Het is eind augustus 386, in een tuin bij een huis in Milaan. Een man van eenendertig ligt onder een vijgenboom en huilt. Zijn vriend Alypius heeft hij een eind verderop laten zitten. Waar Alypius zit, ligt een boek met brieven van de apostel Paulus.
Dan hoort hij uit een huis in de buurt een kinderstem. Het klinkt als een liedje, steeds dezelfde woorden: “Neem en lees, neem en lees.” Hij weet niet of het een jongen of een meisje is. Hij staat op, loopt terug naar Alypius, slaat het boek open en leest de eerste regels waar zijn oog op valt. Het zijn woorden uit de brief aan de Romeinen: Maar bekleed u met de Heere Jezus Christus, en verzorg het vlees niet om begeerten op te wekken. (Romeinen 13:14). Alle twijfel verdwijnt, schrijft hij later.
We kennen deze scène maar uit één bron: zijn eigen boek, de Belijdenissen, dat hij rond 397 schreef, elf jaar na die middag. Wat er in die tuin gebeurde, hebben we dus van Augustinus zelf.
Die man werd bisschop van een havenstad in Noord-Afrika. Rooms-katholieken eren hem als kerkleraar. Maarten Luther werd monnik in een klooster dat naar hem genoemd was. Lutheranen en gereformeerden noemen hem een vader van de Reformatie. Hij hoort bij hen allemaal.
Het begon in Thagaste.
EEN KRUISJE OP HET VOORHOOFD
Aurelius Augustinus werd geboren op 13 november 354 in Thagaste, in de Romeinse provincie Numidië. Tegenwoordig heet die plaats Souk Ahras en ligt ze in Algerije. Noord-Afrika hoorde bij het Romeinse rijk en sprak Latijn. Ruim veertig jaar eerder, in 312, was keizer Constantijn christen geworden. De grote vervolgingen waren voorbij, maar lang niet iedereen was christen.
In het huis van Augustinus zag je die twee werelden naast elkaar. Zijn vader Patricius was heiden. Zijn moeder Monica was christen, en dat was ze met haar hele hart. Possidius, een vriend die later zijn eerste levensbeschrijving schreef, noemt het ouders van eerbare stand. Ze hoorden bij de bestuurlijke burgerij van het stadje.
Augustinus vertelt in zijn Belijdenissen dat hij als kind met het teken van het kruis werd gemerkt. Zo werd hij leerling van de kerk, catechumeen. Toen hij als jongen ernstig ziek werd, vroeg hij zelf om de doop. Zijn moeder maakte alles klaar. Hij herstelde, en de doop werd uitgesteld.
PEREN VOOR DE VARKENS
In zijn zestiende jaar stal hij met een groep jongens peren uit een boom naast de wijngaard van de familie. De peren waren niet eens lekker. Ze aten er een paar en gooiden de rest naar de varkens. Waarom deden ze het dan? Augustinus geeft het antwoord zelf: het was leuk omdat het niet mocht.
Waarom besteedt een bisschop een heel hoofdstuk aan een paar gestolen peren? Voor hem ging het over de vraag waar het kwaad in een mens vandaan komt. Er was geen honger, geen nood, geen reden. Hij had het kwade gedaan omdat hij het wilde. Wie de Belijdenissen leest, merkt dat hij zichzelf nergens spaart.
Rond 371, hij was zeventien, ging hij naar Carthago om voor redenaar te leren. Carthago lag bij het huidige Tunis in Tunesië. Hij beschreef de stad later als een kookpot van verkeerde liefdes. Zijn vader stierf in die jaren. Volgens Augustinus was Patricius aan het eind van zijn leven tot geloof gekomen. Monica had hem voor God gewonnen.
EEN VROUW ZONDER NAAM EN EEN MOEDER IN TRANEN
In Carthago ging Augustinus samenwonen met een vrouw. Ze trouwden niet. Hij schreef later dat hij maar één vrouw had en dat hij haar trouw bleef. In 372 kregen ze een zoon. Ze noemden hem Adeodatus, wat betekent: door God gegeven.
