Het is ergens rond het jaar 270, in een dorp langs de Nijl. Een jongeman van een jaar of twintig loopt naar de kerk. Zijn ouders zijn een half jaar eerder gestorven. Hij heeft een huis, een jong zusje en een flink stuk vruchtbare grond. Onderweg denkt hij na over de apostelen, die alles achterlieten om Jezus te volgen.
Als hij binnenkomt, wordt uit het evangelie gelezen. Het is het verhaal van de rijke jongeman, en de woorden van Jezus aan hem: Als u volmaakt wilt zijn, ga dan heen, verkoop wat u hebt, en geef het aan de armen (Mattheüs 19:21). De jongeman in de kerk hoort het alsof het tegen hem gezegd wordt. Hij gaat naar buiten en geeft zijn land weg aan de mensen uit het dorp.
Zo vertelt Athanasius, bisschop van Alexandrië, het rond het jaar 360 in zijn Leven van Antonius. Over Athanasius gaat elders in dit boek een eigen hoofdstuk. Hier is hij vooral de man die het verhaal van zijn vriend opschreef. Dat verhaal ging de hele christelijke wereld rond. Binnen enkele tientallen jaren na zijn dood werd het in het Latijn gelezen, tot in het huidige Duitsland toe. Hij werd de man naar wie kloosterlingen in Oost en West wijzen als hun eerste voorbeeld.
Hij kwam uit een dorp dat Koma heette.
KOMA, IN DE JAREN VAN DECIUS
Antonius werd rond 251 geboren in Koma, in Midden-Egypte. Het dorp heet nu Qiman al-Arus en ligt in de provincie Beni Suef. Het jaartal is een terugrekening: bij zijn dood zei hij zelf dat hij bijna honderdvijf was.
Egypte was in die tijd een provincie van het Romeinse rijk. Antonius zelf sprak Koptisch, de taal van het Egyptische platteland. Met Griekstalige bezoekers had hij later een tolk nodig. In Alexandrië, de grote havenstad aan de Middellandse Zee, waar de bisschop zetelde, werd Grieks gesproken en geschreven.
Voor christenen waren het onrustige jaren. In de jaren rond zijn geboorte, tussen 249 en 251, liet keizer Decius in het hele rijk christenen vervolgen. Wie weigerde aan de goden te offeren, liep gevaar. Volgens de tijdlijn van Christian History vluchtten toen veel Egyptische christenen de woestijn in.
Athanasius schrijft dat Antonius’ ouders christenen waren, van goede familie en welgesteld. Als jongen wilde hij niet naar school om lezen en schrijven te leren. Hij bleef liever thuis en ging met zijn ouders naar de kerk. Dat beeld van een eenvoudige, ongeletterde jongen komt terug in het hele boek. Verderop zal blijken dat niet iedereen het gelooft.
DRIEHONDERD AKKERS EN EEN ZUSJE
Antonius was achttien of twintig toen zijn ouders stierven, zo schrijft Athanasius. Het land dat hij erfde, noemt hij driehonderd akkers groot, goede en vruchtbare grond. Dat land gaf hij na die kerkdienst weg aan de dorpelingen, zodat het hem en zijn zus niet meer tot last zou zijn. De rest van zijn bezit verkocht hij. Het geld gaf hij aan de armen. Een klein deel hield hij apart voor zijn zusje.
Kort daarna hoorde hij in de kerk een ander woord van Jezus, dat je je niet bezorgd moet maken over de dag van morgen. Hij gaf ook het laatste weg. Zijn zus bracht hij onder bij vrouwen die hun leven aan God hadden gewijd, “bekende en trouwe maagden”, zoals de Engelse vertaling zegt. Er waren in die tijd al christenen, mannen en vrouwen, die ongetrouwd bleven en in eenvoud leefden.
Ik blijf even staan bij dat zusje. Athanasius noemt haar geen enkele keer bij naam. We weten niet wat zij ervan vond dat haar broer alles weggaf. Wat we wel lezen, is dat de zorg om haar later aan Antonius bleef trekken. Athanasius rekent die zorg tot de aanvallen van de duivel. Een moderne lezer mag zich afvragen of het niet gewoon liefde was.
