De eerstegetuigen

Deel 1 · De eerste getuigen · Hoofdstuk 8

Patrick

de slaaf die terugging naar zijn ontvoerders

5e eeuwIerland

Ze droegen nog hun witte doopkleren. Op hun voorhoofd was nog de olie te zien waarmee ze gezalfd waren. Toen kwamen de soldaten. Sommigen werden met het zwaard gedood. De anderen werden weggevoerd om als slaaf verkocht te worden.

De man die hen gedoopt had, stuurde een priester met een brief achter de soldaten aan. Hij vroeg om de gevangenen terug en om de buit. De soldaten lachten om de boodschappers.

Daarna schreef hij een tweede brief, een open brief, voor iedereen die hem wilde horen. Hij noemde de soldaten van een zekere Coroticus geen medechristenen meer. Het waren in zijn woorden “medeburgers van demonen” (vrij vertaald). Hij vroeg gelovigen niet met hen te eten en hun giften te weigeren, tot ze boete deden en de gevangenen vrijlieten.

We kennen dit verhaal alleen uit die brief. Hij is bewaard gebleven, samen met één ander stuk van dezelfde hand: een terugblik op zijn leven die hij zelf zijn Confessio noemde, zijn belijdenis. Het zijn de enige twee teksten die we van hem hebben. Ze zijn geschreven door een man die later de beschermheilige van Ierland werd, met een feestdag op 17 maart. Om die man heen zijn in vijftien eeuwen veel verhalen gegroeid: over slangen, over een klaverblad, over een vuur op een heuvel. In dit hoofdstuk houd ik die verhalen apart. Eerst komt Patrick zelf aan het woord.

Wie hij was, begint bij zijn eigen eerste zin. Hij noemt zich een zondaar, een eenvoudige man van het platteland, de minste van alle gelovigen.

EEN DORP MET EEN NAAM DIE NIEMAND MEER KAN VINDEN

Patrick werd geboren in Brittannië, het Romeinse deel van het huidige Groot-Brittannië. Wanneer precies, weet niemand. In zijn eigen teksten staat geen enkel jaartal. Historici zeggen voorzichtig dat hij in de vijfde eeuw leefde, en verder komen ze niet met zekerheid.

Zijn vader heette Calpornius. Hij was diaken in de kerk, en volgens de brief aan Coroticus ook decurio, lid van het stadsbestuur. Zijn grootvader Potitus was priester. Patrick kwam dus uit een christelijke familie met wat aanzien. In de brief schrijft hij dat hij vrij geboren was en dat hij die adellijke positie had opgegeven voor anderen.

De familie woonde in Bannavem Taburniae. Waar dat lag, is een raadsel gebleven. Er zijn voorstellen gedaan voor Birdoswald bij de Muur van Hadrianus in Noord-Engeland, voor Banwen in het zuiden van Wales en voor plaatsen in Somerset. Geen ervan is overtuigend, schrijft de vertaler van de Royal Irish Academy. Een biograaf uit de zevende eeuw, Muirchú, noemde een plaats Nemthor, die later met Dumbarton in Schotland verbonden werd. Ook dat is onzeker.

Het was een wereld die aan het schuiven was. Het West-Romeinse rijk verloor greep. In 410 werd Rome geplunderd, en rond die tijd trokken de Romeinse legioenen weg uit Brittannië. Aan de overkant van de zee lag Ierland. Dat eiland was nooit deel geweest van het rijk. Er waren koningen en leiders van stammen, er waren slaven, en er waren rovers die over zee kwamen.

DE KLEINZOON VAN EEN PRIESTER

Veel geloof had Patrick als jongen niet, zo vertelt hij zelf. Hij kende de ware God niet, schrijft hij. Zijn familie luisterde niet naar de priesters die hen vertelden hoe ze behouden konden worden. Het klinkt vreemd uit de mond van de kleinzoon van een priester. Maar hij schrijft het zonder omwegen op.

Ergens in die jaren deed hij iets waar hij zich later voor schaamde. Wat het was, zegt hij nergens. Hij weet niet eens zeker hoe oud hij was. God weet het, schrijft hij, misschien was hij vijftien. Hij biechtte het later op aan een goede vriend, nog voor hij diaken werd. Die biecht zou dertig jaar later tegen hem gebruikt worden.

Rond zijn zestiende kwamen de rovers. Patrick werd met duizenden anderen meegenomen naar Ierland, schrijft hij. Hij zag het later als een straf die zijn volk verdiende, omdat het zich van God had afgekeerd. Of het om duizenden mensen ging, kunnen we niet nagaan. Het getal komt van hem.

HONDERD GEBEDEN OP EEN DAG

In Ierland werd hij herder. Hij hoedde het vee van een meester, zes jaar lang. Hoe dat meester heette en waar het precies was, schrijft hij niet. Latere biografen hebben er namen en plaatsen bij bedacht. Patrick zelf houdt het kort.

Wat hij wel beschrijft, is wat er in hem gebeurde. In die eenzaamheid groeide de liefde voor God, en ontzag voor Hem. Hij bad op één dag tot wel honderd keer, schrijft hij, en ’s nachts bijna net zo vaak. Hij stond voor zonsopgang op om te bidden, in sneeuw, ijs en regen.

Hier stap ik even naar voren. Een jongen van zestien, weggerukt bij zijn familie, als slaaf bij het vee van een vreemde. Uit die tijd komen geen klachten in zijn tekst. Hij vertelt alleen dat hij in die jaren God leerde kennen. Wat zou jij gezegd hebben, als je zo’n terugblik moest schrijven over de slechtste jaren van je leven?

“JE SCHIP LIGT KLAAR”

Na zes jaar hoorde hij in zijn slaap een stem. Zijn schip lag klaar, zei de stem. Het lag niet dichtbij, schrijft hij, maar ruim tweehonderd mijl verderop, op een plek waar hij nooit was geweest en niemand kende.

Hij vluchtte. Hij liep naar de kust en vond inderdaad een schip dat op het punt stond te vertrekken. De kapitein weigerde hem eerst mee te nemen. Daarna werd hij toch teruggeroepen, en hij mocht mee. Het waren heidenen, schrijft hij, mannen die God niet kenden.

Na drie dagen varen kwamen ze aan land. Daarna trokken ze achtentwintig dagen door onbewoond gebied. Het eten raakte op. Toen, zo vertelt hij, verscheen er een kudde varkens op de weg, vlak voor hun ogen. Ze aten, en ze kwamen weer op krachten.

Die nacht lag hij te slapen toen het voelde alsof er een enorm rotsblok op hem viel. Hij kon zich niet bewegen. Hij riep “Helias”, en toen de zon opkwam, viel het gewicht van hem af. Hij zag het als een aanval van Satan en als redding door Christus. Waar dit allemaal gebeurde, in welk land ze aan wal gingen, zegt hij niet. Of het verhaal over de varkens een wonder was of een gelukkige ontmoeting, laat ik aan de lezer. Patrick wist wat hij erin zag.

Hij vertelt nog dat hij later opnieuw gevangen werd genomen, en dat hij na zestig nachten weer vrij was. Ook hierover geeft hij geen plaats of naam.

EEN BRIEF UIT IERLAND

Uiteindelijk kwam hij weer bij zijn familie in Brittannië. Na alles wat hij had meegemaakt, smeekten ze hem nooit meer weg te gaan.

Toen kwam er een droom. Patrick zag een man die Victoricus heette, met brieven bij zich. Patrick las er een. Het was de stem van de Ieren. Terwijl hij las, hoorde hij mensen roepen die woonden bij het bos van Voclut, bij de westelijke zee. Ze riepen als met één stem: “We smeken je, heilige jongen, kom en wandel weer onder ons” (vrij vertaald).

Het bos van Voclut is nooit met zekerheid gevonden. Wie Victoricus was, weten we evenmin. We hebben alleen Patricks eigen verslag, opgeschreven tientallen jaren later.

Maar dit is het hart van zijn leven. Een man die als slaaf uit Ierland was weggevlucht, hoorde in een droom dat de Ieren hem terugriepen. Zijn familie wilde hem houden. Later schrijft hij dat hem veel geschenken werden aangeboden, met verdriet en tranen, om hem tegen te houden. Hij nam ze niet aan.

EEN ONGESCHOOLDE MAN TUSSEN GELEERDEN

Hoe Patrick daarna priester en bisschop werd, vertelt hij nauwelijks. Hij noemt in het voorbijgaan dat hij diaken werd, en in de brief aan Coroticus dat hij bisschop in Ierland was. Waar hij zich voorbereidde, wie hem wijdde en in welk jaar hij vertrok: het staat er niet.

Wat er wel staat, is hoe hij zichzelf zag. Hij noemt zich ongeschoold, een eenvoudige man van het land, een vluchteling. Zijn woorden waren, schrijft hij, als het ware vertaald in een vreemde taal. Anderen hadden een goede opleiding gehad. Hij niet, en dat voelde hij als hij schreef.

Geleerden zijn het niet eens over zijn Latijn. Christine Mohrmann vond het volkstaal, zoals het in die eeuw in Gallië gesproken werd. David Howlett meende juist een doordachte opbouw te zien, zoals in de Psalmen. Kelly schrijft op de site van de Royal Irish Academy dat er geen overeenstemming is.

Muirchú, die in de zevende eeuw over Patrick schreef, wist er meer van. Volgens hem woonde Patrick dertig of veertig jaar bij bisschop Germanus in Auxerre, in het huidige Frankrijk. Dat verhaal staat ver van wat Patrick zelf schrijft, en Britannica noemt hooguit een kort bezoek aan het vasteland, en ook dat met een slag om de arm.

ER WAS ER AL EEN GESTUURD

Patrick was niet de eerste bisschop voor Ierland. Dat weten we uit een bron van buiten. Prosper van Aquitanië, een christelijke schrijver in Gallië, hield een kroniek bij. Onder het jaar 431 noteerde hij dat paus Celestinus een man genaamd Palladius had gewijd en als eerste bisschop had gestuurd naar de Ieren die in Christus geloofden. Prosper schreef dit rond 447.

Het betekent dat er in 431 al christenen in Ierland waren. Misschien waren het slaven uit Brittannië, zoals Patrick zelf er een geweest was. Misschien handelaars. De bron zegt het niet.

Wat er van Palladius werd, vertellen latere levens elk op een eigen manier. Hij zou slecht ontvangen zijn, een paar kerken gesticht hebben, vertrokken zijn of gestorven. De Catholic Encyclopedia zet die versies naast elkaar en ze passen niet in elkaar. De Ierse geschiedschrijver T. F. O’Rahilly stelde in 1942 voor dat later veel verhalen over Palladius op naam van Patrick zijn gezet. Die theorie is niet bewezen.

De Ierse annalen, jaarboeken die pas vanaf de zesde eeuw werden samengesteld, laten Patrick in 432 aankomen. Historici denken dat dit jaartal Patrick groter en Palladius kleiner moest maken. Voor zijn dood geven dezelfde annalen 457, 461 of 492 en 493. De historicus E. A. Thompson vond geen van die data betrouwbaar. Ik noem ze daarom niet als feit. Patrick werkte in Ierland, ergens in de vijfde eeuw, en daar laat ik het bij.

TOT WAAR NIEMAND MEER WOONDE

Over zijn werk in Ierland schrijft Patrick als iemand die verbaasd terugkijkt. Een volk dat volgens hem alleen afgoden had gediend, was het volk van God geworden. Hij spreekt van vele duizenden mensen die hij gedoopt had. Dat getal komt van hem en is door niemand anders geteld.

Hij beschrijft zonen en dochters van Ierse leiders die monnik werden of als maagd hun leven aan Christus gaven. Een van hen was een adellijke vrouw die hij zelf doopte. Vaders verzetten zich daartegen en vervolgden hun dochters, schrijft Patrick. Slavinnen die gelovig werden, leefden onder angst en bedreiging.

Hij reisde naar streken waar niemand ooit was geweest om te dopen, tot plekken waar verder niemand meer woonde. Hij noemt het werk van God. Hij haalt de woorden van Jezus aan: En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken (Mattheüs 24:14). Voor iemand in de vijfde eeuw was Ierland de rand van de bekende wereld. Daar stond hij.

Het werk was gevaarlijk. Hij noemt twaalf keer dat zijn leven in gevaar was. Hij gaf geschenken aan koningen en betaalde rechters, bij elkaar zoveel als de prijs van vijftien mensen, schrijft hij. Dat hield niet alles tegen. Eens werd hij gevangen genomen en in ijzer geslagen. Op de veertiende dag kwam hij vrij.

Hij hield zijn handen schoon van geld. Als vrouwen hun sieraden op het altaar legden, gaf hij ze terug. Wie kon aantonen dat hij zich ooit had laten betalen, mocht het zeggen, schrijft hij. Dan zou hij het teruggeven, en meer.

Hij had graag zijn familie in Brittannië weer gezien, en de broeders in Gallië. Maar hij voelde zich gebonden door de Geest, schrijft hij, en bleef.

DERTIG JAAR LATER

Waarom schreef Patrick zijn Confessio? Het antwoord zit in een pijnlijke geschiedenis. Een aantal oversten in de kerk, geestelijken in Brittannië, stelde zijn geschiktheid als bisschop ter discussie. Ze haalden iets aan wat hij als jongen gedaan had, de zonde van zijn vijftiende jaar. Hij had het lang geleden opgebiecht. Nu, dertig jaar later, kwam het op tafel.

Wie had het verteld? Een zeer dierbare vriend. De man aan wie hij het in vertrouwen had gezegd en die hem toen van harte had vergeven. Patrick was er niet bij toen het besproken werd.

Hij schrijft er zonder haat over, maar met verdriet. Die nacht kreeg hij in een droom te horen dat God het niet goed vond dat hij zo zijn goede naam verloor. Hij verdedigde zich in zijn Confessio niet met argumenten. Hij vertelde zijn leven. Kijk wat God gedaan heeft, is de strekking. Dat was zijn verweer.

Hoe die zaak afliep, weten we niet. Ook niet wie de oversten waren. Kelly wijst erop dat de Confessio meer is dan een verdediging: het is ook een loflied, een belijdenis van wat God deed.

WITTE KLEREN

De brief aan Coroticus is waarschijnlijk eerder geschreven dan de Confessio, maar wanneer precies, weet niemand. Britannica houdt het op ergens tussen 451 en 496, omdat Patrick de Franken nog heidenen noemt.

Wie Coroticus was, is ook onzeker. Het kan een heerser van Strathclyde geweest zijn, het gebied rond Dumbarton in het huidige Schotland, of een Welse vorst met de naam Ceretic. Patrick noemt zijn soldaten bondgenoten van de afvallige Schotten en Picten. Het pijnlijke voor Patrick was dat het mensen van zijn eigen kant waren: christenen uit Brittannië die christenen uit Ierland verkochten.

Hij zet er een beeld tegenover. In Gallië, schrijft hij, stuurden christenen mannen met grote sommen geld naar de Franken om gedoopte gevangenen vrij te kopen. Coroticus deed het omgekeerde. Hij doodde ze of verkocht ze aan volken die God niet kenden.

Een voormalige slaaf die opkomt voor mensen die als slaaf worden verkocht. Het is zijn eigen verleden dat hier meeschrijft. Hij noemt zichzelf nu een slaaf van een vreemd volk, vrijwillig, omwille van Christus. Hetzelfde volk, voegt hij eraan toe, dat hem ooit gevangen had genomen.

Aan het einde vraagt hij of de brief hardop voorgelezen mag worden, ook in aanwezigheid van Coroticus zelf. Hij hoopte dat de man zich zou bekeren en de gevangen vrouwen zou laten gaan. Of dat gebeurde, weten we niet.

SLANGEN, EEN KLAVERBLAD EN EEN VUUR OP EEN HEUVEL

Na zijn dood verdween Patrick uit beeld. Rond 613 schreef de Ierse monnik Columbanus een brief aan paus Bonifatius IV over het christendom in Ierland, en daarin noemt hij Patrick niet. Pas in de tweede helft van de zevende eeuw schreven Muirchú en Tírechán over hem. Muirchú deed het op verzoek van Áed, bisschop van Sletty. Ze schreven zo’n anderhalve eeuw na Patricks dood, misschien later. Hun teksten zijn bewaard in het Book of Armagh, in een kopie uit 807.

Bij Muirchú staan de grote scènes die nu het bekendst zijn. Patrick die op Paasavond een vuur aansteekt, terwijl koning Lóegaire bij Tara verboden had dat iemand een vuur ontstak voor het zijne. De druïden die tegen hem strijden en sterven. De partij van Patrick die voor de soldaten van de koning verandert in herten. Armagh, in het huidige Noord-Ierland, dat hij krijgt van een man die Dáire heette. Zijn dood op 17 maart, op honderdtwintigjarige leeftijd. Tírechán vertelt dat hij veertig dagen vastte op de berg die nu Croagh Patrick heet. Het zijn verhalen uit hagiografie, levens van heiligen die geschreven werden om te eren, niet om na te rekenen.

Het verhaal over de slangen komt nog veel later. Muirchú noemt ze niet. Ierland heeft ook nooit slangen gehad, zegt Nigel Monaghan van het Nationaal Museum van Ierland. Een Romeinse schrijver, Solinus, merkte dat in de derde eeuw al op. Het verhaal dat Patrick ze in zee joeg, staat voor het eerst bij Jocelin van Furness en Gerald of Wales, in de twaalfde eeuw.

Het klaverblad, waarmee Patrick de Drie-eenheid uitgelegd zou hebben, komt nog later. De eerste vermelding staat in het dagboek van Thomas Dineley uit 1681. Gedrukt werd het verhaal pas in 1726, door de plantkundige Caleb Threlkeld, die het een gangbare overlevering noemde.

En dan het gebed dat bekendstaat als Patrick’s Breastplate, het borstharnas. Het is een prachtige tekst. Taalkundigen dateren hem op grond van het Iers in het begin van de achtste eeuw, lang na Patrick. Hij staat in een Ierse hymnenbundel uit de elfde eeuw, die erbij vertelt dat Patrick het zong toen Lóegaire hem een hinderlaag legde. Patrick heeft het niet geschreven.

Wie van die legenden houdt, hoeft ze niet weg te gooien. Ze vertellen hoe Ieren later naar hun heilige keken. Maar ze zijn niet van hem.

ZIJN LAATSTE WOORDEN

Waar Patrick stierf, en wanneer, weten we niet. Muirchú laat hem begraven worden in Dún Lethglaisse, het huidige Downpatrick in Noord-Ierland, en vertelt van een gevecht tussen stammen om zijn lichaam. Britannica noemt Saul, vlakbij. Dat zijn graf in de kathedraal van Down ligt, is nooit bewezen.

Zijn feestdag is 17 maart, en Ierland eert hem als beschermheilige. Ik merk dat zijn Confessio christenen uit heel verschillende kerken raakt. Wie hem leest, vindt een man die de Bijbel kende en God persoonlijk leerde kennen.

Zelf eindigt hij zijn Confessio niet met een overwinning. Hij vraagt de lezer die zijn tekst in handen krijgt om niet te denken dat wat er gebeurde, door hem kwam. Het was een gave van God, schrijft hij. En dan, als laatste zin, de woorden van een oude man die weet dat zijn tijd kort is: “Dit is mijn belijdenis voordat ik sterf” (vrij vertaald naar de CCEL-vertaling).

Daarna niets meer. Een herder die bad in de sneeuw, een bisschop aan de rand van de wereld, en een stapel perkament die eeuwen later nog werd overgeschreven, tot hij bij ons kwam.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de Confessio en de brief aan Coroticus worden door historici aanvaard als Patricks eigen teksten; hij leefde in de vijfde eeuw en werkte als bisschop in Ierland; in 431 stuurde paus Celestinus Palladius als eerste bisschop naar de Ierse christenen (Prosper van Aquitanië, rond 447); Ierland lag buiten het Romeinse rijk; Muirchú en Tírechán schreven in de tweede helft van de zevende eeuw, hun teksten staan in het Book of Armagh (kopie uit 807).

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn familie (Calpornius, Potitus) en Bannavem Taburniae; de ontvoering rond zijn zestiende met duizenden anderen; zes jaar herder en honderd gebeden per dag; de stem over het schip, de reis, de varkens en de nacht met het rotsblok; de droom van Victoricus; de duizenden dopelingen (zijn eigen getal); de gevangenschap van veertien dagen; de beschuldiging na dertig jaar; de moord op de pasgedoopten door de soldaten van Coroticus. Uit latere hagiografie: het verblijf bij Germanus in Auxerre, het paasvuur en Lóegaire, de herten, Armagh als schenking van Dáire, de veertig dagen op Croagh Patrick, de dood op 17 maart op 120-jarige leeftijd en de strijd om zijn lichaam.

Onbevestigd: alle jaartallen van zijn leven (432 als aankomst; 457, 461 of 493 als sterfjaar); de plaats van Bannavem Taburniae, het bos van Voclut en zijn graf; wie Coroticus was; de theorie van O’Rahilly dat verhalen over Palladius aan Patrick zijn gehecht.

Legende, niet van Patrick: het verdrijven van de slangen (twaalfde eeuw); het klaverblad als uitleg van de Drie-eenheid (eerste vermelding 1681, gedrukt 1726); St. Patrick’s Breastplate (begin achtste eeuw).

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Patrick, Confessio, Engelse vertaling (Royal Irish Academy, confessio.ie)
  2. Patrick, Brief aan de soldaten van Coroticus, Engelse vertaling (confessio.ie)
  3. Patrick, The Confession of St. Patrick (CCEL)
  4. David Kelly, “St Patrick’s Writings: Confessio and Epistola” (confessio.ie)
  5. Muirchú, Leven van Patrick, vertaling L. Bieler (confessio.ie)
  6. Britannica, “Saint Patrick”
  7. Catholic Encyclopedia, “Palladius” (New Advent)
  8. Christian History Institute, “Patrick’s Own Tale”
  9. Wikipedia, “Saint Patrick” (met verwijzingen naar Ó Cróinín, Thompson, Flechner, O’Rahilly)
  10. Wikipedia, “Muirchú moccu Machtheni”
  11. Wikipedia, “Saint Patrick’s Breastplate”
  12. National Geographic, “Snakeless in Ireland”
  13. History.com, “Did St. Patrick Really Drive the Snakes Out of Ireland?”
  14. Edward Worth Library, “Shamrocks” (maart 2014)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel