Een vader staat in Carthago bij zijn dochter, die onder bewaking is gesteld, en praat op haar in. Hij wil dat ze haar geloof opgeeft. Zij wijst naar een kruik die op de grond staat, een gewone pot voor water. Ze vraagt hem of hij dat ding een andere naam kan geven dan wat het is. Nee, zegt hij. Dan antwoordt ze: “Ik kan mij ook niets anders noemen dan wat ik ben, een christen.” Haar vader wordt zo kwaad dat hij op haar afvliegt alsof hij haar de ogen wil uitsteken. Daarna gaat hij weg.
We weten dit omdat de dochter het zelf opschreef. Ze heette Perpetua, ze was ongeveer tweeëntwintig jaar en ze had een zoontje dat ze nog de borst gaf. Haar verslag van de dagen in de gevangenis is bewaard gebleven in een tekst die de Passio Perpetuae et Felicitatis heet, het lijdensverhaal van Perpetua en Felicitas. Twee geleerden die er in 2012 een groot boek over uitgaven, Jan Bremmer en Marco Formisano, noemen haar deel “het eerste bewaarde autobiografische verslag van een vrouw uit de oudheid” (vrij vertaald). Kort daarna stierf ze in de arena van Carthago, samen met een zwangere jonge slavin die Felicitas heette.
Hun namen worden tot op vandaag genoemd in het gebed van de kerk. Maar het begon met wat een jonge vrouw in de gevangenis opschreef.
EEN VERJAARDAG IN HET KEIZERSHUIS
Carthago lag aan de Middellandse Zee, vlak bij het huidige Tunis, de hoofdstad van Tunesië. Rond het jaar 200 was het een van de belangrijke steden van het Romeinse rijk, met een amfitheater voor de spelen. Noord-Afrika had in die tijd een levendige christelijke gemeenschap. In Carthago woonde ook Tertullianus, een christelijk schrijver die in het Latijn schreef. Hij leefde in dezelfde jaren als Perpetua en noemde haar later bij naam.
Keizer was Septimius Severus. Een latere Romeinse geschiedenis, de Historia Augusta, zegt dat hij bekering tot het jodendom en het christendom verbood. Historici vertrouwen die bron weinig. Waarschijnlijk ging het om plaatselijke vervolging. Wie christen was en weigerde te offeren voor het welzijn van de keizer, kon voor de rechter komen.
De Passio geeft zelf een belangrijk detail. De martelaren moesten sterven bij spelen ter ere van de verjaardag van Geta Caesar, een zoon van de keizer. De traditie houdt het op 7 maart 203. De meeste geleerden volgen die datum. Een enkeling denkt aan 204 of nog iets later. Dat de tekst Geta zonder meer noemt, is een aanwijzing dat hij snel is opgeschreven. Na Geta’s dood in 211 werd zijn naam overal uitgewist.
WIE SCHREEF WAT?
Voordat we verder lezen, moet je weten hoe deze tekst in elkaar zit.
De Passio heeft eenentwintig korte hoofdstukken. De eerste twee en de laatste acht zijn geschreven door een redacteur. Zijn naam kennen we niet. Hij zegt dat Perpetua haar verhaal naliet zoals zij het met eigen hand en naar eigen inzicht had beschreven. Daarna volgt, in de hoofdstukken drie tot en met tien, Perpetua zelf, in de ik-vorm. In de hoofdstukken elf tot en met dertien vertelt een andere gevangene, Saturus, een droom die hij volgens de redacteur zelf heeft opgeschreven. Vanaf hoofdstuk veertien neemt de redacteur het weer over. Hij vertelt over de geboorte van Felicitas en over de dood in de arena.
Dit betekent dat we drie stemmen hebben. Wat Perpetua over de gevangenis zegt, is haar eigen getuigenis. Wat over haar dood verteld wordt, komt van iemand anders, die volgens de Catholic Encyclopedia van 1909 een ooggetuige was. Ik zal in dit hoofdstuk steeds zeggen wie er aan het woord is.
VIJF LEERLINGEN EN EEN MAN DIE ZICHZELF AANGAF
De redacteur noemt eerst de mensen die werden opgepakt. Het waren catechumenen, leerlingen die les kregen in het geloof en zich voorbereidden op de doop. Revocatus en Felicitas, die hij zijn medeslavin noemt. Saturninus en Secundulus. En Vibia Perpetua.
Over haar geeft hij meer. Ze was van goede afkomst, ruim opgevoed en eervol getrouwd. Ze had een vader, een moeder en twee broers, van wie er één ook catechumeen was. Over haar man zegt de tekst verder niets. Waarom hij ontbreekt, weten we niet. Er wordt vaak gezegd dat Felicitas de slavin van Perpetua was, maar dat staat er niet. De tekst noemt haar alleen de medeslavin van Revocatus.
Saturus werd niet gearresteerd. Hij meldde zich vrijwillig, schrijft Perpetua, omdat hij degene was die hen had opgebouwd in het geloof.
In die eerste dagen, nog voordat ze naar de echte gevangenis gingen, werden de leerlingen gedoopt. Perpetua schrijft dat de Geest haar toen zei om na dat water nergens anders om te bidden dan om volharding van het lichaam. Ze wist dus al waar het heen ging.
Toen kwam de kerker. Perpetua schrijft dat ze heel bang was, omdat ze nooit zo’n duisternis had meegemaakt. Het was er heet door het gedrang. De soldaten duwden. En ze maakte zich zorgen om haar baby.
Twee diakenen van de gemeente, Tertius en Pomponius, regelden met geld dat de gevangenen een paar uur per dag naar een beter deel van de gevangenis mochten. Daar gaf ze haar kind de borst. Ze sprak met haar moeder, troostte haar broer en vertrouwde haar zoon aan hen toe. Later kreeg ze gedaan dat het kind bij haar in de cel mocht blijven. Ze schrijft dat de kerker voor haar toen als een paleis werd, en dat ze er liever was dan ergens anders.
Het is een zin die ik niet goed kan plaatsen, en misschien hoeft dat ook niet. Een jonge moeder in een donkere cel, met haar kind tegen zich aan, die schrijft dat ze er niet weg wil. Ze legt het niet uit. Ze zegt het gewoon.
EEN LADDER MET EEN DRAAK ERONDER
Haar broer vroeg haar om God een visioen te vragen, zodat ze zouden weten waar het op uit zou lopen. Perpetua beloofde het. Ze wist, schrijft ze, dat ze met de Heer mocht spreken.
Ze zag een ladder van grote hoogte, waarop maar één persoon tegelijk kon klimmen. Aan de zijkanten zaten zwaarden, lansen, haken en dolken. Onder de ladder lag een draak. Saturus klom als eerste naar boven en moedigde haar van daaruit aan. Ze stapte op de kop van de draak als op de eerste trede.
Boven zag ze een grote tuin. In het midden zat een man met wit haar, gekleed als herder, die schapen molk. Om hem heen stonden vele duizenden mensen in het wit. Hij keek op en zei: welkom, kind. Hij gaf haar een hapje van wat hij van de melk maakte. Ze at het, en allen die erbij stonden zeiden amen. Toen werd ze wakker.
Ze vertelde het aan haar broer. Ze begrepen dat het lijden zou worden. Vanaf dat moment hoopten ze niet meer op deze wereld.
DE GRIJZE HAREN VAN EEN VADER
Haar vader kwam terug. Ze noteert zijn woorden uitvoerig. Hij vroeg haar medelijden te hebben met zijn grijze haren. Hij herinnerde haar eraan dat hij haar had grootgebracht tot de bloei van haar leven. Hij wees op haar broers, haar moeder, haar tante en haar zoontje. Hij kuste haar handen en noemde haar geen dochter meer, maar vrouwe.
Perpetua schrijft dat ze verdriet had om zijn grijze haren, omdat hij als enige van haar familie niet blij zou zijn met haar lijden. Ze zei tegen hem dat er zou gebeuren wat God wilde, want dat we niet in onze eigen macht staan, maar in die van God.