Hoe zou jij reageren als een Bijbeltekst die je al vaak gehoord hebt, ineens voelt alsof hij voor jou alleen bedoeld is?
Antonius ging niet meteen de woestijn in. Eerst leefde hij aan de rand van zijn eigen dorp. In een naburig dorp woonde een oude man die al vanaf zijn jeugd in afzondering leefde. Antonius zocht hem op en leerde van hem. Hij bezocht ook andere mensen die op die manier leefden, en probeerde van elk iets over te nemen.
Hij werkte met zijn handen. Wat hij verdiende, gebruikte hij voor brood. De rest gaf hij weg. Volgens Athanasius bad hij in stilte, aan één stuk door.
Het Griekse woord voor deze manier van leven is askesis, oefening. Christian History dateert het begin rond 271. Het woord monnik komt van het Griekse monachos, iemand die alleen is. Antonius was niet de eerste. Athanasius schrijft zelf dat er al oude mannen waren van wie hij leerde. Ook Wikipedia wijst er, met verwijzing naar oudere naslagwerken, op dat hij niet de eerste asceet was. Wel werd hij de bekendste.
“IK WAS HIER”
Dan vertelt Athanasius een reeks verhalen die je anders moet lezen. Ze komen uit een heiligenleven, een hagiografie: een levensverhaal dat bedoeld is om te bewonderen en na te volgen. Geen enkele andere bron uit die tijd bevestigt ze.
Volgens dit verhaal trok Antonius zich terug in een graf, een eind buiten het dorp. Een kennis bracht hem met tussenpozen van vele dagen brood en sloot hem in. Daar zouden demonen hem zo hevig hebben geslagen dat hij sprakeloos op de grond lag. Toen hij weer op krachten kwam, ging hij terug naar het graf.
In het verhaal verdwijnen daarna de demonen. Antonius vraagt waar de Heer was toen het zo zwaar was. Het antwoord dat Athanasius optekent, luidt vrij vertaald: “Antonius, Ik was hier, maar Ik wachtte om je strijd te zien.” Antonius was toen volgens Athanasius ongeveer vijfendertig.
Ik geef dit verhaal door zoals het is opgeschreven. Of het een gebeurtenis in de buitenwereld beschrijft, een innerlijke strijd in beeldtaal, of allebei, kunnen we niet vaststellen. Op een studiedag van de kloostergemeenschap van Bose in 2025 werd erop gewezen dat de graftombe nergens te vinden is. Ook werd gezegd dat een van de brieven die aan Antonius worden toegeschreven, de strijd met het kwaad veel soberder beschrijft. Wat wel overeind blijft, is de vraag uit het verhaal. Waar was U? Die vraag stellen mensen nog steeds.
TWINTIG JAAR ACHTER EEN DICHTE DEUR
Rond 285 of 286 stak Antonius de Nijl over, naar de oostkant. Daar stond een verlaten fort. Hij sloot zich erin op met brood voor zes maanden. Twee keer per jaar werd er nieuw brood over de muur naar binnen gelaten. Zo blijft hij, volgens Athanasius, bijna twintig jaar.
Die plaats wordt in de traditie verbonden met Pispir, de bergrug die nu Dayr al-Maymun heet, in de provincie Giza, aan de oostoever van de Nijl. De jaartallen 285 en 286 komen uit moderne reconstructies. Athanasius zelf geeft geen jaartallen, alleen leeftijden en tijdsduren.
Volgens Athanasius wilden steeds meer mensen hem zien. Rond 305 of 306 hielden zijn kennissen het niet meer. Ze trokken de deur met geweld los. Wat ze zagen, beschrijft Athanasius nuchter: hij was lichamelijk dezelfde als twintig jaar eerder. Niet dik, niet uitgemergeld.
Volgens Athanasius genas de Heer door hem van veel aanwezigen hun kwalen. Ook dat is hagiografie: we kennen het alleen uit het Leven. Vaststaat dat er rond die tijd steeds meer mensen naar de woestijn trokken om zo te leven. Athanasius schrijft dat de woestijn door monniken werd bevolkt. Antonius werd hun vader, de man bij wie ze raad kwamen vragen.
