artsen en bestuurders.
Uit die bijeenkomst ontstond in 1893 de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging, de eerste beroepsvereniging. Anna nam zitting in het bestuur.
Het Vrouwenlexicon zegt er eerlijk bij dat haar opvattingen behoudend waren. Voor Anna was verplegen een roeping, een vrouwenvak, en de verpleegster stond onder de arts. Loon en werktijden vond ze minder belangrijk. Latere generaties verpleegkundigen dachten daar anders over en vochten voor betere voorwaarden. Het Museum voor de Verpleegkunde vat het samen met een zin over haar: het werk voor de patiënt stond voor haar altijd op de eerste plaats.
ZUSTER BERTHA EN ZUSTER CLARA
In 1891 verscheen een roman die Anna boos maakte. De schrijver was de Amsterdamse arts Arnold Aletrino, en het boek heette Zuster Bertha. Het vertelde over een verpleegster in een gasthuis. Het vak kwam er teleurstellend uit naar voren, en het verhaal eindigde in wanhoop, rond een arts die verliefd werd op de verpleegster.
Anna vond dat het boek haar vak bezoedelde. In die jaren probeerden zij en anderen fatsoenlijke jonge vrouwen over te halen om verpleegster te worden. In het voorwoord van haar antwoord schreef ze dat zo’n boek dreigde “in één slag te vernietigen” wat anderen met veel moeite hadden opgebouwd.
Dat antwoord verscheen in 1892. Het heette Zuster Clara. Schetsen uit het leven eener verpleegster in een stedelijk gasthuis. Het is een korte roman, deels over haar eigen leven. De hoofdpersoon, Clara van Doorne, krijgt tegenslag, komt die te boven en wijdt zich aan haar werk, zonder affaires.
Het tijdschrift De Gids besprak beide boeken nog datzelfde jaar. De recensent begreep wat de adjunct-directrice van het Buitengasthuis wilde: laten zien dat een verpleegster in het gasthuis “bevrediging en voldoening” kon vinden. Hij vond haar boek wel eenzijdig. Alle verpleegsters, artsen en patiënten waren in haar verhaal ideaal, en van strijd en misbruik las je bijna niets. Hij zei er wel bij dat hij verplegen zag als een roeping.
Het Amsterdam Museum schrijft dat Zuster Clara een groot succes werd. Andere bronnen die dat bevestigen, heb ik niet gevonden.
WAT GELOOFDE ZE?
Hier moet ik eerlijk zijn tegen jou als lezer. Dit is een boek over Nederlanders die God volgden, en ik heb Anna Reynvaan erin opgenomen. Toen ik ging zoeken naar haar geloof, vond ik bijna niets.
Het Digitaal Vrouwenlexicon zegt niets over haar kerk of haar geloof. Het Museum voor de Verpleegkunde en de andere bronnen die ik las ook niet. Ik heb gezocht naar een band met het Réveil, de protestantse opwekkingsbeweging van de negentiende eeuw. Ik vond er geen. Een diacones was ze in elk geval niet. Ze koos bewust de nieuwe opleiding voor lekenverpleegsters, buiten de kerkelijke huizen om.
Wat er wel is, is weinig, en ik geef het precies zoals ik het vond. Ze zag verplegen als een roeping. Dat schrijft het Vrouwenlexicon, maar het lemma zegt niet of ze dat woord geestelijk bedoelde. Het Museum voor de Verpleegkunde noemt opofferingsgezindheid en barmhartigheid als de eigenschappen die in haar tijd van een goede verpleegster werden verwacht. En volgens het Amsterdam Museum zat ze later in het bestuur van een stichting voor christelijke inrichtingen voor de verpleging van zwakzinnigen. Dat laatste heb ik in geen tweede bron teruggevonden.
Misschien staat er meer in de biografie van 1963, of in de in memoriams die in 1920 verschenen. Die heb ik niet kunnen inzien.
Waarom staat ze dan toch in dit boek? Omdat ik het verschil zie tussen wat we weten en wat ze deed. Jezus vertelde over mensen die een zieke bezochten en niet eens wisten dat ze Hem daarmee dienden. Anna Reynvaan liep ’s nachts langs de bedden van mensen die niemand wilde hebben. Of ze dat deed uit liefde voor God, kan ik niet bewijzen. Ik ga het ook niet beweren. Ik laat het hier open, en jij mag zelf kijken naar wat ze deed.
TWAALF EN EEN HALF JAAR
In 1893 ging het Buitengasthuis dicht. Het werk verhuisde naar het nieuwe Wilhelmina Gasthuis, en Anna ging mee als adjunctdirectrice. Haar gezondheid begon haar in de steek te laten. Het Vrouwenlexicon noemt galstenen.
In 1895 vierde ze dat ze twaalf en een half jaar op het terrein werkte. Bij die gelegenheid werd het J.P. Reynvaan-fonds opgericht. Het was bedoeld voor verpleegsters die door ziekte in geldnood raakten. Het is een passend cadeau voor iemand die zelf weinig gaf om loon, maar wel zag wat er gebeurde met een verpleegster die niet meer kon werken.
Een jaar later moest ze stoppen. In augustus 1896 legde ze haar werk neer vanwege haar gezondheid. Het Vrouwenlexicon noemt 15 augustus, het Amsterdam Museum 16 augustus. Ze was tweeënvijftig.
SCHUIN TEGENOVER HET GASTHUIS
Anna ging niet ver weg. Ze verhuisde naar een woning schuin tegenover het Wilhelmina Gasthuis. Het Amsterdam Museum noemt de Eerste Helmersstraat.
