Rome, rond het jaar 165. Voor de stadsprefect staat een groepje christenen. De prefect heet Quintus Junius Rusticus. Hij is geen ruwe soldaat. Hij is een Stoïcijns filosoof en de leraar van keizer Marcus Aurelius, die hem in zijn Overpeinzingen met dank noemt.
Rusticus richt zich eerst tot een van hen. “Gehoorzaam meteen de goden en onderwerp je aan de keizers,” zegt hij, zo staat het in het verslag van het proces (vrij vertaald). De man antwoordt dat niemand iets te verwijten valt die de geboden van Jezus Christus volgt. Dan wil de prefect weten waar de christenen samenkomen. Het antwoord is nuchter. Christenen komen samen waar ze willen, zegt hij, want God is niet aan één plek gebonden. Als Rusticus doorvraagt, noemt hij zijn adres. Hij woont boven een zekere Martinus, bij het Timiotinische badhuis. Hij is nu voor de tweede keer in Rome, en een andere samenkomst dan daar kent hij niet.
De man heet Justinus. Hij was filosoof, en in zekere zin bleef hij dat zijn hele leven. Hij had de grote scholen van zijn tijd afgelopen en vond pas rust bij de profeten van Israël en bij Jezus. Hij schreef aan de keizer om de christenen te verdedigen. Van zijn hand hebben we de oudste beschrijving van een christelijke zondagsdienst die bewaard is gebleven. De kerk gaf hem later een bijnaam die bijna zijn achternaam werd: Martyr, getuige.
Het verslag van dat proces heet de Acta Justini, de handelingen van Justinus. Wie het schreef en wanneer, weten we niet. Er bestaan meerdere versies van, en geleerden zijn het niet eens over welke de oudste is. Wel rekenen ze het al lang tot de betrouwbaardere martelaarsakten uit de vroege kerk.
Zijn verhaal begint ruim zestig jaar eerder, in een stad met een nieuwe naam.
EEN STAD MET EEN NIEUWE NAAM
In het jaar 72 gaf keizer Vespasianus een stad in Samaria de naam van zijn familie: Flavia Neapolis, de nieuwe stad van de Flaviërs. Ze lag ongeveer twee kilometer van het Sichem uit de Bijbel, dat de Romeinen datzelfde jaar verwoestten. Vandaag heet de stad Nablus. Ze ligt op de Westelijke Jordaanoever.
Daar werd rond het jaar 100 Justinus geboren. Het precieze jaar kent niemand. Hij stelde zichzelf later aan de keizer voor als zoon van Priscus en kleinzoon van Bacchius, afkomstig uit Flavia Neapolis in Palestina. Meer vertelt hij niet over zijn familie. Priscus is een Latijnse naam, Bacchius een Griekse. Sommige historici lezen daarin banden met Rome, maar dat blijft gissen. Historici gaan ervan uit dat hij uit een Griekse familie kwam.
Hij groeide op in een rijk dat christenen wantrouwde. In zijn eerste brief aan de keizer zou Justinus zeggen dat hij schreef namens mensen uit alle volken die onrechtvaardig gehaat werden, en dat hij er zelf een van was. Zo ver was hij nog lang niet. Eerst zocht hij iets anders: waarheid over God.
VIER LERAREN EN EEN REKENING
Wat we over zijn jonge jaren weten, komt bijna helemaal uit één bron: zijn eigen boek Dialoog met Trypho, dat hij rond 160 schreef. Daarin vertelt hij hoe hij langs de filosofen ging, de denkers die in die tijd onderwezen hoe je goed leeft en hoe de wereld in elkaar zit.
Eerst ging hij naar een Stoïcijn. Na een tijd merkte hij dat hij over God niets bijleerde. De leraar wist het zelf niet, zo schrijft Justinus, en vond zulke kennis ook niet nodig. Hij vertrok.
Daarna kwam een Peripateticus, een volgeling van Aristoteles. Na een paar dagen vroeg hij Justinus om zijn lesgeld vast te leggen. Justinus vond dat geen echte filosoof en liet hem staan.
