De eerstegetuigen

Deel 1 · De eerste getuigen · Hoofdstuk 1

Ignatius van Antiochië

de gevangene die vroeg om niet gered te worden

gestorven ca. 110-117Antiochië (Antakya, Turkije)

Op 24 augustus van een jaar dat we niet precies kennen, schreef een gevangene in Smyrna een brief. Smyrna is het huidige İzmir, aan de westkust van Turkije. De man werd bewaakt door tien Romeinse soldaten. Hij noemde ze in zijn brief tien luipaarden en schreef erbij dat ze alleen maar erger werden als je vriendelijk tegen ze was. De brief was voor de christenen in Rome. Ze woonden in de stad waar hij naartoe gebracht werd om voor de wilde dieren te worden gegooid.

Wat hij hun vroeg, is tot vandaag vreemd om te lezen. Hij vroeg hen niets te doen om hem vrij te krijgen. De datum staat aan het slot van de brief, in de Romeinse manier van tellen: de negende dag voor de kalenden van september. Hij schreef ook dat christenen uit Efeze de brief zouden meenemen, en dat een man die Crocus heette bij hem was.

De gevangene heette Ignatius. Hij was bisschop van Antiochië, een van de grootste steden van het Romeinse rijk. Hij liet onderweg zeven korte brieven achter, en die behoren tot de oudste christelijke teksten die we buiten het Nieuwe Testament hebben. Van zijn jeugd weten we niets. Van zijn dood weten we minder dan je zou denken. En over de brieven zelf wordt al eeuwen gestreden: zijn ze echt van hem, en uit welk jaar komen ze?

Ik wil in dit hoofdstuk beide doen. Zijn verhaal vertellen, en eerlijk zeggen waar de grond onder dat verhaal dun wordt.

Het begint in een stad aan een rivier.

WAAR DE DISCIPELEN VOOR HET EERST CHRISTENEN HEETTEN

Antiochië lag aan de rivier de Orontes, in het noordwesten van wat toen de provincie Syrië was. Vandaag liggen de resten onder de stad Antakya, in de provincie Hatay in Turkije. De stad was rond 300 voor Christus gesticht door Seleucus I, een van de generaals die het rijk van Alexander de Grote verdeelden. In de Romeinse tijd was het na Rome en Alexandrië de derde stad van het rijk. Op zijn hoogtepunt woonden er misschien meer dan een half miljoen mensen.

Voor christenen had de stad een bijzondere klank. Het boek Handelingen vertelt dat Barnabas en Paulus er een jaar lang les gaven, en dat de discipelen voor het eerst in Antiochië christenen genoemd werden. (Handelingen 11:26). Ook Petrus wordt in de vroege overlevering met de stad verbonden.

In die gemeente werd Ignatius leider. Eusebius van Caesarea, die rond 325 de eerste grote kerkgeschiedenis schreef, noemt hem de tweede bisschop van Antiochië. De eerste was Evodius. Op een andere plek zegt Eusebius het zo: Ignatius was de tweede in opvolging van Petrus.

Een bisschop was in die tijd de leider van de christenen in één stad. Hij werkte samen met oudsten, in het Grieks presbyters, en met diakenen, die vooral voor de armen zorgden. Over hoe zo’n gemeente precies bestuurd moest worden, zijn christenen het later grondig oneens geworden. Ignatius speelt in die discussie een grote rol, en ik kom er verderop op terug.

DRIE VERHALEN ZONDER BODEM

Over Ignatius’ jonge jaren gaan verhalen rond die je in heiligenlevens en preken tegenkomt. Ik noem ze, omdat je ze misschien kent.

Het eerste verhaal zegt dat hij het kind was dat Jezus in Zijn armen nam en in het midden van de discipelen zette. De Katholieke Encyclopedie van 1910 schreef er al bij dat deze legende geen goede basis heeft. Het tweede verhaal komt van Theodoretus, een bisschop uit de vijfde eeuw: Petrus zelf zou Ignatius als bisschop hebben aangewezen. Het derde zegt dat hij, net als zijn vriend Polycarpus, een leerling van de apostel Johannes was.

