Het was de nacht van 8 op 9 februari 356 in Alexandrië. In de kerk van Theonas waakte een deel van de gemeente. De volgende ochtend zou er een avondmaalsviering zijn. Buiten trokken soldaten om het gebouw heen. Hun aanvoerder was Syrianus, een generaal van de keizer. Zijn mannen hadden zwaarden, bogen, speren en knuppels.
De bisschop die ze kwamen halen, liep niet weg. Hij ging op zijn bisschopsstoel zitten. Hij vroeg een diaken om een psalm voor te lezen, en hij liet de gemeente na elk vers antwoorden met het refrein van Psalm 136: want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig (Psalm 136:1). Daarna moesten de mensen naar huis gaan. De soldaten braken de deuren open en drongen naar voren. Priesters en gemeenteleden smeekten hem te vluchten. Hij weigerde, zolang niet iedereen weg was. Het was, schreef hij, “beter dat mijn eigen veiligheid in gevaar kwam” (vrij vertaald). Pas toen trokken monniken en een paar geestelijken hem mee. In het gedrang kwam hij ongezien naar buiten.
Zo vertelde hij het zelf, een jaar later, in een verdedigingsschrift. Hij spreekt van meer dan vijfduizend soldaten, en dat getal hebben we alleen van hem. Dat de aanval plaatsvond, staat wel vast. Zijn gemeente schreef er kort daarna een officieel protest over, dat bewaard is gebleven. Daarin staat de datum, de naam van Syrianus, en dat er vrouwen werden gedood en mensen vertrapt. De bisschop zelf ontsnapte ternauwernood, zegt het protest.
Die bisschop heette Athanasius. Hij was toen ongeveer zestig. Het was de derde keer dat hij zijn stad moest verlaten, en het zou niet de laatste zijn. Vijf keer werd hij verbannen, door vier verschillende keizers. Van zijn vijfenveertig jaar als bisschop bracht hij er ongeveer zeventien door in ballingschap. Hij streed zijn hele leven voor één overtuiging: dat Jezus Christus echt God is. Elke kerk die vandaag de geloofsbelijdenis van Nicea uitspreekt, staat in zijn schuld. En toch is hij ook een van de meest omstreden figuren uit de vroege kerk.
Het begon in dezelfde stad, rond het jaar 300.
EEN JONGEN AAN HET STRAND
Alexandrië lag aan de Middellandse Zee, in het noorden van Egypte. Het was na Rome een van de grootste steden van het Romeinse rijk. Er woonden Joden, Grieken en Egyptenaren. De christelijke gemeente was oud, en haar bisschop was een van de belangrijkste leiders van de kerk in het oosten.
Wanneer Athanasius precies geboren werd, weten we niet. De meeste geleerden denken aan 296 tot 298. Een aanwijzing is dat hij later nooit vertelt over de grote vervolging onder keizer Diocletianus, die in 303 begon. Als jongen moet hij die wel hebben meegemaakt. Sommigen houden het op een paar jaar eerder, rond 293.
Over zijn jeugd gaat een bekend verhaal. Bisschop Alexander van Alexandrië zag op een dag kinderen aan het strand spelen. Ze speelden kerk. Een van hen was de bisschop en doopte de anderen met zeewater. Die jongen was Athanasius. Alexander onderzocht de zaak, besloot dat de dopen geldig waren en nam de jongens onder zijn hoede. Het verhaal komt van Rufinus, die rond 402 schreef, en werd later overgenomen door Socrates en Sozomenus. Sozomenus begint het voorzichtig met de woorden “het wordt gezegd”. Moderne historici zien er grote problemen in, onder meer met de jaartallen. Het is mooi, maar het is waarschijnlijk een legende.
Steviger grond hebben we bij Gregorius van Nazianze, die rond 379 een lofrede op hem hield. Volgens Gregorius kreeg Athanasius een goede algemene opleiding, maar besteedde hij die vooral aan de Bijbel. In zijn jonge jaren schreef hij twee boeken die nog steeds worden gelezen: Tegen de heidenen en Over de menswording van het Woord. Wanneer precies, daarover verschillen de geleerden.
EEN PRIESTER MET EEN PAKKEND LIED
In 319 maakte bisschop Alexander hem diaken. Een diaken was in die tijd een helper van de bisschop, met taken in de zorg voor armen en in de eredienst. Athanasius werd zijn secretaris en vertrouweling.