De derde was een Pythagoreeër. Die wilde eerst weten of Justinus muziek, sterrenkunde en meetkunde had gestudeerd. Zonder die vakken kon hij niet beginnen, zei de leraar. Justinus had ze niet gestudeerd en werd weggestuurd.
Ten slotte kwam hij bij de Platonisten, de leerlingen van Plato. Daar raakte hij vervuld van het nadenken over wat je niet kunt zien. Hij dacht dat hij wijs werd. Hij verwachtte, schrijft hij met enige zelfspot, dat hij God binnenkort zou zien.
Ik lees dit gedeelte met een glimlach. De leraar die meteen over geld begint, de leraar die eerst een vooropleiding eist: het zijn herkenbare mensen. Justinus vertelt het om een punt te maken, dat hoort erbij. Maar hij laat ook zien wie hij was. Een jonge man die niet tevreden was met half werk, en die bleef vragen.
EEN VELD AAN ZEE
Op een dag wilde hij alleen zijn om na te denken. Hij liep naar een veld niet ver van de zee. Daar merkte hij dat een oude man hem volgde. Wie die man was, vertelt Justinus niet. Ook de plaats noemt hij niet.
Ze raakten in gesprek. De oude man stelde vragen, en Justinus antwoordde als Platonist. Kan het verstand God zien? Ja, zei Justinus. De oude man trok dat stap voor stap in twijfel. Een ziel ziet God niet uit eigen kracht, zei hij. De ziel leeft omdat God wil dat ze leeft.
Toen Justinus vroeg waar hij dan wel de waarheid moest zoeken, wees de oude man hem op de profeten. Lang voor de filosofen hadden zij gesproken, vervuld met de Heilige Geest. Ze voorzegden wat zou gebeuren. En ze kondigden de Zoon van God aan, de Christus. De oude man raadde hem aan te bidden dat de poorten van het licht voor hem open zouden gaan. Dan ging hij weg.
Heb jij ooit een gesprek gehad dat je niet meer loslaat? Iemand die je nauwelijks kende, die een paar zinnen zei en verdween, en je bleef erover nadenken?
EEN VUUR IN DE ZIEL
“Meteen werd er een vuur in mijn ziel aangestoken,” schrijft Justinus over het moment na dat gesprek (vrij vertaald). Er kwam liefde in hem, zegt hij, voor de profeten en voor de mensen die vrienden van Christus waren. Hij overdacht de woorden van de oude man en kwam tot de slotsom dat dit de enige filosofie was die veilig en nuttig was.
Dit is zijn eigen verslag, opgeschreven tientallen jaren later en in de vorm van een gesprek. Niemand anders heeft het gesprek bij de zee gezien, en we kunnen het dus niet controleren. Wanneer en waar het gebeurde, weten we niet. Het Christian History Institute noemt het jaar 132 bij benadering. Vaak wordt Efeze genoemd, in het westen van het huidige Turkije, maar zeker is dat niet.
In een ander geschrift, zijn tweede apologie, vertelt Justinus nog iets dat bij zijn bekering hoort. Toen hij nog Platonist was, hoorde hij hoe christenen werden belasterd. Maar hij zag ook hoe ze de dood tegemoet gingen zonder angst. Mensen die alleen voor genot leefden, zouden de dood niet zo ontvangen, redeneerde hij. Zo begon het verdachtmaken van christenen voor hem niet meer te kloppen.
Wat hij niet deed, is opvallend. Hij legde zijn filosofenmantel niet af. In het begin van de Dialoog wordt hij op straat aangesproken als filosoof, juist vanwege die kleding. Eusebius, de kerkhistoricus die rond 325 schreef, zegt dat Justinus het Woord van God verkondigde “in de gedaante van een filosoof” (vrij vertaald). Hij was filosoof gebleven, zei Justinus zelf, omdat hij eindelijk de ware filosofie had gevonden.
