In augustus 1948 werd in Amsterdam een internationale conferentie van behoudende protestantse kerken gehouden. Na afloop stonden twee mannen met elkaar te praten. De een was een Amerikaanse predikant van zesendertig, Francis Schaeffer. De ander was een Nederlandse student van zesentwintig. Hij was geen afgevaardigde. Hij was er gewoon naartoe gegaan.
De student wilde de Amerikaan iets vragen over zwarte muziek uit Amerika, over blues en gospel. Maar het gesprek ging een heel andere kant op. Ze praatten over moderne kunst, over Picasso en wat er met de westerse cultuur aan de hand was. Volgens Anky Huitker, die er later bij betrokken raakte, liepen ze door de stad en praatten ze maar door. Om vier uur ’s nachts kwamen ze thuis.
De student heette Hans Rookmaaker. Uit dat nachtelijke gesprek groeide een vriendschap die bijna dertig jaar zou duren. Samen zouden ze een generatie jonge christenen leren dat je als gelovige niet bang hoeft te zijn voor kunst, muziek en cultuur. Dat je mag kijken, luisteren en nadenken. Dat geloof je denken niet afsluit, maar opent.
Zes jaar eerder had Hans Rookmaaker nog niet geloofd. Hij zat toen in een krijgsgevangenkamp in het oosten van Europa, met een Bijbel en verder bijna niets.
EEN JONGEN TUSSEN TWEE WERELDEN
Henderik Roelof Rookmaaker, die iedereen Hans noemde, werd geboren op 27 februari 1922 in Den Haag. Zijn vader, die dezelfde naam had, was ambtenaar in Nederlands-Indië. Hij was op studieverlof in Nederland toen Hans werd geboren. Daarna ging het gezin terug. Hans groeide grotendeels op in Indië, waar zijn vader controleur was op Celebes en later resident van de Lampongse districten op Sumatra. In 1936 moest de vader om gezondheidsredenen terug naar Den Haag.
Het was geen bijzonder gelovig gezin. Hans ging in Leiden naar een technische hbs en was goed in zowel bèta- als alfavakken. Hij hield van tekenen en lezen. En hij had een grote liefde die hij zijn hele leven zou houden: de muziek van zwarte Amerikanen. Jazz, blues en spirituals. Van zijn zakgeld kocht hij platen en grammofoonnaalden. Hij luisterde naar Jelly Roll Morton, Louis Armstrong en Billie Holiday. Later zou hij een van de beste verzamelingen van vroege jazz in Europa hebben.
Hij werd jong marineofficier in opleiding en begon aan een studie scheepsbouw in Delft. Hij werd verliefd op een meisje uit Den Haag, Riki Spetter. Ze was Joods. Ze verloofden zich.
OPGEPAKT
Toen kwam de bezetting. Hans werd al vroeg gearresteerd voor het bezit van anti-Duitse geschriften. Volgens de ene bron had hij beloofd illegale pamfletten rond te brengen en werd hij de eerste nacht al gepakt. Hij zat zes en een halve maand in de gevangenis van Scheveningen. Zijn vader kende mensen, en dat hielp waarschijnlijk bij zijn vrijlating.
In april 1942 kreeg Hans, als marineofficier, het bevel zich te melden in Breda. Daar werd hij krijgsgevangen gemaakt. Hij werd naar een kamp bij Neurenberg gebracht, en later dat jaar naar Stalag 371 in Stanislau, in wat nu Oekraïne is. Hij zou er tot begin 1944 blijven. Daarna werden de gevangenen naar Neubrandenburg in Noord-Duitsland gebracht.
Hij zou zijn vader nooit meer zien. Die stierf op 30 januari 1945, in de laatste oorlogswinter, zevenenvijftig jaar oud.
EEN BOEK DAT WAAR BLEEK TE ZIJN
In Stanislau was weinig te doen en weinig te lezen. Hans had een Bijbel. Volgens een van de biografieën begon hij erin te lezen op aandringen van Riki. Hij las het Oude Testament, en hij las het met de vragen van een jonge intellectueel. Hij wilde weten wat erin stond, of het klopte, of het iets betekende.
Hij schreef later: terwijl ik las, kwam ik langzaam tot de overtuiging dat de Bijbel ons de waarheid openbaart.
Het was geen plotselinge bekering met tranen en een groot moment. Het was een verandering van denken, die langzaam groeide. Hij begon een studie te schrijven over de profetie in het Oude en het Nieuwe Testament. Hij droeg die op aan Riki. Hij hoopte haar te laten lezen wat hij had ontdekt in de boeken van haar eigen volk.
In het kamp ontmoette hij een andere officier, die vijfentwintig jaar ouder was. Hij heette Johan Mekkes en hij was een overtuigd gereformeerd christen en filosoof. Mekkes vertelde Hans over de filosofie van Herman Dooyeweerd, de Amsterdamse hoogleraar die een christelijke kijk op de hele werkelijkheid had ontwikkeld: op wetenschap, kunst, recht, economie, alles. Voor Hans ging er een wereld open. Geloven hoefde niet beperkt te blijven tot de zondag en de kerk. Christus was Heer over alles, ook over de muziek en de schilderkunst waar hij zo van hield.
Paulus schrijft: Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. (Romeinen 11:36). Die tekst zou boven het hele verdere leven van Hans Rookmaaker kunnen staan.
RIKI
Wat Hans in het kamp niet wist, was wat er intussen met Riki gebeurd was.
In augustus 1942 werden Riki Spetter en haar familie in Den Haag opgepakt. Ze werden naar Westerbork gebracht. Daar werd ze voor het laatst gezien op 18 augustus 1942. Ze werd naar Auschwitz gedeporteerd en daar vermoord, waarschijnlijk op 30 september 1942. De studie over de profetieën die Hans haar wilde geven, heeft haar nooit bereikt.
Hans hoorde er pas later van. Een vriendin van Riki, Anky Huitker, had hem geschreven wat er gebeurd was. Na de oorlog plaatsten ze advertenties in de krant om iets over haar te weten te komen. Er kwam geen antwoord dat hem hoop gaf.
Ik vind dat een van de moeilijkste stukken van zijn verhaal. Hij kwam tot geloof door een boek dat hij las met haar in gedachten. En zij werd vermoord voordat ze er iets van wist. Er staat geen troostend slot aan dit deel van het verhaal. Ook dat mag gezegd worden. Niet elk verdriet krijgt in dit leven een antwoord.
ANKY
Na de oorlog werd Hans in Den Haag gedoopt en lid van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt). Hij besloot geen marineofficier meer te worden. In 1946 begon hij aan een studie kunstgeschiedenis in Amsterdam.
Hij en Anky Huitker kwamen elkaar steeds vaker tegen. Zij was een vriendin van Riki geweest, en het verdriet om haar bracht hen samen. Ook Anky was in Indië opgegroeid. In 1947 verloofden ze zich. In 1949 werd Anky gedoopt, en op 1 juni van dat jaar trouwden ze. Ze kregen drie kinderen: Hans, Kees en Marleen.
Anky was geen vrouw die in de schaduw stond. Ze was hartelijk, praktisch en had een open huis. Later leidde ze achtendertig jaar lang een hulporganisatie voor kinderen, Redt een Kind. Wat Hans in het openbaar deed, steunde zij thuis, en vaak ook daarbuiten.
GAUGUIN EN DE JAZZ
Hans was een begaafd student. Van 1949 tot 1956 schreef hij als kunstcriticus voor dagblad Trouw. Hij werd assistent aan de universiteit, eerst in Amsterdam en daarna in Leiden. In 1959 promoveerde hij op een proefschrift over de kunsttheorie van Paul Gauguin en zijn kring.
Intussen hield hij zijn liefde voor jazz en blues vast. In 1960 verscheen zijn boek Jazz, blues en spirituals. Hij werd Europees redacteur van een serie platen met oude Amerikaanse zwarte muziek. Hij vond dat de jazz na de jaren veertig, met de bebop, zijn ziel was kwijtgeraakt. Maar over de vroege jazz, de blues en de gospel kon hij met grote warmte schrijven. Hij hoorde er de stem van mensen in die geleden hadden en God aanriepen.
In 1961 maakte hij een reis door Noord-Amerika. In Chicago ging hij op een zondag met zijn vriend Calvin Seerveld naar de Greater Salem Baptist Church. Daar zong Mahalia Jackson, de grote gospelzangeres. Na de dienst nodigde ze hen bij haar thuis uit. Ze vertelde hen dat ze zelf liever zong met alleen piano of orgel, en dat de grote orkesten op haar platen de wens van de platenmaatschappij waren. Hans schreef later dat er geen twijfel aan was dat Mahalia een echte christen was.
EEN VRIENDSCHAP MET SCHAEFFER
De vriendschap met Francis Schaeffer groeide. Schaeffer vestigde zich met zijn vrouw Edith in Zwitserland en opende daar in 1955 L’Abri, wat schuilplaats betekent. Het was een huis waar jonge mensen met vragen over geloof en leven konden komen, eten, praten en studeren. Hans en Anky gingen er vaak naartoe. Hans gaf er lezingen en sprak met studenten tot diep in de nacht.
De twee mannen vulden elkaar aan. Een biografe schreef: als Schaeffer een evangelist was die een intellectueel was, dan was Rookmaaker een intellectueel die een evangelist was. Hans hielp Schaeffer om naar kunst te kijken. Schaeffer hielp Hans om zijn kennis te delen met gewone jonge mensen, niet alleen met vakgenoten.
In 1964 werd Hans gevraagd om aan de Vrije Universiteit in Amsterdam een vakgroep kunstgeschiedenis op te zetten. Hij nam het bijna meteen aan. Hij werd hoogleraar. Hij gaf colleges zonder papiertje, vrij en levendig. Een collega beschreef hem als briljant, strijdbaar, trouw, hardwerkend, onvoorspelbaar en heel gevoelig.
MODERNE KUNST EN DE DOOD VAN EEN CULTUUR
In 1970 verscheen in Engeland zijn bekendste boek: Modern Art and the Death of a Culture. Het werd ook in het Nederlands en in andere talen uitgegeven. Hans liet daarin zien hoe de westerse kunst in de negentiende en twintigste eeuw steeds meer had losgelaten wat ze eerder droeg: het geloof dat de werkelijkheid zin heeft, omdat God haar heeft gemaakt. Hij las de schilderijen als uitingen van een tijdgeest. Hij was kritisch over veel moderne kunst, maar hij keek er altijd serieus naar. Hij wilde niet dat christenen er alleen maar boos om werden. Hij wilde dat ze het begrepen.
Het boek werd in de jaren zeventig door duizenden jonge evangelische christenen gelezen, vooral in Engeland en Amerika. Voor velen was het de eerste keer dat iemand hun liet zien dat kunst en geloof samen konden gaan.
Na zijn dood verscheen een kleiner boek met een titel die bleef hangen: Art Needs No Justification, kunst hoeft zich niet te verantwoorden. Kunst hoefde volgens hem niet nuttig te zijn, geen preek te bevatten en geen evangelisatie te zijn om goed te zijn. Ze was een gave van God, net als een bloem of een zonsondergang. Er wordt hem een uitspraak toegeschreven die veel wordt aangehaald: Jezus kwam niet om ons christen te maken, Jezus kwam om ons volledig mens te maken. Of hij het precies zo heeft gezegd, heb ik niet kunnen nagaan. Het past wel bij alles wat hij schreef.
Niet iedereen was het met hem eens. Kunstkenners vonden zijn oordeel over moderne kunst soms te snel en te somber. Sommige christenen vonden juist dat hij te veel aandacht had voor de wereld. Hans hield het midden en liet zich niet in een hokje stoppen. Hij kon fel zijn in een discussie. Maar wie bij hem thuis kwam, vond vooral een warme, bescheiden man.
L’ABRI IN NEDERLAND
Hans en Anky begonnen in hun eigen huis een Nederlandse tak van L’Abri. Studenten kwamen langs om te praten over geloof, kunst en filosofie. In 1971 verhuisde het werk naar een groot huis, Huize Kortenhoeve, in Eck en Wiel in de Betuwe. Net als in Zwitserland konden mensen er een tijd verblijven, studeren en hun vragen stellen.
Het was voor die tijd ongewoon. In Nederland waren veel kerken nog vooral bezig met hun eigen leden en hun eigen leer. Hans en Anky openden hun deur voor twijfelaars, kunstenaars en zoekende studenten, gelovig of niet. Hij nam vrouwen net zo serieus als mannen. Dat was in die kringen in de jaren zestig en zeventig ook ongewoon.
EEN ZONDAG IN MAART
Op zondag 13 maart 1977 ging Hans ’s morgens naar de kerk in de nieuwe kapel van L’Abri in Eck en Wiel. Die was net in gebruik genomen. ’s Avonds stierf hij plotseling. Hij was vijfenvijftig.
Het was een schok voor zijn familie, zijn studenten en zijn vrienden over de hele wereld. Francis Schaeffer verloor een van zijn beste vrienden. Anky leefde nog bijna zesentwintig jaar. Zij stierf in 2003. Hun dochter Marleen Hengelaar-Rookmaaker gaf later zijn verzamelde werken uit en richtte een website op over kunst en geloof.
EEN OPEN LEVEN
De biografie die Laurel Gasque over hem schreef, heeft als ondertitel an open life, een open leven. Dat is een goede samenvatting. Hans Rookmaaker had een open huis, een open blik en een open geest. Hij las de Bijbel niet als een muur om zich achter te verschuilen, maar als een venster op de hele werkelijkheid.
Ik denk dat zijn leven ons vandaag iets te zeggen heeft. Veel christenen weten niet goed wat ze met kunst, muziek en cultuur aan moeten. Ze vinden het verdacht, of ze nemen het klakkeloos over. Hans koos een derde weg. Hij keek, luisterde, dacht na, en vroeg zich af wat God ervan vond. En hij genoot. Van Bach, van Rembrandt, van Mahalia Jackson en van Jelly Roll Morton.
Paulus schreef aan de Filippenzen: Verder, broeders, al wat waar is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat welluidend is, als er enige deugd is en als er iets prijzenswaardigs is, bedenk dat. (Filippenzen 4:8).
Zijn leven begon in de stilte van een kamp, met een boek dat hij las voor iemand die het nooit zou lezen. Het eindigde op een zondag, na een kerkdienst in een kapel die hij had helpen bouwen. Daartussen liet hij zien dat je met heel je hoofd en heel je hart kunt geloven. Durf jij dat ook, nadenken over je geloof zonder bang te zijn dat het breekt?
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Den Haag op 27 februari 1922; jeugd in Nederlands-Indië en vader in koloniale dienst; zijn liefde voor jazz, blues en gospel; verloving met Riki Spetter; gevangenschap in Scheveningen en daarna als krijgsgevangene in Stanislau en Neubrandenburg; zijn geloofskeuze in gevangenschap; de ontmoeting met J.P.A. Mekkes; de deportatie en dood van Riki Spetter in 1942; studie kunstgeschiedenis vanaf 1946; huwelijk met Anky Huitker in 1949; proefschrift over Gauguin in 1959; de vriendschap met Francis Schaeffer vanaf 1948; hoogleraar aan de Vrije Universiteit; Modern Art and the Death of a Culture (1970); L’Abri Nederland in Eck en Wiel; zijn dood op 13 maart 1977.
Alleen uit eigen getuigenis of familie: hoe hij in het kamp de Bijbel ging lezen en zijn zin daarover; de opdracht van zijn studie over de profetie aan Riki; het gesprek tot vier uur ’s nachts met Schaeffer; zijn bezoek aan Mahalia Jackson en zijn oordeel over haar geloof.
Uit één bron (niet onafhankelijk gecontroleerd): dat hij bij zijn eerste arrestatie de eerste nacht al werd gepakt; dat de connecties van zijn vader hielpen bij zijn vrijlating; dat hij op aandringen van Riki de Bijbel ging lezen.
Onbevestigd of betwist: de uitspraak over Jezus die kwam om ons volledig mens te maken (wordt hem toegeschreven, maar ik vond de oorspronkelijke vindplaats niet); de universiteit waar hij promoveerde (de bronnen noemen zowel de Universiteit van Amsterdam als de Vrije Universiteit); het jaar waarin hij aan de Vrije Universiteit begon (1964 of 1965).
Duiding: zijn oordeel over de moderne kunst is door kunsthistorici vaak te somber gevonden. Voor een generatie evangelische christenen was hij juist degene die kunst en geloof weer bij elkaar bracht.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- L. Gasque, Art and the Christian Mind. The Life and Work of H.R. Rookmaaker (Wheaton 2005), ook verschenen als Hans Rookmaaker. An Open Life
- L. Martin, Hans Rookmaaker. A Biography (Londen 1979)
- M. Hengelaar-Rookmaaker (red.), The Complete Works of Hans R. Rookmaaker (Carlisle 2002-2003)
- ArtWay, “H.R. (Hans) Rookmaaker (1922-1977). Art historian and reformational thinker” (artway.eu)
- ArtWay, “Francis Schaeffer and Hans Rookmaaker” (artway.eu)
- W. Edgar, recensie van Gasque, Art and the Christian Mind, Reformation21 (2005)
- E. Banas, “Music to the Glory of God”, Wheaton College Archives and Special Collections, 1 april 2023
- Wikipedia EN, “Hans Rookmaaker” (geraadpleegd oktober 2026)
- All of Life Redeemed, “Hans Rookmaaker”
- H.R. Rookmaaker, Modern Art and the Death of a Culture (Londen 1970)
- Joods Monument, gegevens over de familie Spetter