Johannes Chrysostomus, de beroemde prediker uit Antiochië, zei aan het eind van de vierde eeuw in een preek op de gedenkdag van Ignatius dat de handen van de apostelen zijn hoofd hadden aangeraakt. Dat was bijna drie eeuwen na de feiten. Voor geen van deze verhalen bestaat een bron uit Ignatius’ eigen tijd.

Zijn geboortejaar is onbekend. Wat we wel hebben, is de naam die hij zichzelf gaf.

“OOK THEOPHORUS GENOEMD”

Elke brief begint op dezelfde manier: Ignatius, die ook Theophorus heet. Dat Griekse woord betekent “Godsdrager”, of “die door God gedragen wordt”. Een martelaarsverhaal dat veel later werd opgeschreven, laat hem uitleggen wat hij ermee bedoelde: hij droeg Christus in zijn binnenste. Of hij dat zelf zo heeft uitgelegd, weten we niet. De naam zelf staat in zijn brieven.

Waarom werd hij gearresteerd? Ook dat weten we niet. Het tijdschrift Christian History schrijft dat hij waarschijnlijk werd aangeklaagd voor “atheïsme”. In de Romeinse wereld betekende dat: weigeren de goden van de stad en het rijk te eren.

Eusebius plaatst de gebeurtenissen onder keizer Trajanus, die regeerde van 98 tot 117. Het is de oudste datering die we hebben, en ze komt uit het begin van de vierde eeuw. Daarover later meer.

Opvallend is dat Ignatius niet in Antiochië werd terechtgesteld. Hij werd onder bewaking naar Rome gebracht. Waarom? De onderzoeker Christine Trevett concludeerde in 1989 eerlijk: we weten het niet.

TIEN LUIPAARDEN

In de brief aan Rome beschreef Ignatius zijn reis als een gevecht met wilde dieren, van Syrië tot Rome, over land en over zee. Hij legde er meteen bij uit dat hij zijn bewakers bedoelde. Eusebius nam die zin rond 325 over in zijn kerkgeschiedenis.

Hoe hij van Antiochië in Klein-Azië kwam, over land of over zee, is onbekend. Uit de brieven valt wel een deel van de route af te lezen. Hij reisde via Filadelfia, nu Alaşehir in Turkije, naar Smyrna. Daarna ging het naar Troas, aan de kust bij de Dardanellen. Van daar voer hij naar Neapolis in Macedonië, het huidige Kavala in Griekenland, en reisde hij door naar Philippi. Wat er na Philippi gebeurde, vertellen de brieven niet meer.

Op verschillende plaatsen kwamen christenen naar hem toe. Ze stuurden afgevaardigden, brachten hem nieuws en namen brieven mee. Christian History merkt op dat hij bijna overal leiders van de plaatselijke gemeenten ontmoette. Een veroordeelde gevangene die ontvangen wordt als een gast: dat zegt iets over hoe de eerste christenen elkaar vasthielden.

MET GODS EIGEN STEM

In Filadelfia gebeurde iets wat Ignatius later in zijn brief aan die gemeente beschreef. Hij was er met de gelovigen samen, en hij riep plotseling hardop. “Ik sprak met luide stem, met Gods eigen stem”, schreef hij (vrij vertaald). Wat hij riep, was een oproep tot eenheid: houd vast aan de bisschop, aan de presbyters en aan de diakenen.

Er was die dag verdeeldheid in de gemeente, al wist Ignatius dat naar eigen zeggen niet. Sommigen vermoedden dat iemand hem van tevoren had ingelicht. Hij ontkende dat. De Geest had het hem geleerd, schreef hij.

Dit is een van de weinige plekken waar je Ignatius ziet als iemand die Gods stem verstond in een concreet moment. Het is ook een plek waar je eerlijk moet zijn: het enige verslag is van hemzelf, achteraf, in een brief waarin hij die gemeente ook wilde overtuigen. Je kunt het geloven of er voorzichtig mee zijn. Het blijft zijn getuigenis.

In dezelfde brief beschrijft hij een discussie. Er waren mensen die zich beriepen op oude geschreven stukken, oorkonden. Ignatius antwoordde dat zijn oorkonde Jezus Christus was. Het was een felle man, en hij ging een gesprek niet uit de weg.