TWEE DAGEN IN DE ZUILENGANG
Datzelfde boek, de Dialoog met Trypho, opent met een ontmoeting. Justinus wandelt in een zuilengang. Een man spreekt hem aan. Hij heet Trypho en is een Hebreeër. Hij is gevlucht voor de oorlog die kort daarvoor in Judea was gevoerd, en woont nu meestal in Griekenland, vooral in Korinthe.
Die oorlog was de opstand van Bar Kochba tegen keizer Hadrianus, van 132 tot ongeveer 135. Rome sloeg haar neer. Jeruzalem werd herbouwd als Romeinse kolonie met de naam Aelia Capitolina, en Joden mochten de stad niet meer in. Justinus schrijft in zijn eerste apologie dat Bar Kochba in die oorlog alleen christenen liet straffen, als ze Jezus niet wilden verloochenen. Voor Joden en voor christenen waren het dus allebei pijnlijke jaren, op een verschillende manier.
Waar het gesprek plaatsvond, zegt de Dialoog niet. Eusebius schrijft rond 325 dat het in Efeze was. Het boek beschrijft twee dagen van discussie, over de wet van Mozes, over de profeten en over de vraag of Jezus de Christus is. Trypho is geen stroman. Hij antwoordt dat Justinus een Christus heeft verzonnen, en dat hij beter bij Plato had kunnen blijven. De toon is op plaatsen scherp, van beide kanten. Het boek is geschreven als een literair gesprek. Of het precies zo gevoerd is, kunnen historici niet nagaan.
Het einde is warm. Trypho zegt dat ze meer gevonden hebben dan ze hadden verwacht, en vraagt Justinus hen als vrienden te gedenken. Justinus staat op het punt om met een schip te vertrekken. Ze wensen hem een veilige reis. Hij bidt voor hen.
Twee mannen die het diep met elkaar oneens zijn, en die als vrienden uit elkaar gaan. In de eeuwen daarna is het tussen kerk en synagoge vaak anders gegaan.
EEN SCHOOL BOVEN HET BADHUIS
In de jaren dat keizer Antoninus Pius regeerde, tussen 138 en 161, woonde Justinus in Rome. Eusebius schrijft dat hij daar bloeide. Hij gaf er les, op de manier van een filosoof: mensen kwamen naar hem toe om te luisteren en te vragen. Zijn adres kennen we uit het proces: boven Martinus, bij het badhuis. Daar was, zo zei hij tegen de prefect, de enige samenkomst die hij kende. Het was dus een woning, en ook een leslokaal.
Een van zijn leerlingen was Tatianus. Irenaeus, bisschop van Lyon, schrijft rond 180 dat Tatianus een hoorder van Justinus was. Zolang hij bij Justinus bleef, zei Irenaeus, hield hij geen afwijkende ideeën aan. Na de dood van Justinus ging Tatianus zijn eigen weg en brak hij met de kerk. Het is een eerlijk detail. Ook een goede leraar heeft niet in de hand wat een leerling later doet.
Bij het proces vertelde een van de anderen, Euelpistus, dat hij het geloof had geleerd van zijn ouders in Cappadocië, in het midden van het huidige Turkije, en van het onderwijs van Justinus.
“JULLIE KUNNEN ONS DODEN”
Rond het jaar 155 deed Justinus iets wat weinig mensen durfden. Hij schreef een open brief aan de keizer. Zo’n verdediging heet een apologie. Hij richtte haar aan Antoninus Pius, aan diens zonen, aan de senaat en aan het hele Romeinse volk. Hij zette zijn eigen naam en die van zijn vader en grootvader eronder.
Zijn vraag was eenvoudig. Onderzoek wat christenen doen, en straf hen alleen als ze iets verkeerds gedaan hebben. Hij was niet bang voor de uitkomst. “Jullie kunnen ons doden, maar niet schaden,” schreef hij (vrij vertaald).