Rond dezelfde tijd begon er in Alexandrië een strijd die de hele kerk zou verscheuren. Een priester uit de stad, Arius, begon te onderwijzen over wie Jezus was. Zijn eigen woorden zijn bewaard in een brief aan een bevriende bisschop. Hij schreef dat “de Zoon een begin heeft, maar God is zonder begin” (vrij vertaald). Volgens Arius was de Zoon door God gemaakt, vóór de schepping van de wereld, als het hoogste van alles wat bestaat. Maar Hij was niet eeuwig, en Hij was geen deel van Gods eigen wezen. Bisschop Alexander vatte het samen in een brief: volgens Arius was er een tijd dat de Zoon van God er niet was.
Waarom was dat zo’n probleem? Voor Arius was het juist eerbied voor God. Er kan maar één God zijn, dacht hij, zonder begin en zonder gelijke. Dan moet de Zoon wel iets anders zijn: hoog en heerlijk, maar geschapen. Het was een gedachte die veel mensen logisch vonden. Zijn leer ging ook rond in een pakkend lied.
“HIJ WERD MENS”
Athanasius zag het anders, en hij zag het vanuit de vraag hoe een mens gered wordt. In Over de menswording van het Woord legt hij het uit. De mens was door de zonde vervallen tot bederf en dood. Dat kon geen schepsel herstellen. Alleen Hij die de mens gemaakt had, kon hem ook opnieuw maken. Om die reden nam het Woord van God een menselijk lichaam aan en gaf het over in de dood, in de plaats van allen.
Als Christus maar een schepsel is, valt dat hele verhaal stil. Dan heeft een schepsel ons gered, en staan we nog steeds buiten God. Athanasius vatte zijn geloof samen in één zin, die in de oosterse kerken tot vandaag geliefd is: “Hij werd mens, opdat wij God zouden worden” (vrij vertaald). Daarmee bedoelde hij niet dat mensen goden worden. De orthodoxe kerk spreekt hier van vergoddelijking: de mens krijgt door Christus deel aan Gods eigen leven. Protestanten en katholieken gebruiken vaak andere woorden, maar herkennen er de kern van het evangelie in.
Ik vind het opvallend dat deze strijd begon met een vraag die iedere gelovige stelt. Wie is Jezus eigenlijk? En wat betekent dat voor jou, als je bidt, of als je sterft?
NICEA, 325
De ruzie in Alexandrië werd zo groot dat keizer Constantijn ingreep. Hij was de eerste keizer die zich achter het christendom had gesteld, en hij wilde rust in zijn rijk. In 325 riep hij bisschoppen bijeen in Nicea, het huidige İznik in Turkije. Het werd het eerste grote concilie, een kerkvergadering voor de hele kerk.
Athanasius was erbij als diaken, aan de zijde van zijn bisschop. De kerkhistoricus Socrates, die rond 439 schreef, zegt dat hij er fel inging tegen de bisschoppen die Arius steunden. Een hoofdrol had hij nog niet. Het concilie veroordeelde de leer van Arius en stelde een belijdenis op. Daarin staat dat de Zoon “van hetzelfde wezen” is als de Vader. Het Griekse woord was homoousios. Constantijn liet de boeken van Arius verbranden.
Het concilie regelde ook iets anders. In Egypte bestond een afgescheiden kerkgroep rond bisschop Melitius van Lycopolis, de Melitianen. Nicea probeerde hen terug te brengen. Dat lukte maar half. De Melitianen zouden Athanasius de rest van zijn leven tegenwerken.
EEN JONGE BISSCHOP EN EEN AFGEHAKTE HAND
Op 8 juni 328 werd Athanasius bisschop van Alexandrië, als opvolger van Alexander. Hij was ongeveer dertig. Zijn tegenstanders beweerden later dat hij te jong was en dat zeven bisschoppen hem in het geheim hadden gewijd. Dat komt uit het verslag van Sozomenus, rond 445, die het nadrukkelijk als een bewering van tegenstanders brengt. Gregorius schreef juist dat het volk hem had gekozen.
Daarna regende het aanklachten. Hij zou de Egyptenaren een belasting op linnen kleding hebben opgelegd. Dat werd weerlegd. Een van zijn priesters, Macarius, zou in een dorp een avondmaalsbeker hebben gebroken bij een man die zich priester noemde, Ischyras. En hij zou een Melitiaanse bisschop, Arsenius, hebben vermoord. Ter staving droegen zijn tegenstanders een afgehakte hand rond.