Op een dag werden ze onder het eten weggehaald voor het verhoor. Er kwam een grote menigte. De procurator Hilarianus, die in plaats van de proconsul de macht over leven en dood had gekregen, zei tegen haar dat ze de grijze haren van haar vader moest sparen en het kind ook, en dat ze moest offeren voor het welzijn van de keizers. Ze weigerde. “Ik ben christen,” zei ze.
Haar vader stond erbij. Op bevel van Hilarianus werd hij geslagen. Perpetua schrijft dat het haar pijn deed alsof ze zelf geslagen was. Toen sprak Hilarianus het vonnis uit: allemaal naar de wilde dieren. Ze gingen opgewekt terug naar de kerker, schrijft ze.
Haar vader weigerde daarna haar zoon terug te geven. Het kind wilde de borst niet meer, en ze kreeg er zelf geen koorts van.
Wat doe je met zo’n vader? Ik lees deze bladzijden en ik kan hem niet veroordelen. Hij was een man die zijn dochter niet wilde verliezen. Perpetua veroordeelt hem ook niet. Ze schrijft over hem met verdriet, niet met verwijt.
EEN JONGEN BIJ HET WATER
Op een dag, tijdens het gebed, sprak Perpetua ineens de naam Dinocrates uit. Ze was zelf verbaasd. Dinocrates was haar broertje, dat op zevenjarige leeftijd was gestorven aan een ziekte die zijn gezicht had aangetast. Ze had niet meer aan hem gedacht.
Die nacht zag ze hem. Hij kwam uit een donkere plek, verhit en dorstig, met de wond nog op zijn gezicht. Naast hem stond een bak met water, maar de rand was hoger dan hij lang was. Ze bad dag en nacht voor hem, met tranen. Een paar dagen later zag ze hem opnieuw. Nu was hij schoon, de wond was een litteken geworden, en de rand van de bak kwam tot zijn navel. Er stond een beker water op die niet leeg raakte. Hij dronk, en daarna ging hij spelen, zoals kinderen doen. Ze werd wakker en begreep dat hij verlost was van zijn straf.
Dit visioen heeft de kerk eeuwen beziggehouden. Rond 421 schreef Augustinus, de bisschop van Hippo in het huidige Algerije, over iemand die met het verhaal van Dinocrates wilde bewijzen dat ongedoopte kinderen in het paradijs kunnen komen. Augustinus wees dat af. Hij merkte op dat het verhaal niet in de canonieke Bijbelboeken staat, en dat nergens staat dat het jongetje ongedoopt was. Opvallend is hoe hij over de schrijver spreekt: “de heilige zelf, of wie het verslag ook schreef” (vrij vertaald). Twee eeuwen na haar dood was voor Augustinus niet helemaal zeker wie de pen had vastgehouden.
DE EGYPTENAAR IN HET ZAND
Inmiddels was er iets veranderd. Pudens, de adjudant die over de gevangenis ging, begon de gevangenen te waarderen. Hij liet veel bezoekers binnen, zodat ze elkaar konden bemoedigen. Haar vader kwam nog één keer, kapot van verdriet.
De dag voor de spelen had Perpetua haar laatste visioen. Ze zag zich naar de arena gebracht worden, waar een angstaanjagende Egyptenaar met haar moest vechten. Ze werd ontkleed en merkte dat ze een man was geworden. Een man van enorme lengte, een soort trainer, had een groene tak met gouden appels als prijs. Ze vocht, kwam boven de Egyptenaar uit en zette haar voet op zijn hoofd. Ze kreeg de tak. Toen werd ze wakker.
Ze begreep, schrijft ze, dat ze niet met wilde dieren zou vechten, maar met de duivel. Haar laatste zin over het visioen is kort: maar ik wist dat de overwinning van mij was.
Daarna legt ze de pen neer. Dit heb ik gedaan tot de dag voor de spelen, schrijft ze. Wie wil, mag de rest opschrijven.
WAT SATURUS OPSCHREEF
Saturus had ook een droom, en die schreef hij zelf op, zegt de redacteur. Engelen droegen hem en Perpetua naar het oosten, naar een tuin en een groot licht. Daar ontmoetten ze martelaren die hen waren voorgegaan, onder wie Jocundus, Saturninus, Artaxius en Quintus. Ze kwamen in een ruimte waar oudsten zongen: heilig, heilig, heilig. Ze werden gekust en gingen spelen.
Toen ze naar buiten kwamen, stonden daar de bisschop Optatus en de presbyter, de oudste, Aspasius. Ze waren met elkaar in onmin. Ze vroegen Perpetua en Saturus om vrede te stichten, en Perpetua sprak met hen onder een rozenstruik. Toen kwamen de engelen erbij. Ze zeiden tegen Optatus dat hij zijn mensen moest corrigeren, die bij hem kwamen alsof ze van de wagenrennen terugkwamen, ruziënd over hun partij.
Het is een eerlijk detail. Al in 203 was de kerk van Carthago geen volmaakte gemeenschap. Een bisschop en een oudste lagen met elkaar overhoop, en een gevangene droomde dat de engelen hen tot de orde riepen. Over wat die onenigheid was, zegt de tekst niets.
FELICITAS EN HAAR DOCHTER
Vanaf hier vertelt de redacteur. Secundulus stierf nog in de gevangenis. Felicitas was acht maanden zwanger. Ze was bang dat ze niet met de anderen zou mogen sterven, omdat de wet verbood zwangere vrouwen in het openbaar terecht te stellen.
Drie dagen voor de spelen baden de anderen samen met haar. Direct na het gebed kreeg ze weeën. Ze had veel pijn. Een van de dienaren van de gevangenis spotte met haar. Als je nu al zo lijdt, zei hij, wat doe je dan straks als je voor de dieren wordt gegooid? Ze antwoordde dat zij nu zelf leed wat ze leed, maar dat er in de arena een Ander in haar zou zijn die voor haar zou lijden, omdat ook zij voor Hem ging lijden. Ze kreeg een dochter. Een zuster uit de gemeente nam het meisje op als haar eigen kind.
Van Felicitas zelf hebben we geen enkel geschreven woord. Alleen dit ene antwoord, opgetekend door iemand anders. Ze was jong, ze was slavin, en haar naam staat in de titel van het boek naast die van een vrouw van stand.
De tribuun die de gevangenis bewaakte, was strenger geworden. Hij had van iemand gehoord dat de gevangenen door toverij zouden kunnen ontsnappen. Perpetua sprak hem aan. Waarom gunde hij hun geen rust, vroeg ze, terwijl ze op de verjaardag van de Caesar moesten vechten? Was het niet in zijn eigen belang dat ze er goed uitzagen? De tribuun schrok en liet hen menselijker behandelen. Pudens, de adjudant, was intussen zelf tot geloof gekomen.
Op de avond voor de spelen aten ze hun laatste maaltijd. Er kwamen nieuwsgierigen kijken. Saturus sprak hen aan. Hij zei dat ze goed naar hun gezichten moesten kijken, zodat ze hen terug zouden herkennen op de dag van het oordeel. Volgens de redacteur gingen velen naar huis en kwamen tot geloof.
ZEVENDE MAART
Op de dag van de spelen gingen ze naar het amfitheater, schrijft de redacteur, alsof ze naar de hemel gingen. Ze moesten zich verkleden: de mannen als priesters van Saturnus, de vrouwen als vrouwen die aan Ceres waren gewijd. Perpetua weigerde. Ze waren hier vrijwillig gekomen, zei ze, juist om hun vrijheid niet te verliezen. Ze gingen in hun eigen kleren naar binnen.
Wat volgt, vertel ik kort. De redacteur schreef het op om te laten zien hoe de martelaren standhielden, en ik wil het daarbij laten. De mannen werden op een luipaard, een beer en een everzwijn afgestuurd. Voor de vrouwen was een wilde koe klaargezet. Perpetua werd omvergeworpen. Ze trok haar gescheurde kleding recht en stak haar haar op. Toen zag ze Felicitas liggen en hielp haar overeind. Volgens de redacteur was Perpetua zo in vervoering van de Geest dat ze daarna vroeg wanneer ze eigenlijk naar die koe moesten. Ze geloofde het pas toen ze de sporen op haar lichaam zag.
Ze riep haar broer en een catechumeen bij zich. Ze zei hun vast te staan in het geloof en elkaar lief te hebben, en geen aanstoot te nemen aan wat zij moest doorstaan.
Saturus werd door een luipaard gebeten. Hij nam afscheid van Pudens en vroeg hem aan zijn geloof te denken. Hij gaf hem zijn ring als aandenken.
Aan het eind eiste het publiek dat de gewonden naar voren werden gebracht. Ze stonden zelf op en gingen erheen. Eerst kusten ze elkaar, schrijft de redacteur, om hun martelaarschap te voltooien met de vredeskus. Daarna stierven ze door het zwaard. De gladiator die Perpetua moest doden, was jong en onervaren. Zijn hand trilde. Zij bracht die hand zelf naar haar keel.
WAAROM ZOU EEN MAN DIT VERZINNEN?
In 1889 werd in Jeruzalem een Griekse versie van de tekst gevonden. Een tijd lang dacht een deel van de geleerden dat die ouder was. Tegenwoordig nemen de meesten aan dat het Latijn het origineel is.
De redacteur is vaak voor Tertullianus gehouden. De oude patroloog Quasten vond dat daar redenen voor waren. De Catholic Encyclopedia noemde het in 1909 een onbewezen bewering. Bremmer en Formisano denken aan iemand die dicht bij Tertullianus stond en zijn ideeën deelde, maar niet hijzelf was.
Een tweede vraag is of de martelaren tot de beweging van het montanisme behoorden, een stroming uit Klein-Azië die veel waarde hechtte aan nieuwe profetieën. De redacteur verdedigt in zijn inleiding de visioenen van zijn eigen tijd. Hij citeert daarvoor de profeet Joël, zoals Petrus dat op de Pinksterdag deed: en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen. (Handelingen 2:17). De historicus Timothy Barnes verdedigde in 1973 dat de tekst montanistisch was en trok dat in 1982 weer in. Er staat in de tekst niets wat duidelijk bij die beweging hoort.
En dan de grootste vraag: schreef Perpetua dit echt zelf? De meeste geleerden zeggen ja, met een slag om de arm. Bremmer en Formisano noemen haar dagboek in wezen echt, maar bewerkt door de redacteur, zodat we haar precieze woorden niet kunnen terugvinden. Ross Kraemer en Shira Lander stelden in 2000 dat een man ook als een vrouw kan schrijven, en dat de tekst misschien naar de profetie van Joël is gevormd. Thomas Heffernan, die in 2012 de grote tekstuitgave maakte, ziet het meer als aantekeningen dan als een dagboek. De Nijmeegse latinist Vincent Hunink woog de argumenten en zag “geen serieus probleem” om de tekst te lezen als haar eigen werk. Volgens Hunink zegt de tekst duidelijk dat ze het met eigen hand schreef, en zijn persoonlijke dingen als haar angst in het donker en de hitte in de cel niet het soort details dat een man zou verzinnen.
Ik ben geen latinist. Ik lees deze bladzijden en ik hoor een vrouw die met een kind aan haar borst, een vader aan haar voeten en een vonnis boven haar hoofd zei wat ze had gezien en wat ze geloofde. Of elk woord van haar is, kan niemand bewijzen. Dat er een vrouw achter staat, denken de meeste geleerden die zich erin verdiepten wel.
EEN NAAM IN HET GEBED VAN DE KERK
Het verhaal ging snel rond. Al in de jaren na haar dood noemde Tertullianus haar in zijn boek over de ziel “de zeer dappere martelares Perpetua”. Hij verwees naar haar visioen van het paradijs, waarin ze alleen medemartelaren zag. Het is de oudste verwijzing naar de Passio die we hebben.
In de vierde eeuw stonden Perpetua en Felicitas in de kalender van de kerk van Rome. In Noord-Afrika werd hun lijdensverhaal op hun feestdag in de kerk voorgelezen. Augustinus hield er preken over. In een daarvan zei hij, zo citeert de oude heiligenkalender van Butler, dat hun feest elk jaar meer mensen trok dan er ooit naar hun dood hadden gekeken. Boven hun graf in Carthago werd later een grote kerk gebouwd, de Basilica Maiorum. De Franse priester en archeoloog Delattre vond daar een oude inscriptie met hun namen. Hij publiceerde erover in 1907.
Hun namen staan, zo meldt Butler, in de canon van de mis, het vaste gebed bij de eucharistie in de rooms-katholieke kerk. Hun feestdag is 7 maart.
Je hoeft geen martelaar te worden om iets aan Perpetua te hebben. Maar misschien ken je het gesprek met de vader. Iemand die van je houdt en niet begrijpt waarom je doet wat je doet. Iemand die vraagt of je het niet een beetje anders kunt noemen.
Ergens in Carthago stond een kruik op de grond. Een vader keek ernaar en kon er geen andere naam voor bedenken. Zijn dochter ook niet.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de dood van Perpetua, Felicitas, Saturus, Revocatus en Saturninus in het amfitheater van Carthago bij spelen voor de verjaardag van Geta Caesar, traditioneel op 7 maart 203; het bestaan van de Passio met drie stemmen (redacteur, Perpetua, Saturus); de vroege bekendheid van Perpetua bij Tertullianus; de verering in Noord-Afrika en Rome vanaf de vierde eeuw; de preken van Augustinus; de Basilica Maiorum en de inscriptie die Delattre vond.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: alles over de gevangenschap, het gesprek over de kruik, het verhoor bij Hilarianus en de vier visioenen van Perpetua komt uit haar eigen verslag; de droom over Optatus en Aspasius komt van Saturus; de geboorte van de dochter van Felicitas, de laatste maaltijd, de bekering van Pudens en de gebeurtenissen in de arena komen van de onbekende redacteur. De kortere latere Acta zijn een bewerking en voegen geen onafhankelijk getuigenis toe.
Onbevestigd: of de redacteur Tertullianus was; of de martelaren montanisten waren; het jaar (enkele geleerden denken aan 204 of later); een algemeen edict van Severus tegen bekering (alleen in de onbetrouwbare Historia Augusta); dat Felicitas de slavin van Perpetua was (de tekst zegt het niet); waarom de man van Perpetua ontbreekt.
Duiding: de meeste geleerden houden het deel van Perpetua voor in wezen echt, maar bewerkt. Een minderheid twijfelt aan haar auteurschap. Of haar visioenen van God kwamen, is een geloofsvraag die geen historicus kan beantwoorden.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- The Passion of the Holy Martyrs Perpetua and Felicitas, vert. R.E. Wallis (Ante-Nicene Fathers 3), New Advent
- The Passion of Perpetua and Felicity, vert. W.H. Shewring (1931), Early Christian Writings
- Early Christian Writings, Acts of Perpetua and Felicitas (met Quasten)
- Jan N. Bremmer en Marco Formisano, “Perpetua’s Passions: A Brief Introduction” (2012)
- Bryn Mawr Classical Review, L. Stephanie Cobb over Perpetua’s Passions
- Bryn Mawr Classical Review 2013.01.58, over Heffernan, The Passion of Perpetua and Felicity
- Bryn Mawr Classical Review 2022.09.29, over Hendrickson e.a., The Passion of Perpetua
- Vincent Hunink, over het auteurschap van Perpetua, Listy filologické
- Vincent Hunink, recensie van Heffernan, Histos
- Catholic Encyclopedia (1909), Sts. Felicitas and Perpetua
- Tertullianus, De anima 55 (BKV, Universiteit Fribourg)
- Augustinus, Over de ziel en haar oorsprong, boek 1, hoofdstuk 10
- Butler’s Lives of the Saints, St. Perpetua and Felicitas (EWTN)
- Christian History, nr. 27 (1990), Perpetua and Polycarp
- Christianity Today, Perpetua
- Wikipedia, Passion of Saints Perpetua and Felicity