Hij beschreef ook hoe het leven van christenen veranderd was. Vroeger zochten ze ontucht, nu wilden ze rein leven. Vroeger deden ze aan toverij, nu wijdden ze zich aan God. Vroeger draaide alles om geld en bezit, nu brachten ze wat ze hadden bij elkaar en deelden het met wie gebrek had. Vroeger haatten ze mensen van andere volken, nu leefden ze met hen samen en baden ze voor hun vijanden.
Of de keizer de brief gelezen heeft, weten we niet. De brief bleef bewaard, en met die brief een venster op de kerk in Rome.
OP DE DAG VAN DE ZON
Aan het eind van zijn apologie doet Justinus iets onverwachts. Hij vertelt de keizer wat christenen eigenlijk doen als ze samenkomen.
Iemand die gedoopt is, schrijft hij, wordt naar de broeders gebracht. Samen bidden ze, voor zichzelf, voor de pasgedoopte en voor mensen overal. Daarna groeten ze elkaar met een kus. Dan worden brood en een beker wijn met water gebracht naar degene die voorgaat. Hij dankt de Vader, door de Zoon en de Heilige Geest. Het volk antwoordt met Amen. Diakenen delen brood en wijn uit aan wie er is, en brengen het naar wie er niet bij kon zijn.
Over de gewone week schrijft hij dat christenen uit de stad en van het platteland samenkomen op de dag die de Romeinen de dag van de zon noemden. Er wordt voorgelezen uit wat Justinus de gedenkschriften van de apostelen noemt, of uit de profeten, zolang de tijd het toelaat. Dan spreekt de voorganger de mensen toe en spoort hen aan om na te doen wat ze gehoord hebben. Ze staan samen op om te bidden. Opnieuw komen brood, wijn en water op tafel. Wie het kan missen, geeft wat hij wil. Van die gaven zorgt de voorganger voor wezen en weduwen, voor zieken, voor gevangenen en voor vreemdelingen. En ze komen op zondag samen, legt hij uit, omdat God op de eerste dag de wereld maakte en Jezus Christus op die dag uit de dood opstond.
Het is de oudste beschrijving van een zondagse samenkomst die bewaard is gebleven. Rooms-katholieke en orthodoxe christenen herkennen er hun eucharistie in. Protestanten en evangelischen herkennen de lezing uit de Bijbel en de preek, pinkstergelovigen het samen opstaan om te bidden. Ik las het voor het eerst en dacht vooral aan die laatste zin over de gaven. Een kerk zonder gebouw, in een stad die haar niet moest, die toch vreemdelingen en gevangenen niet vergat.
ZAADJES VAN HET WOORD
Justinus had een vraag die hem niet losliet. Hoe kon het dat filosofen als Socrates zoveel waars hadden gezegd, lang voor Christus? Zijn antwoord had te maken met de naam die hij het liefst voor Christus gebruikte: het Woord, in het Grieks Logos. Filosofen gebruikten dat woord ook, voor de rede in alles.
Justinus leerde dat het Woord als zaad over alle mensen was uitgestrooid. Wie iets waars zei, deelde daarin, maar slechts gedeeltelijk. In Christus was het Woord helemaal gekomen. Zo kon hij in zijn eerste apologie schrijven dat Socrates en Heraclitus, al werden ze voor goddelozen gehouden, eigenlijk bij Christus hoorden. En in zijn tweede apologie schreef hij dat alles wat ergens door mensen goed gezegd was, aan de christenen toebehoorde.
Het klinkt groots. Toch hield hij zelf afstand van Plato. Hij schreef dat Plato’s leer niet vreemd was aan die van Christus, maar er ook niet in alles mee overeenkwam. Voor zichzelf koos hij duidelijk: “Ik streef er met al mijn kracht naar om als christen gevonden te worden” (vrij vertaald).
Over dit idee wordt in de kerken verschillend gedacht. Hij zelf zag geen tegenstelling. Hij was filosoof geweest om de waarheid te vinden, en hij had haar gevonden.
EEN VROUW, EEN LERAAR EN EEN CYNICUS
In Rome zag Justinus van dichtbij wat het kon kosten om christen te zijn. In zijn tweede apologie vertelt hij over een vrouw die christen werd en haar man verliet, omdat hij een losbandig leven bleef leiden. De man klaagde haar aan als christen. Daarna liet hij haar leraar, Ptolemaeus, oppakken. Toen Ptolemaeus voor de rechter Urbicus zei dat hij christen was, werd hij veroordeeld. Een man die Lucius heette protesteerde tegen het vonnis. Hij werd ook weggevoerd, en na hem nog een derde. We kennen hun namen alleen uit Justinus.
In dezelfde tekst schrijft hij dat hij verwacht zelf het slachtoffer te worden van zulke aanklagers. Hij noemt er een bij naam: Crescens, een filosoof van de Cynische school, die openlijk tegen de christenen sprak zonder te weten waarover hij het had. Justinus had hem in het openbaar vragen gesteld, en volgens hem bleek Crescens er niets van te weten. Hij bood aan het gesprek over te doen in bijzijn van de vorst.
Zijn leerling Tatianus schreef later dat Crescens geprobeerd had Justinus, en ook hemzelf, de doodstraf te bezorgen. Eusebius trok rond 325 de conclusie dat Justinus door de listen van Crescens stierf. Of Crescens werkelijk achter de aanklacht zat die Justinus het leven kostte, zegt de akte van het proces niet. Het is goed mogelijk. Bewezen is het niet.
VOOR DE LERAAR VAN DE KEIZER
En zo staan we weer in de rechtszaal, onder keizer Marcus Aurelius, ergens tussen 162 en 168, de jaren dat Rusticus stadsprefect was. De meeste historici houden het op ongeveer 165.
Het verslag noemt zes mensen naast Justinus. Chariton zei dat hij christen was door Gods gebod. Charito, de enige vrouw, zei dat ze christen was door Gods genade. Euelpistus was een slaaf van de keizer. Hij zei dat hij door Christus vrij was gemaakt. Hierax kwam uit Iconium in Frygië, het huidige Konya in Turkije. Zijn ouders waren overleden, en hij zei dat Christus zijn ware vader was. Paeon had het geloof van zijn ouders ontvangen. Liberianus zei eenvoudig dat hij de enige ware God aanbad.
Rusticus vroeg Justinus nog wat hij geloofde. Justinus antwoordde dat hij alle leren had leren kennen, en zich ten slotte had aangesloten bij de christenen. Hij aanbad de ene God die alles gemaakt had, en Jezus Christus, de Zoon van God, over Wie de profeten gesproken hadden.
De prefect waarschuwde dat wie weigerde te offeren, gegeseld en onthoofd zou worden. Justinus antwoordde dat hij hoopte, door te volharden, Gods gaven te ontvangen. Het vonnis kwam. Ze werden gegeseld en naar de gewone plaats gebracht, en daar onthoofd.
Sommige latere handschriften vertellen dat Justinus stierf door een gifbeker, zoals Socrates. De Engelse vertalers van de kerkvaders noemden dat in de negentiende eeuw al een latere toevoeging: Grieken gaven een filosoof graag zo’n dood.
ZEVEN LICHAMEN
Wat bleef er? Een paar boeken. Eusebius noemde rond 325 een hele lijst, maar de meeste zijn verloren gegaan. Twee apologieën en de Dialoog met Trypho zijn er nog. Andere geschriften die lang op zijn naam stonden, gelden nu als niet van hem.
In de rooms-katholieke kerk, de orthodoxe kerken, de anglicaanse kerk en de lutherse kerken wordt hij herdacht op 1 juni. Een kerk in Sacrofano, vlak bij Rome, zegt zijn relieken te hebben, en ook op Malta worden botten aan hem toegeschreven. Of dat klopt, is niet na te gaan.