EEN STAPEL BRIEVEN IN SMYRNA

In Smyrna was Polycarpus bisschop. Volgens Eusebius schreef Ignatius in Smyrna vier brieven: aan de gemeenten van Efeze, Magnesia en Tralles, en aan de gemeente van Rome. Magnesia aan de rivier de Meander en Tralles lagen in het westen van het huidige Turkije. De gemeenten hadden mensen gestuurd. Uit Efeze kwamen bisschop Onesimus en de broeders Burrhus, Crocus, Euplus en Fronto. Van Magnesia noemt hij bisschop Damas, van Tralles bisschop Polybius.

Wat staat er in die brieven? Steeds weer twee dingen.

Het eerste is eenheid. Blijf bij elkaar, kom vaak samen, doe niets buiten de bisschop en de oudsten om. In de brief aan Efeze vergelijkt hij een eensgezinde gemeente met snaren die op een lier gestemd zijn. Hij spreekt van het ene brood dat ze samen breken, en noemt het een medicijn van onsterfelijkheid. Hij schrijft ook dat ze moeten bidden voor mensen buiten de kerk, en zachtheid moeten tonen tegenover woede.

Het tweede is de vraag wie Jezus was. Er waren christenen die leerden dat Christus alleen maar leek mens te zijn. Zijn lijden was volgens hen schijn. Die richting kreeg later de naam docetisme, naar het Griekse woord voor “schijnen”. Ignatius schreef er fel tegen: Christus is werkelijk geboren, werkelijk gekruisigd en werkelijk opgestaan.

Tussen alle stelligheid door staat in de brief aan Efeze een zin die je niet zou verwachten. “Ik geef jullie geen bevelen alsof ik iemand ben” (vrij vertaald). Hij noemde zichzelf iemand die pas begon een leerling te zijn.

GODS TARWE

De brief aan Rome is anders dan de rest. Er staan nauwelijks waarschuwingen tegen dwaalleer in en bijna niets over bisschoppen. Het is de brief van een man die op weg is naar zijn dood, en die bang is dat goedbedoelende broeders hem zullen tegenhouden.

Hij smeekte hen: hinder mij niet te leven. Met leven bedoelde hij het leven bij God na zijn dood. Hij schreef dat het goed was om onder te gaan van de wereld naar God, zoals de zon ondergaat, om bij Hem op te staan. En hij gebruikte een beeld dat de kerk nooit meer is vergeten. Hij was tarwe van God, die door de tanden van de wilde dieren gemalen zou worden, zodat hij zuiver brood van Christus zou blijken te zijn.

Rond 180 citeerde Irenaeus van Lyon die zin al, in een boek tegen dwaalleraars. Hij noemde de naam van de schrijver niet. Hij schreef alleen dat iemand van de onzen, veroordeeld tot de dieren, het gezegd had: “Ik ben Gods tarwe” (vrij vertaald). Het is een van de oudste sporen van de brieven buiten de brieven zelf.

Ik vind dit een moeilijke brief. Hoe lees je iemand die zo naar de dood verlangt? Sommige lezers horen er een gezonde moed in, anderen iets wat op doodsverlangen lijkt. Christian History schrijft dat Ignatius Christus wilde navolgen tot in zijn sterven. Hij zag de arena als de plek waar hij eindelijk echt een leerling zou zijn.

En jij? Wat zou jij je broeders en zusters vragen, als je wist waar je reis eindigde?

Aan het slot vroeg hij de Romeinen te bidden voor de kerk in Syrië, die nu God als herder had in zijn plaats.

GOED NIEUWS IN TROAS

In Troas bereikte hem bericht uit Antiochië. De gemeente daar had vrede. Wat er precies aan de hand was geweest, schrijft hij niet. In elke brief had hij gevraagd te bidden voor de kerk in Syrië.

Hij schreef nog drie brieven: aan de gemeente van Filadelfia, aan de gemeente van Smyrna en aan Polycarpus persoonlijk. Hij vroeg hun alle drie om iemand naar Antiochië te sturen, om de gemeente daar geluk te wensen. Bij hem waren Philo, een diaken uit Cilicië, en Rhaius Agathopus. Burrhus uit Efeze bracht de brief naar Smyrna.