Ze bleef actief. Ze schreef voor het Maandblad en bleef in het bestuur van de Bond. Met haar opvolgster Lientje Kruysse richtte ze een bond op voor directrices en adjunct-directrices van ziekenhuizen. Het Vrouwenlexicon noemt daarvoor het jaar 1899. Ze zat in besturen van verschillende verenigingen. In 1913 werd de tentoonstelling De Vrouw 1813-1913 gehouden. Anna leidde de commissie die de afdeling ziekenverpleging inrichtte.
Toen ze in 1914 zeventig werd, trok ze zich terug uit het openbare leven.
MAART 1920
Anna Reynvaan overleed op 19 maart 1920, vijfenzeventig jaar oud. Het Vrouwenlexicon zegt dat ze stierf tijdens een epidemie van de Spaanse griep. Het Amsterdam Museum noemt 19 oktober als sterfdatum en zegt dat ze werd begraven in het familiegraf op begraafplaats Zorgvlied. De datum van oktober wijkt af van alle andere bronnen die ik las. Het graf op Zorgvlied heb ik niet bevestigd gezien.
Na haar dood verschenen in memoriams in het Tijdschrift voor Ziekenverpleging, het blad dat zij had helpen oprichten, en in De Groene Amsterdammer.
EEN GEZICHT OP DE POORT
Wat bleef er van haar over? Haar beeltenis kwam op de toegangspoort van het Wilhelmina Gasthuis. De verpleegstersopleiding van dat gasthuis kreeg haar naam. Eind jaren vijftig kreeg een straat in Amsterdam-Slotervaart haar naam. Ook elders in het land zijn straten naar haar genoemd.
Sinds 1999 houden het Amsterdamse academisch ziekenhuis, de Hogeschool van Amsterdam en het vakblad dat zij mee oprichtte elk jaar de Anna Reynvaanlezing. Een bekende verpleegkundige uit binnen- of buitenland spreekt er. Er worden twee prijzen uitgereikt, een voor wetenschap en een voor de praktijk. Ze gaan naar verpleegkundigen die de zorg voor patiënten beter maken.
Op het oude terrein van het Wilhelmina Gasthuis, waar nu geen ziekenhuis meer is, staat een bronzen lantaarnpaal van drie meter hoog. Het kunstwerk heet Voor de Verpleging. Er staan twee vrouwen in reliëf op: Jeltje de Bosch Kemper en Anna Reynvaan. In 2023 kwam er in het plantsoen aan de Pesthuislaan een herinneringsbord bij, ontworpen door een vijftienjarige scholiere.
Een lantaarn, op de plek waar zij in de kleine uurtjes langs de zalen liep.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 5 april 1844 in Amsterdam; vader tabakshandelaar; dood van haar moeder toen Anna ongeveer tien was; thuisonderwijs door een Franse gouvernante; de weigering van haar vader in 1870; de opleiding van het Witte Kruis vanaf 1878 en het diploma in 1880; werk in het Burgerziekenhuis en het Binnengasthuis; benoeming tot adjunct-directrice van het Buitengasthuis op 17 mei 1883; uniformen, nachtdienst en de opleiding met Jacob van Deventer; het Maandblad voor Ziekenverpleging (1890); het congres van 1892 en de Bond van 1893; Zuster Clara (1892) als antwoord op Zuster Bertha; de overgang naar het Wilhelmina Gasthuis (1893); het fonds van 1895; het einde van haar werk in 1896; de tentoonstelling van 1913; overlijden op 19 maart 1920 tijdens de Spaanse griep; de Anna Reynvaanlezing.
Alleen uit één bron of uit haar eerste biografie: de dreiging van personeelsleden (Van Brink-Poort, via het Vrouwenlexicon); haar zorg voor jongere broers en zussen; de cursusduur, het loon van 125 gulden en de toelating van alleen “beschaafde vrouwen” (Museum voor de Verpleegkunde); de dreigbrieven van familie, het bestuurswerk voor christelijke inrichtingen voor zwakzinnigen, het succes van Zuster Clara en het graf op Zorgvlied (Amsterdam Museum).
Onbevestigd of betwist: hoe ze in 1878 van huis ging (toestemming van haar vader of stiekem met hulp van haar zussen); de exacte dag in augustus 1896 waarop ze stopte (15 of 16 augustus); de sterfdatum 19 oktober 1920 die het Amsterdam Museum noemt; elke band met het Réveil.
Duiding: over haar persoonlijke geloof en kerkelijke binding zeggen de geraadpleegde bronnen niets. Ze was geen diacones. Dat ze verplegen als roeping zag, staat vast; of ze dat geestelijk bedoelde, is niet overgeleverd. Een leerboek van haar hand is niet gevonden.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Annet Mooij, “Reynvaan, Johanna Paulina”, Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (Huygens ING)
- Museum voor de Verpleegkunde, “Anna Reynvaan”
- Amsterdam Museum, Vrouwen van Amsterdam, “Aanbeden door verpleegsters en artsen” (2024)
- De Gids 1892, Bibliographie: recensie van Zuster Clara (via DBNL)
- DBNL, auteurspagina J.P. Reynvaan
- Lof van de lezing: Anna Reynvaanlezing (via DBNL)
- Shewrote (Radboud Universiteit), Johanna Paulina Reynvaan
- Rodi, “Terug in de tijd: Johanna Reynvaanstraat”
- Wikisage, “Anna Reynvaan”
- Leidraad bij de godsdienstige opleiding tot vorming van Diaconessen (Arnhem, ca. 1891), Universiteitsbibliotheek Utrecht