Arsenius bleek te leven. Hij werd ondergedoken gevonden. Athanasius nam later in een verdedigingsschrift de brieven op die dat bewijzen, onder meer een brief van keizer Constantijn en een brief van Arsenius zelf, die vrede sloot met de kerk. Ook Ischyras trok volgens die stukken zijn verhaal in.
WAT DE PAPYRUS ZEGT
Hier moet ik eerlijk zijn, want dit is geen eenvoudig verhaal over een onschuldige man en leugenachtige vijanden.
Er is een papyrusbrief uit Egypte bewaard gebleven, die nu in Londen ligt. Een Melitiaan, Callistus, schreef hem in mei of juni 335. Hij vertelt hoe aanhangers van Athanasius, dronken, samen met soldaten Melitiaanse broeders aanvielen. Vier werden bloedend de stad uit gezet. Anderen werden gevangengezet. Het is een brief van een tegenstander, maar hij is geschreven in de dagen zelf, niet jaren later.
Wat betekent dat voor Athanasius zelf? Daarover zijn historici het oneens. De historicus Timothy Barnes oordeelde hard. Volgens hem stelde Athanasius belangrijke feiten over zijn eigen loopbaan stelselmatig verkeerd voor, en schuwde hij oneerlijke middelen niet. Anderen, zoals Duane Arnold, zagen in de aanklachten vooral een politieke campagne om hem weg te krijgen, en in de synode die hem veroordeelde een showproces. Weer anderen denken dat Athanasius de dronken groep niet zelf heeft gestuurd, maar dat de brief wel laat zien dat Melitianen in zijn tijd geslagen en opgesloten werden.
Ik kan dat niet beslissen. De meeste verhalen over hem hebben we van hemzelf, en hij schreef ze om zich te verdedigen. Dat maakt ze niet onwaar. Het maakt ze wel eenzijdig. In de vierde eeuw was kerkpolitiek geen vriendelijk spel, aan geen enkele kant.
TRIER EN ROME
In 335 kwam een synode in Tyrus, in het huidige Libanon, bijeen. Die zette Athanasius af. Hij reisde zelf naar Constantinopel, het huidige Istanbul, en sprak de keizer aan midden op straat, zo vertelt hij. Hij wilde een eerlijk proces. Toen kwam er een nieuwe beschuldiging: hij zou gedreigd hebben de graanschepen uit Alexandrië tegen te houden die de nieuwe hoofdstad van voedsel voorzagen. Constantijn werd boos en stuurde hem naar Gallië.
Zo kwam Athanasius in Trier terecht, nu in Duitsland. Hij vertrok op 8 februari 336 en verbleef er bij bisschop Maximinus. Toen Constantijn in mei 337 stierf, mocht hij terug. Eind november 337 was hij weer thuis.
Lang duurde het niet. In maart 339 werd met steun van keizer Constantius II een andere bisschop in Alexandrië geïnstalleerd, Gregorius van Cappadocië. Athanasius vluchtte en ging naar Rome. Daar stond bisschop Julius van Rome achter hem. Een synode in Rome verklaarde hem tot de rechtmatige bisschop, en in 343 sprak ook een kerkvergadering in Serdica, het huidige Sofia in Bulgarije, hem vrij. Pas op 21 oktober 346 kwam hij weer in Alexandrië aan. Gregorius van Nazianze beschrijft hoe heel Egypte uitliep om hem te zien. Het zijn woorden uit een lofrede, maar dat hij terugkwam, staat vast.
Er volgden tien rustige jaren. Ze eindigden in de nacht van februari 356, in de kerk van Theonas.
TUSSEN DE MONNIKEN
Na die nacht verdween Athanasius uit het zicht. Bijna zes jaar leefde hij verborgen, vooral bij de monniken in de Egyptische woestijn. Gregorius vertelt dat ze hem niet verraadden, ook niet toen ze daarvoor werden bedreigd. In Alexandrië werd intussen een andere bisschop aangesteld.
