Het stadion van Smyrna zat vol. Op een zaterdag in februari werd een oude man naar binnen gebracht. Hij was ’s avonds laat gearresteerd op een boerderij buiten de stad, op een ezel naar binnen gereden en onderweg uit een wagen geduwd. Nu stond hij voor de Romeinse landvoogd, de proconsul van de provincie Asia.
De proconsul gaf hem een uitweg. Hij moest zweren bij de geest van de keizer en Christus vervloeken. Dan mocht hij gaan. De oude man antwoordde: “Zesentachtig jaar heb ik Hem gediend, en Hij heeft mij nooit kwaad gedaan.” En hij vroeg hoe hij zijn Koning, die hem gered had, zou kunnen lasteren.
Die woorden kennen we uit een brief die de christenen van Smyrna kort na zijn dood schreven aan de gemeente van Philomelium, een stadje verder landinwaarts. Het is het oudste verslag van een christelijke marteldood dat bewaard is gebleven, buiten het boek Handelingen. Wie het leest, merkt dat het geschreven is door mensen die erbij waren, of die de ooggetuigen kenden. Het verslag bevat ook wonderen. Die zal ik apart aanwijzen.
De oude man heette Polycarpus. Hij was bisschop van Smyrna, het huidige İzmir aan de westkust van Turkije. Hij leefde in een tijd waarin de laatste mensen die Jezus nog gezien hadden, stierven. Een jongen die naar hem luisterde, werd later een van de grote leraren van de kerk. Via die jongen weten we dat Polycarpus verhalen vertelde over de apostel Johannes.
Om te begrijpen waarom de menigte in het stadion zijn naam riep, moeten we terug naar die jongen.
OPGESCHREVEN IN EEN HART
Hij heette Irenaeus. Later werd hij bisschop van Lugdunum, het huidige Lyon in Frankrijk. Als volwassen man schreef hij een brief aan een oude vriend, Florinus, die volgens hem afgedwaald was van de leer van de apostelen. Eusebius van Caesarea, de eerste grote geschiedschrijver van de kerk, nam rond 325 een stuk van die brief over in zijn Kerkgeschiedenis.
Irenaeus herinnert Florinus aan hun jeugd. Als jongen had hij hem gezien in Klein-Azië, bij Polycarpus. Hij weet nog precies waar Polycarpus zat als hij sprak, hoe hij binnenkwam en wegging, hoe hij eruitzag. Hij herinnert zich vooral wat Polycarpus vertelde over zijn omgang met Johannes en met anderen die de Heer gezien hadden. Irenaeus luisterde, schrijft hij, en noteerde het “niet op papier, maar in mijn hart” (vrij vertaald).
Ik vind dit een van de mooiste zinnen uit de vroege kerk. Een oude man vertelt. Een jongen luistert. Een halve eeuw later weet die jongen het nog.
Irenaeus voegt er iets aan toe. Als Polycarpus iets hoorde wat tegen de leer van de apostelen inging, hield hij zijn oren dicht. Dan riep hij uit dat God hem wel tot een vreemde tijd had laten leven, en liep hij weg. Het is een herinnering van één man, opgeschreven tientallen jaren later en met een doel: Florinus terugroepen. Dat hoef je niet weg te strepen. Je moet het wel weten.
EEN STAD IN DE PROVINCIE ASIA
Smyrna was een havenstad aan de Egeïsche Zee, in het westen van wat wij Turkije noemen. In de tijd van Polycarpus hoorde het bij het Romeinse rijk. De Romeinen noemden dit gebied de provincie Asia. Een proconsul bestuurde het namens de keizer, en hij sprak recht in zaken waar de doodstraf op stond.
Het verslag uit Smyrna laat zien hoe gevaarlijk het voor christenen kon worden. Een menigte in het stadion begon te roepen. Een plaatselijke ambtenaar ging zoeken. De proconsul sprak het vonnis uit, nadat iemand alleen had gezegd dat hij christen was. Wie bereid was bij de keizer te zweren en een offer te brengen, kon vrijkomen.
Zulke gemeenten hadden een bisschop als voorganger, samen met een groep oudsten, die presbyters heetten, en diakenen. Het woord bisschop betekende opziener. In Polycarpus’ eigen brief zie je dat hij samen met de presbyters schreef. Hij stond aan het hoofd, met anderen naast zich.
DE MAN DIE MET JOHANNES SPRAK
Wanneer werd Polycarpus geboren? Niemand heeft het opgeschreven. Zijn uitspraak in het stadion over zesentachtig jaar dienen wordt vaak gelezen als zijn leeftijd. Het kan ook betekenen dat hij zesentachtig jaar eerder gedoopt was. Als hij rond 155 stierf en zesentachtig was, werd hij rond 69 geboren. Dat getal staat in veel boeken, maar het is een berekening.
Hetzelfde geldt voor zijn band met Johannes. Irenaeus schrijft rond 180 dat Polycarpus onderwezen was door apostelen, met veel mensen had gesproken die Christus gezien hadden, en door apostelen in Asia tot bisschop van Smyrna was aangesteld. Tertullianus, een christelijke schrijver uit Carthago in Noord-Afrika, schreef rond 200 dat de kerk van Smyrna bijhield dat Johannes Polycarpus daar had aangesteld. Hiëronymus herhaalde het in 392.
Polycarpus zelf noemt Johannes in zijn bewaard gebleven brief niet. Alles wat we over zijn leerlingschap weten, loopt dus via Irenaeus en de traditie van Smyrna. Het is een vroege en serieuze overlevering. Ik heb geen reden om eraan te twijfelen. Maar het blijft één spoor, en geen verslag van Polycarpus zelf.
Wat het betekent, zie je aan Irenaeus. Voor hem was Polycarpus een levende brug. Wie wilde weten wat de apostelen leerden, kon in Smyrna gaan luisteren naar een man die het van hen gehoord had.
“STA VAST ALS EEN AAMBEELD”
Rond het jaar 107, misschien iets later, kwam er een bijzondere gevangene door Smyrna. Het was Ignatius, bisschop van Antiochië in Syrië, het huidige Antakya in Turkije. Hij werd onder bewaking naar Rome gebracht om daar te sterven. Over hem gaat een eigen hoofdstuk in dit boek.
Ignatius ontmoette Polycarpus in Smyrna. Later, vanuit Troas aan de kust, schreef hij hem een persoonlijke brief. Hij moest plotseling verder varen naar Neapolis in Macedonië, en kon niet aan alle gemeenten schrijven. Hij vroeg Polycarpus om het voor hem te doen, en om een betrouwbare bode naar Syrië te sturen.
De brief staat vol raad van een oudere bisschop aan een jongere. Draag de zwakheden van allen, schrijft Ignatius. Zorg voor de weduwen. Bewaar de eenheid. En dan dat beeld: “Sta vast als een aambeeld dat geslagen wordt” (vrij vertaald). Een goede atleet, zegt Ignatius erbij, krijgt klappen en wint.
Polycarpus kon toen niet weten hoe goed dat beeld bij hem zou passen.
EEN BRIEF AAN PHILIPPI
Kort daarna kreeg Polycarpus post uit Philippi, een stad in Macedonië bij het huidige Kavala in Griekenland. Daar was een van de eerste gemeenten van Europa ontstaan, gesticht door de apostel Paulus. De christenen daar hadden Ignatius en zijn medegevangenen op doorreis ontvangen. Nu vroegen ze Polycarpus hun brief naar Syrië mee te sturen, en om de brieven van Ignatius die hij had.
Polycarpus schreef terug. Zijn brief is het enige geschrift van zijn hand dat bewaard is gebleven. Het is een kort, praktisch stuk. Hij stuurt de brieven van Ignatius mee en vraagt of de Filippenzen betrouwbaar nieuws hebben over Ignatius en de mensen die bij hem waren. Hij weet op dat moment dus nog niet zeker hoe het met Ignatius is afgelopen. Elders in de brief noemt hij hem al in één adem met andere getuigen, zoals Zosimus en Rufus, die nu bij de Heer zijn.
Hij is bescheiden over zichzelf. Hij kan, schrijft hij, niet tippen aan de wijsheid van Paulus, die hun zelf een brief had gestuurd. Hij wijst hen op die brief. Hij waarschuwt tegen geldzucht en noemt die het begin van alle kwaad. Hij is scherp tegen mensen die ontkennen dat Jezus in het vlees gekomen is, of die de opstanding en het oordeel ontkennen.
Het meest raakt mij een hoofdstuk over een man die Valens heette. Valens was presbyter geweest in Philippi en had zijn ambt misbruikt, blijkbaar met geld. Polycarpus is er verdrietig over, ook over de vrouw van Valens. Hij vraagt de gemeente hen te zien als afgedwaalde leden die teruggeroepen moeten worden, en hen geen vijanden te noemen. Kort daarna citeert hij Paulus: Word boos, maar zondig niet; laat de zon niet ondergaan over uw boosheid (Efeze 4:26).
Hoe ga jij om met iemand in je gemeente die het vertrouwen beschaamd heeft? Polycarpus koos niet voor de makkelijke weg van vergeten, en ook niet voor uitstoten.
Het laatste deel van de brief is alleen in een oude Latijnse vertaling bewaard gebleven. Hiëronymus schreef in 392 dat de brief in zijn tijd nog werd voorgelezen in de kerkdiensten in Asia.
TWEE BISSCHOPPEN, TWEE PAASDATA
Op hoge leeftijd maakte Polycarpus een lange reis, naar Rome. Daar was Anicetus bisschop. Volgens Vatican News vond die reis rond eind 154 plaats. Een precieze datum geeft geen vroege bron.
De christenen van Asia vierden Pasen op de veertiende dag van de Joodse maand Nisan, de dag van het Joodse Pesach, op welke weekdag die ook viel. In Rome vierde de kerk het op een zondag. Polycarpus en Anicetus spraken erover. Irenaeus vertelt wat er gebeurde, in een brief die hij rond 190 schreef aan een latere bisschop van Rome, Victor, en die Eusebius heeft bewaard.
Anicetus kon Polycarpus niet overtuigen. Polycarpus kon Anicetus ook niet overtuigen. Ze bleven allebei bij de gewoonte die ze van hun voorgangers hadden ontvangen. En toen liet Anicetus Polycarpus in de gemeente van Rome de eucharistie leiden, de viering van het avondmaal. Ze gingen in vrede uit elkaar.
Irenaeus vertelde dit niet zomaar. Victor wilde de kerken van Asia uitsluiten omdat ze vasthielden aan hun paasdatum. Irenaeus hield hem dit verhaal voor: vroeger konden twee bisschoppen het oneens zijn en toch samen aan de tafel van de Heer staan. Ik schrijf het op voor lezers uit heel verschillende kerken. Het lijkt me een goed verhaal om te bewaren.
“IK KEN JE”
In Rome bracht Polycarpus volgens Irenaeus veel mensen terug die door leraren als Marcion en Valentinus waren meegetrokken. Irenaeus vertelt over een ontmoeting tussen de twee mannen. Marcion vroeg Polycarpus of hij hem kende. Polycarpus antwoordde: “Ik ken je, eerstgeborene van satan.” Het is een hard woord, en het is hetzelfde woord dat Polycarpus in zijn eigen brief gebruikt voor wie de opstanding loochent. Irenaeus bracht het als voorbeeld van hoe de apostelen en hun leerlingen weigerden te praten met mensen die de waarheid verdraaiden.
Irenaeus geeft ook een verhaal door dat hij had van mensen die het Polycarpus hadden horen vertellen. Johannes zou in Efeze een badhuis zijn binnengegaan, Cerinthus daar hebben zien zitten, een leraar met afwijkende opvattingen over Christus, en meteen weer zijn weggegaan. Dat verhaal is overlevering uit de tweede of derde hand. Het past bij het beeld van Polycarpus die zijn oren dichthield. Of het zo gebeurd is, kan niemand meer nagaan.
EEN KUSSEN IN BRAND
Terug naar Smyrna, enkele jaren na de reis naar Rome. De brief van de gemeente vertelt het verdere verloop.
Er was een vervolging uitgebroken. Een jonge man, Germanicus, had in de arena moedig tegenover de wilde dieren gestaan. Daarna begon de menigte te roepen dat Polycarpus gezocht moest worden. Een Frygiër, Quintus, had zichzelf aangegeven en anderen meegetrokken. Toen hij de dieren zag, brak hij en offerde. De schrijvers zeggen er nuchter bij dat ze mensen die zichzelf aangeven niet prijzen, want zo leert het evangelie niet.
Polycarpus zelf wilde in de stad blijven. Op aandringen van velen ging hij naar een landhuis buiten de stad. Daar deed hij volgens de brief bijna niets anders dan bidden, dag en nacht, voor iedereen en voor de kerken over de hele wereld.
Drie dagen voor zijn arrestatie zag hij, zo vertelt de brief, in een visioen zijn kussen in brand staan. Hij zei tegen de mensen bij hem dat hij levend verbrand zou worden. Dit visioen kennen we alleen uit dit verslag. De schrijvers zagen het achteraf als een voorspelling die uitkwam.
De soldaten grepen twee jongens van zijn huishouding. Een van hen sloeg onder marteling door. Een politieambtenaar die Herodes heette, ging op pad met ruiters, op een vrijdag rond etenstijd, gewapend alsof ze een rover kwamen halen. Polycarpus kon nog vluchten, maar wilde niet. Volgens de brief zei hij dat de wil van God moest geschieden. Hij liet de mannen eten en drinken geven en vroeg om een uur om te bidden. Het werden er twee. Een aantal soldaten had spijt, schrijft de gemeente, dat ze een zo oude en godvrezende man kwamen arresteren.
“ZESENTACHTIG JAAR”
Hij werd op een ezel naar de stad gebracht. Herodes en diens vader Nicetes namen hem in hun wagen en probeerden hem over te halen. Wat was er voor kwaad in om “Heer Caesar” te zeggen en een offer te brengen? Toen hij weigerde, duwden ze hem uit de wagen. Hij bezeerde zijn been en liep verder alsof er niets was.
Bij het binnenkomen van het stadion klonk er volgens de brief een stem uit de hemel, die hem opriep sterk te zijn en zich als een man te gedragen. Niemand zag wie sprak, schrijven ze, maar de gelovigen die er waren hoorden het. Ook dit is een wonderelement dat alleen dit verslag kent.
Dan volgt het verhoor. De proconsul, volgens een latere aantekening Statius Quadratus, vraagt hem om zijn leeftijd te respecteren. Hij moet zeggen: weg met de goddelozen. Heidenen noemden christenen goddeloos, omdat ze de goden van de stad niet vereerden. Polycarpus kijkt de menigte aan, wijst met zijn hand naar hen en zegt het: weg met de goddelozen. Dan komt zijn antwoord over de zesentachtig jaar.
Hij zegt tegen de proconsul dat hij christen is. Als de proconsul wil weten wat dat inhoudt, wil hij het uitleggen. Tegen het volk wil hij zich niet verdedigen. Christenen hebben geleerd, zegt hij, de overheid die door God is ingesteld te eren, zolang dat hun geweten niet schaadt. Op de dreiging met dieren en vuur antwoordt hij dat het vuur van de proconsul kort brandt, en dat er een ander oordeel komt.
Een heraut roept drie keer in het stadion dat Polycarpus heeft bekend christen te zijn. De menigte, heidenen en Joden uit Smyrna, schreeuwt dat hij de vader van de christenen is, die de goden afbreekt. Ze willen een leeuw. Filippus, de functionaris die de spelen leidde, weigert: de dierengevechten zijn voorbij. Dan willen ze vuur.
EEN VUUR ALS EEN ZEIL
Het hout kwam uit werkplaatsen en badhuizen. De brief noemt Joden die ijverig meehielpen. Het verslag spreekt over de Joden in Smyrna in harde woorden. Voor een christelijke lezer van nu is het goed om te weten dat dit één verslag is, van één gemeente, in een tijd van spanning tussen synagoge en kerk. Het vertelt wat zij zagen, niet wat alle Joden dachten.
Polycarpus trok zijn kleren uit en probeerde zelf zijn schoenen los te maken. Ze wilden hem vastspijkeren. Hij zei dat Hij die hem de kracht gaf het vuur te verdragen, hem ook zou laten blijven staan. Ze bonden hem vast. De brief geeft zijn laatste gebed weer, een lang dankgebed aan God, de Vader van Jezus Christus, omdat hij waardig gekeurd was om de beker van Christus te delen.
Toen het vuur werd aangestoken, gebeurde er volgens de ooggetuigen iets vreemds. De vlammen vormden een boog om hem heen, als een zeil dat bol staat van de wind. Zijn lichaam leek niet op brandend vlees, maar op brood dat gebakken wordt, of op goud in een oven. Ze roken een zoete geur, als van wierook.
Omdat het vuur hem niet doodde, stak een beul hem met een dolk. Volgens de handschriften kwam er een duif uit en zoveel bloed dat het vuur doofde. Eusebius, die deze passage rond 325 overnam, noemt alleen het bloed en geen duif. Sommige geleerden, onder wie de Engelse bisschop Joseph Lightfoot, denken daarom dat de duif later is toegevoegd. Anderen denken dat Eusebius haar juist wegliet. Alle bewaard gebleven handschriften van de brief zelf hebben haar.
Wat moet je met zulke verhalen? Ik geef ze door zoals ze geschreven zijn. De schrijvers zeggen zelf dat het een wonder was dat aan hen gegeven werd om te zien. Geen andere bron kan het bevestigen. De kerkhistoricus Philip Schaff noemde het verslag het oudste en eenvoudigste van alle martelaarsakten, met enkele trekken van legende.
ZATERDAG 23 FEBRUARI, MAAR WELK JAAR?
Aan het eind van de brief staat een datum. Polycarpus stierf op de tweede dag van de maand Xanthikos, op de grote sabbat, om het achtste uur. In de meeste uitgaven staat daarbij de Romeinse datum zeven dagen voor de kalenden van maart: 23 februari. Proconsul was Statius Quadratus.
Het jaar staat er niet bij. Eusebius plaatste de dood rond 325 onder de keizers Marcus Aurelius en Lucius Verus, dus na 161, en noemde in zijn kroniek 166 of 167. Hiëronymus volgde hem. Lange tijd gold dat als de datum.
In 1864 rekende de Franse geleerde William Waddington uit, met behulp van een redevoering van de schrijver Aelius Aristides, wanneer Statius Quadratus proconsul van Asia was. Hij kwam uit op 154 tot 155. In 155 viel 23 februari op een zaterdag. Veel geleerden volgden hem. Anderen kwamen door een andere uitleg van de grote sabbat op 22 februari 156. Weer anderen houden het op de jaren zestig van de tweede eeuw, of zelfs op 177. En de onderzoeker Candida Moss stelde in 2010 voor dat de brief zelf pas rond 200 of later geschreven is.
Er is nog een knoop. Volgens Eusebius werd Anicetus pas rond 156 of 157 bisschop van Rome. Dan kan Polycarpus hem moeilijk in 154 bezocht hebben en in 155 gestorven zijn. Een van de jaartallen klopt dus niet precies.
Ik schrijf in dit boek “155 of 156”, omdat de meeste geleerden daarvoor kiezen. Maar het blijft een berekening op grond van een slotzin waarvan sommigen denken dat hij later is toegevoegd.
KOSTBAARDER DAN GOUD
Nicetes vroeg de proconsul het lichaam niet vrij te geven, zodat de christenen er geen eer aan konden bewijzen. Een centurion liet het verbranden. De christenen verzamelden daarna de beenderen. Ze waren voor hen kostbaarder dan edelstenen en fijner dan goud, schreven ze. Ze legden ze op een passende plaats. Daar wilden ze elk jaar samenkomen om de verjaardag van zijn martelaarschap te vieren.
Dit is een van de vroegste getuigenissen van wat later de verering van martelaren werd. De schrijvers maakten er zelf onderscheid in. Christus aanbidden ze, schrijven ze, omdat Hij de Zoon van God is. De martelaren hebben ze lief als leerlingen en navolgers van de Heer. Ze telden Polycarpus als de twaalfde martelaar in Smyrna, samen met christenen uit Philadelphia, het huidige Alaşehir.
De brief kende een eigen weg. Een zekere Evarestus schreef hem. Aan het eind staat hoe hij werd overgeschreven: door Gaius uit de papieren van Irenaeus, daarna door Socrates in Korinthe, en later door een Pionius, die zei dat Polycarpus hem in een visioen had gewezen waar de tekst lag. Onder de naam van die Pionius ging later ook een Leven van Polycarpus rond, waarschijnlijk uit de vierde eeuw. De Engelse geleerde Lightfoot vond het als historische bron zonder waarde. Wat daarin staat over zijn jeugd, heb ik in dit hoofdstuk niet gebruikt.
Rooms-katholieken, orthodoxen, anglicanen en lutheranen gedenken hem nog steeds op 23 februari. Kerken zonder heiligenkalender kennen hem vooral om zijn antwoord in het stadion.
Wat bleef er van hem over? Eén brief, een paar herinneringen van een leerling en een verslag van zijn dood. Het is weinig. Maar ergens in Lyon zat rond 180 een bisschop die zich nog kon herinneren hoe een oude man in Smyrna zat als hij over Johannes vertelde, en welke plek in de kamer dat was.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): Polycarpus was in de eerste helft van de tweede eeuw bisschop van Smyrna; Ignatius van Antiochië schreef hem een brief vanuit Troas (ca. 107 tot 110); Polycarpus schreef een brief aan de gemeente van Philippi, samen met zijn presbyters, en stuurde de brieven van Ignatius mee; hij bezocht Rome toen Anicetus daar bisschop was, besprak met hem de paasdatum, ze werden het niet eens en scheidden in vrede (Irenaeus rond 190, bewaard door Eusebius rond 325, en Hiëronymus 392); hij stierf als martelaar in Smyrna door verbranding, op een 23 februari onder proconsul Statius Quadratus; zijn gemeente schreef daar kort na een verslag over.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn leerlingschap bij de apostel Johannes en zijn aanstelling door apostelen (Irenaeus rond 180, Tertullianus rond 200, Hiëronymus 392; Polycarpus noemt Johannes zelf niet); de herinneringen van Irenaeus aan hoe Polycarpus sprak en zijn oren dichthield; de woorden tegen Marcion; het verhaal van Johannes en Cerinthus in het badhuis (overlevering uit tweede hand); het visioen van het brandende kussen, de stem uit de hemel, het vuur dat een boog vormde en de zoete geur (alleen uit het martelaarsverslag); het Leven van Polycarpus van Pionius (vierde eeuw, als bron onbetrouwbaar).
Onbevestigd: zijn geboortejaar (rond 69 is een berekening); het jaar van zijn dood (155 of 156 volgens de meeste geleerden, 166 of 167 volgens Eusebius, door enkelen later); de duif die uit zijn zijde kwam (ontbreekt bij Eusebius); de vraag of de dateringsregel aan het eind en sommige wonderelementen later zijn toegevoegd; het voorstel van Candida Moss (2010) dat het verslag zelf pas rond 200 of later geschreven is.
Duiding: of de stem, het vuur en de geur wonderen van God waren, is een geloofsvraag. Het verslag zegt eerlijk dat het de ervaring van de gelovigen weergeeft.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Het Martyrium van Polycarpus (Ante-Nicene Fathers, New Advent)
- Polycarpus, Brief aan de Filippenzen (New Advent)
- Polycarpus, Brief aan de Filippenzen, vertaling Lake (Early Christian Writings)
- Ignatius, Brief aan Polycarpus (New Advent)
- Irenaeus, Tegen de ketterijen III.3 (New Advent)
- Eusebius, Kerkgeschiedenis V.20, brief aan Florinus (BKV, Universiteit Fribourg)
- Eusebius, Kerkgeschiedenis IV (New Advent)
- Tertullianus, De praescriptione haereticorum (New Advent)
- Hiëronymus, De viris illustribus (New Advent)
- Catholic Encyclopedia, “St. Polycarp” (Catholic Answers)
- Kirsopp Lake, inleiding op het Martyrium van Polycarpus (Early Christian Writings)
- Philip Schaff, History of the Christian Church II (CCEL)
- Encyclopedia of the Bible, “Martyrdom of Polycarp” (BiblicalTraining)
- Bart Ehrman blog, inleiding op het Martyrium van Polycarpus
- Bart Ehrman blog, over de duif in het Martyrium
- Christian History, “The Unforgettable Martyrdom” (2008)
- Vatican News, Heilige Polycarpus, 23 februari
- Wikipedia, “Polycarp”
- Wikipedia, “Martyrdom of Polycarp”