Over de geboorte schreef Augustinus iets eerlijks. Een kind in zo’n relatie wordt geboren tegen de wil van de ouders, maar als het er eenmaal is, dwingt het liefde af. Hij hield van die jongen.
Haar naam heeft hij nergens opgeschreven. We weten niet hoe ze heette, waar ze vandaan kwam of hoe ze eruitzag. Ze leefde ongeveer vijftien jaar met hem samen, en meer weten we nauwelijks. Ik vind dat moeilijk om te lezen. Een vrouw die zo lang bij hem hoorde, en de moeder van zijn enige kind, blijft in de geschiedenis zonder gezicht.
Toen hij negentien was, las Augustinus een boek van de Romeinse schrijver Cicero, de Hortensius. Het boek veranderde zijn verlangens, schreef hij. Hij pakte ook de Bijbel, maar die viel hem tegen. Vergeleken met Cicero vond hij de stijl te eenvoudig.
Hij sloot zich aan bij de manicheeërs. Dat was een beweging die in de derde eeuw in Perzië was gesticht door Mani, met een leer van twee tegengestelde machten. Ze riepen voortdurend “Waarheid, waarheid”, schreef Augustinus later, maar hun hart was er leeg van. Ongeveer negen jaar bleef Augustinus bij hen, als toehoorder, de laagste rang.
Monica was er kapot van. Augustinus vertelt dat ze in een droom op een houten liniaal stond. Een stralende jongeman kwam naar haar toe en zei dat waar zij was, ook haar zoon zou zijn. Ze ging ook naar een bisschop en vroeg hem met haar zoon in gesprek te gaan. Die weigerde, en stuurde haar weg met de woorden dat de zoon van deze tranen onmogelijk verloren kon gaan. Zo vertelde hij het zelf. Wie die bisschop was, schrijft hij niet.
Een jeugdvriend van hem werd ziek en werd gedoopt terwijl hij bewusteloos was. Augustinus maakte er een grap over. De vriend keek hem aan met schrik en wees hem terecht. Kort daarna stierf hij. Augustinus beschrijft zijn verdriet in zinnen die nog altijd pijn doen om te lezen: alles waar hij naar keek, was dood.
In zijn negenentwintigste jaar kwam de beroemde manicheese leraar Faustus naar Carthago. Hij sprak mooi, maar zijn leer overtuigde Augustinus niet.
In 383 vertrok Augustinus naar Rome. De studenten in Carthago waren hem te wild, en in Rome zou het beter zijn. Monica huilde en wilde hem tegenhouden. Hij loog tegen haar. Hij zei dat hij een vriend uitzwaaide die op gunstige wind wachtte. Hij voer weg. Het staat in zijn eigen boek, zonder verzachting.
In Rome werd hij zwaar ziek, met hoge koorts. Hij herstelde. Een jaar later zocht de stad Milaan een leraar welsprekendheid. Symmachus, de prefect van Rome, liet hem een proefrede houden en stuurde hem naar het noorden.
EEN BISSCHOP DIE ZWIJGEND LAS
In Milaan was Ambrosius bisschop. Hij ontving Augustinus, zo schreef die, als een vader. Augustinus ging naar zijn preken luisteren. Eerst zag hij in hem vooral een vriendelijke man. Daarna merkte hij dat wat Ambrosius zei, veel steviger was dan alles wat hij van Faustus had gehoord.
Augustinus noteerde een klein detail over hem. Wie bij Ambrosius binnenkwam, vond hem vaak lezend. Zijn ogen gingen over de bladzijden, maar zijn stem zweeg.
Monica reisde haar zoon achterna naar Milaan. Ze drong erop aan dat hij ging trouwen. Er werd een meisje gevonden, nog twee jaar te jong om te trouwen. Augustinus verloofde zich met haar.