In deze jaren schreef hij veel. Hij schreef een geschiedenis van de strijd met de Arianen en verdedigingen van zijn eigen optreden. En hij schreef het leven van Antonius, de bekende monnik uit de Egyptische woestijn. Antonius krijgt in dit boek een eigen hoofdstuk. Athanasius zegt in zijn inleiding dat hij hem vaak had gezien en hem lang had gediend. Hij had, schrijft hij, “water over zijn handen gegoten” (vrij vertaald). Het boek werd door de hele christelijke wereld gelezen en heeft het kloosterleven in Oost en West sterk gevormd.
Het zegt iets dat de man die zo vaak vluchtte, in de woestijn kwam te wonen tussen mensen die daar vrijwillig waren gaan wonen. Voor hen was afzondering een keuze. Voor hem was het een noodzaak. Hij maakte er een school van.
“EEN KLEIN WOLKJE”
In 361 werd Julianus keizer. Hij had zich van het christendom afgekeerd en wilde de oude Romeinse godsdiensten herstellen. Hij liet de verbannen bisschoppen terugkomen. Op 21 februari 362 was Athanasius terug in zijn stad. Hij hield er een synode, die opnieuw uitsprak dat Vader, Zoon en Heilige Geest één in wezen zijn.
Julianus had hem onderschat. In het najaar van 362 kwam er een nieuw bevel: Athanasius moest weg. Julianus noemde hem in een brief een minderwaardig mannetje. Volgens Socrates zei Athanasius tegen zijn vrienden dat het “maar een klein wolkje was, dat snel overdrijft” (vrij vertaald). Hij vluchtte per boot over de Nijl. Toen zijn achtervolgers vroegen of iemand hem gezien had, kregen ze te horen dat hij niet ver weg was. Ze roeiden door en haalden hem nooit in. Dat verhaal staat bij Socrates, bijna tachtig jaar later opgeschreven. Of het zo gegaan is, kunnen we niet controleren.
Wat wel vaststaat: Julianus stierf op 26 juni 363. Athanasius keerde terug.
VIJFDE KEER
Ook de volgende keizer van het oosten, Valens, steunde de partij van Arius. In oktober 365 trok Athanasius zich opnieuw terug, naar een buitenhuis buiten de stad. Socrates schrijft dat hij zich vier maanden verborg in het graf van zijn voorouders. Dat detail heeft geen andere bron. Begin februari 366 liet Valens hem terugkeren. Daarna is hij niet meer verbannen.
Hij was toen rond de zeventig. Hoe lang kun je blijven staan als de wind steeds van richting verandert? Athanasius heeft het geprobeerd, met vijf vertrekken en vijf terugkomsten.
DE BRONNEN VAN HET HEIL
Elk jaar stuurde de bisschop van Alexandrië een paasbrief naar de kerken van Egypte. Daarin maakte hij de datum van Pasen bekend en schreef hij iets ter bemoediging of ter waarschuwing. In zijn paasbrief van 367, de negenendertigste, schreef Athanasius over iets anders: welke boeken bij de Bijbel horen.
Hij had een reden. Er gingen boeken rond met bekende namen erop, die beweerden oud en heilig te zijn. Eenvoudige gelovigen konden het verschil niet zien. Hij zette op een rij wat de kerk ontvangen had. Voor het Nieuwe Testament noemde hij de vier evangeliën, Handelingen, zeven brieven van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas, veertien brieven van Paulus, Hebreeën meegerekend, en Openbaring. Het zijn de zevenentwintig boeken die nu in vrijwel elke Bijbel staan. Voor zover bekend is het de oudste lijst met precies deze zevenentwintig, al wijzen sommige geleerden ook op Origenes.
Over die boeken schreef hij: “Dit zijn de bronnen van het heil” (vrij vertaald). Wie dorst heeft, kan daar drinken. Hij haalde de woorden van Jezus aan: U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen. (Johannes 5:39).
Hij noemde ook boeken die niet in de lijst stonden maar wel gelezen mochten worden door mensen die net tot het geloof kwamen. Daaronder waren de Wijsheid van Salomo, Jezus Sirach, Judit, Tobit, de Didache en de Herder van Hermas. Over het Oude Testament dachten de kerken later verschillend, en daarom staan in een katholieke of orthodoxe Bijbel meer boeken dan in een protestantse. Over het Nieuwe Testament werden ze het eens. De lijst van Athanasius werd de lijst van iedereen.
EEN BED IN ALEXANDRIË
Athanasius stierf op 2 mei 373 in Alexandrië. Hij had zelf nog Petrus als zijn opvolger aangewezen. Na al die nachtelijke vluchten stierf hij rustig, in zijn eigen bed.
De belijdenis van Nicea, waar hij zijn leven lang voor stond, wordt in rooms-katholieke, orthodoxe, anglicaanse en veel protestantse kerken nog steeds uitgesproken. Een encyclopedie uit 1907 noemde hem de vader van de rechtzinnigheid. Evangelische en pinkstergelovigen die Jezus aanbidden als God, staan op de grond die hij verdedigde, ook als ze zijn naam nooit gehoord hebben.
Hij was geen heilige uit een plaatjesboek. Hij kon hard zijn en sluw, en over zijn methoden hadden zijn tegenstanders misschien niet altijd ongelijk. Maar over de vraag waar het hem om ging, heeft hij nooit gemarchandeerd.
Ik denk vaak terug aan die nacht in de kerk van Theonas. De deuren gaan open, de soldaten komen binnen. Voorin zit een kleine man op een stoel. Om hem heen zegt een gemeente, vers na vers, hetzelfde antwoord: want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 296 tot 298 (datum onzeker); diaken in 319; aanwezig in Nicea in 325 als helper van bisschop Alexander; bisschop van Alexandrië vanaf 8 juni 328; afzetting door de synode van Tyrus (335); vijf ballingschappen onder Constantijn, Constantius II, Julianus en Valens (Trier 336-337, Rome 339-346, Egyptische woestijn 356-362, 362-363, 365-366); steun van Julius van Rome en vrijspraak in Serdica (343); de aanval van Syrianus op de kerk in februari 356 (ook in het protest van zijn gemeente); de paasbrief van 367 met de lijst van 27 nieuwtestamentische boeken; overlijden op 2 mei 373.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de details van die nacht in 356 (de psalm, het getal van vijfduizend soldaten, zijn weigering om eerder te gaan); zijn ontmoeting met Constantijn op straat en de aanklacht over de graanschepen; zijn omgang met Antonius; de lof bij Gregorius van Nazianze (een lofrede); het “kleine wolkje” en de vlucht over de Nijl (Socrates, rond 439); de vier maanden in het familiegraf (Socrates).
Onbevestigd: de jongen die op het strand bisschop speelde (Rufinus, rond 402, waarschijnlijk legende); de bewering dat hij te jong was en in het geheim gewijd werd (bewering van tegenstanders bij Sozomenus).
Duiding: of Athanasius zelf geweld tegen Melitianen gebruikte of goedkeurde, is onder historici omstreden. De papyrus van Callistus (335) laat zien dat zijn aanhangers geweld werden verweten in de tijd zelf. Barnes oordeelt hard over zijn eerlijkheid, Arnold ziet vooral een politieke campagne tegen hem.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Athanasius, Apologia de fuga (Verdediging van zijn vlucht), hfst. 24
- Athanasius, Geschiedenis van de Arianen, hfst. 81 (protest van de gemeente, 356)
- Athanasius, Apologia contra Arianos
- Athanasius, Over de menswording van het Woord
- Athanasius, Over de menswording, hfst. 54 (CCEL)
- Athanasius, Paasbrief 39 (367)
- Athanasius, Leven van Antonius
- Theodoretus, Kerkgeschiedenis boek 1 (brieven van Arius en Alexander)
- Socrates, Kerkgeschiedenis boek 1
- Socrates, Kerkgeschiedenis boek 3
- Socrates, Kerkgeschiedenis boek 4
- Sozomenus, Kerkgeschiedenis boek 2
- Bronnenbundel over de jeugd van Athanasius (fourthcentury.com)
- Gregorius van Nazianze, Rede 21 over Athanasius
- Brief van Callistus, P.Lond. VI 1914 (fourthcentury.com)
- NPNF II/4, chronologische tabel van het leven van Athanasius
- Catholic Encyclopedia (1907), St. Athanasius
- Christianity Today, Athanasius
- Recensie van T.D. Barnes, Athanasius and Constantius (Scholia)
- D.W.H. Arnold, The Early Episcopal Career of Athanasius of Alexandria (uitgeversomschrijving)
- Bryn Mawr Classical Review 2013.12.28, over Hauben, Studies on the Melitian Schism
- Wikipedia, Melitians
- Wikipedia, Athanasius of Alexandria