DE MIJNEN VAN ALEXANDRIË
In 303 begon onder keizer Diocletianus de zwaarste vervolging die de kerk tot dan toe had meegemaakt. Bijbels werden in beslag genomen en verbrand. In Egypte duurde het met tussenpozen bijna tien jaar. Onder keizer Maximinus laaide het in 311 opnieuw op.
Antonius ging in dat jaar naar Alexandrië. Volgens Athanasius wilde hij met de martelaren meegaan, als het zo zou lopen. Hij gaf zich niet zelf aan. Wel zocht hij de christenen op die in de gevangenissen zaten en die waren veroordeeld tot werk in de mijnen.
Op 25 november 311 werd Petrus, de bisschop van Alexandrië, onthoofd. Athanasius noemt dat in één zin: toen de gezegende bisschop Petrus zijn getuigenis had afgelegd, ging Antonius terug naar zijn cel. Van toen af droeg hij volgens het Leven een kleed van haar op zijn huid, met daaroverheen een vel. Dat hield hij aan tot zijn dood.
EEN BRON AAN DE VOET VAN DE BERG
Na zijn terugkeer werd het rond Antonius te druk. Volgens Athanasius hoorde hij een stem die zei dat hij naar de binnenwoestijn moest gaan als hij echte stilte zocht. Hij sloot zich aan bij een groep Saracenen, Arabische nomaden die die kant op trokken. Ze namen hem graag mee. Na drie dagen en nachten kwam hij bij een hoge berg met aan de voet een bron, helder, zoet en heel koud. In de vlakte stonden een paar verwaarloosde palmbomen.
Christian History dateert de tocht rond 313. De berg ligt in het gebergte langs de Rode Zee. Daar staat nu het Klooster van Sint-Antonius, een Koptisch-orthodox klooster ongeveer 334 kilometer ten zuidoosten van Caïro. Zo’n twee kilometer verderop, hoog tegen de rots, is de kleine grot die als zijn kluis wordt aangewezen.
Eerst brachten reizigers hem brood. Later stuurden zijn broeders het. Antonius zag dat het hun moeite kostte. Hij vroeg om een spade, een bijl en wat koren. Hij bewerkte een klein stuk grond, gaf het water en zaaide, om niemand tot last te zijn. Later plantte hij ook wat groente, zodat bezoekers na hun lange tocht iets te eten kregen.
Dit vind ik een van de mooiste details uit het hele boek. De grote kluizenaar die met een spade in de woestijngrond staat, omdat hij zijn vrienden het sjouwen wil besparen.
EEN BRIEF VAN DE KEIZER
De wereld veranderde snel. In 325 kwamen bisschoppen uit het hele rijk in Nicea bijeen, op uitnodiging van keizer Constantijn. Ze veroordeelden de leer van Arius, een priester uit Alexandrië die leerde dat de Zoon geschapen was en niet eeuwig. In 328 werd Athanasius bisschop van Alexandrië.
Volgens het Leven schreven keizer Constantijn en zijn zonen Constantius en Constans aan Antonius, als aan een vader. Ze vroegen om antwoord. De monniken om hem heen waren onder de indruk. Antonius niet. Hij zei tegen hen dat ze zich niet moesten verbazen dat een keizer schrijft, want een keizer is ook maar een mens. Verbaas je erover, zei hij, dat God de mensen Zijn wet heeft gegeven en door Zijn Zoon tot hen heeft gesproken.
Op aandringen schreef hij terug, omdat de keizers christenen waren. Hij prees hen omdat ze Christus aanbaden. Hij vroeg hen aan het komende oordeel te denken, barmhartig te zijn en te zorgen voor recht en voor de armen. Ook deze brief kennen we alleen uit het Leven. Hij is niet bewaard gebleven.
Rond dezelfde tijd kwamen er twee Griekse filosofen naar hem toe om hem op de proef te stellen. Antonius sprak met hen via een tolk. Grieks sprak hij niet. Athanasius schrijft dat hij geen letters had geleerd, maar een scherp en wijs verstand had. Waarom, vroeg Antonius, waren ze zo ver gereisd om een dwaas te zien?
DE BERG AF, DE STAD IN
In de verhalen van Athanasius komt Antonius twee keer naar Alexandrië. De tweede keer, volgens Christian History en Wikipedia in 338, ging het om Arius en zijn volgelingen. Zij zeiden dat Antonius aan hun kant stond. Volgens Athanasius werd Antonius daar boos om. Op verzoek van de bisschoppen kwam hij de berg af. In de stad zei hij openlijk dat de Zoon van God eeuwig is, geen schepsel, en dat je met de arianen geen gemeenschap moest hebben.
Hier moet ik eerlijk zijn over de verteller. Athanasius was de grote tegenstander van de arianen. Het komt hem goed uit dat de beroemdste monnik van Egypte zo duidelijk aan zijn kant staat. Wetenschappers die de afgelopen decennia het Leven bestudeerden, wijzen er volgens de samenvatting van Bose op dat het boek de kerkelijke, theologische en ascetische belangen van de bisschop weerspiegelt. Dat betekent niet dat het bezoek verzonnen is. Het betekent dat we de toon ervan met enige voorzichtigheid lezen.
De conflicten van toen zijn niet de conflicten van nu. Arianen en hun tegenstanders streden over de vraag wie Jezus is. Alle grote kerken van vandaag, rooms-katholiek, orthodox, protestants, evangelisch en pinkster, belijden met Nicea dat Hij eeuwig God is.
WIE ZICHZELF KENT
Er is een tweede Antonius, en die komt uit zeven brieven. Ze werden waarschijnlijk in het Koptisch geschreven of gedicteerd. Het origineel is grotendeels verloren. Volledig bewaard zijn ze in het Latijn, Georgisch en Arabisch. Rond 392 noemt Hiëronymus al een Griekse vertaling.
Of ze echt van Antonius zijn, is omstreden. De kerkhistoricus Samuel Rubenson verdedigde in 1995 dat ze echt zijn. Volgens hem laten ze een man zien die geen ongeletterde monnik was, maar iemand die nadacht in de lijn van Alexandrijnse christelijke denkers als Clemens en Origenes. Andere geleerden zijn minder zeker. Op de studiedag in Bose in 2025 neigden de sprekers ernaar de brieven te aanvaarden, mede omdat de Koptische kerk ze tot op vandaag gebruikt.
De brieven gaan over de Heilige Geest in het geweten, over zelfkennis, over Christus volgen en over de eenheid van de kerk. In de derde brief staat een zin die blijft hangen. Vrij vertaald: “Wie zichzelf kent, kent God.”
Is het tegenstrijdig, een ongeletterde Antonius in het Leven en een denker in de brieven? Misschien niet helemaal. Je kunt diep nadenken zonder dat je zelf kunt schrijven. Maar het laat zien hoe weinig we zeker weten over de man achter het verhaal.
Er is ook een derde Antonius. Die komt uit de Apophthegmata, de uitspraken van de woestijnvaders. Ze werden zo’n honderdvijftig jaar na zijn dood in het Grieks verzameld, in Palestina. Van de ongeveer honderdtwintig uitspraken die aan Antonius worden toegeschreven, staan er achtendertig in de alfabetische verzameling. Niet alle worden voor echt gehouden.
Een ervan gaat zo. Antonius zag de strikken die de vijand over de wereld uitspreidt. Hij zuchtte en vroeg wie daar ooit doorheen kon komen. Hij hoorde een stem die antwoordde, vrij vertaald: “Nederigheid.”
In een andere uitspraak vergelijkt hij de broeders met een boog. Wie ze te ver spant, breekt ze. De verzamelaars bewaarden zulke korte woorden omdat monniken ze aan elkaar doorgaven. Ze vertellen minder over zijn leven, en meer over hoe hij anderen leerde. En ook daar draait het om maat houden.
Je hoeft niet in een woestijn te wonen om te weten hoe snel je jezelf te ver spant. Wat is in jouw leven de boog die op knappen staat?
TWEE SCHAPENVELLEN
In 356 ging Antonius, zoals hij gewend was, naar de monniken op de buitenberg. Hij zei hun dat dit zijn laatste bezoek was. Hij was, zo zei hij volgens Athanasius, bijna honderdvijf jaar. Daarna ging hij terug naar de binnenberg.
Twee monniken hadden de laatste vijftien jaar bij hem gewoond, omdat hij oud was. Athanasius noemt hun namen niet. Antonius gaf hun zijn laatste opdrachten. Ze moesten zijn lichaam zelf begraven, onder de grond, en niemand mocht weten waar.
Zijn bezit verdeelde hij. Eén schapenvel en een mantel moesten naar bisschop Athanasius. Het andere schapenvel naar Serapion, bisschop van Thmuis. Het haren kleed was voor de twee monniken zelf. Toen hij gesproken had, tilde hij volgens het Leven zijn voeten op, alsof hij vrienden zag komen, en stierf. De traditie houdt 17 januari aan als sterfdag. De twee monniken deden wat hij had gevraagd. Niemand anders, schrijft Athanasius, weet tot op vandaag waar hij begraven ligt.
Athanasius voegt eraan toe dat zijn ogen tot het eind helder waren en dat hij geen tand had verloren, al waren ze tot het tandvlees afgesleten. Of dat klopt, kan niemand nagaan.
EEN BOEK IN EEN HUT BIJ TRIER
Kort na de dood van Antonius, rond 357 tot 360, schreef Athanasius het Leven. Hij deed het op verzoek van monniken buiten Egypte, die wilden weten hoe Antonius had geleefd en of de verhalen over hem waar waren. Athanasius schrijft dat hij Antonius vaak gezien had en hem een tijd had gediend. Vóór 374 vertaalde Evagrius van Antiochië het boek in het Latijn. In 379 of 380 noemde Gregorius van Nazianze het een kloosterregel in verhaalvorm. Eeuwen later noemde de Duitse theoloog Adolf von Harnack het juist het schadelijkste boek dat ooit geschreven is. Over dit boek denken christenen dus al heel lang verschillend.
Hoe ver het reisde, vertelt Augustinus zelf in zijn Belijdenissen. In 386 zocht hij nog naar zijn weg. Een bezoeker, Ponticianus, vertelde hem over twee hofbeambten die bij Trier, in het huidige Duitsland, in een hut een boek vonden met het leven van Antonius. Een van hen besloot daarop zijn leven om te gooien.
Niet lang daarna zat Augustinus in de tuin bij zijn huis. Hij hoorde een kinderstem roepen: neem en lees. Hij dacht aan Antonius, schrijft hij, die bij het binnenkomen in de kerk een evangelielezing hoorde en die opvatte “alsof wat gelezen werd tot hem gezegd was” (vrij vertaald). Augustinus sloeg de brieven van Paulus open en las.
Wat er later nog over Antonius verteld werd, is vaak legende. Hiëronymus schreef rond 375 een levensverhaal van Paulus van Thebe, een kluizenaar die volgens hem nog vóór Antonius de woestijn in ging. Daarin bezoekt Antonius de oude Paulus. Een raaf brengt brood, leeuwen graven het graf. Historici kunnen dat niet controleren. Volgens een veel latere overlevering zouden zijn beenderen toch gevonden zijn en via Alexandrië en Constantinopel in de elfde eeuw in Frankrijk zijn beland. Dat staat haaks op zijn eigen wens en op het verhaal van Athanasius.
EEN SPADE IN DE WOESTIJNGROND
Antonius wordt herdacht op 17 januari, in de orthodoxe, rooms-katholieke, anglicaanse en lutherse kerken. De Koptische kerk viert hem op 22 Tobi. In het Rode Zeegebergte staat nog altijd het klooster dat zijn naam draagt, met muurschilderingen waarvan de oudste uit de zevende en achtste eeuw stammen. Elk jaar komen er volgens Wikipedia meer dan een miljoen bezoekers.
Van zijn graf weten we niets. Van zijn grot wel ongeveer waar die is. Van zijn woorden is een deel bewaard, en we weten niet precies welk deel. Wat het zekerst is, is ook het eenvoudigste. Een jonge Egyptenaar hoorde in een dorpskerk een zin van Jezus voorlezen, en nam die letterlijk.
Ruim tachtig jaar later legden twee monniken hem in de grond, op een plek die tot op vandaag niemand kent.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): Antonius leefde ongeveer van 251 tot 356 en kwam uit Koma (nu Qiman al-Arus, Beni Suef, Egypte); hij werd al tijdens zijn leven een bekende kluizenaar en geestelijk vader van monniken in de Egyptische woestijn; hij stierf in 356 op hoge leeftijd; Athanasius schreef rond 357 tot 360 zijn Leven, dat vóór 374 in het Latijn werd vertaald en in Oost en West werd gelezen; Augustinus beschrijft dat het verhaal van Antonius een rol speelde bij zijn bekering in 386; het klooster van Sint-Antonius in het Rode Zeegebergte draagt zijn naam. De achtergrond (vervolgingen onder Decius en Diocletianus, de dood van bisschop Petrus in 311, Nicea in 325) is breed bevestigd.
Alleen uit het Leven van Athanasius of latere overlevering: de kerkdienst met Mattheüs 19:21 en het weggeven van driehonderd akkers; zijn zusje bij de maagden; de leertijd bij de oude man; de demonen in het graf en de stem van de Heer; de twintig jaar in het fort en de genezingen na zijn uitkomen; zijn werk bij de gevangenen in Alexandrië in 311; de reis met de Saracenen naar de binnenberg en het zaaien van koren; de brief van Constantijn en zijn zonen; het gesprek met de filosofen; de toespraak tegen de arianen in Alexandrië; zijn laatste woorden, de geheime begrafenis en de schapenvellen; zijn heldere ogen en tanden. De uitspraken uit de Apophthegmata zijn anderhalve eeuw na zijn dood verzameld en niet allemaal echt.
Onbevestigd: de jaartallen 285/286 (fort), 305/306 (uitkomen), ca. 313 (binnenberg) en 338 (Alexandrië) komen uit moderne reconstructies, niet uit Athanasius; de verbinding van het fort met Pispir; de echtheid van de zeven brieven (Rubenson verdedigt ze, anderen twijfelen); het bezoek aan Paulus van Thebe (Hiëronymus, legende); de vondst en de reis van zijn relieken naar Frankrijk; de vroegste stichtingsdatum van het huidige klooster.
Duiding: het Leven is een hagiografie, geschreven door een bisschop met eigen kerkelijke en theologische belangen. Het is de belangrijkste bron die we hebben, en tegelijk een boek dat wil overtuigen. Of de demonen- en wonderverhalen gebeurtenissen beschrijven of geestelijke strijd in beeldtaal, is een vraag die lezers uit verschillende tradities verschillend beantwoorden.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Athanasius, Life of Antony (NPNF, New Advent)
- Athanasius, The Life of Antony, per paragraaf (BKV, Universiteit Fribourg)
- Augustinus, Belijdenissen boek VIII (New Advent)
- Christian History Institute, tijdlijn Antony and the Desert Fathers
- Monastero di Bose, conclusies studiedag Antony the Great (2025)
- Pappas Patristic Institute, Some basics for studying St. Antony the Great
- Loyola Marymount University, bespreking van Rubenson, The Letters of St. Antony
- SLG Press, Letters of Saint Antony the Great (vert. Chitty)
- Antonius, derde brief (Engelse vertaling, Mystagogy)
- De 38 uitspraken van Antonius uit de Apophthegmata (Mystagogy)
- Encyclopaedia Britannica, Saint Anthony of Egypt
- Wikipedia, Anthony the Great
- Wikipedia, Life of Anthony
- Wikipedia, Qiman al-Arus
- Wikipedia, Dayr al-Maymun
- Wikipedia, Pope Peter I of Alexandria
- Wikipedia, Paul of Thebes
- Wikipedia, Monastery of Saint Anthony