In de brief aan Smyrna schreef hij een zin die eeuwen later grote betekenis kreeg. “Waar de bisschop verschijnt, daar moet de gemeente zijn” (vrij vertaald). En hij voegde eraan toe: zoals waar Jezus Christus is, daar de katholieke kerk is. Het Griekse woord katholikos betekent algemeen of wereldwijd. Volgens Christian History is dit het oudste bekende gebruik van de uitdrukking “katholieke kerk”. Bij Ignatius ging het om de hele kerk tegenover de plaatselijke gemeente, ver voordat er sprake was van een Rooms-Katholieke Kerk naast andere kerken.

In dezelfde brief zei hij iets over de dwaalleraars wat minder bekend is. Ze hadden geen zorg voor de liefde, schreef hij, niet voor de weduwe en niet voor de wees. Voor Ignatius hoorden juiste leer en zorg voor de zwakken bij elkaar.

De brief aan Polycarpus is de meest persoonlijke. Een bisschop schrijft een collega. “Sta vast als een aambeeld dat geslagen wordt” (vrij vertaald). Vergeet de weduwen niet. Kijk niet neer op slaven, mannen of vrouwen. Aan het eind verontschuldigt hij zich dat hij niet aan alle gemeenten kan schrijven. Hij moest onverwacht van Troas naar Neapolis varen.

Daar houden zijn eigen woorden op.

“ALS JULLIE IETS ZEKERS WETEN”

Het laatste spoor van Ignatius komt van Polycarpus. In een brief aan de gemeente van Philippi noemt hij de zalige Ignatius, samen met Zosimus en Rufus, als voorbeeld van volharding dat de Filippenzen met eigen ogen hadden gezien. Hij schrijft dat hij de brieven van Ignatius die hij had, met deze brief meestuurde. En hij vraagt de Filippenzen hem te laten weten of zij betrouwbaar nieuws over Ignatius en zijn metgezellen hadden.

Ik vind dat een ontroerende vraag. De vriend die de brieven bewaarde, wist zelf niet hoe het was afgelopen.

Een eerlijke kanttekening hoort erbij. Een deel van de onderzoekers houdt juist deze passages in de brief van Polycarpus voor een latere toevoeging. Als zij gelijk hebben, valt een belangrijk vroeg bewijs voor Ignatius weg.

Wat gebeurde er in Rome? Eusebius schreef rond 325 dat Ignatius daar voedsel voor de wilde dieren werd. Hij bracht het voorzichtig, als iets wat verteld werd. Christian History zegt het nuchter: het is waarschijnlijk dat hij werd gedood, maar niet zeker, en de bijzonderheden zijn verloren gegaan. De Encyclopaedia Britannica houdt het op een dood in Rome rond 110.

De details die je vaak hoort, zijn veel later. Chrysostomus vertelde aan het eind van de vierde eeuw dat Ignatius stierf midden in het theater, terwijl de hele stad boven hem zat. Hij wordt gezien als de eerste die de marteldood in het Colosseum plaatst. Hiëronymus is de eerste die het over leeuwen heeft. Een martelaarsverhaal, waarvan het beste handschrift uit de tiende eeuw komt, doet alsof het door zijn reisgenoten Philo en Agathopus is geschreven. Het vertelt over een gesprek met keizer Trajanus zelf in Antiochië, over een zeereis via Philippi en de Adriatische Zee, en over een dood op 20 december. De Katholieke Encyclopedie van 1910 noemde dat verhaal al zwaar bewerkt. En de Byzantijnse kroniekschrijver Johannes Malalas, zesde eeuw, plaatst de marteldood zelfs in Antiochië, ten tijde van een zware aardbeving terwijl Trajanus in de stad was. Die aardbeving was er echt, in het jaar 115.

We hebben dus een vroege en eensgezinde overlevering dat hij in Rome stierf, en daaromheen verhalen die elkaar tegenspreken.

ZEVEN BRIEVEN EN EEUWEN VAN TWIJFEL

Je zou denken dat de brieven zelf tenminste vaststaan. Zo eenvoudig ligt het niet.

Eeuwenlang lazen christenen in Europa een verzameling van dertien brieven op naam van Ignatius. Daarvan waren er zes vals en waren de andere zeven sterk aangevuld, waarschijnlijk in de vierde eeuw. Die zogenaamde lange recensie, recensie betekent hier tekstvorm, vertelde iets heel anders dan het origineel.

In de zestiende eeuw kwam er felle kritiek. Johannes Calvijn noemde de brieven waardeloos. Veel protestanten wantrouwden ze, omdat ze zo sterk de nadruk leggen op één bisschop aan het hoofd van een gemeente. Dat paste in de strijd van hun eigen tijd.

Toen begon het speurwerk. De Ierse aartsbisschop James Ussher, zelf protestant, vond een Latijnse vertaling van een kortere vorm en gaf die in 1644 uit. In 1646 publiceerde Isaac Voss de Griekse tekst van zes brieven. De Griekse brief aan Rome volgde pas in 1689, omdat die in een handschrift binnen een martelaarsverhaal bewaard was gebleven. Dit is de middenrecensie: de zeven brieven die Eusebius ook kende. In de jaren veertig van de negentiende eeuw verscheen nog een Syrische vorm met maar drie brieven, uitgegeven door William Cureton. Die wordt nu meestal gezien als een samenvatting.

Aan het eind van de negentiende eeuw leken twee geleerden de zaak te beslechten. Twee protestantse geleerden, Theodor Zahn en J. B. Lightfoot, toonden uitvoerig aan dat de zeven brieven van de middenrecensie echt waren. Hun werk bepaalde het onderzoek meer dan een eeuw.

Sinds 1979 is de vraag weer open. Robert Joly, en later de Duitsers Reinhard Hübner en Thomas Lechner, betoogden dat de zeven brieven een vervalsing zijn uit de jaren 160 tot 180, geschreven op naam van een martelaar om de positie van de bisschop te versterken. Timothy Barnes hield de brieven in 2008 wel voor echt, maar dateerde ze in de jaren veertig van de tweede eeuw. Volgens hem kende Ignatius de leer van een gnostische leraar die pas later actief was. En Barnes vond dat de datering onder Trajanus van Eusebius geen gezag heeft.

In 2017 kwamen Duitstalige onderzoekers in het Beierse Benediktbeuern bij elkaar om erover te praten. De bundel die daaruit voortkwam, zet de standpunten naast elkaar. De een dateert de brieven rond 170. Een ander houdt het eerste kwart van de tweede eeuw voor het meest waarschijnlijk. Een derde wijst erop dat de ruzies over leiding in de brieven klinken als echte ruzies, met echte mensen.

Waar sta ik? Ik ben geen specialist in Grieks. Ik zie wel dat de meeste onderzoekers de zeven brieven nog altijd als echt beschouwen, en dat de datering onzeker is: ergens tussen ongeveer 110 en 140. Ik heb Ignatius in dit hoofdstuk daarom laten spreken als de schrijver van deze brieven. Maar je moet weten dat goede geleerden daar anders over denken.

BOTTEN OP WEG NAAR HUIS

Volgens Chrysostomus werden de resten van Ignatius teruggebracht naar Antiochië. Steden langs de weg droegen ze op hun schouders, zei hij in zijn preek. Ze zouden buiten de stadspoort zijn begraven. In de vijfde eeuw liet keizer Theodosius II ze volgens een latere geschiedschrijver overbrengen naar een voormalige tempel van de godin Tyche, die een kerk was geworden. Toen Antiochië in 637 in Arabische handen viel, zouden ze naar de kerk van San Clemente in Rome zijn gebracht. Of het werkelijk zijn botten waren, kan niemand meer nagaan.

Wat wel vaststaat, is dat christenen hem nooit zijn vergeten. De Rooms-Katholieke Kerk, de anglicanen, de lutheranen en de Syrische kerken gedenken hem op 17 oktober, de oude gedenkdag van Antiochië. De Oosters-Orthodoxe Kerk doet dat op 20 december. Protestanten die hem lang wantrouwden, vinden bij hem woorden over Christus die werkelijk mens werd. Katholieken en orthodoxen lezen bij hem hoe vroeg de bisschop het middelpunt van de gemeente was. Pinkstergelovigen en evangelischen kunnen bij hem lezen over een stem van de Geest die midden in een samenkomst klonk. Ze lezen allemaal dezelfde zeven brieven.