Wat ik bijzonder vind aan Justinus, is hoe gewoon zijn plek was. Geen kerkgebouw, geen titel. Een kamer boven een badhuis, waar wie wilde binnen kon lopen met een vraag. Een filosoof die zijn mantel hield, omdat hij bleef zoeken naar waarheid en vond dat hij haar in Christus gevonden had. Zou jij durven uitleggen wat je gelooft aan iemand die het niet wil horen, met je naam en adres erbij?
Het verslag van het proces eindigt niet bij de prefect. Het eindigt bij een paar gelovigen van wie we de namen niet kennen. In stilte haalden zij de lichamen op en legden ze op een passende plek te ruste.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): afkomst uit Flavia Neapolis (eigen Eerste Apologie, herhaald door Eusebius rond 325); verblijf en onderwijs in Rome onder Antoninus Pius; Tatianus als leerling (Tatianus zelf en Irenaeus rond 180); de Eerste en Tweede Apologie en de Dialoog met Trypho als eigen werken; de beschrijving van doop en zondagsdienst in de Eerste Apologie; de vijandschap van de Cynicus Crescens (Justinus zelf en Tatianus); dood als martelaar in Rome onder stadsprefect Junius Rusticus (162 tot 168), waarschijnlijk rond 165.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn tocht langs vier filosofische scholen, de oude man bij de zee en zijn bekering (alleen Dialoog met Trypho); dat het moed van christenen tegenover de dood hem aan het denken zette (Tweede Apologie); het gesprek met Trypho en de plaats Efeze (die plaats alleen bij Eusebius); het verloop van het proces, zijn adres en de namen van de zes anderen (Acta Justini, anoniem en ongedateerd).
Onbevestigd: jaar en plaats van zijn bekering (ongeveer 132 en Efeze worden vaak genoemd); dat Crescens de aanklacht tegen hem indiende (Tatianus zegt dat hij het probeerde, Eusebius maakt er een zekerheid van); de dood door een gifbeker (latere toevoeging); de relieken in Sacrofano en op Malta.
Duiding: of de Dialoog een letterlijk verslag is of een later uitgewerkt gesprek, is onder historici een open vraag. Zijn leer over het Woord als zaad bij alle volken wordt in de kerken verschillend gewaardeerd.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Justinus, Dialoog met Trypho, hoofdstuk 1 tot 9 (New Advent)
- Justinus, Dialoog met Trypho, hoofdstuk 142 (CCEL)
- Justinus, Eerste Apologie (New Advent)
- Justinus, Eerste Apologie, hoofdstuk 2 (CCEL)
- Justinus, Eerste Apologie, hoofdstuk 14 (CCEL)
- Justinus, Eerste Apologie, hoofdstuk 31 (CCEL)
- Justinus, Eerste Apologie, hoofdstuk 46 (CCEL)
- Justinus, Eerste Apologie, hoofdstuk 65 (CCEL)
- Justinus, Eerste Apologie, hoofdstuk 67 (CCEL)
- Justinus, Tweede Apologie, hoofdstuk 2 (CCEL)
- Justinus, Tweede Apologie, hoofdstuk 3 (CCEL)
- Justinus, Tweede Apologie, hoofdstuk 12 (CCEL)
- Justinus, Tweede Apologie, hoofdstuk 13 (CCEL)
- Het martelaarschap van Justinus en zijn metgezellen (Tertullian.org, ANF 1)
- Inleiding op het martelaarschap van Justinus (CCEL, ANF 1)
- Over de versies van de Acta Justini (CAMWS 2018, abstract)
- Tatianus, Rede tot de Grieken, hoofdstuk 19 (CCEL)
- Irenaeus, Tegen de ketterijen, boek 1, hoofdstuk 28 (New Advent)
- Eusebius, Kerkgeschiedenis, boek 4 (New Advent)
- Britannica, Saint Justin Martyr
- Christian History Institute, Justin Martyr
- Wikipedia, Justin Martyr
- Wikipedia, Junius Rusticus
- Wikipedia, Flavia Neapolis
- Wikipedia, Bar Kokhba revolt