Toen gebeurde wat ik het moeilijkste stuk van zijn levensverhaal vind. De moeder van Adeodatus werd, in zijn eigen woorden, van zijn zijde gescheurd, omdat ze het huwelijk in de weg stond. Ze ging terug naar Afrika. Daar beloofde ze God dat ze nooit meer met een andere man zou leven. Hun zoon bleef bij zijn vader in Milaan. Hij kon de twee jaar tot de bruiloft niet wachten en nam een andere vrouw.
Ik ga hier geen oordeel uitspreken over mensen die zestienhonderd jaar geleden leefden. Maar ik wil haar ook niet vergeten. Zij is degene die in dit verhaal een gelofte aan God deed, voordat Augustinus dat deed.
“NEEM EN LEES”
In de zomer van 386 kwam een landgenoot op bezoek, Ponticianus, een Afrikaan die aan het hof werkte. Hij vertelde over Antonius, een Egyptische monnik die alles had verlaten om God te dienen. Hij vertelde ook over twee keizerlijke ambtenaren bij Trier, in het huidige Duitsland. Ze hadden in een hutje het leven van Antonius gevonden en gelezen, en ter plekke besloten hun loopbaan op te geven. Augustinus schaamde zich. Hij zag hoe verdeeld zijn eigen wil was.
Daarna volgde de middag in de tuin, met de vijgenboom, het kind en de brief aan de Romeinen. Alypius las het volgende vers en betrok het op zichzelf. De twee vrienden liepen samen naar binnen en vertelden het aan Monica. Ze juichte, schrijft Augustinus, en ze dankte God.
Historici hebben zich afgevraagd hoe letterlijk dit verslag is. Toen Augustinus het opschreef, was hij al bisschop. Sommige geleerden, zoals de Duitse kerkhistoricus Adolf von Harnack, meenden dat hij later inzicht terugschoof naar die middag. De Katholieke Encyclopedie van 1907 wijst die uitleg af, omdat ze volgens de schrijver niet klopt met de feiten en de teksten. Wat vaststaat: kort daarna trok hij zich terug, en het jaar erop liet hij zich dopen.
Heb jij ooit zo’n moment gehad, waarin een gewone zin ineens over jou ging? Augustinus wist niet waar het kind vandaan kwam. Hij las wat voor hem lag, en hij deed het.
De maanden daarna woonde hij met een kleine groep op een landgoed bij Milaan, in Cassiciacum. Waar dat precies lag, weten we niet meer. Monica was erbij, Alypius en Adeodatus. Hun gesprekken, die Augustinus opschreef, maakten van het landgoed een kleine christelijke school.
In de paasnacht van 24 op 25 april 387 werd hij in Milaan gedoopt door Ambrosius. Alypius werd samen met hem gedoopt, en ook Adeodatus. Augustinus schrijft over zijn zoon dat hij nauwelijks vijftien was en met zijn verstand veel geleerde mannen overtrof. Later schreef hij een dialoog met hem, De leraar. Alle gedachten die de jongen daarin zegt, waren echt van hem, verzekert zijn vader.
EEN RAAM IN OSTIA
Na de doop wilde het gezelschap terug naar Afrika. In het najaar van 387 wachtten ze in Ostia, de haven van Rome, op een schip. Augustinus en Monica stonden op een dag samen bij een raam dat uitkeek op een binnentuin. Ze spraken over het eeuwige leven. Volgens Augustinus raakten ze in dat gesprek even, met heel hun hart, aan de Wijsheid van God, en daarna keerden ze terug naar gewone woorden.
Een paar dagen later werd Monica ziek. Ze zei tegen haar zoons dat ze zich over haar lichaam geen zorgen moesten maken. “Leg dit lichaam ergens neer,” zei ze, zo schreef Augustinus het op. Ze vroeg alleen of ze haar wilden gedenken bij het altaar van de Heer, waar ze ook waren. Op de negende dag van haar ziekte stierf ze. Ze was zesenvijftig, hij drieëndertig.
Hier hebben we iets wat zelden voorkomt bij mensen uit deze tijd: een stuk steen dat het verhaal bevestigt. Voor haar graf in Ostia schreef een voormalige consul, Anicius Auchenius Bassus, een grafschrift. De tekst was al bekend uit een middeleeuws handschrift. In december 1945 vonden kinderen die bij de kerk van Sint-Aurea in Ostia aan het graven waren, een gebroken stuk van die marmeren steen. Haar resten liggen sinds 1430 in de kerk van Sant’Agostino in Rome.
GEGREPEN IN HIPPO
In 388 keerde Augustinus terug naar Afrika. Hij verkocht wat hij had en ging met vrienden in Thagaste leven als een kleine gemeenschap, met gebed, studie en gedeeld bezit. Kort daarna stierf Adeodatus. De bronnen noemen meestal 388, sommige een paar jaar later. Augustinus schrijft er maar één korte zin over: God nam zijn leven snel weg van de aarde. Meer zegt hij niet. Misschien kon hij het niet.
In 391 was hij in Hippo Regius, een havenstad aan de kust. Nu heet die stad Annaba, in Algerije. De bisschop daar, Valerius, was oud en sprak het Latijn niet goed, want hij was een Griek. Hij vroeg de gemeente een priester te kiezen. Possidius vertelt wat er gebeurde. De mensen grepen Augustinus, die in de menigte stond, en brachten hem naar voren om gewijd te worden. Hij huilde.
Possidius kende Augustinus bijna veertig jaar en schreef zijn levensbeschrijving kort na 430. Hij was een tijdgenoot en een vriend, en hij bewonderde hem. Dat moet je meewegen.
Augustinus begon in Hippo een klooster, waar niemand iets voor zichzelf had. Valerius liet hem preken terwijl hij er zelf bij was, iets wat in Afrika ongebruikelijk was. Omdat de oude bisschop bang was dat een andere stad hem zou weghalen, liet hij hem in 395 of 396 tot hulpbisschop wijden. Kort daarna stierf Valerius. Augustinus was nu bisschop van Hippo, en dat bleef hij tot zijn dood.
TE LAAT HEB IK U LIEFGEHAD
Rond 397 schreef hij de Belijdenissen. Het is een lang gebed, gericht aan God, waarin hij zijn leven vertelt. Het boek begint met een zin die nog altijd vaak wordt aangehaald: God heeft ons gemaakt voor Zichzelf, en ons hart is onrustig tot het rust vindt in Hem.
Hij schreef het als bisschop. Hij wist dat mensen ook wilden weten wie hij nu was, en ook dat vertelde hij. In het tiende boek staat de zin: “Te laat heb ik U liefgehad, Schoonheid zo oud en zo nieuw.” (vrij vertaald uit de Engelse vertaling). Een bisschop schreef zijn eigen diefstal, zijn leugens en zijn verkeerde liefdes op, voor iedereen leesbaar.
“DWING HEN BINNEN TE KOMEN”
Het bisschopsambt bracht hem in conflicten waar hij niet altijd goed uitkwam. Het grootste ging over de donatisten. Sinds het begin van de vierde eeuw was de kerk in Noord-Afrika gescheurd. De donatisten vonden dat de katholieke kerk onrein was geworden, omdat sommige van haar leiders de kerk in de tijd van de vervolgingen hadden verraden. Ze vormden een eigen kerk naast de katholieke.
Augustinus schreef, preekte en debatteerde. In juni 411 kwam er in Carthago een conferentie, bevolen door de keizer. Er waren 286 katholieke en 279 donatistische bisschoppen. De voorzitter was de keizerlijke tribuun Marcellinus, een vriend van Augustinus. De kerkhistoricus Philip Schaff noemt dat in de negentiende eeuw onverbloemd partijdig. De uitspraak viel uit in het voordeel van de katholieken.
Daarna kwamen er wetten. Donatistische geestelijken werden verbannen, gewone leden kregen boetes, kerken werden in beslag genomen. Augustinus had eerst gezegd dat je mensen alleen met woorden kunt overtuigen. Later veranderde hij van mening en steunde hij de dwang. Hij beriep zich op een zin uit een gelijkenis van Jezus over een maaltijd, waar de heer zegt dat de knecht mensen moet dwingen binnen te komen. Wel wilde hij nooit dat ketters ter dood werden gebracht, zo benadrukt de Katholieke Encyclopedie.
Het tweede grote conflict ging over Pelagius, een monnik uit Brittannië. Pelagius leerde dat een mens uit zichzelf kan kiezen om goed te doen, en dat de zonde van Adam niet in ieder mens doorwerkt. Augustinus zag het anders. Een mens kan niet zonder de genade van God. In 412 veroordeelde een synode in Carthago de leer van Pelagius, in 417 deed bisschop Innocentius van Rome dat, en in 418 zijn opvolger Zosimus. Met Julianus van Eclanum, een volgeling van Pelagius, bleef Augustinus de laatste tien jaar van zijn leven in debat. Die strijd maakte zijn leer over genade en uitverkiezing scherper. De kerk van de middeleeuwen bouwde erop voort, en later ook Luther en Calvijn.
TWEE STEDEN
In 410 plunderden de Visigoten Rome. Heidenen zeiden dat het de schuld was van de christenen: de oude goden waren verlaten, en nu kwam de straf.
Augustinus gaf antwoord in een boek waar hij twaalf jaar aan werkte, De stad van God. Het werd 22 boeken lang en was in 426 klaar. Er zijn in de geschiedenis twee steden, schreef hij, twee soorten mensen. De ene stad leeft voor zichzelf en wat voorbijgaat. De andere leeft voor God en Zijn eeuwige waarheid. Aan het eind, schreef hij, zal de stad van God overwinnen.
Kort voor zijn dood las hij al zijn eigen boeken nog eens door en schreef een lijst met verbeteringen, de Herzieningen.
PSALMEN OP DE MUUR
In de zomer van 429 staken de Vandalen, een Germaans volk, met de Alanen vanuit Spanje over naar Afrika. Volgens Possidius verwoestten ze steden en kerken en doodden ze geestelijken. Possidius schrijft dat van de vele kerken alleen die van Carthago, Hippo en Cirta overeind bleven. Dat klinkt als een overdrijving van iemand die alles zag instorten. Maar dat het land werd verwoest, staat vast.
Ook Hippo werd belegerd. In de stad zaten graaf Bonifatius met zijn troepen en veel vluchtelingen. Het beleg duurde volgens Possidius bijna veertien maanden. Andere bronnen spreken van achttien.
In die tijd schreef hij aan bisschop Honoratus dat geestelijken hun gemeente niet in de steek mogen laten, tenzij anderen hun werk kunnen voortzetten.
In de derde maand van het beleg kreeg hij koorts. Possidius vertelt dat er een man aan zijn bed kwam met een zieke verwant. Hij had gedroomd dat hij naar bisschop Augustinus moest gaan om hem de handen te laten opleggen. Augustinus zei dat hij, als hij zo’n kracht had, die eerst voor zichzelf zou gebruiken. Toen legde hij hem toch de handen op, en de zieke werd gezond. Dit verhaal kennen we alleen van Possidius. Hij schrijft er niet bij of hij het zelf zag.
De laatste weken beschrijft Possidius eenvoudig. Augustinus liet de boetepsalmen, psalmen waarin om vergeving wordt gevraagd, overschrijven en aan de muur hangen. Hij las ze vanuit bed en huilde. De laatste tien dagen wilde hij geen bezoek, alleen de artsen en wie hem eten bracht. Hij wilde bidden.
Op 28 augustus 430 stierf hij, in zijn zesenzeventigste levensjaar. Hij liet geen testament na. Hij bezat niets. Hij vroeg alleen of de bibliotheek van de kerk bewaard bleef voor wie na hem kwam.
EEN BIBLIOTHEEK IN EEN BRANDENDE STAD
De Vandalen brandden Hippo later plat. De kathedraal en de bibliotheek bleven gespaard. Zo bleven zijn boeken en brieven bewaard, en ruim driehonderdvijftig preken die als echt gelden. Hij hield er waarschijnlijk duizenden. In 1298 noemde paus Bonifatius VIII hem kerkleraar. Op 17 juli 1505 trad Maarten Luther in bij het augustijnenklooster in Erfurt. Rooms-katholieken, lutheranen, gereformeerden en evangelischen lezen hem nog altijd, elk met hun eigen accenten.
Ik heb dit hoofdstuk niet geschreven om van hem een held te maken. Hij liet de moeder van zijn zoon gaan, en hij steunde dwang tegen andere christenen. Hij heeft zijn eigen fouten zelf opgeschreven, en zo kennen we ze.
Possidius sluit zijn boek af met een opmerking. Wie Augustinus las, had er veel aan, schrijft hij. Maar wie hem had zien leven in die stad aan de kust, had er nog meer aan.
Wat zijn vriend als laatste beschreef, was een oude man in bed in een belegerde stad. Op de muur hingen psalmen. Hij las ze, en huilde.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 13 november 354 in Thagaste (Souk Ahras); studie in Carthago; zoon Adeodatus, geboren rond 372; jaren bij de manicheeërs; Rome (383) en Milaan (384), waar Ambrosius bisschop was; doop in Milaan in de paasnacht van 387 samen met Alypius en Adeodatus; dood van Monica in Ostia in het najaar van 387 (ook bevestigd door haar grafschrift, waarvan in 1945 een stuk werd gevonden); terugkeer naar Afrika in 388; wijding tot priester in Hippo in 391; bisschop vanaf 395 of 396; de conferentie met de donatisten in 411 en de dwangmaatregelen daarna; de strijd met Pelagius en Julianus; De stad van God na de plundering van Rome in 410, voltooid in 426; het beleg van Hippo door de Vandalen; zijn dood op 28 augustus 430.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de peren, de droom van Monica en de woorden van de bisschop over de zoon van haar tranen, de leugen aan de kust, de tuin met de vijgenboom en de kinderstem, het venstergesprek in Ostia en de laatste woorden van Monica (alle uit de Belijdenissen, ca. 397); het huilen bij zijn wijding, de psalmen op de muur en de genezing op zijn sterfbed (alle van Possidius, vriend en tijdgenoot, kort na 430); de reis van zijn stoffelijk overschot naar Sardinië en Pavia (latere overlevering).
Onbevestigd: het precieze sterfjaar van Adeodatus; het jaar van zijn bisschopswijding (395 of 396); de duur van het beleg (veertien of achttien maanden); de naam en verdere levensloop van de moeder van Adeodatus; de omvang van de verwoesting die Possidius beschrijft.
Duiding: of de kinderstem in de tuin een teken van God was, is een geloofsvraag. Historici discussiëren ook over hoeveel de bisschop van 397 zijn eigen verleden heeft gekleurd. Zijn latere steun voor dwang tegen de donatisten wordt door historici uit alle kerken kritisch bekeken.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Augustinus, Belijdenissen, boek 1 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 2 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 3 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 4 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 5 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 6 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 8 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 9 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 10 (New Advent)
- Possidius, Leven van Augustinus (tertullian.org)
- Catholic Encyclopedia, “St. Augustine of Hippo” (New Advent)
- Catholic Encyclopedia, “Adeodatus” (New Advent)
- Dictionary of African Christian Biography, “Adeodatus”
- Philip Schaff, History of the Christian Church, deel 3, over de donatisten (CCEL)
- Christianity Today, Christian History, “Augustine of Hippo”
- Encyclopaedia Britannica, “Saint Augustine”
- Wikipedia, “Augustine of Hippo”
- Wikipedia, “The City of God”
- Wikipedia, “Martin Luther”
- Fr. John Zuhlsdorf, “St. Monnica: put my body anywhere” (over het grafschrift in Ostia)
- Encyclopaedia Britannica, “Manichaeism”