WATER DAT SPREEKT

In de brief aan Rome staat nog een beeld, vlak na de tarwe. Ignatius schreef dat zijn begeerte gekruisigd was. Er brandde in hem geen vuur meer voor de dingen van deze wereld. Wat er wel in hem was, noemde hij levend water. Dat water sprak, schreef hij, en het zei van binnenuit één ding tegen hem.

“Kom naar de Vader” (vrij vertaald).

Een gevangene in Smyrna, tussen tien soldaten, op weg naar een arena die hij nog niet had gezien. En vanbinnen een stem als stromend water, die hem naar huis riep.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): Ignatius was een vroege bisschop van Antiochië (Eusebius rond 325, Chrysostomus eind vierde eeuw); hij werd als gevangene naar Rome gebracht en schreef onderweg brieven aan gemeenten in Klein-Azië en aan Rome (Eusebius, Irenaeus rond 180 kende een zin uit de brief aan Rome, Polycarpus); er bestaat een vroege en eensgezinde overlevering dat hij in Rome door wilde dieren stierf; de middenrecensie van zeven brieven is de vorm die Eusebius kende; de lange recensie van dertien brieven is een latere bewerking.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: alles over de reis, de tien soldaten, de afgevaardigden, de roep met “Gods eigen stem” in Filadelfia en het nieuws uit Antiochië komt uit zijn eigen brieven; het gesprek met Trajanus, de zeereis na Philippi en de sterfdatum 20 december komen uit een martelaarsverhaal dat in een handschrift uit de tiende eeuw is overgeleverd; het theater en de terugkeer van de resten naar Antiochië komen van Chrysostomus; de leeuwen van Hiëronymus; de verplaatsing van de relieken van latere geschiedschrijvers.

Onbevestigd: dat hij het kind was dat Jezus in Zijn armen nam; dat Petrus hem aanstelde; dat hij een leerling van Johannes was; de reden van zijn arrestatie en waarom hij naar Rome moest; het jaar van zijn dood (traditie onder Trajanus, 98 tot 117; voorstellen lopen van rond 110 tot in de jaren 140); de plaats van zijn dood (Malalas, zesde eeuw, noemt Antiochië); of hij werkelijk gedood werd; of de relieken in Rome echt van hem zijn; of de passages over Ignatius in de brief van Polycarpus origineel zijn.

Duiding: de meeste onderzoekers houden de zeven brieven voor echt en dateren ze in de eerste helft van de tweede eeuw. Een serieuze minderheid, vooral in Duitsland (Joly 1979, Hübner, Lechner, later anderen), ziet ze als een vervalsing uit 160 tot 180. In dit hoofdstuk wordt Ignatius als schrijver behandeld, met die kanttekening.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Eusebius, Kerkgeschiedenis 3.36 (Engelse vertaling, CCEL)
  2. Eusebius, Kerkgeschiedenis boek 3 (New Advent)
  3. Ignatius aan de Romeinen, vertaling Lightfoot (Early Christian Writings)
  4. Ignatius aan de Filadelfiërs, vertaling Lightfoot
  5. Ignatius aan de Smyrneeërs, vertaling Lightfoot
  6. Ignatius aan de Efeziërs, vertaling Lightfoot
  7. Ignatius aan Polycarpus, vertaling Lightfoot
  8. Polycarpus aan de Filippenzen, vertaling Lightfoot
  9. Johannes Chrysostomus, Homilie op de heilige Ignatius (New Advent)
  10. Martelaarsakte van Ignatius (New Advent)
  11. Catholic Encyclopedia (1910), “St. Ignatius of Antioch”
  12. Early Christian Writings, overzicht Ignatius (met W. R. Schoedel)
  13. Christian History / Christianity Today, “Ignatius of Antioch”
  14. Encyclopaedia Britannica, “Saint Ignatius of Antioch”
  15. Timothy D. Barnes, “The Date of Ignatius”, The Expository Times 120 (2008)
  16. Jonathon Lookadoo, recensie van Bauer en Von Möllendorff (red.), Die Briefe des Ignatios von Antiochia (2019)
  17. Catalogus aardbevingen Dode Zee, Antiochië 115 en Malalas
  18. Wikipedia, “Ignatius of Antioch” (startpunt)
  19. Wikipedia, “Antioch” (startpunt)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel